INHOUD.

Bladz.

DE GRAUWE VROUW 1

DE PARAPLU VAN DEN KAPELAAN 14

JACK BOBSON'S POOLREIS 39

DE JONKVROUW VAN HILLEGERSBERG 51

HARMONIA 120

IN DEN HOBBELSTOEL 151

EENE MIN IN DEN ZONNESCHIJN 167

EENE MIN IN DEN MIST 182

MEVROUW DE DOUAIRIÈRE 211

ALPENGLOEIEN 242

DON JUAN DEL MULINO 246

CHIAROSCURO 282

De grauwe Vrouw.

_Wem nie durch Liebe Leid geschicht,

Dem ward auch Lieb' durch Liebe nicht;

Leid kommt wohl ohne Lieb' allein;

Lieb' kann nicht ohne Leiden sein._

Meester Claudius, uit Rotterdam, is dezen zomer voor zijn genoegen op

reis geweest. Als goed vriend heeft hij mij van zijne ontmoetingen en

ervaringen iets meegedeeld, dat misschien zoo alledaagsch niet is. Ik

vertel het, met zijn verlof, hier over.

* * * * *

De bel klepte drie, de stoomfluit gilde, de trein zette zich in

beweging. Er in zat de meester; er buiten stonden zijne vrouw en zijn

dochtertje.--»Adieu! dag, lieven, dag! Gauw schrijven, hoor! Saluut!

Dag, dag, adieu!"--Een knikken nog uit het raampje--reeds waren zij

uit zijn gezicht verdwenen; tusschen hem en haar, die den goeden man

nawuifden op het plankier, drong zich eene zwarte machinenloods. Alléén

in den coupé, schoot onze reiziger als een pijl uit den boog door de

Kralingsche weilanden heen, zijn huis al verder en verder achter zich

latende, met elke minuut eene zevenmijls-schrede nader ijlende tot de

wouden en bergen van zijn verlangen.

* * * * *

Het is eene kostelijke gewaarwording, het gevoel van dat eerste

uitvliegen: die zekerheid dat heden en morgen eens het taakwerk ons niet

wacht, dat uitzicht op het nieuwe, het onbekende, of het van vroeger ons

reeds lief gewordene, dat elk uur van de komende dagen ons staat te

brengen.

Minder aangenaam wel, wanneer, als in Claudius' geval, omstandigheden

gebieden dat men in zijn ééntje zulk eene pleizierreis onderneemt. Maar

dit behoefde toch onzen vriend het genoegen niet te vergallen. Zijne

vrouw en zijn kind waren immers gezond en veilig; het ontbrak haar noch

aan bescherming noch aan verzet; zoo van ganscher harte gunden zij den

man en vader de ontspanning naar welke hij zoozeer hunkerde; dagelijks

ook konden zij zijne brieven ontvangen en beantwoorden.... Dus, meester,

met volle teugen genoten van den korten rusttijd!

Het schoone weder al moest hem het hart doen jubelen. Hoe laafde zich

zijn oog aan het etgroen der pas gemaaide weiden; hoe geurde het versche

hooi hem tegen; hoe flikkerden de Hollandsche slooten en weteringen,

door de namiddagzon in gloed gezet, hem als raketten voorbij. En al

houtrijker, straks al heuvelachtiger, steeds al aantrekkelijker werd het

landschap, hoe meer hij zich verwijderde van de misdeelde streek, in

welke het lot hem zijne woning wees. Kom, meester! onthaal uzelven op

eene sigaar! En dan (o voorsmaak eener vreugde, wat zijt gij zoet!) dan

het reisboek uit de tasch gegrepen, om op de kaart het grootsche plan

nog eens in al zijne aanlokkelijkheid te bestudeeren. Voor zoover een

mensch alléén gelukkig kan wezen, voelde Claudius zich gelukkig op dit

oogenblik.

* * * * *

Spoortreinen hebben in onze dagen wél eene groote snelheid, maar nog

geenszins de volmaaktheid bereikt. Terwijl meester Claudius gansch

verdiept zit in zijnen Baedeker, brengt eene hevig schokkende beweging

van het rijtuig zijn hoofd in forsche botsing met de lijst van het

venster.... Het was niets. Een steentje misschien, dat op de staven

lag; of eene losgeraakte schroef.... Toch, als onze reiziger zijne

lectuur hervat, dansen hem de letters een weinig voor de oogen.

En--zonderling!--het is hem of hij een gefluister verneemt in zijn oor:

»Vriend, denk er aan! deze trein kan verongelukken. Een enkel verzuim,

één noodlottig toeval--zoo wordt deze sterke wagen versplinterd als eene

spanen doos. Hen die gij tehuis liet, ziet gij dan nimmer weer!"--

Alle drommels! Wie lispte dat daar?--De meester dacht toch alléén te

zijn in den coupé!.... Hij wendt het hoofd zijwaarts--en inderdaad--hij

vreesde het al--, in den hoek aan het andere venster zit eene donkere

gestalte, vormloos ineengedoken, dicht gesluierd, van kruin tot voeten

in het grauw.

Een spooksel? meent gij. Nu ja--van een mensch had het ding zeker al

weinig, en van een engel nog minder.

Het was eene oude bekende van meester Claudius. Vrouw Zorg is haar naam.

Sinds jaar en dag pleegt zij hem geen uur onverzeld te laten op zijn

levenspad. Zij schrijdt vóór hem heen op de wandeling; zij staat achter

zijnen stoel onder het arbeiden; zij hurkt naast zijn leger bij het

slapen gaan, en reikt hem hare kille hand bij het uit bed stappen....

Maar hier toch had hij niet verwacht haar aan te treffen. Hij meende

stellig haar in de stad te hebben achtergelaten. Hij was zelfs (oprecht

beleden) met het bepaalde oogmerk er op uitgegaan, haar eindelijk,

eindelijk eens te ontloopen. En nu--tóch hier!--Zij moest dus, ongezien,

achter hem in het rijtuig geslopen zijn.

»Ah!" riep hij--»onafwendbare! gij óók op reis?--Waarheen? als ik vragen

mag. Ik hoop dat onze wegen ditmaal niet samenvallen--ofschoon ik

waarlijk zóózeer aan uw gezelschap gewoon ben geraakt, dat ik haast eene

leemte voel wanneer ik u eens =niet= bij mij heb!"

De gedaante boog zich even, alsof het compliment haar streelde.

»Maar wat", voer Claudius voort, »wat kraakt ge mij daar weer voor kwade

noten!--Een honderdduizend sneltreinen snorren er dagelijks door

Europa--en hoe zelden hoort men van spoorwegrampen!--Waarom zou juist

déze trein verongelukken?--De kans voor mij is even gering, als om uit

een millioen witte boonen blindelings er eene enkele zwarte te grijpen!"

»Toch, vriend", hernam de schim: »die ééne zwarte boon =is= onder al die

witten! die ééne zwarte boon =kan= voor de hand liggen, en =moet= van

tijd tot tijd gegrepen worden!"

Het was zoo: hij kon het niet tegenspreken. Voor zijnen geest rees de

beschrijving van hetgeen er onlangs gebeurd was op de lijn tusschen

Birmingham en Manchester, tusschen Dijon en Macon--wel ja, tusschen

Schiedam en Rotterdam nog kortelings.--»'t Is waar", prevelde hij: »die

ééne zwarte boon zou inderdaad heden avond voor de hand kunnen

liggen--en in dát geval----"

Verbeeldde hij het zich? of was er opeens uit het westen een nevel

gerezen, die de ondergaande zonneschijf verbleekte, het groen der

Veluwsche wouden aanstreek met grauw, en den horizon in ontijdige

schemering hulde?

Het moet wel aan zijne oogen gelegen hebben. Want een paar medereizigers

hoorde hij tot elkander zeggen, dat de zomer nog geenen zoo helderen en

prachtigen avond had gebracht.

* * * * *

Te Coblenz is het liefelijk verpoozen, na eenen langen spoorwegrit. Dáár

vult men boordevol (ten minste als men van een goed glas wijn houdt,

zooals meester Claudius) den roemer zich met den nectar van Rüdesheim.

Dáár bruist zoo plechtig de breede Rijn langs Ehrenbreitstein's

onwrikbare rotsvesting. Dáár wandelt men over de schaduwrijke hoogten

van brug naar brug, en blikt er neder op de stad met haar gewoel, op den

edelen stroom, die zich al kronkelend verliest in vruchtbare landouwen,

schilderachtig heuvelland en rijk bebouwde vlakte--het minnelijkst

toonbeeld hoe natuur en menschenwerk elkander sieren. Ja, dáár schudt

de geest des moeden vreemdelings zijne lasten af, om onbekommerd mee te

zingen met de merels in het groen, dat de aarde schoon is, het leven

zoet.

In die stemming des avonds binnen de stad teruggekeerd, vond de meester

eenen brief van huis. Eenen opgewekten brief, eenen hartelijken brief:

eene lieve aansporing om alle zorgen nu toch aan kant te zetten: eene

blijde verzekering dat alles wel en goed en vroolijk was.

»Alles wel--goddank! Kellner, eene halve Assmannshauser!--Ha! waar zijt

ge nu, vrouw Zorg, met uwe sombere inblazingen!"

Alles wel, ja ja. Alleen--aan het slot schreef toch de moeder--in

postscriptum, naar de wijze der vrouwen--dat het kind eene verkoudheid

scheen beloopen te hebben, dat het een weinig was gaan hoesten--in 't

kort, een van die onbeduidende moederpraatjes, waaraan geen verstandig

vader zich zwaar behoeft te laten gelegen liggen.

Nu kunnen zelfs zijne vijanden (hij heeft er, de goede man, want hij

bezit een karakter) zelfs zijne vijanden kunnen niet beweren dat meester

Claudius geen verstandig vader is. »Een bagatel!" dacht hij. »Welk kind

is er niet telkens verkouden? Welke kleine hoest er niet eens?--Wat

geduld en wat gomballen----"

En evenwel, als hij onwillekeurig dat naschrift nog eens herlas,

verdween zijne luchthartigheid. Want aan zijne zijde--hij voelde 't--had

eene donkere gedaante post gevat, en een bleeke vinger wees hem op het

papier--hij zag het nu duidelijk: hoe kon 't wezen dat hij het daareven

niet had gezien?--een bleeke vinger wees hem op het papier wat er

geschreven stond =tusschen= de regels:

»Geef acht, vader! Er kwamen in onze buurt gevallen van eene

besmettelijke ziekte voor. Die verkoudheid, zij zou de voorloopster

kunnen wezen van erger. Het kind kan ziek worden. Het kind kan

sterven.... Reis niet te vèr weg! Keer liever huiswaarts, vader!...."

»Duivelin!" schreeuwde hij: »kunt ge mij dan zelfs in deze enkele

vacantie-dagen uwe boosaardigheid niet sparen?--Het kind is verkouden,

zeg ik u: niets anders. Het kind zal morgen weer beter zijn! Gij liegt,

vreugdbederfster! gij liegt indien ge anders profeteert!"

