Ik ging nu behoedzaam naar de Noord-Oostzijde van ons eiland, stelde mij

verdekt achter eenen berg op, en haalde mijnen verrekijker te

voorschijn. Met behulp daarvan stelde ik vast, dat de vijandelijke vloot

uit vijftig oorlogsschepen en talrijke transportschepen bestond. Daarna

keerde ik terug en ik verzocht, mij een groot aantal van de sterkste

scheepskabels te geven, die zoo dik waren als bij ons ijzergaren, en dan

nog een evenzoo groot aantal ijzeren staven zoo dik als een naald. Ik

draaide telkens drie kabels tot een, hetzelfde deed ik met de ijzeren

stangen en ieder van deze drie dubbele stangen boog ik aan het uiteinde

om tot een haak. Ten slotte bevestigde ik de kabels aan de stangen, waar

ik deze niet had omgebogen. Aldus uitgerust deed ik mijn jas, mijne

kousen en mijne schoenen uit en stapte een half uur vóór den vloed in

het kanaal. Ik liep zoo snel mogelijk door, zwom, waar het water het

diepst was, ongeveer 30 el ver en was in een klein half uurtje de vloot

genaderd. De schrik der Blefuskuneezen toen zij mij zagen, is niet te

beschrijven. Als opgejaagde muizen sprong de geheele bemanning der vloot

te water en zwom aan land. Dat spreekt ook eigenlijk vanzelf, want stel

je nu eens voor, dat er bij ons plotseling een monster zeventien maal

zoo groot als een gewoon mensch aan de kust verscheen.

Wel 30.000 menschen wriemelden als een uit-elkander-gejaagde mierenhoop

langs het strand. Ik stak vlug in ieder gat, dat de schepen vooraan den

boeg hebben een haak en wond de, aan de haken bevestigde kabels tot een

kluwen samen. Intusschen waren de vijanden in zooverre van hunnen schrik

bekomen dat zij als razenden op mij begonnen te schieten. Duizenden

pijlen, waarvan sommige mij raakten en mij vreeselijke pijn

veroorzaakten, snorden door de lucht, en omdat ik, om deze af te weren

dikwijls mijn arm voor mijn gezicht moest houden, werd ik bij mijn werk

aanmerkelijk gestoord. Het meest bevreesd was ik voor mijne oogen, maar

toen viel mij in, dat ik immers mijn bril bij mij had. Die zette ik op,

en al kletterden de pijlen soms tegen de glazen als hagel tegen de

ruiten, in ieder geval waren mijne oogen ten minste beschut. Toen ik

alle vijftig oorlogsschepen aan een touwtje had, begon ik te trekken,

maar o, wee! want ik bemerkte toen pas, dat ze alle vast voor anker

lagen en dat ik dus het zwaarste werk nog moest doen. Er bleef mij dus

niets anders over, dan alle vijftig ankertouwen met mijn zakmes door te

snijden en daarbij kreeg ik wel een paar honderd pijlen tegen mijn

gezicht en mijne handen. Ik beet van pijn op mijne lippen. Ten slotte

had ik echter het laatste touw doorgesneden en trok ik de heele Armada

der Blefuskuneezen meê.

Een oogenblik heerschte er eene doodelijke stilte aan de kust, een

stilte veroorzaakt door een vreeselijke ontsteltenis, maar toen volgde

er een geschreeuw, dat ik mijn leven lang niet zal vergeten. Een

dergelijk geschreeuw hoorde ik eens toen ik op een eenzaam strand op

vogels schoot, die daar bij honderdduizenden waren genesteld. Ik trok

rustig verder met de vloot, die zich als een waaier achter mij

uitstrekte. Toen ik buiten schot was bestreek ik mijne wonden met eene

geneeskrachtige zalf, nam mijn bril af, wachtte, toen ik in het midden

van het kanaal gekomen was, totdat de vloed eenigszins gedaald was, en

ging toen naar de haven van Liliput. Het water kwam mij op de diepste

plaatsen van het kanaal heelemaal tot aan mijn hals. Daarom zagen de

Liliputters mij niet dadelijk en dachten niet anders of de vloot der

Blefuskuneezen kwam met eene vijandelijke bedoeling op Liliput aan. De

geheele vloot van Liliput en ook het heele leger onder opperbevel van

den keizer verzamelde zich dus zoo snel mogelijk in de haven, maar toen

zij mij zagen en ik uitriep: "Lang leve keizer Bimbul, de overwinnaar!"

