Een vierde van eene eeuw geleden woonde er in dit dorp een jeugdig
ondermeester, die van zijnen vader den onbezoedelden geslachtsnaam
Eykendaal, van zijne moeder den welluidenden persoonsnaam Justus, en van
hen beiden te zamen een gezond en welgevormd lichaam benevens een helder
hoofd en een gevoelig hart ontvangen had. Meer dan die vijf dingen
lieten zijne vroeg gestorven ouders den knaap niet na; maar hij, wel
verre van hun een verwijt daarvan te maken, vond dat het reeds veel was.
Ware hij als Klaas Klomp of als Kees Kuit dit ondermaansche ingestuurd,
toegerust met eenen bochel en eene borstkwaal, en behept met eene
Judas-geaardheid--hij had er mee al niets tegen kunnen doen, begreep
hij. Dit in aanmerking nemende--alsmede dat eene krachtige maag een
zegen heeten mag, zelfs al kan men haar in den regel niet vullen met
wildbraad of pastei, en dat welgeschapen leden ook onder een schamel
jasje eenen jongen man niet misstaan--meende Justus dat voor eenen
spruit van eenen plattelands-brievengaarder het ouderlijke erfdeel heel
wat kariger had kunnen uitvallen. Hieruit blijkt dat Justus, zonder het
zelf te weten, van zijne ouders ook nog redelijkheid en tevredenheid had
geërfd.
Te zeggen dat Justus Eykendaal arm was, is trouwens even onnoodig als
de verzekering dat eene stortbui nat maakt, of dat vuur verbrandt. Wie
heeft er ooit gehoord van eenen drogen regen, van eene koude vlam, van
eenen bemiddelden ondermeester?--Tegenwoordig zelfs, nu de paedagoog als
plechtanker van het heil der menschheid in de plaats getreden is van den
Heidelbergschen catechismus, en zijne werkplaats, de school, de dame
is om wier gunst de geduchtste strijders in Kerk en Staat elkander
bekampen--tegenwoordig zelfs baadt de Nederlandsche hulponderwijzer
zich zelden in weelde. Maar voor vijf-en-twintig jaren was het toch iets
anders nog. Er liepen toen geene menschen rond, zelfs geene luitenants,
die de kunst van glimlachend hongerlijden en het verduurzamen van
afgesleten jasjes met taaiere volharding beoefenden, dan de adjudanten
van den school-monarch. Achtenswaardige jongelingen! Hunne opleiding
in de universiteit der beproeving was grondig. Indien zij naar onze
hedendaagsche begrippen wat haastig waren met kastijden, schrijven wij
het hieraan toe, dat ook hun het leven de plak en de roede niet
kwijtschold voorwaar.
Justus Eykendaal evenwel mocht, waar het plak en roede gold, als eene
uitzondering doorgaan op den toenmaligen regel. Lag het aan zijn
zachtaardig temperament, aan zijne sympathieke gemoedsstemming, of
aan een noodlot dat hem eenen menschenleeftijd te vroeg in de wereld
zond--zóóveel is zeker, dat de toenmalige schooltucht in dezen jonkman
geenen aanhanger vond. Hij wist niet hoe het kwam--maar tot beuken op
kinderhoofdjes en kinderrugjes stonden nu eenmaal zijne handen niet; en
van alle schoolmeesterlijke geniepigheid, als daar zijn knepen in ooren,
porren met leien, kneukel-tikken met linialen, koesterde hij kortweg
eenen afkeer. Hem scheen kindervleesch, inzonderheid het vleesch van
kleine meisjes, iets zóó teeders toe, dat hij het wèl streelen kon, maar
niet martelen. Trouwens, met zijne toonrijke stem en sprekende oogen
wist hij zich door het jonge goed heel wat beter te doen gehoorzamen,
dan hij ooit vermocht zou hebben met ranselen en bulderen.
