IV.

Dit lezen en wandelen en droomen....

Maar ik zou vermelden op wat wijze de heer Van Meppen de volle maat

te meten kwam van het ontuig, dat zijnen ondermeester door het brein

spookte, en hoe hij tevens tot de wetenschap geraakte van hetgeen die

jonge snuiter en Marieken dan toch zoo samen altoos te verhandelen

hadden. Ik ga nu zonder verderen omhaal daartoe over.

* * * * *

Justus was tot eenen flinken zeventienjarigen borst, Marieken tot eene

stemmige veldbloem van vijftien opgegroeid.

Eens op eenen warmen Juni-avond hadden onze jeugdige vriend en zijn

vriendinnetje zich de weelde veroorloofd van een watertochtje. Na bij

»Vrouw Romein" (ook bij de huidige Rotterdamsche jonkheid nog welbekend

en veelgeliefd) een schuitje te hebben gehuurd, waren zij den plas

opgedobberd, en hadden door het spelende briesje zich laten heendrijven

in eene kleine kreek, die door twee smalle, met dicht elzenhout

begroeide landtongen bijna geheel omsloten werd. Hier had Justus de

riemen binnen boord getrokken, en uit zijn jasje een klein boekdeel voor

den dag gehaald, welks genummerde rug en beduimelde omslag deszelfs

afkomst vermoeden deden van een der stalletjes, die zoo lang het

standbeeld van Desiderius Erasmus omschansten als met een bolwerk van

geleerdheid. Dit boeksken was de _Undine_ van De la Motte Fouqué.

»Wat nieuws en wat moois!" zeide de ondermeester op geheimzinnigen toon.

»De historie van eene waternimf. Zullen we een hoofdstuk snoepen?"

»Graag! o graag!" riep Marieken; en meteen stak zij, het nijvere kind,

de naald met roode zijde in het fluweelen calotje, dat zij werkte voor

haar vaders verjaardag. Nu begon Justus met zachte stem te lezen, hoe de

ridder tot den visscher kwam:--

»_Es mögen nun wohl schon viele hundert Jahre her sein, da gab es einmal

einen alten guten Fischer; der sass eines schönen Abends vor der Thür,

und flickte seine Netze. Er wohnte aber in einer überaus anmuthigen

Gegend. Der grüne Boden worauf seine Hütte gebaut war, streckte sich

weit in einen grossen Landsee hinaus; und es schien eben so wohl, die

Erdzunge habe sich aus Liebe zu der bläulich-klaren wunderhellen Fluth

in diese hineingedrängt, als auch das Wasser habe mit verliebten Armen

nach der schönen Aue gegriffen, nach ihren hochschwänkenden Gräsern und

Blumen und nach dem erquicklichen Schatten ihrer Bäume. Eins ging bei

dem andern zu Gaste, und eben desshalb war jegliches so schön. Von

Menschen freilich war an dieser hübschen Stelle wenig oder gar nichts an

zu treffen, den Fischer und seine Hausleute ausgenommen. Denn hinter der

Erdzunge lag ein sehr wilder Wald_"....

En zoo verder, tot het hoofdstuk uit was. Toen sloot hij het boekje, en

zei dat het voor heden genoeg was: want met zulk een litterarisch banket

moest men spaarzaam wezen, meende hij, als wijze kinderen met hun

Sint-Nikolaas-lekkers. Niet alles opeens; dagelijks een brokje; dan

duurde de vreugd het langst.

»Kijk!" riep hij, bij wijze van nabetrachting: »het heeft er hier wel

iets van. Hier is óók een meer, en eene landtong, op welke wij een

huisje zouden kunnen bouwen."

»Om er met ons beidjes in te wonen, niet waar?" viel Marieken hem in de

rede. »Zoo heel alleen met ons beidjes!"

»Zeker, kind! En daarachter zouden we boomen kunnen planten, die bosch

zouden geworden zijn tegen dat we oude luidjes waren."

»O heerlijk! heerlijk! Hoe gezellig!--En den kost zouden we verdienen

met visschen, niet waar?"

Justus moest lachen. »Met visschen?--De paling is schaarsch in den

Bergschen plas; en dat de baars en de voren er elkaar niet in den weg

zwemmen, daarvoor zorgen je vader en de dominee en de liefhebbers uit de

stad wel! Dat visschen zou ons een mager kostje opbrengen, Marieken!"