kende het gejuich geen grenzen en de Liliputters maakten nu ook juist

zoo'n leven als de vogels aan het strand. De keizer raakte niet uitgeput

in loftuitingen en benoemde mij onmiddellijk tot "nardak" dat is de

hoogste eeretitel in Liliput en beteekent zooveel als "medezon des

heerschers". Ik moest nu met hem het heele leger langs loopen, wat

verscheidene minuten duurde en toen trok het geheele leger in paradepas

aan ons voorbij, wat zeer lang duurde en mij erg moe maakte,

niettegenstaande alle muziekkorpsen daarbij speelden. De muziek klonk

voor mijn bewustzijn zóó zacht, dat ik alleen maar de Turksche trom

hoorde, en dat klonk net alsof bij ons een dikke bromvlieg tegen het

venster bonst.

Toen ook dit schitterende schouwspel voorbij was, hield de keizer een

lang gesprek met mij, waarin hij den vurigen wensch uitte, verder alle

andere schepen der Blefuskuneezen in zijn macht te krijgen en het heele

land te veroveren. Hij wilde Blefusku tot eene provincie van Liliput

maken onder heerschappij van eenen onderkoning en dan alle dik-eiïgen

wijd en zijd uitroeien, of ze dwingen hunne eieren voortaan aan het

dunne einde open te maken. Dan eerst zou hij, naar hij meende, in het

oog van ieder de eenige monarch der aarde en de alleenheerscher der

wereld zijn.

Ik was even ontdaan als verontwaardigd over des keizers eisch en ik

trachtte Zijne Majesteit uit te leggen, dat het noch verstandig, noch

rechtvaardig was zoò te handelen, en ik zei hem, dat ik mij er nooit toe

zou leenen om een dapper en vrij volk onder het juk der slavernij te

brengen.

De keizer heeft mij deze vrijmoedige weigering nooit vergeven. Wel had

hij mij dikwijls gevraagd, hem altijd onomwonden mijne meening te

zeggen, maar toen ik dit deed, was hij diep gekrenkt.

De vorst deelde zijne veroveringsplannen en mijn meening daarover den

ministers meê. Onder hen waren er ten minste verscheidene verstandig

genoeg om het met mijne weigering eens te zijn, maar toen hij deze zaak

in den Raad van Staten ter sprake bracht en eenige verdachtmakingen

tegen mij losliet, vielen deze in vruchtbare aarde. Wel waren hier ook

verscheidenen, die mij innerlijk gelijk gaven, maar zij dorsten zich

niet te verzetten tegen den keizer en tegen de meerderheid en daarom

zwegen zij. Des te meer echter praatten en stookten mijne vijanden en

daarvan had ik plotseling een groot aantal.

Mijn succes en de onderscheidingen, die ik daardoor had ontvangen,

wekten afgunst en haat bij talrijke hof- en staatsambtenaren, het ergste

natuurlijk bij mijnen aartsvijand, admiraal Bolgolam. Hij had er

weliswaar niet voor gezorgd, om de vloot waarover hij het bevel voerde

zóó uit te rusten, dat deze de schepen der vijanden niet behoefde te

vreezen,--anders zou men ook mijne hulp niet noodig hebben gehad,--maar

nu ik in zijne plaats den vijand had verslagen, was hij buiten zich zelf

van afgunst en nijd. Hij liet dit natuurlijk niet merken daar hij een

geslepen diplomaat was, maar in stilte bereidde hij met Flimnap, den

schatmeester, die zoo prachtig op het slappe koord kon loopen, en met

andere partijgenooten een aanslag op mij voor, die mij ten verderve zou

voeren.

Spoedig daarop gebeurde er bovendien iets, dat koren op den molen van

mijne vijanden was.

HOOFDSTUK X.

ONZE HELD VERRICHT WEDEROM EEN GOEDE DAAD, MAAR OOGST SNOODEN ONDANK.

