V.

Zijn interdictum tegen den ongelukkigen ondermeester geslingerd

hebbende, aanvaardde met opgegeven hoofd, brieschende neusgaten en den

tred eens veldmaarschalks, de heer Pieter van Meppen den terugtocht door

het elzenboschje, zijn dochtertje met ijzeren greep nà zich sleepende.

Justus bleef dus alleen in het schuitje--alleen met zijne grimmigheid.

Hij zag den handkus niet, dien Marieken hem toewierp terwijl zij

tusschen het gebladerte verdween. Niets zag hij, dan den hoon hem

aangedaan. Hij balde de vuisten, hij rolde wild met de oogen. Toen,

over de riemen zich buigend als een galeislaaf, deed hij het onzalige

pleiziervaartuigje heenscheren naar de overzijde van den plas, waar hij

het aan den eigenaar terug te bezorgen en de huur er voor nog te betalen

had.... Ziet hem roeien! Hoe zweepten de spanen het water tot schuim!

Te drommel, wie had er achter den stillen jongen zóóveel spierkracht

vermoed en zóóveel vuur?.... Maar hij was dan ook door en door boos. Het

kookte hem in zijn binnenste, minder, weet ge, om Van Meppen's redeloos

uitvallen tegen hemzelven, dan wel om de lastertaal, ja, de blasphemie

van dien man tegen Undine, Hildegarde en heel de Germaansche dichter-

en sprokenwereld. Ha! smaad op hemzelven deerde hem minder. Maar dit

schimpen op zijn heiligdom, dát was te veel geweest!--Dienzelfden avond

nog wilde hij zijne gansche wereldsche have zich op den nek laden, en

elders eerst een nachtverblijf, vervolgens eene betrekking gaan zoeken.

Met dit voornemen bezield, kwam hij thuis, waar Marieken hem over den

drempel te gemoet ijlde. Zij hunkerde naar hem. Haar vader was op de

societeit zijne verontwaardiging wat gaan verzetten. Nu konden zij

vrijuit praten.

»Justus!" begon het meisje, hem hare handen op de schouders leggende:

»Justus, je zult niet gaan!"

»Toch, kind, toch! toch!" antwoordde de jongeling met gemaakte kalmte:

»Toch, Marieken, ik zal wèl gaan. En dit heden avond nog: op staanden

voet. Ik kom mijn boeltje inpakken, en afscheid van je nemen."

»Justus! je raast. Wààr zou je heen kunnen? En waaróm zou je gaan?"

»Waaróm!" barstte Justus los. »Waaróm!" riep hij met trillende

lippen, geweldige moeite doende om zijne tranen te bedwingen. »Kun

je dát nog vragen--jij, die ik meende dat mij begreep, dat met mij

sympathiseerde!... Waaróm! Hahaha! Maar heb je dan niet gehoord wat je

vader tot mij gezegd heeft?--Ik schiet hier immers uit hoeken en holen

als eene slang...."

»Justus!"

»Om zijn onschuldig kind te vergiftigen!"

»O! stil toch!"

»Te vergiftigen, jawel! met heidenschen zotteklap, en onchristelijke

bakerpraatjes, en--en wat zei hij ook nog meer?--zedebedervend gebazel,

ja juist!... Zie je, Marieken, dat mag zoo niet langer duren. 't Is

duidelijk: daar moet een eind aan komen. Zedebedervers en serpenten

mogen hier niet langer met zóóveel vroomheid en onschuld onder één dak

wonen!--Laat mij! Laat mij naar boven gaan, om mijne boeken en mijne

kleeren bijeen te rapen. Ik wil weg! Satanas wil weg van hier!"

Marieken echter, in stee van hem door te laten, trad hem vlak voor den

voet, en keek hem een poosje met hare groote blauwe oogen strak in de

zijne. Hij sloeg de wimpers neder voor dien stil verwijtenden blik: want

in die twee heldere zielespiegels had hij weerkaatst gezien hoe bitter

en onbillijk hij daareven geweest was:--hoe voor één driftig woord,

hem in het oor geworpen, zijn hart er twintig uitgebroed, zijn mond er

twintig weergegeven had. De storm in zijn gemoed ging liggen onder dien

blik.

»En zou je dan", sprak het meisje zacht, maar met eenen nadruk die haar

uit het diepste van haar zieltje welde: »zou je dan, Justus, zoo

=kunnen= heengaan?"--

=Kunnen=?.... De knaap was veel te groen in de diplomatie, om met

voordacht het antwoord op eene vraag te ontwijken. Wij moeten dus

aannemen dat hij geen flauw besef had, wat teederheid, half kinderlijk

nog, half vrouwelijk reeds, er tot hem sprak uit dat ééne woord. Och

och! er trillen toontjes in maagdeboezems, wier fijne, zoete klank aan

een zeventienjarig jongensoor even verspild is, als een strijkquartet

van Mozart aan een gezelschap Kaffers. Oudere ooren, die ze wèl vernemen

kunnen--voor die, helaas, zijn zij niet meer bestemd.