»Nu ja! maar we zouden zoo zuinig kunnen leven!" riep het meisje. »En

als er dan eens zoo'n ridder kwam...."

»Een ridder, haha!--Ik vrees eer dat Hannes de diender komen zou, om ons

te callanzeeren!.... Er zijn tegenwoordig zoo geen ridders meer,

Marieken."

»Ook geen betooverde wouden meer?"

»O, die zeker niet!"

»Ook geen waternimfen?"

»'k Zou denken van neen .... ofschoon .... in de zee, en in heel diepe

meren .... wie weet 't! Er is zoo véél dat we niet zien kunnen...."

Dit stukje philosophie bracht beiden aan het mijmeren. Marieken stikte

naarstig voort aan haar calotje; maar hare gedachten toefden in het

visschershutje op de groene landtong. Justus pelde met zijn zakmes den

bast van een wilgetakje: maar zijn geest zweefde ver weg over de diepe

blauwe wateren, in welke de blanke nixen met de gulden haren nog wel

wonen mochten. Hij zag in zijne verbeelding zijnen koensten wensch

vervuld. Hij zeilde mee op een der groote schepen, die daar gemeerd

lagen aan den rivierkant voor de stad. De wimpels flapten in den wind,

de zeilen zwollen, de golven bruisten, gekapt met sprankelend schuim.

Zeemonsters doken blazend op langs den boeg. Aan de kimme doemden blauwe

bergen. Bij een zonnig eiland viel het anker. Justus wandelde onder de

palmen van Taprobane, over welks wonderen hij kort tevoren gelezen had

in het boek van vader Haafner.

Middelerwijl deed rondom den droomenden jongeling de wereld der

werkelijkheid al haar best om in liefelijkheid de wereld der verbeelding

te evenaren. Het was bladstil geworden, zoodat de gouden baan, die de

neigende zon over den waterspiegel wierp, haast door geen rimpeltje

verbroken werd. Om het bootje heen wipten de dartele vischjes uit het

nat, met eene flikkering en een plompje. In de verte riep de koekoek.

Vlak bij in het elzenhout kweelde de boerennachtegaal. Hoog in de

bleekblauwe lucht kruisten tjilpend de zwaluwen.

Marieken had haar borduurwerk ter zijde gelegd. Haar ééne handje rustte

in haren schoot; haar andere hing over den kant van het schuitje, de

vingertoppen gedoopt in het groene water. Zij tuurde met groote oogen

over den plas naar den weerhaan op den kerktoren, die blonk als eene

ster boven het geboomte.

»Justus!" sprak zij plotseling.

»Wel?" vroeg de ondermeester, in zijnen droom van het wondereiland nog

verzonken.

»Zouden ze er wel ooit geweest zijn?"

»Wat? De boschduivels en de dolle olifanten?--O zeker!"

»Neen!--de ridders, wou ik zeggen."

Justus ontwaakte. »Aha, de ridders!--Ridders, kind? of die er wel ooit

geweest zijn?.... Mooie vraag!--Heele legers van ridders!--En onze ruïne

dan, die eens een groot en sterk kasteel was? Wie zou dat gebouwd

hebben, als er geen ridders waren geweest?"

»En had elke ridder zoo zijne jonkvrouw?"

»Elke ridder had zijne eigene jonkvrouw, zoo mooi als de avondzon, voor

wie hij den ganschen dag verzen opzei, en lanzen brak in het steekspel,

en andere ridders bevocht."

»En .... Justus...."

»Nu?"

»Wie zou jij wel kiezen tot je jonkvrouw?"

»Ik!" lachte Justus:--»maar ik ben immers geen ridder! Ik ben maar een

arme ondermeester. Voor mij komen geene jonkvrouwen te pas!"

»Goed! Maar =als= je nu eens een ridder waart? Wie zou je dan kiezen om

mee te wonen in je kasteel?"

»Dan?.... jou, Marieken, jou.... Ik houd immers van niemand zoo veel!"