De schaduw was verdwenen: de brief stak in des meesters zak. Aan den

avonddisch zaten mèt hem gezellige menschen, geurden kostelijke wijnen,

dampten smakelijke spijzen;--en toen hij daareven thuiskwam, had hij

honger, was hij dorstig, voelde hij zich juist in de luim tot blijmoedig

kouten. Maar thans zat de tong hem als gekluisterd, de wijn smaakte hem

flauw, het eten zouteloos. Telkens nog hoorde hij den nagalm van die

maning: »Het kind kan ziek worden. Het kind kan sterven."

Bij het slapen gaan zelfs, las hij met gesloten oogen weer de

ongeschreven woorden in het naschrift van dien brief: »Reis niet te vèr

weg! Keer liever huiswaarts, vader!"

* * * * *

Niettemin trok de meester steeds verder van huis--het einddoel van

zijnen tocht steeds nader bij.

»Gegroet, mijn Schwarzwald! Gegroet, o _heimathland_ van mijne

dichterziel!" zoo juichte hij;--en zijn hart zong hem als een leeuwerik

in de borst, toen hij, met den trouwen knuppel in de vuist, de reistasch

over den rug, den weg insloeg van Freiburg op den Schauinsland.

Wáár ook is het verkwikkender dolen, voor eenen die rust verlangt,

dan in de dalen en op de bergen van het Zwarte Woud?--Wáár ontsluit

de schemering der sparren hem vriendelijker hare geheimenissen? Wáár

omvangt hem ongestoorder de heilige stilte, in welke hij geenen toon

verneemt dan het ruischen van het geboomte, of eenen zucht wellicht uit

zijne eigene ziel--beiden eene taal sprekend welke hij niet verstaan

kan? Wáár komt zijn geest den Schepper nader, dan op deze toppen,

wanneer hij westwaarts den Rijn ziet blinken in de zonnige diepte,

oostwaarts de golvingen van het donkere woudland zich verliezend in het

oneindige, en in het zuiden den ganschen Alpenketen, gelijk eene verre

witte wolkenbank uitgekarteld aan den gezichteinder?.... Gij bosschen en

bergen, gelukkig wie u kent en liefheeft!

Meent men echter dat in dit stille, groene heiligdom vrouw Zorg den

wandelaar niet besluipen kan, besluipen en bespringen gelijk een wild

gedierte van achter eenen boomstam--dan heeft men de ervaring van

meester Claudius niet.

* * * * *

Hij blies uit, de brave man, na den schoonsten dagmarsch, onder den

lindeboom vóór zijne landelijke herberg--eene zooals men ze in die dalen

nog aantreft, in welke het nieuwerwetsche gerief den ouderwetschen

eenvoud nog niet aan de deur zette. Avondvrede zweefde over het

landschap; avondvrede huisde in zijn gemoed. Zijn lichaam voelde hij

zoo gezond, zijnen geest zoo helder. De herinnering van het gesmaakte

natuurgenot wekte hem zoo op; de rust na den forschen uitstap behaagde

hem zoo; het pijpje tabak bij den liter frisschen landwijn geurde hem

zoo voortreffelijk. Uren in het rond geen vergenoegder sterveling, dan

meester Claudius.

Daar komt de dikke kasteleinsvrouw, die hem daareven het hart veroverde

met hare forellen en hare eierstruif, hoogrood van aangezicht naar

buiten, en reikt hem de _Basler Nachrichten_.

»Hola, moederlief! die krant moogt ge wel houden. Haal liever uwe

gezellige breikous, en kom een uurtje bij mij zitten keuvelen!"....

Doch zij heeft geenen tijd. Het knetterend keukenvuur roept haar tot

dringender plichten.

Die _Basler Nachrichten_!--Wat zal de meester met die _Basler

Nachrichten_?--Hij maalt nu eenmaal niet veel om politiek geschrijf.

Zal hij boven de kersen, die het bruine Aennchen hem daar opdraagt,

tot nagerecht een bordvol oostersche quaestie verkiezen, of wel eenen

schotel redevoeringen van Monsieur Gambetta?--Hij zoo dwaas niet! Weg

met die krant!--

Doch toevallig strijkt zijn blik over een telegram uit Nederland,--en in

stee van het blad op zij te werpen, grijpt hij het met beide handen, en

leest.

Hoe! eene aanzienlijke bank gesprongen. Verscheidene groote

handelshuizen in den val meegesleept. Het tuimelen van andere nog te

gemoet gezien.... Mijn God! dit is verschrikkelijk!--Meester Claudius

hoopt niet voor eenen geldwolf versleten te worden; maar hij werd oud

genoeg om teruggekomen te zijn van de stelling, dat een matige welstand

ontbeerlijk zou wezen tot huiselijk geluk.... Had hij in die bank geen

geld belegd?--Gelukkig, neen; de catastrophe, voor zoover hij kon

nagaan, deerde hem persoonlijk niets. Doch waren er geene nabestaanden

die door dezen slag konden zijn getroffen?--Hij vreesde van ja. En hij

zelf--men wist toch niet wat er nog volgen kon; en wanneer hij zich

voorstelde hoe de kleinigheid, die hij bespaarde om de toekomst der

zijnen te bezorgen tegen het ergste, hoe die kleinigheid hem eveneens

op deze wijze plotseling zou kunnen ontvallen: hoe hij sterven kon, en

vrouw en kind dan zouden moeten leven bij de genade: hoe ontzettend voor

teedere handen de strijd is om het bestaan, hoe wanhopig het lot van

deftige nooddruft, hoe bitter voor deze het brood der dienstbaarheid,

hoe meedoogenloos de wereld voor armoede die niet bedelen kan----mijn

God!--en hij, die zich de weelde durfde veroorloven van een

plezierreisje!--Behoorde hij niet veeleer elken overgewonnen gulden weg

te leggen, ter afwering van zúlk eene mogelijkheid? Had hij het recht

wel, met zúlk eene kans hangende boven de hoofden zijner geliefden----

»Als meneer de courant gelezen heeft?"--zoo brak eene half strenge, half

spottende stem den troebelen loop zijner overpeinzingen af.

Het was schemerdonker geworden. In de vrouw, die hem het blad

terugvroeg, herkende hij niet meer de ronde, goedmoedige

kasteleinesse--doch haar, zijne eeuwige vervolgster, de dicht gesluierde

verschijning in het grauw.

* * * * *

Weer nam de meester zijnen wandelstaf op, en toog hij verder naar

het zuiden. Men zag hem te Bazel, te Zürich, te Luzern--nu met

vreugdestralen in zijne oogen--dan, plotseling, en zonder merkbare

aanleiding, met eene wolk om het voorhoofd.

De zon, onbeneveld boven de kimme rijzende, vond hem op zekeren ochtend

gezeten op den top van den Pilatus-berg, rondturende in eenen kring van

wat het schoonste land der aarde verhevenst biedt en liefelijkst.

»O Alpen!" riep hij, »groote Alpen! moogt =gij= ten minste, terwijl

uwe majesteit ons omringt, ons wat kracht inboezemen, wat moed en wat

vertrouwen! Moogt gij ons doen beseffen, bij den aanblik uwer

ontzaglijkheid, hoe nietig zij zijn, onze grieven en nooden en zorgen

hier beneden!"--

En alweder--hoe zijn geest zich baadde in verrukking, hoe hij al het

andere met macht van zich poogde af te weren--alweder bespeurde hij

de nabijheid van het grauwe wezen. Want in hem woelde de herinnering,

hoe hij eenmaal hier niet alléén verwijlde: hoe hij vóór jaren op deze

zelfde hoogte zat met =haar=--toen zijne bruid, thans zijne gade--en die

hij ditmaal te huis liet blijven.

»Heugt het u nog", zoo fluisterde over zijnen schouder heen de stem,

»hoe gelukkig gij toen waart, hoe krachtig en hoe hoopvol? Hoe dik en

bruin uwe haren nog waren, hoe stout en weelderig uwe illusiën?--Uwe

haren, mijn vriend, waar zijn zij gebleven? Uwe illusiën, waar vlogen

zij heen? Verstoven en verspat, niet waar? gelijk afgevallen bladers,

gelijk opgeblazen zeepbellen--verstoven en verspat!"

De meester kon het niet ontkennen. Hij knikte weemoedig met het hoofd,

en streek zich met de hand over den schedel, op welken het

ochtendkoeltje vergeefs naar lokken zocht om mee te stoeien.

»Heugt het u ook nog", hernam de stem, »hoe warm uw hart toen klopte

voor het leven, voor de wereld, voor het menschdom? Hoe gij zoo

onwankelbaar nog vertrouwdet op den triomf der gerechtigheid, zoo

bergvast nog geloofdet aan de eindelijke verwezenlijking van het ideale

hier beneden?.... Mijn vriend, er liggen vele blanke en gladde steenen

aan uwen voet. Zoudt ge mij op eenen dezer kunnen neerschrijven wat er

tháns nog onwankelbaar staat in uw vertrouwen, en bergvast in uw

geloof?"

Een smartelijk lachje gleed om des meesters mond. Hij tastte

onwillekeurig in de losse kiezels:--de kleinste, helaas, docht hem tot

het neerschrijven van zijn credo groot genoeg.

»En", vervolgde de stem weer--»hoe zit gij thans hier zoo alléén?

Waarom is =zij= thans niet bij u, die toen zoo dicht aan uwe zijde

was?--Eilieve, mijn vriend, hoe is dit?--Gij, die destijds geen genoegen

kendet zònder haar, gij kunt u thans zoo week op week alléén gaan

vermaken?--Begint uw hart ook van haar zich los te winden?--Begint de

liefde uwer jeugd den weg te volgen van de geestdrift, de phantasie, de

milde opwellingen uwer jeugd--zoodat gij straks, twijfelmoedig voor God,

bitter jegens de wereld, zelfs in uwe eigene huiskamer geenen boezem

meer vindt om uw hoofd er aan te vlijen?--Man! indien het zóó met u

worden moest: indien gij u allengs eenzamer gingt opsluiten in uwe

zelfzucht: indien de moeiten om het bestaan, de krenkingen des levens,

de kwalen des lichaams en de gemelijkheid van den ouderdom zóó uwen

geest verlammen, uw gemoed verstompen, uw hart verkalken moesten, dat

gij noch tot arbeid, noch tot liefde, noch tot éénige zelfopóffering

meer bekwaam wezen zoudt----zeg, man, ware het dan niet beter voor

u----de gelegenheid is schoon--de afgrond hier is diep----en wat betreft

de droefenis der achterblijvenden over uw verlies----bah! een oude

egoïst meer of minder...."

* * * * *

Neen! bij den Hemel!--dit ging nu toch te ver!.... De meester springt

verwoed overeind. Hij grijpt om zich heen. Hij wil het spooksel zelf in

de diepte storten.... Vergeefs! In ijle lucht stoot zijne vuist.

* * * * *

Na deze vreeselijke ontmoeting heeft meester Claudius op zijne reis

geenen overlast meer gehad van de grauwe vrouw. Hij keerde trouwens al

spoedig daarna huiswaarts.

Eerst bij zijne aankomst te Rotterdam zag hij haar weer, toen hij uit

den wagen stapte. Onopgemerkt was zij bij zijn heengaan achter hem er in

geslopen; onopgemerkt (behalve door hemzelven) sloop zij bij zijne

terugkomst achter hem er uit.