Ziedaar mijnen ondermeester. Hing de jeugd om zijne minzaamheid hem
aan--ik moet tot mijn leedwezen er bijvoegen dat zijn superieur, de
bovenmeester Van Meppen, hem er niet best om lijden mocht. Dit feit
vordert, ter wille eener juiste waardeering van den Hillegersberger
magister, eene nadere uiteenzetting.
* * * * *
Meester Pieter Van Meppen liep om en bij de vijftig. Voor eenen
onderwijzer is dit de schoonste leeftijd. Hij heeft dan nog een aardig
eind weegs voor de borst (geen sterft er, zooals men weet, onder de
tachtig), en toch is hij oud genoeg om gekomen te zijn tot het vol
en rustig besef van zijne majesteit. Hij staat in de volheid zijner
rijpheid, op het toppunt zijner macht!--Wie (zegt het spreekwoord) op
zijn dertigste jaar niet sterk is, op zijn veertigste niet verstandig,
en op zijn vijftigste niet rijk, die kan het er gerust voor houden dat
hij zijn leven lang nooit sterk of verstandig of rijk zal worden. Nu,
groote lichaamssterkte kwam den heer Van Meppen bij zijnen omgang met
schoolkinderen beneden de twaalf jaren niet bijzonder te pas. Boven het
streven naar rijkdom had hij, op het voetspoor van Diogenes en andere
groote wijsgeeren die de druiven zuur verklaarden, zich steeds verheven
geacht. Maar verstand--ja! van verstand had meester Van Meppen in
zijn vijftigste levensjaar zich zijn billijk deel vergaard--althans
naar zijne eigene schatting, welke immers op dit stuk oneindig
vertrouwbaarder is dan de schatting van anderen!--Want wat baat het mij
of mijne buren mij al voor eenen Salomo houden, indien ik mijzelven ken
als eenen ezel? En wat schaadt het mij of anderen mij al voor eenen ezel
verslijten, indien ik mijzelven maar op den waren prijs stel als eenen
Salomo?--De heer Van Meppen wist zelf het best wat er in hem stak.
Ronduit gesproken, hij was, in alle nederigheid, hier op aarde zijnen
betere nog niet tegen het lijf geloopen. Deze waarheid stond te allen
tijde op zijn gelaat te lezen. Daarom ook zou eene ontmoeting met hem
een wezenlijk fortuintje zijn geweest voor eenen schilder, die toevallig
zoekende was naar eenen model-kop voor een beeld der nooit weifelende
zelfgenoegzaamheid.
De heer Pieter van Meppen had zich eene lijfspreuk verkoren, die de
leidende gedachte bij zijne methode van onderwijs als formuleerde:--»het
boompje dient =jong= gebogen." Dit klinkt bijna wreedaardig, niet
waar?--En toch, lezer, toch bid ik u, rangschik mij om dezen stelregel
mijnen bovenmeester niet aanstonds onder dat slag van antieke
kinderbeulen, voor wie Dante verzuimde in zijnen _Inferno_ eene
afzonderlijke verdieping in te ruimen: nietige inquisiteurs, kleine
vivisectoren, kruisingen van kat en ezel, die in hun ledig brein,
onder het magistrale pruikje, de valschheid en het leedvermaak van het
eene schepsel geämalgameerd hadden met de balkende deftigheid van het
andere. Neen toch! Wacht u wèl voor dergelijke overijling!--Meester Van
Meppen was volstrekt geen laffe aterling van die soort. Meester Van
Meppen had veeleer eenen hekel dan eenen lust aan lijfstraffelijke
rechtspleging: maar hij beschouwde deze als een onvermijdelijk
kwaad--»_necessitas naturae_", evenals bakers, dienstmeiden, en
vrouwvolk in het algemeen. Meermalen had men in de societeit, als het
gesprek op zaken van onderwijs verzeilde, hem dit met klem van redenen