»Kunnen?" riep dus Justus, hoorende doof: »Er is immers geen sprake van

kunnen! Ik moet immers wel. Je vader heeft me immers weggejaagd!"

»Dwaasheid!" hernam Marieken: »Je kent vader wel beter. Je weet wel dat

hij niet alles meent wat hij in zijne drift zich zoo ontvallen laat. Je

weet ook wel dat hij je niet graag missen zou op school."

»'t Kan zijn. Maar wie zou hier dan de minste moeten wezen?--Zou =ik=

soms moeten vragen om te mogen blijven? .... ik .... ik die".... Hij

begon weer op te bruisen, bij de gedachte aan al de grieven van dien

avondstond.

»Tut, tut!" suste hem Marieken: »laat dat aan mij maar over! Voor het

vragen zorg =ik=!"

»Lief kind!" zeide Justus, terwijl hij hare hand vatte.... »Hoor

eens--ik was buiten mijzelven daareven. Ik had ongelijk. Maar toch,

in alle kalmte nu--'t is beter, geloof ik, dat ik heenga, Marieken.

Je vader en ik kunnen tóch op den duur met elkaar niet overweg. Wij

zijn contrasten, water en vuur, tot zelfs in onze opvatting van de

schooltaak. Mijne boeken, die ik zoo liefheb, hij zou ze verbranden, als

hij durfde. Mijne idealen, waarmee ik zoo dweep, en waarin ik zoo opga,

omdat ze mij als mijn adem zijn--hij zou er den spot mee drijven, als

hij ze kende. Wat mij eene openbaring is, dat is hem zoo veel als praat

uit het dolhuis, nog goddeloos op den koop toe. Ik ben voor hem een

ingebeelde droomer. Hij is voor mij een bekrompen schoolvos. Zeg

zelf--hoe zal dit langer samen passen?"

Daar biggelden twee groote tranen Marieken langs de wangen. Het was zoo

waar, wat zij hooren moest; en juist dáárom was 't zoo hard het te

moeten hooren. Justus' drift had zij gemakkelijk vermeesterd; tegen

zijne rede wist zij niets in te brengen.

»Och!" snikte zij, met haren witten boezelaar voor hare oogen: »wij

waren zoo gelukkig samen!"....

Zacht trok hij haar naar zich toe, bewogen, meer dan half verwonnen

reeds. Wanneer men nog geen twintig zomers telt, dan kan men het

grootste gelijk willen hebben tegen drie dozijn professoren--het

argument van meisjestranen weerstaat men niet licht. Hij legde haren

arm in den zijnen, en, zonder zelf te bedenken waarheen zij gingen,

slenterden zij samen het aan de school grenzende heuveltje op--de kerk

voorbij--het oude pad op tusschen de graven.

* * * * *

Het was donker geworden, zoo donker het namelijk in eenen helderen

Juni-nacht worden kan, als des nachtegaals avondlied en des leeuweriks

morgenzang elkander opvolgen gelijk adagio en scherzo eener symphonie;

als de sterren den tijd nauw vinden om even te flonkeren tusschen de

schemering die ze ontsteekt en de schemering die ze doet verbleeken;

als het amber aan de westerkimme even pas vergrauwd is, of ziet--Auroor

begint in het oosten den sluier al weg te schuiven van haar rozig

aangezicht!

De maan bovendien.... Ei ja, lezer, sta ook mij toe van dit hemellichaam

een passend gebruik te maken ter illuminatie van deze mijne vertelling.

Ik geef u mijn woord, dat ik aan de vergunning mij niet zal te buiten

gaan. Het is trouwens een feit, het is historisch boven allen twijfel

verheven, dat in Juni van den jare 1858 verscheidene nachten

achtereenvolgens de satelliet van onzen aardbol ook het dorpje

Hillegersberg en omstreken met zijn zilveren licht bestraald heeft.

De maan alzoo, juist boven den lindenkrans rondom het kerkhof verrezen,

dreef met het landschap haar welbekend goochelspel. Aan vlakheid leende

zij diepte, aan dofheid glans, aan schaduwen lichaam. Den kerktoren

herschiep zij in eenen wachter met metalen helm en pantserkraag; het

boschje in eenen zuilentempel; het grasperk onder de boomen in wemelend

mozaïek; den dauw, die wijd gestrekt lag over Schieland's velden, in

eene zee van ongepeilde diepte, bezaaid met dreigende klippen, die

koebeesten, en met geheimzinnige eilanden, die boerenhofsteden waren.

Doch dit alles haalde nog niet bij hetgeen zij aan de ruïne tooverde.