»Verwenschte!" wilde hij haar toeroepen.

Doch de kussen van vrouw en dochterken sloten hem den mond.

En de stem der grauwe, thans met iets moederlijk zachts in hare

trilling, lispelde hem in het oor:

»Kom, scheld mij niet! Voor al de schatten ter wereld zoudt ge mij toch

niet willen missen. Want zie!--zonder dézen, die u zoo lief zijn, zoudt

ge =mij= niet hebben--maar zonder mij ook niet dézen!"

De Paraplu van den Kapelaan.

_Sancta, sancta simplicitas!_

»En mocht het gaan regenen"--zei de hupsche juffrouw in de _Stern und

Post_ te Amsteg, aan wier disch wij ons verzadigd hadden met gebakkene

forellen--»mocht het regenen gaan, dan zal de kapelaan van Bristen u wel

eene paraplu leenen."

Nu, dat zou heel vriendelijk wezen van dien heer. Of dát ook een goed

Christen moest zijn, die daar maar parapluen gereed had staan voor den

eersten den besten voorbijtrekker!--Toch dachten wij geen gebruik

te maken van des kapelaans leenvaardigheid: want het zwerk, in den

vóórmiddag druilig, stond helder boven de bergen als een lachend

meisjesoog; en zoo wij op reis iets verfoeielijk vinden, dan is het, na

regen zonder regenscherm, een regenscherm zonder regen. Wat echter den

kapelaan zelven betrof, het was ons stellige voornemen niet heen te gaan

van voor 's mans aangezicht, dan na zijne woning te zijn binnengetreden.

Wij hadden namelijk, in ons reisboek de noodige aanwijzingen garende

voor dezen onzen uitstap in het Maderaner-dal, den wenk gelezen--gelezen

en onuitwischbaar in onze heugenis gegrift: »_Dorf Bristen,

Erfrischungen beim Kaplan._"

_Erfrischungen!_--Het woord op zichzelf reeds oefent eene

onbeschrijfelijke bekoring, wanneer men op eenen zomerschen namiddag

eenen klim van een duizend voet of wat voor den boeg heeft;--in den

klank al is iets ververschends, iets dat den moeden wandelaar met

versche kracht de punt van den alpenstok doet drillen tusschen de

steenen op zijn hobbelig pad. Maar dan--zelfs den dorstige is het niet

onverschillig wèlke hand den lavenden beker hem langt--althans nadat hij

gedronken heeft.

Ververschingen alzoo--_beim Kaplan_..... Dit luidde toch ietwat

bedenkelijk. Zou hij ze tappen uit een wereldlijk, dan uit een

geestelijk vat? En zoo het eerste--zou de wijn niet naar wierook rieken,

het bier niet bitter zijn gemaakt met _tinctura theologica_ in stee van

hop?--En zou hij er geld voor vragen? Of verstrekte hij ze wellicht,

de goede Samaritaan, als eene godsgave, uit louter christelijke

milddadigheid, dengenen die er naar smachtten?--Iemand die grootheid van

ziel genoeg bezat om zijne parapluen uit te leenen aan vreemdelingen,

zóó iemand kon licht de onbaatzuchtigheid nog eene spanne verder

strekken, en zijnen wijn uitgieten _pro Deo_.

Het een bij het ander--deze hoeder van zielen en laver van lichamen

boezemde ons eene zeer levendige belangstelling in, niet minder haast

dan de Hüfi-gletscher, de Stäuber-val en de overige merkwaardigheden van

dit pronkstuk der Alpen-dalen. Het stond dus vast, dat wij ons door hem

zouden laten ververschen.

* * * * *

Van Amsteg naar Bristen is een half uur klimmens langs een van

die Zwitsersche kronkelpaden, die voorzeker (indien een breede en

gemakkelijke weg geacht moet worden ten verderve te leiden) smal en

steil en steenig genoeg zijn om uit te loopen op het koninkrijk der

hemelen.

Wij zullen goed de helft van den afstand achter den rug hebben gehad,

toen wij vóór ons uit eene menschelijke gedaante zagen heenstappen, met

dien uiterst langzamen maar gestadigen tred, die den log geschoeiden

Zwitser in staat stelt veel sneller eenen berg te beklimmen, dan

Monsieur Volauvent van het Brusselsche ballet, vlugvoetigste aller

menschen,--den tred, met andere woorden, waarmee de schildpad eens den

wedloop won van den haas. Inderdaad, van eene schildpad had de figuur

daar vóór ons wel een weinig. Het ronde lichaam, het dicht op de

schouders gedrongene hoofd, de korte, dikke, wijd uit elkander staande

beenen--dan, bij wijze van staartstompje, de onder den zoom van het

opperkleed uitwippende punt van eene reusachtige paraplu----

Maar is het waar, schildpadden ontmoet men niet in de

eedgenootschappelijke cantons--Roomsche paters des te menigvuldiger. En

deze mensch--er was geen twijfel aan--deze dikke mensch droeg op zijne

schouderen de uniform van de Alleenzaligmakende. Kon =hij= het wezen,

temet--de ververscher?

Hij zette zich op eenen steen, ontdeed zich van zijnen hoed, haalde

eenen rooden zakdoek te voorschijn, en begon zich daarmede naarstiglijk

het blakende bolle aanschijn af te vegen. Onder die bedrijven hadden wij

hem spoedig ingehaald, en den avondgroet met hem gewisseld. Want in

de Alpen groet men elkander, ook al heeft men nooit eenen stuiver aan

elkaar verdiend. O deugd en vreugde van het reizen! Menschen uit de

vier hoeken van Europa, lieden die nooit tevoren elkaar gezien hebben,

en nooit daarna elkaar zullen wederzien, zij wenschen elkander eenen

frisschen morgen of eenen vroolijken avond toe bij het ontmoeten

tusschen de bergen en de sparren--zoo gul en hartelijk alsof zij,

zoowaar, het plaatsje aan de tafel des levens, het teugje koele lucht

en het sprankje zonneschijn elkander niet misgunden!

»_Abend, Abend, meine Herrschaften!_" hijgde de vleeschklomp op den

steenklomp, nog altoos druk met den rooden zakdoek in de weer. Deze

zoon der bergen scheen het klimmen toch ontwassen--òf wel, hij had dien

namiddag bij eenen boer te veel zuren room gegeten. »Melkkost maakt de

knieën slap!" placht onze Lauterbrunner gids te zeggen: »_Wenn ich

Engländer führe, die Berge springen wollen, so lass ich se Milch

trinchen. Dann springen se bald nich mehr!_"--

»Zijn wij", zoo vroegen we, »zijn wij, o weleerwaarde, van Bristen nog

ver?--van den kapelaan?"

Wij stieten elkander in de ribben: want dit was eene strikvraag. Maar de

vetzak liep er zoo gauw niet in!--De wrijvende roode zakdoek hield rust

op de tonsuur; een guitig licht vonkte in de kleine bruine oogen, over

welke de borstelige wenkbrauwen zich samentrokken; de machtige onderkin

zwol tot eenen krop, en de breede, vleezige lippen snoerden zich bijeen

alsof zij een staatsgeheim te bewaren hadden.

»Wel", riep hij: »van hier tot Bristen is nog eene minuut of tien. En

van hier tot den kapelaan--"

»Nog een tien minuten!"

»Poeh, poeh, mijn zoon! Het lijkt er niet naar!--Van hier tot den

kapelaan----Maar zegt me eens: wat willen de heeren eigenlijk van den

kapelaan?"

»Drinken, paterlief, drinken! Wij zijn als sponzen zoo dorstig. Voor

elken droppel dien hij ons schenkt, zullen wij hem zeven jaren levens

toebidden!"

»_Misericordia!_ verschoont hem! Wat zou hij dan nog lang op het

Paradijs moeten wachten, de arme zondaar!... Maar laat mij eens zien.

Van hier tot den kapelaan--dat kan ik u heel precies vertellen."--Hij

nam zijne paraplu, drukte den knop tegen mijne maagstreek, zichzelven

de punt tegen zijne knieschijf, deed als las hij op den stok eene maat

af, en riep met groote stem: »_Also!_ Van hier tot den heer kapelaan

van Bristen--op den kop af, drie voet negen!"--Tegelijk werd er in

het diepste van zijnen breeden buik eene schudding merkbaar, die, een

geweldig aardbeven gelijk, zich allengs verspreidde over zijn geheele

lichaam. Hij lachte, dat de tranen twee stortbeekjes vormden langs zijne

koonen.

Wij van onzen kant veinsden natuurlijk de grootst mogelijke verrassing,

alsof er in ons niet het flauwste vermoeden gerezen ware van 's mans

éénzelfheid met den bewusten dranktapper in Baedeker.

»Is het mogelijk? En zijt u het waarlijk zelf?--de kapelaan van de

_erfrischungen_?"

»_Freili, Freili!_" schaterde hij: »Ik ben het zelf, en niemand anders

dan ik. Kijk! Ginds ziet ge het torentje van mijne kerk; en vlak daarbij

den rook die uit mijnen schoorsteen waait. Mijne goede Barbara bakt

pannekoeken, denk ik!"--

Eene minuut later schreden wij met ons drieën, een vóór en een

achter den ouden heer, verder langs het pad omhoog. Het geleek eenen

Rigi-trein, met de locomotief in het midden--zóó blies en stoomde onze

zwaarlijvige metgezel. Een paar malen nog moest hij stilstaan om lucht

te happen. Wij verkwikten hem dan met _eau de Cologne_, hetwelk hij

gretig opsnoof, en waarvan zijne poriën groote hoeveelheden schenen in

te slorpen. Eindelijk werd het pad effen, en wij stonden in de schaduw

van een paar zware noteboomen, voor eene bruin berookte houten woning,

op wier vensterkozijnen eene verzameling bergkristallen lag te flonkeren

in het licht dat door de bladers brak.

»Barbara! Barbara!" schreeuwde onze makker door het openstaande raam:

»Hier breng ik je twee heerschappen mee, die het op je rooden Veltliner

gemunt hebben!--Barbara, hé toch!"

Terstond kwam er uit het venster een lachend vrouwehoofd voor den dag,

niet mooi, niet jong, maar rond en blozend als een wijnappel. Dit hoofd

liet, al grinnikend en knikkend, een paar rijen tanden zien, op welke

een hofdentist had kunnen verlieven, en een stel oogen, die glinsterden

als de stukken rooktoopaas waarover de eigenares zich heenboog.

Wij traden, door den pater vóórgegaan, in een als gelagkamer ingericht

vertrek, kraakhelder, en behaaglijk opgesmukt met eene keur van

snuisterijen. Voorwerpen uit de drie rijken der natuur groepeerden zich

tegen de wanden rondom de zeer welvarend uitziende portretten van

ettelijke martelaren en evangelisten. Hier--terwijl Paus Pius en Paus

Leo welwillend op ons nederblikten--stelde zijn weleerwaarde ons formeel

aan het blakende vrouwegezicht voor:--

»Twee dorstige vreemdelingen, zuster Barbertje!--Mijne heeren, ziethier

mijne zuster Barbara. Aanschouwt in haar de meesteresse van dit huis."

»Maar broeder!" riep de zus, dieper rood nog garend in hare koonen.

