Helaas! neen. Terwijl Marieken zoo heel veel dacht aan Justus, was
Justus al minder en minder gaan denken aan Marieken, en al meer en
meer....
_AAN MARY._
_Licht van mijn oogen,
Ster in mijn nacht,
Vlam van mijn leven,
'k Zing van uw pracht._
_Bleek wordt Aurora,
Kleurloos en mat,
Treedt gij naar buiten,
Zon op mijn pad!_
_Lustig als Zefir
Zweeft er uw tred:
Bloemen ontluiken
Waar gij hem zet._
_Frisscher geen dauwdrup,
Slanker geen ree,
Blanker geen parel.
Diepst uit de zee._
_Goud zijn uw tressen,
Glans is uw oog,
Stralend als Venus
Mild van omhoog._
_Rozen uw lippen,
Leliën uw hals,
Golven uw boezem,
Zwoegend en malsch._
_Jaagt mij uw aanblik
Vuur door het bloed,
Steekt mij uw lonken
Laai in een gloed--_
_Ziedend verlangen!
Zalige pijn!
Jonkvrouw, erbarm u!
Mary, wees mijn!--_
Ziedaar van Justus' minneliederen de eersteling. De talloos vele die er
volgden, in alle maten en op alle voeten--ik spaar ze mijnen lezer. Dit
ééne staaltje kan intusschen doen blijken, dat de hartstocht van onzen
vriend niet juist een platonisch karakter droeg, en dat hij al terstond
als met den stormpas op Amor's duursten prijs afwilde. Er zijn ridders
die zich reeds den hemel te rijk voelen, wanneer Dulcinea de weergalooze
hun veroorlooft eenen handschoen voor haar van den grond te rapen, of
hen begenadigt met een hoofdknikje ten antwoord op hunnen nederigsten
groet. Van deze stroopbloedige soort had Justus Eykendaal tot vervelens
gelezen; maar hij behoorde tot haar geenszins. Veeleer mocht hij
vergeleken worden bij die Orlando Furioso's onder Ero's vanen, wier
leuze luidt: »alles of niets!"--Trouwens, het uiterlijke wezen
der schoone Mary mocht wèl in eenen bewonderaar eenig ongeduld
rechtvaardigen. Zelfs de bezadigde blik, dien wij uit dezen afstand van
jaren (zij moet thans de vijftig naderen) op de jonge dame werpen
willen, zal ons dit doen erkennen.
Mary was de éénige dochter van een bemiddeld Hillegersbergsch wethouder
en notaris, wiens buitengoed slechts door eene smalle sloot gescheiden
was van het erf der weduwe, Justus' hospita. Herlezen wij de
hierboven aangehaalde coupletten, dan vinden wij de oogen der maagd
gecatalogiseerd als avondstarren, en haren tressen als klinkklaar goud.
In waarheid prijkte zij met mooi blond haar en met een paar heldere
bruine kijkers. De vergelijking van hare lippen met rozen, van haren
hals met leliën en van haar welig ontwikkeld bovenlijf met de golven der
zee, kon insgelijks, hoe weinig oorspronkelijk ook, er tamelijk wel mee
door. Alleenlijk ware er tegen den versregel »_slanker geen ree_" eenige
critische bedenking te opperen geweest. En gaan wij terug tot de derde
strophe, dan moet ik zeer stellig protest aanteekenen tegen het beweren
des dichters, dat er bloemen ontloken ter plaatse waar Mary hare voetjes
zette. _Magna est veritas et proclamavit!_ zooals meester Pieter van
Meppen zou hebben gezegd. Het strookt veeleer met de nuchtere _veritas_,
dat elk bloempje reddeloos geknakt en verpletterd den geest moet gegeven
hebben, na het geluk te hebben gesmaakt van met den onderkant dier
voetjes in aanraking gekomen te zijn. Want mocht Mary's tred eenen
minzieken jonkman zwevende gelijken--een zefir was Mary niet.
Integendeel: het stoffelijk gewicht van haar bevallig kopje en mollige
schouders, van hare ronde armen en rijzige gestalte--kortom van hare
bekoorlijkheden gezamenlijk, moet lang niet onaanzienlijk zijn geweest.
