Hoe de heer Pieter Van Meppen op dien romanesken trek, waarvan hij
zoo huiverig was, zijnen ondermeester het eerst recht tastbaar--_in
fragrante delicto_, gelijk hij zich uitdrukte--betrapt had?--
Ja zie--dat gebeurde heel bij toeval. En zonder dit toeval, vrees ik,
zou de man er niet licht achter gekomen zijn, wat het dan toch voor
heidensche grillen waren, die zijnen assistent soms zoo wonderlijk deden
doen--zoo geheel anders dan alle andere jeugdige Hillegersbergenaren.
* * * * *
Vooraf dient men te vernemen dat meester Van Meppen een éénig stuk
kroost bezat: een dochtertje, Marieken geheeten. Als een Zuidhollandsch
burgerkind, Maria gedoopt, had het meisje eigenlijk een Mietje moeten
wezen; doch hare moeder, die uit het Geldersche, of eigenlijk uit het
land van Cleve was, en de taal harer kindsheid maar niet verleeren kon,
had de kleine altoos genoemd bij den naam dien zij zelve gedragen had:
Mariechen. Wel--Mariechen (of Marieken op zijn Hollandsch) klonk ook wèl
zoo aardig tusschen al die Mietjes in, waarvan het wemelde te
Hillegersberg. Dat vond een ieder.
Een stil en vroegrijp wijfje, dit Marieken--zooals éénige kinderen,
die vroeg de moeder derven moeten, veelal worden. Flink uit de kluiten
geschoten, met haar ernstig gezichtje en mijmerende oogen, kon zij in
haar dertiende jaar wel haast voor vijftien doorgaan. Maar den blijden
stoeilust, den overmoedigen lach van de kalverjaren zocht men bij haar
vergeefs. Hoe zou zij ook vroolijk zijn geworden?--Spelen had zij nooit
geleerd; huismoederlijk zorgen des te spoediger. En met wie zou zij
gelachen hebben?--Hare moeder, lang ziekelijk, ontviel haar vroeg, na
haar al in hare eerste jeugd te hebben doen meeproeven uit den kelk van
pijn en lijden. De dorpskinderen ontweken des schoolmeesters weinig
aanlokkelijke woning. En de éénige die haar overbleef, haar strenge,
stijve vader--ach! hij stond zoo ver van haar. Zij rilde van zijne
klappen; zij schrok van zijne bijbelteksten en zijn deurwaarders-latijn;
zij deinsde terug voor zijne in haar oog alomvattende geleerdheid.
Van zijnen kant ook geene toenadering tot haar. Wel hield hij van
zijn kind--niet minder al dan het gros der vaders, die niet kortweg
onmenschen zijn. Maar dóórdringen in het jonge gemoed, meeleven met het
jonge leven--de man had er nooit aan gedacht; en wie hem dit onder het
oog zou hebben gebracht als eene tekortkoming, die zou Hebreeuwsch tot
hem gesproken hebben. Marieken was een goed kind, meende hij; maar
daarvoor =had= Marieken het dan ook goed. Marieken deed als kind haren
plicht, door haren vader gehoorzaam te zijn, en te zorgen dat haar
vaders rok netjes geschuierd, haar vaders pijp luchtig gestopt, haar
vaders koffie warm ingeschonken werd. Daarvoor genoot Marieken de
gastvrijheid van het vaderlijke dak, de vaderlijke bescherming, het
vaderlijk onderwijs, de vaderlijke opleiding tot orthodoxe deugd, en--de
vaderlijke liefde.... Voor dezen man, tusschen kinderen vergrijsd, met
kinder-adempjes als gevoederd, was het hartje van zijn eigen kind nog
als het boek met de zeven zegelen.
Jammer voor hem! Want in dat boek--in dat hartje wil ik zeggen--had hij
zooveel liefs kunnen lezen; en om de zegelen er van te ontsluiten, was
ook geen wonderdier noodig met zeven hoornen en zeven oogen. Och neen!
Een eenvoudige ondermeester had ze verbroken. Justus Eykendaal kende
bladzijde bij bladzijde van buiten. Niets van hetgeen daar geschreven
stond (het was zoo veel niet trouwens: wat stille behoefte maar
om lief te hebben, wat geloof en wat gevoel en wat ingeborene
verbeeldingsgave)--niets van het schrijfsel in dit boek was den
jongeling geheim. En evenzoo--maar dit vermoedde Justus, van zijne
hoogte als man en ondermeester zelf zoo niet--evenzoo lagen voor het
kind de roerselen bloot van het gemoed des jongelings.
