I.

Hillegersberg is een Zuidhollandsch dorp, een uur gaans ongeveer van

Rotterdam gelegen. Om er te komen, volgt men den Schie-stroom totaan

de buurtschap de Heul, wijd berucht wegens hare eigenaardige wijze van

Pinksterviering. Vervolgens slaat men rechtsaf eenen straatweg in,

die--hooge zeldzaamheid in dit gedeelte van ons vaderland--beplant is

met boomen, wel is waar vlijtig verminkt, maar toch nog niet gansch

afgemaakt. Onder het schrale lommer beweegt men zich afwisselend langs

groene weiden, groene slooten, groene moestuinen, en talrijke, aan

weerszijden tusschen groen verscholen buitenplaatsjes. Aldus kuiert de

duffe stadbewoner het vriendelijke dorpje binnen, genoegelijk gestemd

over het bijeentreffen van zóóveel groenigheden binnen zoo luttelen

afstand van winkel of kantoor.

Mijne beminde stadgenooten, de Rotterdammers, hebben deze toelichting

niet van noode: want voor de deftigen onder hen is »den Berg" eene

gezochte begraafplaats; en voor de niet-deftigen is het een uitverkoren

ontspanningsoord. Zij allen rijden er dus heen op hunne beurt--de

rijken stom en stapvoets en met groote staatsie, om er zich te laten

bijzetten--de arme drommels (die na hunnen dood den zinkput in

het Crooswijksche veen voor lief moeten nemen) jolend en tierend,

holderdebolder in breukige kalessen en volgepropte omnibussen, om er

in eenen theetuin zich te verhitten met schommelen en slechten drank.

Voor andere bewoners van Nederland echter, in de Maasstad en omstreken

vreemdelingen, was de bovenstaande mededeeling misschien niet overbodig.

Ter inlichting van dezen ook meen ik hier nog te moeten aanstippen,

dat de gemeente Hillegersberg niet slechts boogt op een aristocratisch

kerkhof en eenen plebejischen theetuin, maar bovendien op eenen heuvel,

eene ruïne en eene legende. Deze drie laatste eigenhoorigheden zijn voor

een dorp in het proza-land bij uitnemendheid, het ingedeukte, boomlooze,

van koemest en spoeling doorweekte Schieland, iets zóó ongewoons, dat ik

waarlijk wel een woordje méér er over zeggen mag.

Den heuvel, het is zeker, zou een wandelaar, die er niet opzettelijk

aandachtig op werd gemaakt, allicht voorbijloopen zonder iets van zijne

aanwezigheid te bespeuren;--ik geef hem vermoedelijk méér dan zijn

rechtmatig deel, wanneer ik hem eene hoogte toeschrijf van wel twaalf

voet boven de omliggende poldervlakte. Nochtans is hij, gelet op zijne

herkomst, met vollere waarheid iets ontzagwekkends, iets kolossaals,

iets titanisch te noemen, dan bij voorbeeld het Matterhorn of de

Dhawalaghiri, van welke men toch beweren mag dat zij, louter als bergen

beschouwd, heel wat méér te beteekenen hebben. Het Matterhorn en de

Dhawalaghiri zijn namelijk voortbrengsels van natuurkrachten--terwijl de

berg van Hillegersberg....

Maar stil, mijne heeren! dempen wij onze luidruchtigheid! Want hier

verschijnt, gegord met mos, met eiloofranken kuisch gesluierd, de sage

op ons tooneel.

* * * * *

In een zeer grijs verleden (de oudste menschen van Hillegersberg

herinneren zich er niets meer van) woonden er in deze landstreek

zonen en dochteren Anak's, zeer vreeselijk om aan te zien: geweldige

creaturen, wier grootte evenveel vademen bedroeg, als duimen de grootte

van de kinderen der menschen. Hunne voetzolen waren op de aarde; maar

hunne hoofden boorden in de wolken. Riepen zij elkander toe, dan was er

donder in de hemelen; wandelden zij, dan dreunde de bodem als van den

tred van vele heirscharen; en als zij zich nederlegden om te slapen aan

het boord der meiren, zoo steigerden gelijk strijdrossen de golven bij

het geronk uit hunne neusgaten.

En het geschiedde eens op eenen dag, dat eene jonge maagd uit dit

geslacht, Hildegarde, die rijzig en schoon was boven alle hare zusteren,

van het fijnste zand begeerde, opdat zij daarmede haar aangezicht blank

mocht schuren--blank en blinkend in de oogen van Ubbo den Bruine, den

jongeling dien zij liefhad. Zij dan sprak tot haren vader, Twikko den

Grauwe: »Mijn vader, waar vinde ik zand zoo rein als goud, zoo fijn als

water, zoo wit als melk?"

