Het liep zooals Marieken voorzien had. Nadat de heer Pieter van Meppen
de zon had laten ondergaan en opkomen over zijnen toorn, voelde hij
dien aanmerkelijk bekoeld, en was hij innerlijk zeer verblijd, toen hij,
den volgenden ochtend de school binnentredende, Justus als naar gewoonte
reeds bezig vond met de kinders den gebruikelijken lofzang uit te blaten
ter inwijding van den nieuwen dag. De meester deed wel zijn best
om uitermate grimmig te kijken, zoodat menig wichtje zijne ooren al
voelde tintelen--maar overigens toonde hij door taal noch teeken dat
er tusschen hem en zijnen trawant iets ongewoons was voorgevallen. Wat
Justus betreft, ook hij hield zich voortreffelijk in zijne rol. Met
onbevangen blik stond hij daar achter zijnen lessenaar, de maat slaande
met zijne lange liniaal, en uit volle borst meezingende:
_Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid,
Waarmee 'k tot God genake,
Als 't morgenlicht zijn stralen spreidt
En ik verkwikt ontwake._
Intusschen, terwijl aldus de ééne helft van het banvonnis over Justus
stilzwijgend herroepen werd, kwam de andere des te onverbiddelijker tot
voltrekking. Het jonge mensch mocht blijven in de school--doch moest
opdoeken uit de woning van Marieken's vader. Zóó was--en wijselijk--door
Van Meppen besloten. De bedachtzame man oordeelde dat het méér dan tijd
was om tusschen zijnen romanesken ondermeester en zijn sentimenteel
dochtertje eenen scheidsmuur te stellen. »Waar het moederoog ontbreekt,
daar past den vader dubbele waakzaamheid"--aldus bepleitte hij in de
societeit dezen, van zijn standpunt trouwens volmaakt verdedigbaren,
maatregel. Eene week daarna zag men dus Justus Eykendaal gepakt en
gezakt een achterkamertje betrekken bij eene weduwvrouw, wier huisje
even buiten de kom van het dorp aan den straatweg gelegen was.
Met deze schikking had Van Meppen juist bereikt wat hij beoogde: dit
namelijk, dat er bij den dichterlijk-broederlijken omgang tusschen
Justus en Marieken ééns voor goed een stokje was gestoken. Justus ging
voortaan van zijn kamertje naar de school, en van de school naar zijn
kamertje, waar hij blokte voor zijn examen. De twee zagen elkaar
dus weinig meer; en het samen lezen, het samen wandelen, het samen
droomen--'t was uit er mee! Uit als met het schuitjevaren en het stoeien
in het groen: uit als met de lieve, onnadenkende vertrouwelijkheid!
Viel den jongeling deze scheiding aanvankelijk bitter, aan den anderen
kant smaakte hem de pas verworvene zelfstandigheid als het manneken in
het versje de perzik. Hij behield ook altoos zijne beminde boeken nog
naast zich. Hij kon afleiding zoeken in het verkeer met anderen. Hij
was jong en sterk, vol zelfvertrouwen--hij voelde zich =man= worden,
en zag de wereld voor zich opengaan, veel wijder nog dan het land der
sprookjes, veel rijker nog dan al de tooverpaleizen van Sheherezade.
Wie treurt er lang, om wat ook, wanneer hem het eerste dons begint te
krullen om de lippen?
Doch met Marieken was het anders. Voor haar was met den vriend =alles=
uit de vreugdelooze vaderlijke woning heengegaan. Voor haar geene
vrijheid, maar eene steeds enger wordende gevangenschap; geene
verstrooiing, maar immer strengere ontzegging van genot. Geene
toekomst die haar vleide, geen horizon die zich haar ontsloot.
Integendeel: de wondertuin der phantasie, welken zij aan Justus' hand
was binnengetreden, scheen haar thans een verloren paradijs, dat verder
en verder van haar terugweek. Sleur was haar heden, sleur zou haar
morgen zijn. Gansch haar leven was haar eene leegte geworden.
Gij jonge heeren der schepping, die onbelemmerd uwe wieken rept--in
aether, in modder, al naar het u behaagt--hoort toe! Als gij genoeg
naar hartelust gefladderd hebt, laat dan uwe oogen vallen op een braaf
burgerkind, en neemt haar eerlijk tot uwe vrouw, en maakt haar recht
gelukkig! Tien tegen één, dat gij eene slavin verlost zult hebben uit
eenen kerker. Let op hoe dankbaar zij u wezen zal, wanneer gij ook haar
eens laat meeproeven uit den beker der jeugd: wanneer gij ook haar
vergunt de arme, zoo lang geknotte vleugels eens uit te slaan in de
vrije, frissche wereld!
* * * * *
Justus, zeide ik, was druk aan het blokken getogen voor zijn
onderwijzers-examen; en daar hij vlug van leeren was, zoo vorderde hij
aardig hiermede. Nog veel vlugger evenwel, dan in Strootman en Baudet,
schoot hij op in eene kunst, die haren beoefenaars nooit anders dan
verdriet gebaard heeft: het bekladden namelijk van goed papier met
slechte verzen--en wel (wat de zaak niet beter maakt) verzen van zeer
beslist erotischen aard. Justus, in wien waarlijk een dichter stak,
zoolang hij maar geen poëet wilde wezen--Justus was »in 't rijm
vergaan"! Justus schreef minnezangen!
Dit mocht voorzeker treurig heeten. Edoch, mijne vrienden! wie uwer, in
eigen boezem getast hebbende, durft deswege den eersten steen werpen op
mijn ondermeesterken? Wie zelfs kan, met de hand op het hart, betuigen
dat hij behoed bleef voor een nog veel grooter kwaad, aan hetwelk mijn
bescheiden held zich althans niet bezondigde: het neerschrijven niet
slechts, maar het aan den medemensen mee te slikken geven van de
overkookselen zijner dichtaar?--
Die minnezangen nu--aan wie waren zij gericht?