VI.

Het liep zooals Marieken voorzien had. Nadat de heer Pieter van Meppen

de zon had laten ondergaan en opkomen over zijnen toorn, voelde hij

dien aanmerkelijk bekoeld, en was hij innerlijk zeer verblijd, toen hij,

den volgenden ochtend de school binnentredende, Justus als naar gewoonte

reeds bezig vond met de kinders den gebruikelijken lofzang uit te blaten

ter inwijding van den nieuwen dag. De meester deed wel zijn best

om uitermate grimmig te kijken, zoodat menig wichtje zijne ooren al

voelde tintelen--maar overigens toonde hij door taal noch teeken dat

er tusschen hem en zijnen trawant iets ongewoons was voorgevallen. Wat

Justus betreft, ook hij hield zich voortreffelijk in zijne rol. Met

onbevangen blik stond hij daar achter zijnen lessenaar, de maat slaande

met zijne lange liniaal, en uit volle borst meezingende:

_Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid,

Waarmee 'k tot God genake,

Als 't morgenlicht zijn stralen spreidt

En ik verkwikt ontwake._

Intusschen, terwijl aldus de ééne helft van het banvonnis over Justus

stilzwijgend herroepen werd, kwam de andere des te onverbiddelijker tot

voltrekking. Het jonge mensch mocht blijven in de school--doch moest

opdoeken uit de woning van Marieken's vader. Zóó was--en wijselijk--door

Van Meppen besloten. De bedachtzame man oordeelde dat het méér dan tijd

was om tusschen zijnen romanesken ondermeester en zijn sentimenteel

dochtertje eenen scheidsmuur te stellen. »Waar het moederoog ontbreekt,

daar past den vader dubbele waakzaamheid"--aldus bepleitte hij in de

societeit dezen, van zijn standpunt trouwens volmaakt verdedigbaren,

maatregel. Eene week daarna zag men dus Justus Eykendaal gepakt en

gezakt een achterkamertje betrekken bij eene weduwvrouw, wier huisje

even buiten de kom van het dorp aan den straatweg gelegen was.

Met deze schikking had Van Meppen juist bereikt wat hij beoogde: dit

namelijk, dat er bij den dichterlijk-broederlijken omgang tusschen

Justus en Marieken ééns voor goed een stokje was gestoken. Justus ging

voortaan van zijn kamertje naar de school, en van de school naar zijn

kamertje, waar hij blokte voor zijn examen. De twee zagen elkaar

dus weinig meer; en het samen lezen, het samen wandelen, het samen

droomen--'t was uit er mee! Uit als met het schuitjevaren en het stoeien

in het groen: uit als met de lieve, onnadenkende vertrouwelijkheid!

Viel den jongeling deze scheiding aanvankelijk bitter, aan den anderen

kant smaakte hem de pas verworvene zelfstandigheid als het manneken in

het versje de perzik. Hij behield ook altoos zijne beminde boeken nog

naast zich. Hij kon afleiding zoeken in het verkeer met anderen. Hij

was jong en sterk, vol zelfvertrouwen--hij voelde zich =man= worden,

en zag de wereld voor zich opengaan, veel wijder nog dan het land der

sprookjes, veel rijker nog dan al de tooverpaleizen van Sheherezade.

Wie treurt er lang, om wat ook, wanneer hem het eerste dons begint te

krullen om de lippen?

Doch met Marieken was het anders. Voor haar was met den vriend =alles=

uit de vreugdelooze vaderlijke woning heengegaan. Voor haar geene

vrijheid, maar eene steeds enger wordende gevangenschap; geene

verstrooiing, maar immer strengere ontzegging van genot. Geene

toekomst die haar vleide, geen horizon die zich haar ontsloot.

Integendeel: de wondertuin der phantasie, welken zij aan Justus' hand

was binnengetreden, scheen haar thans een verloren paradijs, dat verder

en verder van haar terugweek. Sleur was haar heden, sleur zou haar

morgen zijn. Gansch haar leven was haar eene leegte geworden.

Gij jonge heeren der schepping, die onbelemmerd uwe wieken rept--in

aether, in modder, al naar het u behaagt--hoort toe! Als gij genoeg

naar hartelust gefladderd hebt, laat dan uwe oogen vallen op een braaf

burgerkind, en neemt haar eerlijk tot uwe vrouw, en maakt haar recht

gelukkig! Tien tegen één, dat gij eene slavin verlost zult hebben uit

eenen kerker. Let op hoe dankbaar zij u wezen zal, wanneer gij ook haar

eens laat meeproeven uit den beker der jeugd: wanneer gij ook haar

vergunt de arme, zoo lang geknotte vleugels eens uit te slaan in de

vrije, frissche wereld!

* * * * *

Justus, zeide ik, was druk aan het blokken getogen voor zijn

onderwijzers-examen; en daar hij vlug van leeren was, zoo vorderde hij

aardig hiermede. Nog veel vlugger evenwel, dan in Strootman en Baudet,

schoot hij op in eene kunst, die haren beoefenaars nooit anders dan

verdriet gebaard heeft: het bekladden namelijk van goed papier met

slechte verzen--en wel (wat de zaak niet beter maakt) verzen van zeer

beslist erotischen aard. Justus, in wien waarlijk een dichter stak,

zoolang hij maar geen poëet wilde wezen--Justus was »in 't rijm

vergaan"! Justus schreef minnezangen!

Dit mocht voorzeker treurig heeten. Edoch, mijne vrienden! wie uwer, in

eigen boezem getast hebbende, durft deswege den eersten steen werpen op

mijn ondermeesterken? Wie zelfs kan, met de hand op het hart, betuigen

dat hij behoed bleef voor een nog veel grooter kwaad, aan hetwelk mijn

bescheiden held zich althans niet bezondigde: het neerschrijven niet

slechts, maar het aan den medemensen mee te slikken geven van de

overkookselen zijner dichtaar?--

Die minnezangen nu--aan wie waren zij gericht?

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 15 / 24 题