Er kwamen nu zes gezanten uit Blefusku met groote praal en met een

gevolg van vijfhonderd personen om vredesonderhandelingen aan te

knoopen. Er werd dan ook inderdaad vrede gesloten en wel onder

voorwaarden, die voor onzen keizer en zijn land zeer voordeelig waren,

al kon Zijne Majesteit ook niet alles wat hij wilde, doorzetten. Als

"Nardak" moest ik tegenwoordig zijn bij de vredesonderhandelingen en het

gelukte mij ook vaak mijne voorstellen er door te krijgen waardoor vele

voorwaarden verzacht werden, die oorspronkelijk veel te hard, en

daardoor onrechtvaardig en onverstandig waren en slechts aanleiding tot

een nieuwen oorlog konden geven.

De gezanten van Blefusku hadden ondervonden, dat ik herhaaldelijk te

hunner gunste had gesproken en toen nu hunne politieke aangelegenheden

geëindigd waren, lieten zij mij vragen of hun bezoek mij aangenaam zou

zijn. Ik dacht wel bij mijzelf, dat ik door dit bezoek mijnen vijanden

voedsel zou geven voor hun haat tegen mij, maar ik antwoordde toch, dat

het mij aangenaam zou zijn.

Ik verzocht den heeren beleefd, in mijn rechterhand te komen en liet ze

daar op mijn snuifdoos plaats nemen. Ze bedankten mij vriendelijk voor

de diensten, die ik hun had bewezen, put'ten zich uit in complimenten

over mijn dapperheid en brachten mij ten slotte een uitnoodiging van

hunnen keizer over, die naar zij zeiden, mij zeer waardeerde, en wien

het aangenaam zou zijn mij in zijn land te kunnen begroeten. Ik nam ook

deze uitnoodiging aan, hoewel ik best wist, dat daaraan wel eenig gevaar

was verbonden. Bij het afscheid nemen verzochten mij de heeren hun nog

eenige staaltjes van mijn fabelachtige lichaamskracht te toonen. Ik deed

dit gaarne, maar ik wil niet stil staan bij de opsomming daarvan, want

dat zou net zijn alsof ik zou willen opsnijden en per slot van rekening

is het toch geen kunst menschen ter grootte van eenen vinger bewondering

af te dwingen.

Het gesprek, dat wij voerden, werd in het Liliputsch gehouden.

Natuurlijk zou ik de taal der Blefuskuneezen niet verstaan hebben, maar

de gezanten zouden eenen tolk meegenomen kunnen hebben, dit hadden zij

echter niet gedaan, omdat zij mij eene bizondere beleefdheid wilden

bewijzen.

Des te meer moest ik dit waardeeren, omdat beide volken groote

minachting voor elkaars taal hadden. De Liliputters beweerden, dat de

Blefuskuneezen kakelden als kippen, wanneer zij eieren leggen, en zij

zelf zijn zeer trotsch op de schoonheid van hunne eigen taal.

De Blefuskuneezen daarentegen beweren, dat de Liliputters spraken alsof

zij een heete aardappel in hun keel hadden, maar zij dwepen met hunne

eigen taal. Aangezien er nu echter in tijden van vrede een levendig

verkeer tusschen beide rijken bestaat en het voor zaken-doen en

geld-te-verdienen zeer noodig is elkaars taal te kennen, zijn er in

beide landen slechts weinig beschaafde menschen, die beide talen niet

eenigszins machtig zijn.

Uit hoofde van de artikelen, die ik had bezworen, moest ik den keizer

natuurlijk vergunning vragen of ik dit bezoek in Blefusku mocht maken.

