II.

Een vierde van eene eeuw geleden woonde er in dit dorp een jeugdig

ondermeester, die van zijnen vader den onbezoedelden geslachtsnaam

Eykendaal, van zijne moeder den welluidenden persoonsnaam Justus, en van

hen beiden te zamen een gezond en welgevormd lichaam benevens een helder

hoofd en een gevoelig hart ontvangen had. Meer dan die vijf dingen

lieten zijne vroeg gestorven ouders den knaap niet na; maar hij, wel

verre van hun een verwijt daarvan te maken, vond dat het reeds veel was.

Ware hij als Klaas Klomp of als Kees Kuit dit ondermaansche ingestuurd,

toegerust met eenen bochel en eene borstkwaal, en behept met eene

Judas-geaardheid--hij had er mee al niets tegen kunnen doen, begreep

hij. Dit in aanmerking nemende--alsmede dat eene krachtige maag een

zegen heeten mag, zelfs al kan men haar in den regel niet vullen met

wildbraad of pastei, en dat welgeschapen leden ook onder een schamel

jasje eenen jongen man niet misstaan--meende Justus dat voor eenen

spruit van eenen plattelands-brievengaarder het ouderlijke erfdeel heel

wat kariger had kunnen uitvallen. Hieruit blijkt dat Justus, zonder het

zelf te weten, van zijne ouders ook nog redelijkheid en tevredenheid had

geërfd.

Te zeggen dat Justus Eykendaal arm was, is trouwens even onnoodig als

de verzekering dat eene stortbui nat maakt, of dat vuur verbrandt. Wie

heeft er ooit gehoord van eenen drogen regen, van eene koude vlam, van

eenen bemiddelden ondermeester?--Tegenwoordig zelfs, nu de paedagoog als

plechtanker van het heil der menschheid in de plaats getreden is van den

Heidelbergschen catechismus, en zijne werkplaats, de school, de dame

is om wier gunst de geduchtste strijders in Kerk en Staat elkander

bekampen--tegenwoordig zelfs baadt de Nederlandsche hulponderwijzer

zich zelden in weelde. Maar voor vijf-en-twintig jaren was het toch iets

anders nog. Er liepen toen geene menschen rond, zelfs geene luitenants,

die de kunst van glimlachend hongerlijden en het verduurzamen van

afgesleten jasjes met taaiere volharding beoefenden, dan de adjudanten

van den school-monarch. Achtenswaardige jongelingen! Hunne opleiding

in de universiteit der beproeving was grondig. Indien zij naar onze

hedendaagsche begrippen wat haastig waren met kastijden, schrijven wij

het hieraan toe, dat ook hun het leven de plak en de roede niet

kwijtschold voorwaar.

Justus Eykendaal evenwel mocht, waar het plak en roede gold, als eene

uitzondering doorgaan op den toenmaligen regel. Lag het aan zijn

zachtaardig temperament, aan zijne sympathieke gemoedsstemming, of

aan een noodlot dat hem eenen menschenleeftijd te vroeg in de wereld

zond--zóóveel is zeker, dat de toenmalige schooltucht in dezen jonkman

geenen aanhanger vond. Hij wist niet hoe het kwam--maar tot beuken op

kinderhoofdjes en kinderrugjes stonden nu eenmaal zijne handen niet; en

van alle schoolmeesterlijke geniepigheid, als daar zijn knepen in ooren,

porren met leien, kneukel-tikken met linialen, koesterde hij kortweg

eenen afkeer. Hem scheen kindervleesch, inzonderheid het vleesch van

kleine meisjes, iets zóó teeders toe, dat hij het wèl streelen kon, maar

niet martelen. Trouwens, met zijne toonrijke stem en sprekende oogen

wist hij zich door het jonge goed heel wat beter te doen gehoorzamen,

dan hij ooit vermocht zou hebben met ranselen en bulderen.