Zoo wij dus onzen poëet hier betrappen op eene verregaande dichterlijke
onnauwkeurigheid--over het geheel kunnen wij hem nageven dat hij flink
uit de oogen had gekeken, en dat zijne gevleugelde beschrijving van het
meisje in menig opzicht der werkelijkheid getrouw was. Mary mocht
inderdaad een toonbeeld heeten van die weelderige blondinen--blanke,
bloedrijke dochteren van den zeewind en de vochtige aarde--, met welke
het aan frissche vrouwen zoo vruchtbaar Nederland den palm behaalt boven
zijne nabuurlanden. Half steedsch en half boersch, half fier en half
lokkend, met eenen gullen, ietwat dartelen lach steeds gereed om de
rijpe lippen en in de vroolijke oogen, was zij juist het slag van
schoone, waarvoor een gezonde achttienjarige jonkman in eenen draf zijn
zieleheil zou hebben willen verspelen. Dat zij, strikt berekend, vier
jaren en zes maanden vroeger dan hij het levenslicht aanschouwde, gold
natuurlijk in Justus' oog als eene aantrekkelijkheid te meer slechts.
Eene eerste liefde heeft ook dit éénige, dat de knaap, onbewust, in de
aangebedene nog iets terug wil vinden van zijne moeder.
* * * * *
En thans, nu gij mejuffrouw Mary geschetst zaagt in rijm en in onrijm,
met de bezielde ganzeveder van den aanbidder, en met de koel ontledende
stalen pen van den geschiedschrijver--kan het thans u wonderen, lezer,
dat mijn ondermeester, die in sage en kroniek zooveel sterke ridders
had zien zwichten voor Cupido's dwingelandij--dat Justus, zeg ik,
zelf door het godje deerlijk aangeschoten, niet sterker poogde te zijn
dan al die helden in het staal, maar weerstandloos zich aan zijnen
hartstocht prijsgaf?--Werd ook zijne vlam niet onophoudelijk gevoed en
aangewakkerd? Zag hij niet elken ochtend, vóór hij schoolwaarts ging,
terwijl hij aan zijn venstertje over zijne vierkantsvergelijkingen zat
te broeden--zag hij de hemelsche niet door den tuin trippelen, om hare
witte eendjes in den vijver mee te laten eten van hare boterham? Was
zij niet verleidelijk als Venus dan, in haar lichtgeel ochtendgewaad
met bessensapkleurige moesjes, de voeten in roode muiltjes gestoken,
de gulden lokkenschat tegen regen of zonnesteken beschut door eene
hemelsblauwe parasol?--En 's avonds, als zij met haar borduurwerk in
het priëel kwam zitten aan den waterkant, blijkbaar om welgevallig te
luisteren naar de zoet verliefde nachtegaal-tonen, die Justus ontlokte
aan zijne klarinet (want Justus, ik vergat nog het mee te deelen,
beoefende naast de dichtkunst ook de toonkunst: hij bespeelde het
kerkorgel voor den hemel, en blies de klarinet voor de aarde)--'s avonds
dan, als zij daar meemijmerde in de stille schemering, een enkel maal
zelfs--o, hij had zich niet vergist!--dankbaar opblikkend naar het van
wijnloof omkranste venster, waaruit de zachte melodieën haar zoo
schuchter tegentrilden--was zij niet nóg bekoorlijker dan, zoo
mogelijk?--
Zotte vragen!--Alsof mijn held het antwoord er op zou hebben afgewacht!
Alsof hij niet veeleer geloofd zou hebben dat er champagner voor water
stroomde door de Rotte, dan dat Mary minder schoon dan de schoonste,
Mary minder engelachtig dan de engelen was! Een schilder mocht haar voor
een model van de uit zeeschuim verrezene wat te plomp van voet en wat
te rossig van wangen geoordeeld hebben; een menschenkenner mocht met
eenen oogopslag zijnen blik hebben geboord in de leegte van haar brein
en in de ijdelheid van haar hart--: voor Justus was Mary Aphrodite--voor
Justus was Mary Madonna.