Hij gaf mij daartoe wel verlof, maar hij deed dit op een zeer koelen

toon, en hij behandelde mij trouwens zeer uit de hoogte. Later vernam

ik, dat mijne vijanden mij, bij hem naar aanleiding van het bezoek der

gezanten, zeer verdacht hadden gemaakt. Zij zeiden, dat het duidelijk

bleek, dat ik met den vijand des lands heulde. Ik heb al gezegd, dat de

keizer mij niet vergeven kon, dat ik het niet eens was met zijne

veroveringsplannen. Daar kwamen nog allerlei kleine onaangenaamheden

bij. Zooals men reeds weet, moest ik het geheele rijk omloopen om de

grootte ervan vast te stellen. Ik deed dit trouw en niettegenstaande ik

mijn best deed niet te groote stappen te nemen, was toch de keizer

zichtbaar uit zijn humeur toen ik reeds na twee en een half uur terug

kwam en hem berichtte, dat het maar 16.231 passen waren geweest. Uit dit

alles begon ik langzamerhand te merken, dat vorsten en ministers ook

geen volmaakte menschen zijn.

Volgens de artikelen die ik had bezworen, had ik ook nog op mij genomen,

desgevraagd velerlei andere diensten te bewijzen, maar ik moet

eerlijkheidshalve van den keizer zeggen, dat hij sinds ik "Nardak" was,

daarvan geen misbruik maakte, ja, dat hij ze eigenlijk zelfs niet van

mij verlangde, maar spoedig daarop zou zich een omstandigheid voordoen,

dat ik hem een dienst zou bewijzen zonder dat ik hem daarom vroeg.

Toen ik op zekeren nacht rustig lag te slapen, ontwaakte ik plotseling

door een gevoel alsof een muis mij in mijne neus had gebeten. Ik sprong

op, greep naar mijn neus en ik ontdekte eenen Liliputter, die zich aan

mijn snor vastklampte.

"Neem mij niet kwalijk, Excellentie," zei hij, "dat ik u in uw neus

kneep, maar ik wist geen ander middel om u wakker te maken. Kom gauw

mee, en help ons. De vleugel van het paleis van Hare Majesteit staat in

brand!"

Binnen drie seconden was ik opgesprongen, en had in alle haast mijn jas

over mijn nachtgoed aangetrokken.

Voor mijne woning vond ik eene menigte menschen, die mij smeekten mij

toch te haasten om zoo spoedig mogelijk te kunnen helpen. Men vertelde

mij onderweg, dat de brand ontstaan was door onachtzaamheid van een

hofdame die bij kaarslicht een Blefuskuneesche ridderroman had gelezen

en daarbij was ingeslapen.

[Illustratie: Ik wierp mijn kleeren op de vlammen en verstikte zoo in

eenige seconden het vuur.]

Daar men mij verwachtte en de straat voor mij had ontruimd en bovendien

de maan ook scheen, kwam ik zonder ook maar iemand dood te trappen, op

de plaats van den brand aan. Men was natuurlijk bezig den brand met

water te blusschen, dat men met reusachtige emmers ter grootte van eenen

vingerhoed aanvoerde. Daar echter de plaats waar men het water haalde

tamelijk ver weg was, hielp het blusschen niets en de brand breidde zich

hoe langer hoe verder uit. Het heele prachtige paleis, een wonderwerk

van architectuur, waaraan vele geslachten gebouwd hadden, zou tot op den

grond toe zijn afgebrand, wanneer het mij niet plotseling zou zijn

ingevallen hoe ik zou kunnen redden. Ik scheurde mijne kleeren van het

lijf, wierp ze op de vlammen, en verstikte op deze wijze in eenige

seconden het vuur. Het bange zwijgen der menigte loste zich nu in een

gejuich van vele duizenden op, maar huiverig kroop ik in mijne kleeren

en vloog zonder den dank van den keizer en van de keizerin af te

wachten naar huis en kroop weer onder de dekens.

De dank van den keizer en de keizerin was echter zeer zonderling. De

keizer liet heelemaal niet van zich hooren, maar ik vernam, dat keizerin

Simpilla tot in het diepst van haar ziel was gekrenkt, omdat ik het

gewaagd had mij in mijn nachthemd binnen de muren van het paleis voor de

oogen van Hare Majesteit en de hofdames te vertoonen.

Ik mocht haar nooit in mijn leven meer onder de oogen komen.

Er heerscht inderdaad in dit land een zeer streng gevoel van fatsoen.

Men mocht alleen aan een hofbal slechts in een hemd gekleed verschijnen.