Ziedaar mijnen ondermeester. Hing de jeugd om zijne minzaamheid hem

aan--ik moet tot mijn leedwezen er bijvoegen dat zijn superieur, de

bovenmeester Van Meppen, hem er niet best om lijden mocht. Dit feit

vordert, ter wille eener juiste waardeering van den Hillegersberger

magister, eene nadere uiteenzetting.

* * * * *

Meester Pieter Van Meppen liep om en bij de vijftig. Voor eenen

onderwijzer is dit de schoonste leeftijd. Hij heeft dan nog een aardig

eind weegs voor de borst (geen sterft er, zooals men weet, onder de

tachtig), en toch is hij oud genoeg om gekomen te zijn tot het vol

en rustig besef van zijne majesteit. Hij staat in de volheid zijner

rijpheid, op het toppunt zijner macht!--Wie (zegt het spreekwoord) op

zijn dertigste jaar niet sterk is, op zijn veertigste niet verstandig,

en op zijn vijftigste niet rijk, die kan het er gerust voor houden dat

hij zijn leven lang nooit sterk of verstandig of rijk zal worden. Nu,

groote lichaamssterkte kwam den heer Van Meppen bij zijnen omgang met

schoolkinderen beneden de twaalf jaren niet bijzonder te pas. Boven het

streven naar rijkdom had hij, op het voetspoor van Diogenes en andere

groote wijsgeeren die de druiven zuur verklaarden, zich steeds verheven

geacht. Maar verstand--ja! van verstand had meester Van Meppen in

zijn vijftigste levensjaar zich zijn billijk deel vergaard--althans

naar zijne eigene schatting, welke immers op dit stuk oneindig

vertrouwbaarder is dan de schatting van anderen!--Want wat baat het mij

of mijne buren mij al voor eenen Salomo houden, indien ik mijzelven ken

als eenen ezel? En wat schaadt het mij of anderen mij al voor eenen ezel

verslijten, indien ik mijzelven maar op den waren prijs stel als eenen

Salomo?--De heer Van Meppen wist zelf het best wat er in hem stak.

Ronduit gesproken, hij was, in alle nederigheid, hier op aarde zijnen

betere nog niet tegen het lijf geloopen. Deze waarheid stond te allen

tijde op zijn gelaat te lezen. Daarom ook zou eene ontmoeting met hem

een wezenlijk fortuintje zijn geweest voor eenen schilder, die toevallig

zoekende was naar eenen model-kop voor een beeld der nooit weifelende

zelfgenoegzaamheid.

De heer Pieter van Meppen had zich eene lijfspreuk verkoren, die de

leidende gedachte bij zijne methode van onderwijs als formuleerde:--»het

boompje dient =jong= gebogen." Dit klinkt bijna wreedaardig, niet

waar?--En toch, lezer, toch bid ik u, rangschik mij om dezen stelregel

mijnen bovenmeester niet aanstonds onder dat slag van antieke

kinderbeulen, voor wie Dante verzuimde in zijnen _Inferno_ eene

afzonderlijke verdieping in te ruimen: nietige inquisiteurs, kleine

vivisectoren, kruisingen van kat en ezel, die in hun ledig brein,

onder het magistrale pruikje, de valschheid en het leedvermaak van het

eene schepsel geämalgameerd hadden met de balkende deftigheid van het

andere. Neen toch! Wacht u wèl voor dergelijke overijling!--Meester Van

Meppen was volstrekt geen laffe aterling van die soort. Meester Van

Meppen had veeleer eenen hekel dan eenen lust aan lijfstraffelijke

rechtspleging: maar hij beschouwde deze als een onvermijdelijk

kwaad--»_necessitas naturae_", evenals bakers, dienstmeiden, en

vrouwvolk in het algemeen. Meermalen had men in de societeit, als het

gesprek op zaken van onderwijs verzeilde, hem dit met klem van redenen

hooren uiteenzetten. Hij wist wel dat enkele jongere collega's zich den

schijn gaven alsof zij het zonder slaan konden kroppen. Doch deze schijn

leek =hem= ten hoogste bedriegelijk. »Ik voor mij", riep hij, tuk op

elke gelegenheid tot het uitkramen van zijn bijeengesprokkeld Latijn:

»Ik voor mij houd mij aan het reeds door de oude Romeinen met zoo

schitterend gevolg in praktijk gebrachte »_Fortiter in modo, suaviter in

rebus!_""--waarmee hij zich verbeeldde onweerlegbaar te hebben betoogd,

dat het straffen aan den lijve hem maar al te vaak werd opgelegd als

eenen smartelijken, doch onvermijdelijken =plicht=. En zoo ging er

geen dag voorbij, waarop hij geen klappen uitgedeeld had links en

rechts--zuiver uit plichtbesef--louter uit kracht van een met

overtuiging toegepast beginsel. Van Meppen geloofde heilig in de

weldadige werking van eene dracht slagen. »Het boompje moet =jong=

gebogen!"--Teekende zijn eigen gemoed tegen die leer soms verzet aan:

zag men soms, gelijk bij Van Alphen's even hardhandigen als weekhartigen

papa, tranen glinsteren in zijne oogen wanneer hij Hieronymusjen op de

broek gaf--dan verweet hij zich dit als zwakheid. De roede zwaaiend,

verstaalde hij zijne ingewanden tegen het gejank der getuchtigden

door het aanhalen van nog een ander gulden woord der vaderen: »Zachte

meesters maken stinkende wonden!"--Om kort te gaan, meester Pieter van

Meppen was nog een onderwijzer van den ouden stempel, en koesterde

omtrent de opkweeking der jeugd zoo zijne ouderwetsche en onwankelbare

begrippen.

Welnu dan--was het vreemd, dat het den man hinderde, die begrippen

gekleinacht, ja, zwijgend maar met de daad te schande gemaakt te zien

door eenen aankomenden kwâjongen? Lag er voor den bovenmeester, als

verantwoordelijk opperheer in de school, in des ondermeesters meerdere

en zuiver zedelijke macht niet iets krenkends? Schuilde daarachter

tevens niet een opstaan tegen zekere, door de eeuwen geijkte,

denkwijzen, gebruiken en instellingen--iets eigenzinnigs, iets

weerbarstigs, iets revolutionnairs?.... Revolutie! Gerechte hemel! Het

woord al zou den meester een kruis hebben doen slaan, ware hij niet zoo

rechtzinnig gereformeerd geweest.

Ten overvloede had Van Meppen tegen Justus Eykendaal nog eene andere

en meer ernstige grief. Hij meende namelijk in den jongeling eene

aanwassende neiging te bespeuren tot--hoe zou hij het noemen?--tot

vreemddoenerij, sentimentaliteit, romanziekigheid, kluisjes bouwen

in den maneschijn--: eene neiging, die den stijven, dorren, met de

kerkelijke witkalk dik bestreken man vervulde van dien gerechten

weerzin, welken menschen als hij plegen te koesteren tegen alle

zóódanige aandoeningen, waarvan zij zelven nu eenmaal geen tittel of

jota meegevoelen.

Onder deze omstandigheden zou hij zeker al lang zich eenen anderen

ondermeester hebben aangeschaft, indien niet twee beweegredenen hem

daarvan hadden teruggehouden. Vooreerst zijn gevoel van recht: Justus,

hoe zonderling ook, deed immers trouw zijn werk. Ten tweede zijn

welbegrepen eigenbelang: want nergens zou hij eenen helper treffen, die

hem knapper zijne taak verlichtte, en aan wien hij geruster heel het

schoolbewind kon overlaten, wanneer hij op mooie zomerochtenden met den

dominee er eens uit wou op het verschalken van een zootje waterbaars.

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 11 / 24 题