Twikko de Grauwe antwoordde, zeggende: »Ga naar het strand der zilte

zee, en schep er wat zacht als eiderdons is onder uwe voeten."

»Mijn vader", hernam de maagd, »geef mij uwen helm van koper, opdat ik

het daarin drage, dat zand."

Maar Twikko de Grauwe ontstak in toorn, en riep haar toe: »Wat vraagt

gij mijnen helm van koper, mijnen heldenhelm van glanzend metaal! Hebt

gij den korf niet, den korf van popelstammen, dien Fikko de Roode u

vlocht, uw bruidegom?"

Toen schoten er bliksems uit Hildegarde's oogen. »Vervloekt!" schreeuwde

zij: »vervloekt zij Fikko tot in de wortels van zijne roode haren! Het

is Ubbo de Bruine, dien ik min! Eer zal de aarde mij verzwelgen, eer

kies ik de diepe zee mij tot bruidsbed, vóór Fikko de Roode met eene

nagelspits mij beroert!"

»Ha, bastaard van eene teef!" zóó brullend sprong de oude op: »Ha,

voetwisch van mijne knechten! dezen avond nog zult gij uw Ubbo's nieren

mij opdragen als gebraad en zijn hartebloed als mee in mijnen gouden

beker!..."

Hildegarde gaat. Weinige schreden brengen haar aan het zeestrand. Zij

gaart eene blonde duin of wat in haar schortekleed; zóó beladen ijlt

zij huiswaarts heen, diep bezorgd wegens den bruinen Ubbo. En als zij

Twikko's haardstede nadert, zoo waait de landwind den reuk van een

slagveld in hare neusgaten, en vóór haar uit speurt zij de wolken rood

van bloedwalm. Haar zoekend oog doolt langs den horizon, of het de

strijdenden niet ontwaart. Maar al voortsnellende stoot zij haren voet

tegen het gevest van een in den grond gestoken zwaard. Zij struikelt--en

ligt over het lijk van Ubbo den Bruine.

En met eenen smartkreet, dien de raven herhaald hebben tot in Nibelheim,

hief zij den beminde aan hare borst. En zij droeg hem naar het strand

der zilte zee. En in de branding stappend, met den dooden lief in hare

armen, waadde zij verder en verder, tot de bruisende wateren zich

sloten boven haar hoofd.--

Kent gij de witte krijtklippen aan den overkant der zee?--Het zijn de

gebleekte beenderen van het jonge reuzenpaar, door de golven opgeworpen

tegen Albion's kust. Dáár echter, waar Hildegarde struikelde, en het

noodlottige duinzand in haar voorschoot werd uitgestort over den

bodem--dáár welft zich sedert een heuvel boven het drassige weideveld:

de heuvel van Hildegarde: Hildegard's berg.

* * * * *

Dus luidt de sage. Men vindt door de windvaan op het gemeentehuis en

door het fraai gebeitelde dorpswapen in den gevel van dit gebouw nog ten

huidigen dage Hildegarde's ongeluk in dankbaar aandenken gehouden.

Inderdaad, van dankbaarheid mag hier wel sprake wezen. Want aan dit

voorhistorische treurspel hebben de Hillegersbergers alles te danken.

In de eerste plaats hunnen berg;--zonder die scheur in dat schortekleed

immers zouden er kikkers kwaken ter plekke waar thans de gasten uit de

stad een vergezicht komen genieten. In de tweede plaats hunne sage;--de

berg baarde de sage, gelijk het schortekleed den berg baarde. In de

derde plaats hunne ruïne;--want vermits die ruïne boven op den berg

staat, zoo moet men wel aannemen dat het juist alweer de berg was, die

den bouwmeester der ruïne uitlokte om dáár en niet elders te bouwen. In

de vierde plaats hun zeer begunstigd kerkhof, dat mede op den berg en om

de ruïne gelegen is;--de aanzienlijke Rotterdammers toch, die zich hier

laten begraven, maakten voor het meerendeel hun fortuin in koffieboonen

of in metallieken; en juist voor dezulken is het zoet en eervol, den

laatsten slaap te sluimeren op eene verhevenheid uit den sagen-tijd,

onder eene ruïne uit de dagen der kruistochten. In de vijfde plaats....

Doch waartoe deze opsomming nog voortgezet? Het is klaar als kristal,

dat Hillegersberg nooit geworden zou zijn wat het is, zonder den berg

van Hildegarde. En evenzoo duidelijk is het, dat de berg van Hildegarde

er nooit zou gekomen zijn zonder den ontijdig opgevlamden hartstocht van

Hildegarde de reuzin voor Ubbo den reus, bijgenaamd de Bruine.

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 10 / 24 题