»Tut tut--zóó is het!--_Meine Herrschaften_, indien het u wezenlijk

ernst is met uwe begeerte naar ons nederig tapsel, tracht u dan met dit

vrouwentimmer te verstaan. De kapelaan staat wel in het boek; maar de

eigenlijke _domina_ hier, is Signorina Barbara."

Ondertusschen had het vrouwentimmer in quaestie fluks de glazen al voor

ons volgeschonken. De kapelaan dronk mee als een bisschop. Ook Barbara

stak af en toe haren vergenoegden wipneus in eenen kelk. Er werd

gevraagd van waar en waar heen; voor eene tweede maal werden de halve

liters gevuld; men praatte en smookte en klonk; de wrange Veltliner

gleed er in als Château Lafitte----tot opeens het verdwijnen van de zon

achter den westelijken bergzadel ons herinnerde dat de klok niet

stilgestaan had middelerwijl.

»Vrienden", zei de dikke man: »ik wil u niet wegjagen; maar als ge vóór

het donker het logement nog halen wilt, dan wordt het uw tijd. Ge hebt

nog volle derdehalf uur voor het mes; en de wandeling is te schoon om

zoo te draven."

Wij namen afscheid--tot wederziens, daar wij langs denzelfden weg terug

zouden keeren. Reeds waren wij de deur uit, den trap af. Daar riep ons

de kapelaan weerom:

»_Sanct Rochus!_ dat ik het vergeten zou!.... _Ich bitte--nehmen Sie

doch einen Schirm mit!_"....

Dit was te veel voor onzen lachlust:--»Een regenscherm?--Maar beste

heer, waartoe dit? Er drijft geen wolkje aan het uitspansel!"

»Toch, toch!" maande hij. »Laat u raden! Het weerglas zakt!"

»Maar weleerwaarde! Het firmament is als metaal!"

»Neemt er een mee!" hernam de brave oude, die al ernstiger werd hoe meer

wij lachten: »Men kan niet weten! Niemand gaat van hier ooit naar boven

zonder paraplu!.... Barbara! Barbara! _einen Schirm!_.... Wat? Zijn ze

alle uitgeleend?--Dan de mijne maar, de groote groene!.... Mijne heeren,

het is mijn lijfstuk. Maar gij zult wel goed op hem passen, niet

waar?--Denkt er om--misschien brengt hij u nog geluk aan!"--

Het baatte niet of wij al afsloegen; de man drong aan: het scheen of hij

zou meenen zijne roeping op aarde gemist te hebben, wanneer hij niet al

zijne parapluen voortdurend in actieven dienst hield tusschen Bristen en

het hotel _Zum Alpenklub_. Zoo dan, om hem niet te grieven, en daar

Barbara al met het bedoelde instrument naar buiten kwam geloopen, liet

ik het mij geduldig op den nek laden. Nu eerst ook blonk er grenzenloos

welbehagen op des paters aangezicht, als stond hij op het punt

zichzelven de handen op te leggen, zeggende: »Ga slapen in vrede nu,

dienstknecht des Heeren! Wèl besteed was wederom deze dag uws levens!"

»_Valete!_" schreeuwde hij ons na: »_Auf Wiedersehen!_"

Of die laatste uitroep het meest óns gold, dan wel zijn regenscherm--ik

durf het niet beslissen.

* * * * *

Voorbij het kerkje van Bristen opent zich opwaarts het dal. Hoe meer gij

de met sparrewoud bewassene steilte nadert, op welke het vriendelijke

berghotel al heel van verre u toewenkt, des te heerlijker ontvouwt het

Alpenlandschap u zijne pracht. Stouter en toorniger worden de sprongen

van den Karstelenbach, het wilde kind der gletschers. Gij stapt heen

over de achterblijfselen van een paar lawinen, die langs kaalgereten

hellingen neerdonderden over het pad--vreeselijke bajerts van

afgeknapte boomstronken en meegesleurde rotsbrokken en grauwbestoven

sneeuw. De lucht wordt koeler, de adem der ijsvelden beroert u van

nabij--long-verruimend, pees-versterkend, oog-verhelderend. En terwijl

gij stadig stijgt, treedt sneeuwtop bij sneeuwtop in glanzende majesteit

te voorschijn.

Eén punt is er aan den weg, waar gij niet laten zult te toeven, hoe

groot ook uwe haast naar het avondmaal. Het is bij Lungenstutz, eene

kleine buurtschap van zeven hutten, met zevenmaal zeven kinderen. Eene

plotselinge golving van het pad gunt u hier een onbelemmerd uitzicht

naar alle kanten: dal-opwaarts en dal-afwaarts, op de bergketenen naar

noord en zuid en oost en west. Hier kunt gij nederzitten, en luisteren

naar het geraas van den bergstroom, die, honderd vaam beneden u, in eene

duistere kolk geschoten is, waar hij woelt en knaagt aan de fundamenten

der gesteenten. Hier speurt gij, diep in het hart der vallei,

blanke draden, die schijnen neer te fladderen van eenen machtigen

rotswand,--watervallen, wier tuimelen morgen, als gij ze nadert, u

met ontzetting vervullen zal. Hier kunt gij rondturen, en de bergen

begroeten, één voor één. Déze daar, aan uwe rechterhand, is de geweldige

Piz Tgietschen, koning der groep; naast hem de spitse Düssistock--het

breede Scheerhorn--de phantastisch gekartelde Rüchen, met zijne

tweeling-piek de Windgälle--ver in het westen de witte tinnen van de

Spannörter--en als sluitstuk van den diadeem, de koen ten hemel zich

spitsende pyramide van den Bristenstock. Zij staan in eenen kring, om

uwe hulde te ontvangen. Donkere, dreigende gevaarten, op wier kruinen,

met ijs gehelmd, het avondrood de wachtvuren ontsteekt van den nacht.

En als gij eene pooslang zoo rondgeblikt hebt, dan is er alle kans, dat

gij allengs u omringd ziet van eenen tweeden kring--enger en minder

verheven, maar in zijne soort niet minder schilderachtig dan de krans

der Alpen. Ik bedoel, dat de zevenmaal zeven kinderen uit de zeven

hutten van de buurtschap Lungenstutz zich om u heengeschaard zullen

hebben, ten einde met smeekende oogen en onverstaanbare woorden u te

bewegen tot het inruilen van hunne splintertjes bergkristal tegen

koperen pasmunt...... Eilieve, laat u dit niet verdrieten. Deze

barrevoetertjes kunnen van natuurschoon niet snoepen; een krentekoek

ware hun op het oogenblik liever dan een heel gebergte; en al acht gij

in theorie het bedelen nóg zoo verderfelijk, gij kunt heden in geene

stemming wezen tot het toepassen van de economisch-philanthropische

beginselen, die gij tehuis zoo gestrengelijk in practijk brengt. In uwen

zak gegrepen dus! Met eene enkele handvol duiten maakt gij hier

negen-en-veertig gelukkigen.

Hervat dan uwe mijmering. Zie toe, hoe de gloed op de hoogten verflauwt,

verbleekt, vergrauwt; hoe uit het dal de duisternis opwaarts sluipt door

de wouden, die roerloos staan, als scharen pelgrims bij het tingelen van

de vesper-klok; hoe aan den hemel, boven de bleeke, kille velden der

eeuwige sneeuw, de sterren ontstoken worden----en ginds in het hotel

_Zum Alpenklub_, in de warme, gezellige eetzaal, de lampen boven den

disch die u weldra spijzen zal.... Gelukkige, sta op! Den gletschers

zegt gij thans vaarwel; de welberechte tafel heet gij welkom. Wat ware

gindsche goede herberg zonder de Alpen? Wat waren de Alpen zonder

gindsche goede herberg?--In dit harmonisch samentreffen van het

verhevene en het geriefelijke ligt het geheim der hoogste aardsche

vreugde. U van het eene tot het andere te kunnen wenden, naar de geest u

roept of het lichaam u noodigt, afwisselend u een Manfred te voelen en

een mensch van vleesch en beenderen--dit is waar genot.

Gij dan, zoo wanneer gij het gesmaakt zult hebben--ik bid u, bewaar de

heugenis er van trouw en zuiver in uw binnenste. Zonnestralen kunt gij

niet opbottelen en huiswaarts dragen; zonnige beelden des te beter. Gij

kunt u er aan te goed doen in uren van motregen en bedruktheid, wanneer

het u een troost zal zijn, uit de diepste diepten van Schieland's

polders te mogen uitroepen: »_Auch ich war in Arkadien!_"

* * * * *

Twee dagen hadden wij in het Maderaner-dal het schoonste weder. Doch bij

ons derde ontwaken zagen wij dat er in den nacht op de bergen versche

sneeuw gevallen was--een vrij stellig voorteeken van eene naderende

storing in den dampkring. Inderdaad woei er reeds uit het westen een

sterke wind, die verdachte flarden van wolken voor zich henenjoeg. Wij

maakten nog eene flinke ochtend-wandeling, gebruikten het middagmaal,

en gunden ons, vóór wij den terugtocht naar Amsteg aanvaardden, eene

eerlijk verdiende _siesta_. Het liep dus al tegen den avond, toen wij

der moederlijke kasteleinesse de hand drukten tot afscheid, en onze

schreden dal-afwaarts richtten, met de reistasschen, de alpenstokken en

de paraplu van den heer kapelaan _ganz ordentlich_ beladen.

Deze paraplu, daar zij aan mijn verhaal den titel gaf, dien ik wel met

eenige nauwkeurigheid te beschrijven. Zij behoorde tot dat

vóórwereldlijke _genus_, dat weldra in de zee der evolutie spoorloos zal

zijn ondergegaan, doch waarvan, hier en daar in Europa, zeer enkele

individuen nog op de golven zijn zwalkende gebleven. Haar stok was dik

genoeg voor eenen bezemsteel; hare taats geleek den spriet van eene

brandspuit; en haar baleinen rif moet Leviathan half zijn gebit gekost

hebben. Een ring van koper hield met moeite de zwellende plooien van

haar grasgroen bekleedsel in bedwang. Haar knop eindelijk (eene grillige

afwijking van den klassieken hoornen haak) bestond uit een houten kruis,

met eenen ruw gesneden doodskop in het midden, wiens grijnzend gebit was

samengesteld uit de letters van _memento mori_, en wiens oogholten

opgevuld waren met een paar goed geslepene kristallen van groenachtig

rood vloeispaath. Schoof men haar open, dan ontwikkelde zij zich tot den

omvang eener niet al te bekrompene legertent, omwelvende het hemeldak

van kimme tot kimme. Haar gewicht durf ik niet begrooten. Genoeg, dat

men haar het schikkelijkst torste van schouder op schouder, gelijk

Israël's verspieders den dikken druiventros uit den lande Kanaän.

Hadden wij tijdens de heenreis onder dit antediluviaansche gedrocht

nutteloos gezweet--thans, op den terugmarsch, kwam het ons onschatbaar

te stade. Want wij waren nog geen kwartier gaans van het logement, of de

wind ging liggen, de wolken pakten zich samen, en een kille regen ving

aan ons te besproeien--_sempre crescendo_.