* * * * *
Justus, na in zijn twaalfde jaar ouderloos te zijn geworden, was bij
meester Van Meppen als kweekeling op school gekomen. Marieken was toen
even negen. Destijds leefde ook juffrouw Van Meppen nog; en daar die
brave vrouw met de moeder van Justus heel bevriend was geweest, zoo had
het schoolmeesterlijke echtpaar den jongen in huis genomen. De vrouw zag
daarin jegens den wees eene liefdedaad, terwijl de man de schikking
beschouwde als voor het ondermeestertje heilzaam uit een zedelijk
en paedagogisch oogpunt, en tevens (nademaal een Indische oom zich
verbonden had tot het uitkeeren van een billijk kostgeld) voor hemzelven
niet onvoordeelig met betrekking tot het huishoudelijke budget. Dus
dakgenooten geworden, bleven toch aanvankelijk, zoolang juffrouw Van
Meppen leefde, de knaap en het meisje elkander innerlijk vreemd; want
nog ontbrak de band, die hunne schuwe naturen tot elkander brengen kon.
Eerst een paar jaren later, na den dood van des schoolmeesters vrouw,
was hierin snel verandering gekomen. Marieken, in hare verlatenheid, was
tot Justus--en Justus, in zijne deelneming, was tot Marieken genaderd.
Samen hadden zij de moederlijke doode betreurd; samen hadden zij haar
graf bezocht op den heuvel; samen--eerst aarzelend, maar weldra vol uit
het hart--hadden zij gepraat over hunne eenzaamheid in deze groote en
wreede wereld, van wier grootheid en wreedheid zij toch op hun dorpje
pas zulk een klein en zwak denkbeeld zich hadden kunnen vormen.
Elkander troosten, elkander aanvullen, was de grondslag geweest van
hunne vriendschap; dit alvast had uit hunne jonge harten de kiem van
bitterheid geweerd, die binnensluipen =moet= in elk zieltje dat in geene
enkele andere borst den weerklank verneemt van zijn zuchten en van zijn
lachen. En allengs--naar gelang het meisje zich mee ontwikkelde, zoodat
het verschil in leeftijd al minder en minder eene belemmering werd voor
hunnen innerlijken omgang--allengs was er op dien grondslag voor hen
beiden een heerlijk lustslot verrezen, waarin zij samen woonden als
prins en prinses: een lustslot met gouden zuilen en torens van kristal:
de koene, hooge burcht der phantasie.
Om het zakelijker uit te drukken: Justus en Marieken waren samen aan het
lezen, aan het wandelen en aan het droomen gegaan.
* * * * *
Het lezen .... och heilige onnoozelheid! De hedendaagsche collega's van
mijnen vriend zouden meewarig geglimlacht hebben, indien zij zijnen
boekenschat bijeen hadden gezien. De Nederlandsche ondermeester in die
donkere, langvervlogene dagen was nog niet de verbazend geleerde kop
van tegenwoordig: de jonge wijsgeer, die van alle de vruchten in den
boomgaard der kennis geproefd, en de meesten derzelve wrang bevonden
heeft. Och hemel, neen! Een professor was destijds een professor, en een
ondermeester was een ondermeester. Er stond eene maat tot de kennis die
men vergde voor de somma van twee-honderd-en-vijftig gulden 's jaars.
Zoo bij voorbeeld zou Justus, indien hij pedant ware geweest en bluf
had willen slaan, onder zijne ranggenooten bij de paedagogiek zich
gemakkelijk hebben kunnen doen huldigen als een genie, omdat hij,
behalve goed lezen, net schrijven, vlug cijferen en eene tamelijke
dosis aardrijkskunde en geschiedenis, zich aardig wat Duitsch had eigen
gemaakt: de taal die hem uit juffrouw Van Meppen's mond zoo zacht, zoo
»_heimlich_" geklonken had, en in welke hij den rijksten schat wist te
kunnen vinden van zijne lievelings-lectuur: sprookjes en sagen,
balladen, liederen, overleveringen.....
Naïef, niet waar?--Ja, dat was heel iets anders dan Vogt en Büchner,
Douwes Dekker en Stuart Mill, en meer van die klokspijs, waarmede onze
huidige, zoo oneindig degelijker onderlegde jeugd zich de hersenen
voedt! Inderdaad, dat was heel iets anders!....