In ieder ander geval werd men met den dood gestraft. Wel liet de keizer

mij weten, dat hij alles zou probeeren om gratie voor mij bij den Raad

van Staten te verkrijgen, maar dag op dag verstreek, zonder dat de

gratie kwam. De keizerin bleef onverzoenlijk en in dit geval had zij

schijnbaar meer invloed dan de alleenheerscher der allerheerschers.

HOOFDSTUK XI.

DE VIJANDEN VAN ONZEN HELD ZIJN IN DE WEER.

Mijn doodsvijand Bolgolam had in den schatmeester Flimnap een ijverigen

bondgenoot gevonden. Ik was "Nardak", dat wil zeggen, "Zon naast den

Heerscher" en hij was slechts "Glumdak" dat wil zeggen "Fakkel des

Heerschers", en dit alleen was reeds genoeg om mij te haten. Maar, er

kwam nog iets veel ergers bij; hij beweerde, dat ik de geldmiddelen van

het land uitputte.

Toen ik bij den keizer nog in de gunst stond, had hij zichzelf met zijne

gemalin en verscheidene menschen van het Hof, waaronder ook Flimnap

zich bevond, ten eten genoodigd. Ik liet natuurlijk een bizonder lekker

maal klaar maken onder anderen eene ossenpastei met vet gemeste kalveren

opgemaakt. Dien dag at ik bizonder veel.

1^e Omdat ik eetlust had.

2^e Omdat ik mijn gasten een goed voorbeeld moest geven.

3^e Omdat ik hunne bewondering wilde afdwingen.

4^e Omdat ik den roem van mijn vaderland had hoog te houden.

Flimnap at echter niets anders dan een leeuwerik-tongetje. Hij leed

namelijk al zeven jaar aan een maagkatarrh, omdat hij eens bij zijn

ontbijt 25 kievitseieren[3] had gegeten.

[3] In Liliput is een kievitsei ongeveer zoo groot als bij ons een

rijstkorrel.

Al dadelijk toen hij van het diner terugkwam, had hij, zooals ik later

vernam, den keizer uitgelegd, dat ik door mijn eten den Staat bankroet

zou maken. Hij zei, dat het geld in de schatkist steeds meer slonk, en

dat men reeds een leening had moeten sluiten en dat de menschen al

langzamerhand ontevreden begonnen te worden. Tot nu had ik het land

reeds 1½ millioen "sprugs"[4] gekost, wanneer dit nog een poosje zou

voortgaan, bleef er heelemaal niets over. Ik moest dus afgeschaft

worden. Tot overmaat van smart had een schurk den braven Flimnap

stilletjes verteld, dat zijne vrouw veel van mij hield, en heel dikwijls

naar mij kwam kijken. Zelfs de keizerin was dit ter oore gekomen, en was

daar zeer ontstemd over.

[4] Een "sprug" is de grootste gouden munt in Liliput en is zoo groot

als een vliegenpik; in het midden is een groot vierkant gat.

Ik kreeg veel bezoek, vooral van dames, die dan hare equipages op mijne

tafel lieten wachten, en al deze equipages vormden een "file" zooals men

dat in groote steden bij het aan- en uitgaan van comedies en opera's wel

ziet.

Ook de vrouw van den schatmeester kwam mij geregeld bezoeken, maar

nooit--dat zweer ik--heb ik met deze achtenswaardige dame over iets

anders gesproken, dan waarover ik met de andere dames altijd praatte, en

a l l e e n heb ik haar nooit ontvangen.

Als eenvoudig man kwam ik natuurlijk in mijn vaderland nooit met vorsten

in aanraking. Zoo kwam het, dat ik er geen idee van had, dat de menschen

aan het Hof heel jaloersch op elkaar waren, en elkaar altijd een mooie

betrekking misgunden. Van zulke kleine menschjes als de Liliputters

zijn, had ik dit zeker niet verwacht. Langzamerhand begreep ik echter,

dat ik mij op dit punt vergist had. Deze menschjes waren weliswaar klein

van gestalte, en hadden weinig kracht, maar in boosaardigheid en haat en

nijd deden zij niet onder voor een Europeaan. Hunne passen waren wel

niet grooter dan een lid van een vinger, maar in slechtheid hielden zij

gelijken tred met de langste van onze landgenooten.