Niet ontzettender is het verschil tusschen Elyseum en Tartarus, dan

tusschen een Alpendal bij zonneschijn en een Alpendal bij regen. De

schoone bergen verzwolgen door den nevel; elke boom, die zoo gezegende

schaduw spreidde, verkeerd in eene stortmachine; het gisteren zoo

steenharde pad veranderd in eene glibberige baan van bodemlooze modder.

Glibberige paden (wij weten het uit de zedekunde) voeren lichtelijk ten

val, inzonderheid wanneer zij afwaarts hellen; en in modderige banen

laat menige zondaar het heil van zijne ziel, menige wandelaar de zolen

van zijne schoenen steken.

Wij riepen Sinte Margriet aan, belovende haar een pak stearine-kaarsen

op den 20sten der maand Juli. Vergeefs!--De helleveeg plaste er op los

als eene Hollandsche schoonmaakster--makende, gelijk deze, meer vuilnis

dan schoonheid met haar flodderen. De lucht werd al grauwer; ras daalde

de schemering; in de verte begon onheilspellend de donder te grommen.

Het kwam dus aan op goeden moed, eenen stevigen voetstap en eenen

sterken arm; den laatste, om de paraplu in positie te houden, die, door

het hemelwater verzadigd, mij op den schouder woog als onze moeder de

Aarde op den armen Atlas. Toch, aan de duurgekochte beschutting van dit

monster was het te danken, dat wij althans ons bovenlijf nog droog

voelden toen wij te Bristen aanklopten bij den kapelaan--juist terwijl

een felle bliksemstraal ons de oogen verbijsterde.

»Alle heiligen!" gilde Barbara, die ons de deur opende.

Hierop volgde de donderslag; en daarna de zware stem van den heer des

huizes:

»_Aha, meine Herrschaften! so isch es recht!--Nun, hat sich mein alter

Schirm nicht treu erwiesen? Firmus et fortiter?_"

»_Der Schirm, Herr Kaplan, hat seine Schuldigkeit gethan!_"

* * * * *

Barbara en de pater wilden niet dat wij verder trokken dien avond. Het

was wel geene herberg bij hen; maar door zulk noodweer in het donker

twee vreemdelingen den berg af te laten gaan, zóó hondsch waren zij

niet. Als wij ons dus behelpen wilden met een kermisbed in de

gelagkamer----

Nu, wat ons betreft, niets liever. Want, vooreerst, hadden wij èn van

den plasregen èn van de paraplu volop onze bekomst. En verder beloofden

wij ons van eenen avond met den kapelaan wonderen van gezelligheid. Wie

zou niet gaarne de verveling van een logement verruild hebben voor wat

kout met eenen minzamen gastheer? en het ploeteren door regen en modder

voor een lekker houtvuur, een paar pantoffels, eene sigaar en een

keteltje warmen kruidenwijn?

Onder het genot van deze goede dingen waren wij recht spoedig aan het

praten geraakt. Of liever, de kapelaan praatte zoo tamelijk alleen en

voor ons allen--en dit tot ons innig vermaak. Vertellen is iedermans

zaak niet! Daarom, loopt gij er zoo eenen tegen het lijf, die de kunst

verstaat, houd dan gerust uwen eigen mond gesloten, en wijd geopend uwe

ooren.

Hij sprak over zijne parochie; over enkele wonderlijke gebruiken onder

zijne gemeentenaren; over de bezoeken die hij had af te leggen in hutten

hoog op den berg; over het harde leven en de ontberingen van die arme

_sennen_; over den korten zomer, den langen, langen winter hier in het

hoogdal.

Barbara luisterde naar dit alles alsof zij het voor 't eerst van haar

leven hoorde. Zij lachte om al zijne kwinkslagen; zij knikte toestemmend

of bewonderend bij elke zijner opmerkingen. Hij moest een goede broeder

voor haar wezen, gelijk hij blijkbaar een goede herder was voor zijn

kuddeken--eenvoudig, trouw, vol goeden moed: de geestverwant, meer nog

dan de leeraar van dit natuurvolk: een die het kende en begreep: kortom,

een schaap onder de schapen--maar met dit al niet schaperig.

Het éénige wat hem klagen deed, was zijne corpulentie. Hij jammerde over

de zweetdroppelen en de aamechtigheid die het klauteren hem kostte--hem,

in vroeger jaren zoo rap ter been.

»Ach ja!" zuchtte hij: »Vroeger ging Mohammed naar den berg;

tegenwoordig zou de berg wel naar Mohammed mogen komen: want de profeet

is zelf een berg geworden--_mons super montem!_..... Maar niet altoos

had ik aan mijzelven zoo'n vracht te dragen. Neen, neen! er was een

tijd, dat geen mij voorbijliep!" En met trots toonde hij ons de zeldzame

bloemen en insecten, en de fraaie kristallen, die hij op de moeilijkst

genaakbare pieken in den omtrek gezameld had:--

»_Edelweiss_ van den Tödi: ongemeen groote bloemen. Ik moest, om ze te

plukken, tegen eenen steilen en gladden rotswand een voet of twintig

omhoog klimmen.--Hier is dubbelspaath van den Bristenstock. Legt men het

op een beschreven stuk papier, dan is het precies of men eene rekening

ziet van sommige heeren kasteleins!--En bekijkt mij eens dit brok

rooktoopaas met colophiet! Ik groef het uit eene holte boven op den

Düssistock. Wèl wonder, dat ik dáárbij niet den nek gebroken heb; want

het uitstek, waarop ik mij gewaagd had, waggelde onder mijnen voet, en

duidelijk hoorde ik in den steen de kabouterlui hameren en beitelen."

»En =als= ge nu eens, broeder Rochus"--viel Barbara in, terwijl zij de

handen zich over de borst vouwde--»=als= ge nu bij die _strapatzen_ eens

om het leven gekomen waart?"--

»Wel," antwoordde hij--»dan zou mijne zuster Barbertje misschien alle

dagen voor eenen deken een vet hoen hebben mogen braden, in plaats van

eene droge metworst voor eenen armen berg-kapelaan!.... Maar de kobolden

behoefde ik toch niet te vreezen, zuster! Want ik had altoos mijne

paraplu met het heilige kruis bij me."

»Is het mogelijk!" kon ik niet nalaten uit te roepen. »Toch niet dat

vervaarlijke groene ongedierte?"----

Een oogenblik scheen het of mijn ondankbare uitval tegen zijn eigendom

hem de wenkbrauwen deed samentrekken. Doch de plooi verdween: hij

glimlachte diepzinnig, en sprak:

»Dezelfde, mijn zoon! dezelfde.----Weet wèl, dat een sterveling hier

beneden geene trouwere levensgezellin kan hebben, dan eene stevige

paraplu."

Barbara protesteerde. Maar hij ging voort:

»Eene stevige paraplu is onder de meubelen wat de pillen van Holloway

zijn onder de remediën: nooit te onpas, altoos nuttig. Gij schuift haar

open--zie! daar wandelt gij onder een dak, beschut tegen regen, tegen

wind, tegen zonnesteken, alsmede tegen de dingen die de vogelen des

hemels soms laten nederdalen op des menschen zondig hoofd. Gij vouwt

haar dicht--en zij is u een hoofdkussen wanneer gij languit liggen wilt

in de schaduw; zij is u een staf, een wapen, en tevens een vredeteeken

in uwe hand: want nooit nog heeft een mensch met eene paraplu onder den

arm de oorlogsfakkel doen ontvlammen waar hij kwam. Ten overvloede heeft

zij boven mannelijk gezelschap dit voor, dat zij u niet de veldflesch

helpt ledigen; en boven vrouwelijk, dat zij niet kijft en kakelt langs

den weg."

»Foei, broeder, foei!" riep Barbara: »Gij, anders zoo galant!"--

Weer observeerden wij met bezorgdheid die heftige schudding in den zetel

van des paters nieren. Toen hij uitgelachen en zich de oogen afgedroogd

had, vervolgde hij:

»Zóóveel over de waarde van parapluen in het algemeen. Wat nu in het

bijzonder =die= paraplu betreft--die groote groene, mijn lijfstuk, met

het kruis en den doodskop--zij is mij méér geweest dan een getrouw

wandelmakker. Zij redde mij eens...... Maar kom! dát wil ik u

vertellen.... Zuster, zorg dat de bodem niet uit je ketel smelt!"

Barbara goot nieuwen wijn bij, nam hare breikous, en zette zich mee tot

toehooren--enkel aandacht voor eene geschiedenis, die zij stellig zoo

vlot van buiten moest kennen als haar _Ave_.

* * * * *

»Gij zijt," zoo begon de pater, »van Andermatt over de nieuwe

Duivelsbrug gekomen. Ik noem haar de nieuwe, omdat ik haren eersten

steen heb zien leggen, in het jaar '30, en omdat het mij dus nog heel

goed heugt hoe die oude alléén de bedding van de Reuss overspande.

»Een trotsch bouwstuk, die nieuwe brug. Maar de oude was toch veel

merkwaardiger; en ik houd het er voor, dat zij de nieuwe nog lang

overleven zal. Want wat kan er in duurzaamheid halen bij het metselwerk

van----gij weet wien ik bedoel!"--

Barbara sloeg een kruis.

»Ik behoef u zeker niet te herinneren op wat wijze het met die oude brug

eigenlijk geschapen stond. Hoe de Bewuste haar bouwde, onder beding, dat

de eerste die er over heenging hem toebehooren zou; hoe hij in éénen

nacht het werk voltooid had; hoe hij 's ochtends vroeg post vatte aan

de ééne zijde, om zijne prooi te bespringen; hoe de slimme mannen van

Uri toen van de andere zijde eenen grooten zwarten bok loslieten, die

terstond zijnen hoogvereerden vriend en meester in de armen huppelde; en

hoe Zijne Helsche Majesteit, verwoed over dit bedrog, den bok in vier

stukken scheurde, en, wrake zwerend, in den grond verzonk.

»Wel, de mannen van Uri meenden dit nu al eens bijster leep te hebben

aangelegd!--Maar wacht even! Wie het lest lacht, die lacht het best! De

Vorst der Duisternis laat zoo maar niet met zich sollen!--_Der Teufel

isch kein Kühbub!_--Ik verklaar u, hij heeft zijne schade ingehaald,

dubbel en dwars. Want jaarlijks nog in den nacht van den 29sten

Augustus, den nacht van den bouw, houdt hij wacht op de oude brug--en

wie haar het eerst na klokke twaalf overschrijdt, die is zijn..... Nú,

sedert de nieuwe brug er is, wacht hij vergeefs. Doch vóór het jaar '30

is er menige argelooze ziel op die manier hem in de klauwen geloopen!"--

»Brr!" prevelde Barbara--»de wurmen!--En wat deed hij met hen?"

»In zijnen zwavelpoel stopte hij ze, waar weenen is en knersing der

tanden."

»Voor eeuwig en eeuwig?"--

»Zuster Barbara, dat is veel gevraagd. De Madonna is rijk aan genade; en

veel vermag op dit stuk de voorspraak van Sint Rochus, mijnen

patroon.... Maar laat mij voortgaan, zuster! laat mij voortgaan.