Ruïnen en de maan (die zelve een oude puinhoop is) zijn van eeuwen her

boezemvrienden geweest; vandaar dat men een oud stuk muur zoo bijzonder

indrukwekkend vindt bij maneschijn, en dat men de maan zoo op haar

minnelijkst ziet lonken door een kijkgat in een oud stuk muur. De ruïne

van Hillegersberg dus was méér dan schoon dien avond. Zij scheen hooger

en ranker geworden, jonkvrouwelijk haast van gestalte. Haar rood

gesteente leek doortinteld van eenen warmen goudglans; de schaduw aan

haren voet was als een sleep van zwart fluweel; op hare kruin glom het

natte mos als smaragden, en vonkten de bedrupte graspluimen als

brillanten, gestengeld op eenen diadeem.

Onze jonge lieden, naast elkander gezeten op eene hooge zerk, op welke

een groot bronzen blazoen prijkte, hadden eene pooslang al peinzend

meegezwegen met de roerlooze stilte om hen heen. Justus brak eindelijk

het mijmeren af:

»Is het niet als een sprookje?.... En dat er menschen zijn, die voor zoo

iets niet het geringste gevoel hebben! Die er niets in zien kunnen, dan

eene gelegenheid om olie te besparen in de straatlantarens! Ha ha ha!"

Een zucht was Marieken's éénig antwoord op deze sarcastische

overdenking.

Beiden zwegen weer eene wijle.

»Die lieve maan!" sprak Justus toen: »Hoe vaak heeft zij ons getroost

hier op dit heuveltje!"

»Al menigmaal--ja, Justus!"

»En als ze nu wéér vol is--wie weet hoe ver ik dan al weg ben van hier!"

Marieken zeide niets.

»Ken je 't nog?" hernam hij, na weder eene pauze: »dat schoone lied van

Staring":

_Toon ons uw luister, o zilveren Maan,

Rijs uit het meer.

Lach den zwervenden schepeling aan,

Straal op 's wandelaars donkere baan

In uw lieflijkheid neer._

»O ja", zeide het meisje--»ik ken het nog":

_Waar zonder hoop de verlatene smacht,

Scheemre uw gloor.

Waar, na troostlooze afscheidsklacht,

Blij hereenen de minnenden wacht...._

Een snik belette haar voort te gaan; hare oogen schoten vol; in hare

handen verborg zij haar gelaat.

»Marieken!" riep Justus, terwijl hij haar áán zich drukte zooals hij nog

nooit tevoren gedaan had: »Kind! waarom schrei je nu zoo?"

»Omdat ik", kreet zij, »omdat ik hier zoo verlaten zal zitten, als je

heengaat!"

»Marieken, mijn lief zusje--nu dan, ik ga niet weg! wij scheiden

niet!--Wat maal ik ook om je vader, zoolang jij er nog bent!--Ik blijf,

hoor! en we zullen samen nog menig mooi vers lezen. Toe, schei nu maar

uit!"

Zij zag hem aan, lachend door hare tranen heen. »Och ja", zei ze.--»Je

moet bij ons blijven, Just! Het was ook mijne éénige vreugde, dat lezen

en praten met je. Als je wist hoe ook ik er in opga, in onze boeken!....

Maar wat is het mooiste boek, wanneer men het alléén moet lezen? Niet

waar?"

Justus echter sloeg geene acht meer op hare woorden. Hij was opgestaan.

Het scheen of hij een visioen had, of dat hij uit de schaduw achter het

muurwerk eene demonische verschijning zag opdoemen, die hij bannen wou.

Met gefronste wenkbrauwen, de armen over de borst gekruist, blikte hij

naar de ruïne.

»Marieken", sprak hij plechtig: »was je dat ernst, wat je zeide toen we

in het schuitje zaten?--Dat je doen zoudt als Hildegarde de reuzin:

liever in zee springen, dan verloochenen wat je dierbaar is?"

»Zeker, Justus!" antwoordde Marieken: »dat was mij heilige ernst."

»Hoor dan!" voer de ondermeester voort. »Wij staan allebei alleen op de

wereld; wij hebben niemand die deel neemt aan ons denken en voelen, dan

elkander. Daarom moeten wij elkander houw en trouw blijven. Laat ons

eenen eed zweren!"

»Eenen eed, Justus?"

»Eenen eed, ja! bij dien bouwval daar, die gewijd is door de eeuwen--bij

Hildegarde's berg hier--bij de goede dichters en de schoone geniën

die onze troosters zijn. Eenen eed: dat wij elkaar de hand zullen

reiken, elkaar zullen bijspringen in nood, als trouwe vrienden en

geestverwanten--nu, en later ook, levenslang, al loopen misschien onze

wegen uiteen. Zweer je dat?"

»Ik zweer het, Justus!" sprak Marieken, zacht maar vast.

»En ons parool, als 't er op aankomt, zal =Hildegarde= wezen."

»=Hildegarde=", herhaalde Marieken: »=Hildegarde= zal ons parool zijn."

* * * * *

Het moet eene gril der verbeelding zijn geweest, of het spel van eene

voorbijdrijvende wolk, dat Justus en Marieken op dit oogenblik de maan

verduisterd zagen, en over de nevelen-zee westwaarts heenglijdende eene

ontzaggelijke schaduw, die de gestalte had van eene vrouw.

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 14 / 24 题