Ik maakte mij juist gereed voor mijn bezoek aan Blefusku, toen ik 's

nachts door een kloppen op mijne deur werd gewekt. Ik schoot mijn jas

aan, maakte de deur open en zag toen een draagstoel met twee dragers.

Uit den draagstoel zag ik het gezicht van eenen man, dien ik in het

donker niet dadelijk kon onderscheiden. Hij gaf den beiden dragers een

teeken, dat zij weg moesten gaan.

Toen vroeg de man, zonder zijn naam te noemen, of hij binnen mocht

komen. Daar het mij voorkwam, dat hij mij in het geheim iets gewichtigs

had te vertellen, stopte ik den heelen draagstoel met zijn inhoud in den

zak van mijn jas, stuurde mijne bedienden weg, grendelde de deur en

zette daarna den draagstoel op de tafel. Toen nu de geheimzinnige

bezoeker zijn hoofd weer uit den draagstoel stak, herkende ik bij het

maanlicht mijn vriend Sandribog. Ik had eens bij den keizer een goed

woordje voor hem gedaan, toen hij voor een kleinigheid in ongenade was

gevallen. Zijn schuld bestond hierin, dat eens, in tegenwoordigheid van

den keizer zijn kous was afgezakt. Daar hij nu door mijn toedoen weer in

genade was aangenomen, beloonde hij dit met een zeer trouwe en oprechte

vriendschap.

"Waarde vriend," zei hij met een bezorgd gezicht, "ik heb u iets mede te

deelen, dat in verband staat met uw leven en uw goeden naam. Val mij

niet in de reden want ik moet dadelijk weer weg, daar niemand mag zien,

dat ik mij bij u bevind.

Eene commissie samengeroepen door den keizer heeft in verscheidene

geheime zittingen overlegd, wat er met u moet gebeuren. Twee dagen

geleden heeft men een besluit genomen. Het is u bekend, dat admiraal

Bolgolam uw doodsvijand is. Hij heeft eene forsche gestalte. Hij is

bijna zoo groot als de keizer, en de dames van de hofhouding hielden

allen veel van hem. Nadat u hier is gekomen, hebben ze slechts oogen

voor u en daarom zwoer Bolgolam u eeuwigen haat. Hij gaf wel toe, dat u

in zeker opzicht wat grooter is dan hij, maar dit zeide hij steeds met

een van kwaadheid bevende stem. Toen u nu bovendien de vijandelijke

vloot had verslagen, wat hem natuurlijk onmogelijk was geweest, kende

zijne woede geen grenzen.

Hij diende nu met den schatmeester Flimnap, generaal Limtak, den

kamerdienaar Lalkol, en den minister van justitie Balmuff een aanklacht

wegens hoogverraad tegen u in, en daarover heeft men herhaaldelijk

beraadslaagd. Het vonnis is in verscheidene artikelen samengesteld. Ik

ben erin geslaagd daarvan een afschrift te krijgen. Ik zet mijn leven op

het spel door het u voor te lezen, maar misschien kan het u van nut

zijn, wanneer u op den slag, dien uwe vijanden u willen toebrengen,

tenminste is voorbereid."

HOOFDSTUK XII.

AANKLACHT, GERECHTSHOF EN VONNIS.

Diep geroerd, wilde ik mijnen trouwen vriend bedanken, maar hij beduidde

mij te zwijgen en las: "Aanklacht tegen Quimbus Flestrin (den menschberg)

wegens hoogverraad.

Artikel 1. Ofschoon door een wet, uitgevaardigd onder de regeering van

Zijne Keizerlijke Majesteit Kalin Deffar Plune, vastgesteld is, dat al

wie binnen het bereik van het keizerlijk paleis verschijnt, hetzij

onvoldoende,--hetzij onbehoorlijk,--hetzij onvolledig gekleed aan lijf

en eer gestraft zal worden wegens hoogverraad, heeft tòch genoemde

Quimbus Flestrin het hooge bevel opzettelijk en bewust overschreden, en

gewaagd onder voorwendsel brand te willen blusschen in de vertrekken

onzer zeer geliefde keizerin, geheel ontdaan van zijne bovenkleeren,

schaamteloos en brutaal zich, alleen gekleed in een hemd, aan de

omstanders te vertoonen, welke misdaad strafbaar is in gevolge van §§

7843, 7844, 7845, 7846, 7847 en 7848 van de strafwet, en in gevolge van

§§ 12374, 12375 en 12376 van de politieverordening op openbare wegen

enz. enz.