»In het jaar '40 had ik de priesterwijding ontvangen; en in afwachting

van eene plaatsing, woonde ik ten huize van mijnen oom, den kanunnik

te Andermatt. Ik was toen een krachtige, twintigjarige borst, in mijn

hart eigenlijk meer roeping voelende voor het jagersbedrijf dan voor

het herdersambt. Ook spookte er--ik mag het nú wel bekennen--in mijn

binnenste een duiveltje van vrijdenkerij. Aan God en de sacramenten

geloofde ik van harte, aan de Heiligen maar half, aan den Duivel in het

geheel niet. En ware ik naar mijn zondig gemoed te werk gegaan, dan zou

ik veel liever geknield hebben voor eene boerendeerne van melk en bloed,

dan voor het houten beeld van Onze Lieve Vrouwe."--

»Broeder! zwijg toch!" riep Barbara, met eene allervermakelijkste

uitdrukking van schrik en verbazing op haar gelaat: »Zwijg toch! Zóó heb

ik je nog nooit hooren spreken!"--

»Barbertjelief", hernam hij vaderlijk: »ééns moet de waarheid aan het

licht. Wij allen zijn zwakke stervelingen. En wat mij betreft--ik ben nu

oud genoeg om te mogen bekennen dat ik eenmaal jong was!--Sint Rochus

zij geloofd! het is spoedig genoeg anders met mij geworden!"

Hij liet de onderlip hangen, keek droevig naar zijnen paffen buik,

zuchtte, dronk met ééne teug zijn glas leeg, en vervolgde:

»Op eenen namiddag, in het laatst van Augustus, belastte mijn oom, die

wegens ongesteldheid zijne kamer moest houden, mij met het overbrengen

van een vertrouwelijk schrijven aan zijnen confrater, den pastoor

te Wasen. Die boodschap was mij welkom: want de weleerwaarde heer

Feierabend was een blijmoedig man, die hoog in eere hield wat koning

Salomo geschreven heeft over den wijn. Vol lust ging ik dus op marsch,

met mijne groene paraplu--die daar, een erfstuk van mijnen braven

oom--onder den arm, en onder mijne soutane verborgen mijn zijden

vlindernetje. Want daar ik niet jagen mocht op gemzen, zoo moesten de

kapellen en kevers het misgelden.

»Ik viel bij den heer pastoor Feierabend binnen als de beer in het

honingvat. Zijn weleerwaarde had juist nog een stuk of drie andere

geestelijke broeders te gast, die hem moesten helpen eene keuze te doen

tusschen twee proefjes ouden witten wijn, waarvan hij wilde inslaan. De

heeren waren het oneenig: twee hunner stemden voor den Yvorner, de twee

anderen voor den Markgräfler. Men riep mijne bescheidene meening in;

en daar de mensch niet lichtvaardiglijk oordeelen zal, noch over zijns

naasten zonden, noch over zijns naasten wijn, zoo waagde ik mij niet aan

eene beslissing dan na herhaald en grondig onderzoek. Kortom, toen ik

tegen het schemeruur afscheid nam, had ik eenen stevigen slok onder

mijnen gordel. Pastoor Feierabend bood mij wel nachtverblijf aan; doch

ik had mijnen goeden oom beloofd spoedig terug te keeren. Bovendien, het

kon een prachtige avond zijn voor de nachtvlinders. Zou ik om niet mijn

netje meegedragen hebben?

»Maar jawel! Van jacht geen sprake. Het werd een broeiend heete,

doodstille, koolzwarte nacht. Geen sterretje aan den hemel, die als met

krip overtogen was. Het éénige, wat eenen zweem van schijnsel gaf, was

het schuim van de Reuss in de diepte...... Onze _sennen_ op de bergen

verzekeren dat er somwijlen eene duisternis over de aarde komt, zóó dik,

zóó ondoordringbaar, dat het vee angstig begint te loeien, en de geiten

verschrikt over de horden trachten te springen. Zulk een nacht was déze.

»Ik kende den weg stap bij stap; maar toch verzeker ik u dat ik moest

oppassen waar ik ging, om niet terecht te komen waar ik niet wezen wou.

Tot voorbij Göschenen liep ik zonder talmen voort. Toen echter bevingen

mij de drukkende lucht en de benauwende duisternis. Ik moest mij op

eenen steen zetten, om wat te rusten.

»Zoo zittende, tastte ik naar mijnen rozekrans..... Wat mij nooit

gebeurd was--ik had hem vergeten. Tot straf legde ik mijzelven twaalf

_paternosters_ op..... Ben ik onderwijl in slaap gevallen?--Het moet

wel. Want om tien uur was ik door Göschenen gekomen; en nu--ik hoorde in

de verte de dorpsklok slaan--ik telde de slagen--het waren er twaalf!

»IJlings sprong ik op mijne beenen, om spoed te maken zooveel het tasten

naar den weg dit maar toelaten wilde. Het aanzwellende gedonder van de

Reuss deed mij weten dat ik het punt naderde waar zij haren _salto

mortale_ maakt. Weldra voelde ik in mijn aangezicht het natte stuifmeel,

waarvan de lucht hier vol is. En bij het omslaan van eenen hoek--zoo

waarlijk, daar stonden duidelijk de beide boogbruggen afgeteekend tegen

het wit van de onder haar doortuimelende watermassa. Het was of er van

de wolk van stuifsel boven de kloof een geheimzinnig schijnsel uitging,

dat den omtrek min of meer verlichtte..... Een spookachtig gezicht!--Ik

wist niet waarom--maar mijn hart bonsde mij tegen mijne ribben.

»Terwijl ik zoo staarde, schoot mij iets vurigs voorbij mijne oogen:

eene wit gloeiende stip, die met grillige flikkeringen zich door de

lucht bewoog. Het moest, dacht ik, een bijzonder groote en schitterende

lichtkever zijn.

»Al mijn jachtlust ontwaakte in mij: want zulk een exemplaar bezat ik

nog niet in mijne verzameling. Ik haalde mijn netje voor den dag, en

zette behoedzaam het diertje na.

»Het vloog een eind voort langs den weg; vervolgens fladderde het

omlaag naar den stroom, juist boven het verwaarloosde zijpad, dat

destijds nog naar de oude brug afdaalde. Het hier te volgen, was

in het donker geene veilige onderneming; doch wat doet een jager

niet!--Heelhuids belandde ik op de brug. Aan het eind er van haalde ik

het diertje in. Ik meende van mijne vangst reeds zeker te zijn: ik sloeg

mijn net uit----och jemini!--de slag was mis--en met eene plotselinge

zwenking verdween mij het vermaledijde insect spoorloos tusschen de

struiken die over den afgrond hingen.

»Gemelijk, boos op mijzelven en op heel het kevergeslacht, wendde ik mij

terug. En nu, kinderen--schrikt niet! Wordt niet versaagd!----

»Midden op de brug stond eene lange, sombere gestalte, met eenen mantel

om, eenen hoed met breeden rand en haneveer op het hoofd. Zij blikte mij

aan met fonkelende oogen, strekte de armen naar mij uit, en mompelde in

eene vreemde, harde taal eenige cabalistische woorden.... Als een

bliksem schoot mij door het brein dat het heden de nacht was van den

29sten Augustus. Meer had ik niet noodig om te begrijpen wien ik daar

vóór mij zag.

»Des Heeren bijstand afsmeekende, vermande ik mij. »Wie zijt gij? Wat

wilt gij?" riep ik met barsche stem.

»Het antwoord, hoewel onverstaanbaar, klonk mij als eene vreeselijke

blasphemie, gepaard met snijdend hoongelach.

»»Terug!" schreeuwde ik: »Laat af van mij, Satanas!"

»Maar, in stee dat het hielp, lachte hij des te smalender, en drong hij

snel, met uitgesperde krallen, op mij toe, om mij te grijpen"....

Hier kon Barbara hare ontroering niet langer bedwingen. »_Mutter

Gottes!_" riep zij, nu werkelijk bleek: »Ik begrijp niet, broeder, hoe

ge 't overleefd hebt!"--

Hij keek haar bestraffend aan. »Zuster Barbara", sprak hij: »waar is uw

geloof?"--

»_Ach Gott! es isch aber gar zu schauderhaft!_ Hij had je aan stukken

kunnen scheuren als den zwarten bok!"--

»Bedaar, zuster, bedaar!--Ik zit hier, zooals ge ziet, met al mijne

leden nog gaaf, en met mijne ziel (zoo wil ik deemoediglijk vertrouwen)

op den weg des heils. Sint Rochus mijn patroon streed met mij. _In hoc

signo vici!_

»Ik hief mijn regenscherm omhoog, en bracht den Euvele het kruis vlak

onder zijne grijnzende tronie. »_In nomine Patris, Filii et Spiritus

Sancti!_".... Vervolgens, om aan den naam der Heilige Drievuldigheid

meer nadruk bij te zetten, gaf ik den Duivel met zijnen broeder den Dood

eenen slag op zijnen haviksneus, dat het zoo kwakte.

»Dit was hem genoeg: brullend zette hij het op een loopen. Wel holde ik

hem na; maar hij was mij te rap met zijne hielen. Gevlogen!--

»Ik echter, met het kruis in top, stapte den weg op, en over de nieuwe

brug huiswaarts. Luidkeels hief ik aan, dat het galmde tusschen de

rotsen: »_Te Deum laudamus!_".... En--wonderlijk!--ik zag hoe het

plotseling lichter geworden was om mij heen. Ik zag dat de sterren mij

bestraalden!"

* * * * *

* * * * *

De oude man nam eene lange teug uit zijn glas, klopte de asch uit zijne

pijp, en stopte zich eene versche.

»Ik weet zeer goed", hernam hij met eenige aarzeling, nadat hij eenige

seconden al hoofdschuddend in het vuur gestaard had: »Ik weet zeer

goed--en ik wil het u niet verzwijgen--dat den volgenden dag te

Andermatt het gerucht liep: een phantastische Engelschman, die laat

in den nacht op de oude brug had gestaan, om indrukken te garen voor

een dichtstuk, was aangerand door den Booze in de gedaante van eenen

Roomschen kapelaan.... Ja ja! dat vertelden ze; en dat kwam ook mij ter

oore.... Zeg, wat dunkt u daarvan?"--

»Mij dunkt", antwoordde ik, »dat dit niets was dan een listig

uitstrooisel van Jonker Satan zelf, om zijne smadelijke nederlaag te

verbloemen."

»Niet waar?" riep hij triomfantelijk: »Anders kan het niet geweest zijn!

Anders niet!..... Kinderen, ik kan u verzekeren dat ik van dien dag af

aan den Duivel geloofd heb, zoo stellig als aan den goeden God!"

»_Bewahre, ja!_" zuchtte Barbara--en zij dronk eens voor den schrik.

»Sedert", hernam de kapelaan, »ben ik nooit uitgegaan zonder deze groote

groene paraplu. Tegen den regen heeft zij mij trouw beschermd--tegen de

hitte van de zon--tegen den brand van de hel. Kinderen"----hij greep het

nog natte meubel, hield het kruis ons voor, en sprak, met eene trillende

stem en eenen glans van waarlijk apostolische geestdrift op zijn

kogelrond aangezicht--: »_Kinder, der Teufel isch kein Kühbub, fürwahr!_

Hij spant ons strik op strik. Maar wat u ook bejegene op uw pad, verlaat

u op den heiligen Rochus en op het hout des kruises!--In dit teeken zult

gij alles overwinnen!"