hooren uiteenzetten. Hij wist wel dat enkele jongere collega's zich den
schijn gaven alsof zij het zonder slaan konden kroppen. Doch deze schijn
leek =hem= ten hoogste bedriegelijk. »Ik voor mij", riep hij, tuk op
elke gelegenheid tot het uitkramen van zijn bijeengesprokkeld Latijn:
»Ik voor mij houd mij aan het reeds door de oude Romeinen met zoo
schitterend gevolg in praktijk gebrachte »_Fortiter in modo, suaviter in
rebus!_""--waarmee hij zich verbeeldde onweerlegbaar te hebben betoogd,
dat het straffen aan den lijve hem maar al te vaak werd opgelegd als
eenen smartelijken, doch onvermijdelijken =plicht=. En zoo ging er
geen dag voorbij, waarop hij geen klappen uitgedeeld had links en
rechts--zuiver uit plichtbesef--louter uit kracht van een met
overtuiging toegepast beginsel. Van Meppen geloofde heilig in de
weldadige werking van eene dracht slagen. »Het boompje moet =jong=
gebogen!"--Teekende zijn eigen gemoed tegen die leer soms verzet aan:
zag men soms, gelijk bij Van Alphen's even hardhandigen als weekhartigen
papa, tranen glinsteren in zijne oogen wanneer hij Hieronymusjen op de
broek gaf--dan verweet hij zich dit als zwakheid. De roede zwaaiend,
verstaalde hij zijne ingewanden tegen het gejank der getuchtigden
door het aanhalen van nog een ander gulden woord der vaderen: »Zachte
meesters maken stinkende wonden!"--Om kort te gaan, meester Pieter van
Meppen was nog een onderwijzer van den ouden stempel, en koesterde
omtrent de opkweeking der jeugd zoo zijne ouderwetsche en onwankelbare
begrippen.
Welnu dan--was het vreemd, dat het den man hinderde, die begrippen
gekleinacht, ja, zwijgend maar met de daad te schande gemaakt te zien
door eenen aankomenden kwâjongen? Lag er voor den bovenmeester, als
verantwoordelijk opperheer in de school, in des ondermeesters meerdere
en zuiver zedelijke macht niet iets krenkends? Schuilde daarachter
tevens niet een opstaan tegen zekere, door de eeuwen geijkte,
denkwijzen, gebruiken en instellingen--iets eigenzinnigs, iets
weerbarstigs, iets revolutionnairs?.... Revolutie! Gerechte hemel! Het
woord al zou den meester een kruis hebben doen slaan, ware hij niet zoo
rechtzinnig gereformeerd geweest.
Ten overvloede had Van Meppen tegen Justus Eykendaal nog eene andere
en meer ernstige grief. Hij meende namelijk in den jongeling eene
aanwassende neiging te bespeuren tot--hoe zou hij het noemen?--tot
vreemddoenerij, sentimentaliteit, romanziekigheid, kluisjes bouwen
in den maneschijn--: eene neiging, die den stijven, dorren, met de
kerkelijke witkalk dik bestreken man vervulde van dien gerechten
weerzin, welken menschen als hij plegen te koesteren tegen alle
zóódanige aandoeningen, waarvan zij zelven nu eenmaal geen tittel of
jota meegevoelen.
Onder deze omstandigheden zou hij zeker al lang zich eenen anderen
ondermeester hebben aangeschaft, indien niet twee beweegredenen hem
daarvan hadden teruggehouden. Vooreerst zijn gevoel van recht: Justus,
hoe zonderling ook, deed immers trouw zijn werk. Ten tweede zijn
welbegrepen eigenbelang: want nergens zou hij eenen helper treffen, die
hem knapper zijne taak verlichtte, en aan wien hij geruster heel het
schoolbewind kon overlaten, wanneer hij op mooie zomerochtenden met den
dominee er eens uit wou op het verschalken van een zootje waterbaars.