Artikel 2. Ofschoon zijne keizerlijke Hoogheid den beklaagde, nadat hij

op aanduiding van Zijne Majesteit de vloot uit Blefusku had afgehaald,

uitdrukkelijk had bevolen,

I. ook alle andere schepen uit Blefusku te halen,

II. het keizerrijk Blefusku tot eene provincie van Liliput te maken,

III. niet alleen alle van Liliput naar Blefusku uitgeweken dik-eiïgen te

dooden, maar ook

IV. de geheele bevolking van dit ongeloovige rijk onmiddellijk te dooden

wanneer zij nog langer dik-eiïgen wilden blijven,

heeft toch in weerwil daarvan, de herhaaldelijk genoemde Flestrin de

verregaande brutaliteit gehad om het bevel van onze zeer beminde

keizerlijke Hoogheid te weigeren, onder het laffe en domme voorwendsel,

dat het hem tegen de borst stuit, een dapper en edel volk te

onderdrukken en te verdelgen.

Zoo is de menschberg dus strafbaar in gevolge van §§ 7817, 7818, 7819,

7820 a: en b: van de strafwet en voorts in gevolge van §§ 84, 85 en 86

van de wet tegen de dik-eiïgen.

Artikel 3. Ofschoon het bovengenoemden Flestrin bekend was, dat de

gezant van Blefusku de afgezant van een vorst was, die nog kort geleden

met onzen vredelievenden keizer in een kwaadwillig-ontstanen oorlog was

gewikkeld, waagde de menschberg het toch af en toe met dezen gezant te

verkeeren, en hem als ware hij een Liliputter bij zich te ontvangen en

te behandelen. Strafbaar enz. enz.

Artikel 4. Ofschoon de beklaagde moet weten, dat de vorst van Blefusku

en zijn volk door ons land als erfvijanden worden beschouwd, loopt hij

met het plan rond, zich beroepende op eene slechts mondeling en terloops

geuite toestemming van zijne keizerlijke Hoogheid, ons land met de

arglistige bedoeling te verlaten, naar Blefusku te reizen en daar de

vijanden van ons dapper, vredelievend volk in hunne vijandige pogingen

te steunen door hun hulp, medewerking en bijstand te verleenen.

Strafbaar enz. enz.

Er volgen hier nog achttien artikelen; maar deze zijn de belangrijkste,"

zoo eindigde mijn vriend ten slotte.

"Men moet het den keizer nazeggen," vervolgde hij, "dat hij alles in het

werk stelde, om uwe verdiensten te prijzen, en met mildheid herinnerde

hij aan de heiligheid van het gastrecht, maar--de meerderheid eischt uw

dood, alleen is men het nog niet eens met elkaar op welke wijze deze

moet plaats hebben.

Als men u wil ophangen, heeft men zulk een reuzengrooten galg noodig,

dat alleen gijzelf die zoudt kunnen timmeren, en eenigen twijfelen of

gij dit wel zoudt willen doen.

Onthoofding door middel van een bijl zal veel te lang duren. Bolgolam en

Flimnap zijn overigens van meening, dat zulk een dood veel te eervol en

te aangenaam voor een verrader is.

Toen opperde iemand het plan om uw huis terwijl gij sliept aan alle vier

hoeken aan te steken en voor het geval, dat gij dan zoudt vluchten,

moesten 20.000 boogschutters met vergiftige pijlen op u schieten.

Daartegen kwam men op, omdat zulk een reuzenvuur een groot gevaar voor

het heele land zou kunnen worden en men overlegde of het niet het beste

zou zijn als uwe bedienden heimelijk een zoo scherp vergift in uw hemd

zouden gooien, dat zoo bijtend was, dat het uw hemd met uw vleesch zou

verteren[5].

Gulliver's Reis Naar Liliput · 第 3 / 5 段