* * * * *

Ik kan het hierbij laten. Alleen nog--eere wien eere toekomt!

Baedeker had ons niets te veel beloofd. Bij den kapelaan van Bristen

hebben wij, dorstigen, ons ververscht: met den wijn uit zijn vat--maar

veel meer nog met den humor van zijn gul gemoed, met de kloekheid van

zijn naïef geloof, en met het hartelijke roode aanschijn van zijne ronde

zuster Barbara.

Eenvoudig paar daarginds in de bergen--verversch er nog velen als

ons--die dorsten naar wat schoonheid in de natuur, en naar wat

frischheid in menschen!

Jack Bobson's Poolreis.

»_Though this be madness,

Yet there's method in it._"

Des avonds, zoo vaak mij de ooren begonnen te tuiten van het rumoer der

wereldstad, placht ik verademing te zoeken op eene der bruggen waar tol

geheven werd, en waar dus weinig verkeer den begeerige naar stilte

verstoorde.

Gelijk een visioen uit het Boek der Openbaring was hier de aanblik van

de rivier en hare oevers--: »eene glazen zee, met vuur gemengd".

Duizenden waren de lampen in den nacht. Londen's diepe stem, gedempt,

rolde dreunend over de wateren. En zeewaarts, met dof gebruis tegen

de granieten bogen, gleed in de diepte de zwarte stroom, de lampen

weerspiegelend met sidderende flikkerglansen. Dan daalde vaak, in de

droeve maanden November en December, een grauwe mist uit de hoogte, en

legde zich neder op Babylon. Zóó moet de chaos gelegen hebben, woest

en ledig, vóór de Geest des Scheppers scheiding kwam maken tusschen

het licht en tusschen de duisternis. De duizenden lampen waren als

uitgebluscht; onzichtbaar geworden hare trillende schijnselen in

het water; al de voorwerpen rondom, ook de brug zelve, aan mijn oog

onttrokken, als weggesmolten in het niet. Maar de hemel was vervuld

van eenen valen gloed, waarover matte schaduwgestalten schenen heen te

trekken in spokenden optocht. En de doffe stem van Londen dreunde voort,

als uit eindeloozen afstand. En het doffe bruisen der rivier steeg

opwaarts, als uit peillooze diepte. Een gonzen en een schemeren--anders

niets.

Ik toefde ook dán nog op de brug. Maar niet lang. Geen mensch weerstaat

den somberen invloed van zulk weder te Londen. Elk zoekt eenen haard, al

is het zijn eigen niet; elk wil voort uit den geelgrauwen damp, die

erger is dan duisternis, wijl zelfs het licht, dat hij verslindt,

machteloos is tegen hem.

Zóó ook ik.

Gewoonlijk, na zulk eene melancholieke wandeling, ging ik mij wat

opfleuren in zeker behaaglijk ale-huis, gelegen in eene stille zijstraat

nabij de zuidzijde der brug. Het was eene kleine, doch kalme en in

zekeren zin deftige inrichting. Geen verblindende lichtglans straalde

den voorbijganger er uit tegen; geene verdachte heeren en verleidelijke

schenksters aan het buffet. De dikke kastelein of zijne stemmige dochter

bediende. Men dronk er zijn bier, echt nationaal, uit blinkende tinnen

kannen--Engelsch brouwsel uit Engelsch metaal. In de ouderwetsche,

met zand bestrooide _parlour_ knapperde steeds in den open haard een

vroolijk vuur, terwijl op de eiken tafels versche pijpen geschaard

lagen, die den gast op het overredendst noodigden tot toeven. Alles was

er, zooals men het eer op het gemoedelijke platteland, dan te Londen

zoeken zou. Ook de gasten. Hier kwamen bejaarde huisvaders uit de buurt

hunne courant lezen, of murmureeren over de slechte tijden. Doch het

liep er nooit druk. Dikwijls, als ik vroeg gekomen was, zat ik er

alleen--of met nog éénen persoon, die nu juist bestemd was de held te

zijn van deze geschiedenis.

* * * * *

Hij mag een zestiger zijn geweest. Allereerst trok hij de aandacht door

eene dikke muts van glimmend zwart berevel, die hem niet van het hoofd

ging. Voorts verrieden gelaatskleur, kleeding en manieren hem dadelijk

als eenen oud-zeeman: en toch had hij in zijn doen niets van het

hoekige, zoomin als van het vrijmoedige of zelfgenoegzame, dat oude

varenslieden veelal kenmerkt. Zijne forsche gestalte was gebogen; de

zware grijze knevelbaard hing hem ongerept over lippen en borst; diepe

rimpels doorgroefden zijn voorhoofd. Hij scheen lichamelijk veel geleden

te hebben, of in den geest veel getobd. Altoos zat hij in denzelfden

hoek, geweldig rookend, half verscholen achter zijne courant. Met

niemand sprak hij; doch des te drokker scheen hij bezig met zichzelven.

Vaak schudde hij geërgerd het hoofd, of liet, met omlaag turenden blik,

de kin op de borst rusten. Blijkbaar had de man eene grief, die hem

geheel vervulde. Hij maalde over iets.

Ook met mij, hoe dikwijls ik met hem samen geweest was in de stille

gelagkamer, had hij nooit een woord gewisseld. Mijn »goeden avond!" bij

het binnentreden beantwoordde hij werktuigelijk; verder was er tusschen

ons geen geluid gegeven.

Men kan zich daarom mijne verwondering denken, als op zekeren namiddag

(ik had pas den omtrek der dokken bezocht en mijn hoofd opgevuld met

bonte beelden uit de vijf werelddeelen) de geheimzinnige man plotseling

opstond, zich over mij plaatste aan de tafel, en met doordringenden blik

mij in de oogen begon te staren.

Ik wil bekennen dat ik eene seconde sterken aandrang voelde om den

kastelein te schellen. Doch dit angstige gevoel, van alleen te zijn met

eenen krankzinnige, was even snel geweken, toen de zonderling, weemoedig

glimlachend, als om mij gerust te stellen, met diepe, gedempte stem tot

mij de vraag richtte, of ik niet vreemdeling was.--»_I thought so_",

hernam hij op mijn bevestigend bescheid. En als reden voor die meening,

liet hij er op volgen: »_You have not the look of an Englishman: you

have a look as if you could believe an honest fellow._" Daarna weer, na

eene korte pauze, en terwijl hij mij een artikel aanwees in de _Daily

Telegraph_: »_Have you read this?_"--Hierop, heftiger: »_They are at

it again, the lying rogues--and yet I told them how it is!_"--En ten

slotte, met eenen donderenden vuistslag op de tafel: »_Curse them, Sir,

they have buried me first--and now they won't believe me!_"

Hij sprong op in zijne volle lengte; en ik, nu volkomen zeker van met

eenen razende te doen te hebben, strekte nogmaals de hand uit naar de

tafelschel. Maar dadelijk, als verschrikt door zijne heftigheid, zonk

hij weer in zijnen stoel, schudde het hoofd, en hield zacht mijnen arm

terug. »_You take me for a madman, haha!_" lachte hij droevig. »_Perhaps

you are right. But never mind my fits. I will tell you a great secret.

And you will believe me. Won't you?_"

Aan mijnen stoel gekluisterd door bevreemding, knikte ik toestemmend. Ik

luisterde toen naar het volgende verhaal, dat de man met de zwarte muts

mij deed, soms met levendige gebaren van aandoening, en dan weer

mompelend voor zich heen, als iemand die eene honderdmaal herhaalde les

opzegt. Hij had daarbij eenen stijl en vaak eene woordenkeus, die,

zonder juist keurig te mogen heeten, toch eene zekere mate van

beschaving en verbeeldingskracht verrieden.

* * * * *

»Ja! ze hebben mij begraven. Ze meenden dat Jack Bobson dood was. Maar

Jack heeft ze allen overleefd!--Ik ben het, die hier tegenover u zit. Ik

ben Jack Bobson--en de arme Sir John had geen knapper ijsmeester op zijn

schip.

»Van Jack Bobson hebt ge zeker nooit gehoord. Maar wel van Sir John--Sir

John Franklin?--Nu, ik voer met hem mee op de _Erebus_, in het jaar '45.

»'t Ging alles best tot het Beechey-eiland, waar we dien eersten winter

ons kwartier opsloegen. Doch toen de zon weer uit haar nest gekropen

was, in Mei, of Juni, ging Jack Bobson te kooi liggen met eene vreemde

ziekte, die bij hem in de familie zat, en deed alsof hij stierf. Dit was

stom van Jack. Maar nog stommer was het van de kameraden, dat ze hem den

tijd niet gunden om weer tot zijnen adem te komen, en hem wegstopten

onder eenen hoop keien, alsof er haast bij was. De éénige, die bij deze

gelegenheid zijn verstand gebruikte, was de witte beer die Jack opgroef,

en hem wakker schudde met eenen knauw, en van schrik aan den haal

ging, toen Jack hem bedankte met eenen opstopper tegen zijnen kouden

neus. Goed maar, dat er in de gauwigheid geen doodkist op had kunnen

overschieten voor Jack. En de kameraads schenen inderdaad geduchte

haast te hebben gehad om verder te trekken. Zij waren gevlogen met

hunne schepen, toen Jack door den beer was bijgeholpen. Gevlogen!--Arme

kerels! Arme Sir John!--Waren ze maar gebleven! dan zaten ze hier warm

als ik, en we hadden samen de Pool ontdekt, en, _curse me, Sir!_ als men

ons dán niet zou gelooven!--Hier gaan ze! Op hunne eeuwige glorie!

»Ik was alleen", ging de verteller voort, na eene teug genomen te

hebben uit zijne kroes. »Ik was alleen. Bij geluk had Sir John op het

Beechey-eiland in eene _cairn_ eenen ruimen voorraad achtergelaten van

levensmiddelen en allerhande benoodigdheden; ook eene stevige sloep met

toebehooren. Nu moet ge bovendien weten, dat die ziekte van mij eene

bijzonder vreemdsoortige ziekte was geweest. Mijn vader had ze vóór mij

gehad, en had drie weken op het kerkhof te Plymouth gelegen. Toen hij

weer levend werd, had hij met een enkel zetsel het deksel van zijne

kist gewipt, en het handjevol zand van het deksel: want hij was uit het

armhuis begraven--ofschoon hij een _gentleman_ was, Sir, die een aardig

fortuintje tot den laatsten stuiver verspilde--gek die hij was--met het

zoeken naar eene machine om de zonnestralen vloeibaar te maken en op te

bottelen...... _Well, but that's neither here nor there!_--Die ziekte,

wou ik maar zeggen, was zooveel als eene schijndoodziekte. De dokters

verklaren dat zij maar ééns in de honderd jaren voorkomt. Ontwaakt men

er uit, en heeft men maar een goed maal eten gehad, dan voelt men zich

versch man, rap en levenslustig als drie. Zoo dan, nadat ik de _cairn_

opengebroken en mij behoorlijk met spijs en drank versterkt had, was ik

weer als een borst van achttien jaren.