En dit malle goed, dit zotte, zoete gephantaseer van bijgeloovig volk
en onnoozele dwepers, dat leerde de jongen nu ook Marieken lezen. In
de _Palmblätter_ van Herder of in de _Märchen_ van Grimm--om maar
iets te noemen--konden die twee te zamen zich dermate verdiepen,
dat er zoo eenen ganschen zondag-achtermiddag geene school en geene
schoolmeesterij, geen Hillegersberg en geen tredmolen voor hen op de
wereld waren. Justus las voor; hij las =goed=, heb ik reeds gezegd.
Marieken luisterde. En het een en ander was te genotrijker, omdat het
contrabande was, aangezien meester Van Meppen (van wiens boekenrek na
den dood zijner vrouw zelfs _Maurits Lijnslager_ verwijderd was als een
loszinnige, en Zschokke's _Alamontade_ als ijdelheid der ijdelheden) er
volstrekt niets van bespeuren mocht. Des winters moesten de jongelui
hunne kans waarnemen bij eene vetkaars in de school, terwijl Van Meppen
zijn uiltje knapte na het eten; of in de huiskamer, wanneer de geduchte
zijn societeit-avondje genoot. Des zomers kropen zij weg in de ruïne
op het kerkhof. Justus had aan een der afgebrokkelde stukken muur eene
soort van trap gevonden, die naar eene nis leidde, een voet of acht
boven den grond. Hier zaten zij verholen te lezen en te babbelen in
het avondlicht, van aangezicht tot aangezicht met den ouden kerktoren,
die aandachtig scheen mee te luisteren naar de verhalen van feeën en
eenjers, nixen en dwergen en roovers en ridders, als waarden er echo's
om hem henen van liederen uit zijne eigene jeugd. Hier ook was het, dat
Justus aan Marieken de geschiedenis verteld had van Hildegarde en Ubbo.
Het duurde een heel poosje, vóór Marieken zich uit het hoofd kon zetten
dat de beide Delftsche torens, van deze verhevenheid juist zichtbaar als
twee donkere staken waarachter het westen glom, niet Twikko en Fikko
waren, de bloedige reuzen, uittrekkende op maagdenroof!
Dan het wandelen!.... De meesten mijner lezers zouden van die tochten
door de Schielandsche dreven ras genoeg hebben gehad; maar enkelen
hunner--bedenkende dat het blauw des hemels en het wit der wolken en het
groen der velden heerlijk zijn alom, en dat zelfs eene wandeling door
eenen polder beter is dan in het geheel geene wandeling--zouden lustig
hebben meegestapt door dik en dun, blijde al dat zij den zuiveren wind
hadden om in te happen, en den vrijen, wijden horizon om hunnen blik
er langs te laten dwalen. Men vergete ook niet, dat Justus en Marieken
nooit eene andere natuur gekend hadden dan deze; de Duitsche wouden, de
Zwitsersche bergen mocht hunne phantasie hun voorspiegelen, gelijk zij
hun ook beelden maalde van het hemelsche paradijs; maar die wouden te
doorkruisen, die bergen te beklimmen--de mogelijkheid van zoo iets kwam
niet in hen op, laat staan de begeerte er naar. En eindelijk herinnere
men zich hoe elke natuur ons sympathiek wordt, in welke wij ons bewegen
als kinderen: in welke wij het eerst de vleugelen leeren uitslaan van
onze verbeelding, het eerst de voor het jong gemoed zoo onuitsprekelijk
aangrijpende indrukken ontvangen van de grootheid en de majesteit der
Schepping, het eerst de zaligheid leeren smaken van bewonderen, van
twijfelloos, critiekloos aanbidden.
Zoo wandelden de jongelieden, telkens als hun een vrije zaterdag-middag
of een schoone zomer-avond gegund was, frisch er op los; ver langs
de eenzame boorden van de Rotte, rondom de golvende, van wilgen en
biezen omzoomde plassen, dwars door de velden naar een dorp in den
omtrek--samen zingend in den wind met den rietvink, kruiden lezend,
sproken dichtend, droomen droomend, muziek vernemend en wonderen
speurend, waar de zinnen van anderen niets zouden opgemerkt hebben dan
kaalheid en platheid--vunzig water en drassig veen.