Marieken's oogen glinsterden; er vloog een lach over haar gelaat, die

het bleeke kopje waarlijk schoon maakte. Na een kort zwijgen sprak zij

verder:

»Justus, we hebben nu al heel wat sproken en legenden zoo samen gelezen.

Maar de mooiste vind ik nog altoos die, welke ik 't eerst van je hoorde:

de sage van Hildegarde en Ubbo."

»En waarom dat?"

»Omdat zij zoo trouw was, die arme reuzin. En"--liet zij met ingehouden

geestdrift er op volgen--»zal ik je eens wat zeggen?.... Ik zou het net

zóó gedaan hebben!"

»Wat, mal kind?"

»Wel .... als ze mij den ridder niet hadden willen geven, van wien ik

hield .... dan .... dan zou ik zijn weggeloopen .... dan zou ik in de

zee gesprongen zijn.... O, ik zou hem hebben aangehangen tot in den

dood. Al zouden er vijf-en-twintig reuzen gekomen zijn om mij te

dwingen, of driehonderd draken met vurige muilen...."

* * * * *

Daar deed in het elzenboschje een verdacht gerucht zich hooren. Eerst

een ritselen: daarna een gekraak en rumoer in het gebladerte, alsof een

hongerige beer of een verbolgen everzwijn zich onstuimig eenen weg er

doorheen brak. Justus dacht aan Hannes den koddebeier;--Marieken aan

Twikko en Fikko. Maar ziet! vóór zij zelven eigenlijk wisten wat zij

dachten, vóór zij tijd hadden om het schuitje van den wal te duwen

en het ruime sop te kiezen .... ziet! de twijgen openden zich, en

tegenover de vervaarde blikken der kinderen stond .... geen reus, geen

vuurspuwende griffioen, geen al te ijverige dienaar der plattelandsche

gerechtigheid .... edoch, omstuwd door eene wolk van opgejaagde muggen,

bezaaid met groene houtluizen, de hengelroede in de hand, den vischkorf

op den rug, den pierenbak voor den buik, meester Petrus van Meppen, zeer

rood in het aangezicht van wegen inspanning en grooten toorn. Hij had,

aan de andere zijde van de landtong gezeten om een baarsje te snappen,

woord voor woord afgeluisterd wat de jongelieden in het bootje hadden

gelezen en gepraat.

»Zoo, zoo, juffertje!" siste hij tusschen de tanden, met eenen centenaar

nadruk op elke lettergreep: »Zoo, zoo .... vijf-en-twintig reuzen!

driehonderd draken! wegloopen! in zee springen!--zoo, zoo! zou je

dat?.... Ik moet zeggen, je bent een snugger nest voor je jaren! Je

meester heeft pleizier van zijn onderricht!.... Hier! zeg ik. Aan wal!

Oogenblikkelijk!"

Vervolgens zich tot Justus wendende, terwijl de hengel in zijne hand met

vreeselijke slagen dood en verderf spreidde onder de muggen in het rond,

bulderde hij met heel de kracht zijner longen, zoodat er eene siddering

voer door de biezen aan den kant:

»En jij, aap van een jongen! Is dát de manier waarop jij je hooge

roeping als onderwijzer der jeugd opvat?--Dit Dit onschuldige kind in

hoeken en holen te vergiftigen met heidenschen zotteklap, onchristelijke

bakerpraatjes, zedebedervend gebazel?--Haha! Loon je mij zóó al mijne

goedheid en zorg en de gastvrijheid van mijn huis?--Serpent, dat ik aan

mijnen boezem gekoesterd heb .... ik .... ik .... ik verban je uit mijne

school, uit mijne woning!.... Ga weg van onder mijn oog! _Vade mecum,

Satanas! Vade mecum!_"

* * * * *

Dit was de banvloek van meester Petrus van Meppen, tegen Justus

Eykendaal door hem uitgesproken in de meest dramatische stonde zijns

levens.

De verschrikte zon dook dien avond in haar golvenbed veel haastiger

onder, dan zij van den almanak permissie had. De koekoek liet af van

slaan. Het boerennachtegaaltje verstomde. En de nacht, de alvertrooster,

spoedde zich om onder zijne vleugelen de deerlijk ontstelde schepping

vergetelheid te doen vinden van zóóveel ontzettends.

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 13 / 24 题