»Daar rees in mij eene stoute gedachte. »Jack Bobson", sprak eene

stem in mijn binnenste: »gij kunt een beroemd man worden, zoo beroemd

als de grootsten van oud-Engeland's helden. Uwe makkers ontdekken de

Noordwest-passage. Gij, Jack, ontdekt de Pool!"...... Ei ja! waarom

zou ik niet?--Ik wist den weg; niets ontbrak mij tot de reis; 't was

zomerdag; de zee lag open, en er woei eene vaste bries uit het Zuiden.

Voorwaarts, Jack Bobson! voorwaarts!

»Fluks maakte ik de sloep ree met zeil en riemen, roer en tuig, en met

eenen overvloed van mondkost en kleeren, wapens en kruit. Het was de

handigste kleine expeditie, die ooit naar het Noorden den boeg wendde.

Maar één ding vergat ik. Ik ezel! dat ik verzuimde mijn kloek plan neer

te schrijven op een stuk papier, en dit stuk te teekenen met mijnen

naam, en het weg te bergen in de _cairn_! Dan hadden zij mij =moeten=

gelooven. Ik ezel!"----Hij sloeg zich wild tegen het voorhoofd.

»Zeg, Sir", voer hij eensklaps tegen mij uit: »gelooft gij me, tot

dusver?"--Een oogenblik later hervatte hij rustig zijn verhaal:

»De vaart liep prachtig. Eerst oostwaarts door Straat Lancaster. Daarna

noordwaarts door de Smith-sound en het Kennedy-kanaal. En van ijs geen

spoor, dan langs de verre kusten, waar de bergspitsen zoo blauw zagen

als kopervitriool. En aanhoudend die mooie zuiderbries, die mij warmde

en voortdreef. In dertig dagen, juist geteld, was ik waar ze nu zeggen

dat Kane geweest is met zijne Yankees--aan de open Poolzee.

»Maar--_look here now!_ Als de Yankee Kane werkelijk zóó ver geweest is,

dan had hij verder moeten gaan: en als hij gezien heeft wat hij vertelt,

dan had hij méér moeten zien. _Curse me, Sir!_ ware Kane de Yankee geen

lafaard geweest, zoo stond Jack Bobson thans niet geboekt als een

leugenaar!

»Kane vond eene open zee en eene hooge temperatuur. Hij vond gras aan

de oevers, en kudden muskusossen, en zwermen watervogels. Hij vond,

terwijl zuidwaarts alles ijs was en bijtende vorst, milde regenwolken en

nevel in het Noorden. Welnu! ik zeg u dat hij verder had moeten gaan en

méér had moeten vinden. Achter dien nevel lag nog iets beters.

»Dát heb =ik= gezien, Jack Bobson, die hier zijn bier met u drinkt. Ik

drong heen door den mist, niet meer zeilend, maar roeiend, over eene

zee die door geen zuchtje werd gerimpeld. De nevel werd al dichter--en

lauwer; bloedroode flikkeringen doorgloeiden hem soms. Dagen lang,

terwijl ik voortroeide met koortsig verlangen naar het einde der

reis, naar de geheimzinnige oorzaak van dat lichten en van de steeds

toenemende warmte--dagen lang zag ik niets om mij heen, dan dien

grijzen, lauw vochtigen damp. Vaak was hij zóó dik, dat ik zelfs

het roerlooze water niet onderscheiden kon, waarin mijn riemslag

ploegde--ja, mijne hand niet, op armslengte uitgestoken. Ik zat als

geblinddoekt; de adem werd mij zwaar; en ware er niet af en toe een

snuiven hoorbaar geweest van den eenen of anderen visch in mijne

nabijheid, of de wiekslag van onzichtbare vogels boven mijn hoofd--zoo

hadde ik mij kunnen verbeelden voor eeuwig verloren te zijn in het rijk

van de schaduwen des doods.... Eindelijk echter werd het ijler. Ik

bespeurde een groenachtig schemeren in de verte. Daar brak het zonlicht

door----en ik zag.... Maar gij moet me gelooven! Zult ge?----

»Ik zag eene grasgroene watervlakte, spiegelglad gespreid onder een wit

betrokken zwerk. En midden uit dien groenen plas, op eenen afstand van

twaalf of veertien mijlen, rees een enkele, ontzaglijke kegelberg,

twintigduizend voet hoog, naar ik gis. Aan den voet was hij met welig

groen bewassen; topwaarts werd hij eene grauwe rotsmassa; en uit zijne

kruin steeg, nogmaals duizenden voeten hoog, loodrecht eene dikke zuil

van witten damp, die aan haar zenith zich uitspreidde naar alle kanten.

In breede stroomen trok de damp door het luchtruim, om langzaam neer te

dalen op de zee, en den wal van nevel te vormen, dien ik had doorboord.

Het was een gewelf, een onmetelijke koepeldom van nevel, met de

zuil, die te rusten scheen op den berg, in het midden, en met zijne

fundamenten rondom op de wateren. Nu en dan schoten er vreeselijke

vuurstralen uit den bergkrater, die de dampzuil deden gloeien, en gansch

den dom van nevel in het rond verlichtten. En daaronder lag de groene

zee--glad, peilloos diep, naar de kleur en helderheid te oordeelen--maar

niet levenloos. Hier krielde het van walvisschen, die speelden met hunne

jongen; het ruischte van hun geblaas; boven den wijden waterspiegel

dansten alom de fonteinen uit hunne neusgaten. Ook bespeurde ik, terwijl

ik den berg naderde, andere monsters, van ijselijker gestalten: monsters

zooals ik later afgebeeld vond in boeken, met harde Latijnsche namen

gedoopt--monsters van vóór den Zondvloed, zeggen de geleerden. De groote

zeeslang stak in de verte zijnen gehoornden kop een vijftien ellen boven

water; van verbazende salamanders werden de ruggen zichtbaar, als

omgeslagen scheepsrompen; en toen ik dicht genoeg nabij den berg was,

kon ik aan den oever leguanen bespieden met lange vogelhalzen en bekken

als snoeischaren--en kaaimans, Sir! naast wie de kerels in de

Zuid-Amerikaansche rivieren als _babies_ zouden zijn.

»Hoe ik den moed had dit alles nog zoo op te nemen, begreep ik later

zelf niet. Zeker had ik hem te danken aan het fiere bewustzijn, dat mij

toen doortintelde van het hoofd tot de voeten. Want, Sir!--hier was

ik, Jack Bobson, van aangezicht tot aangezicht met de Noordpool. Die

ontzaggelijke vulkaan (nooit vergeet ik zijnen aanblik vol eenzame

majesteit) die ontzaggelijke vulkaan was het toppunt van de wereld,

het uiterste eindje van het hooge Noorden. Door zijn ruggemerg moest

de as loopen, om welke de aardkloot zich wentelt. De gloed zijner

uitbarstingen was het Noorderlicht. De heete waterdamp uit zijnen krater

was oorzaak van de warmte die het ijs verdrong, tweehonderd mijlen in

den omtrek. En deze groene zee was de lang gezochte kraamzaal der

walvisschen--de wijkplaats van de laatste nakomelingen der gedrochten,

die toekijkers waren bij het van stapel loopen der arke Noach's--zoo

zeggen de geleerden. Zie, Sir!--en dit alles had =ik= gevonden en

ontdekt--ik, Jack Bobson, een eenvoudig ijsmeester van de _Erebus_,

geheel alleen--Jack Bobson, Sir, die hier aan deze tafel met u

zit!----Gelooft ge mij?

»De monsters deden mij geen kwaad. Nu en dan gluurde er een met een oog

als eene scheepslantaarn mij aan; maar geen sperde er zijnen muil open

om mij en mijne boot op te slokken. Blijkbaar begrepen zij niets van ons

beiden. Alleen de groote zeeslang, die een bereisd monster is, en de

menschen en hunne boosheid kennen moet, zou mij bij eene ontmoeting

waarschijnlijk belet hebben van mijn avontuur iets na te vertellen. Ik

sidderde bij de gedachte--en het werd mij zoo bang, zoo bang, dat ik

met alle macht begon weerom te roeien naar de nevelzee. Eene sterke

strooming, die om den berg scheen heen te loopen, kwam mij te hulp. Haar

noordwaartsche tak had mij heengevoerd naar de Pool; haar zuidwaartsche

voerde mij terug er van. Ik boorde weer door den nevel. Weldra was de

glasgroene zee, was de machtige vulkaan onttrokken aan mijnen blik.

Alleen het roode flikkeren vergezelde mij nog, flauwer en flauwer,

naarmate de damp weer dikker werd. Nogmaals dagen lang dreef ik zoo

blindelings voort. De koude nam allengs toe. Straks ontmoette ik weer

ijs. De horizon helderde weer op in het Zuiden. Ik zag land: bergen, met

sneeuw bedekt. De strooming wierp mij tegen de kust. Eskimo's snelden

toe, die mij vriendelijk opnamen, en die ik rijk maakte met de schatten

in mijne boot.

»Wel, ik leefde dertien jaren onder dezen stam, vóór Mac Clinton met de

_Fox_ mij terugbracht naar Engeland. En nu eerst begon mijn lijden. Ze

vertelden mij van Sir John's jammerlijk uiteinde. Hoe ik geschreid heb

om hem en de arme kameraden!--Maar toen ik hun verhaalde dat ik zelf de

Pool ontdekt had, en wat ik gezien had dáár--toen geloofden ze mij niet.

Ze zeiden dat de kou mijne hersens moest hebben doen bevriezen, of dat

de traan der Eskimo's mij naar het hoofd moest geslagen zijn. Ze zeiden

dat ik gek was. Ze geloofden mij niet!

»Ik kwam hier, te Londen. Mijne betrekkingen waren alle gestorven--en

vreemden kenden mij niet meer. Ze wisten wel dat er een Jack Bobson was

geweest op de _Erebus_. Maar die Jack Bobson moest omgekomen zijn als de

rest. En ik, met mijne groote ontdekking--ik was een bedrieger, een

dronkaard, een krankzinnige!--Ze geloofden mij niet!

»Ik schreef aan de bladen. Ik sprak met de _penny-a-liners_ van deze

schurkachtige _Daily Telegraph_, die nu weer zotteklap verkondigt over

eene Pool van eeuwigdurend ijs. Ze lachten mij uit! Ze wezen mij de

deur!--Ze geloofden mij niet!

»En hier zit ik nu, Sir--ik, Jack Bobson--met de grootste ontdekking na

Columbus in mijne hand----en, _curse them, Sir! They won't believe me!

They won't believe me!_".................

* * * * *

Kermend had mijn verteller zijnen laatsten klaagtoon uitgestooten. Zijn

gerimpeld gelaat vertrok zich als tot schreien. Ik had medelijden met

hem.

Toch ben ik nooit na dien avond teruggekeerd in het rustige ale-huis

nabij de Waterloo-brug. Ik had het hart niet, Jack Bobson onder de oogen

te treden, en hem te zeggen of te toonen dat ook =ik= hem niet geloofde.

De Jonkvrouw van Hillegersberg.

_Sage,

Gij lieflijke,

Oud van den beginne,

Jong totaan het einde--

Verjong ons met uwe jeugd!_

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 9 / 24 题