De keizer was reeds verscheidene malen als overwinnaar uit den strijd

gekomen en hij was dan steeds na het beëindigen van den oorlog door een

prachtige eerepoort, die dan voor hem was opgericht, naar zijne

hoofdstad teruggekeerd. Hij hield dol veel van dergelijke vertooningen

en nu was de gedachte bij hem opgekomen, dat ik maar eens als eerepoort

moest dienst doen, en een eerepoort moest vormen, zòo verheven en zòo

buitengewoon als er nog nooit een voor hem was opgericht. Ik moest

rechtop gaan staan en daarbij de beenen zoo ver van elkaar spreiden als

maar eenigszins mogelijk was. Dan wilde hij aan het hoofd van zijne

troepen voor de oogen van Hare Majesteit de keizerin als overwinnaar

tusschen mijne beenen doorrijden. Ik willigde zijn verzoek natuurlijk in

en de keizer gaf den veldmaarschalk daartoe de noodige bevelen. Deze

opperbevelhebber, een oude, brave ijzervreter, met groote, grijze

snorren zoo dik als een worm en met een vervaarlijke bas als van een

kikvorsch, was bovendien mijn beschermer en hield heel veel van mij. Hij

stelde nu de infanterie op, en plaatste vier-en-twintig man in eene rij,

en ook de cavallerie, waarvan hij zestien in eene rij plaatste. Toen

trokken met muziek, met wapperende vaandels, en getrokken sabels drie

duizend man infanterie en duizend man cavallerie onder mij door! Daar

mijn broek erg versleten was, had ik hem van te voren versteld, en had

ik mij, daar ik geen naald en draad bezat door een cavallerist een degen

en door een touwslager wat sterk touw laten geven.

Voor den keizer en de keizerin was deze triomftocht klaarblijkelijk een

verheven schouwspel, maar voor mij minder, want de optocht duurde meer

dan anderhalf uur. Meer dan eenmaal voelde ik de verzoeking bij mij

opkomen mijne beenen samen te trekken maar daarmede zou ik zeker de

gunst van den vorst hebben verspeeld, en die had ik toch zoo zeer voor

mijne bevrijding noodig.

Ik drong steeds op nieuw met verzoeken en smeekschriften op mijn

bevrijding aan, totdat de keizer ze eindelijk eerst door de ministers

liet behandelen, en ze daarna naar den Raad van Staten ter inzage zond.

Niemand was tegen mijne bevrijding behalve de "Galbet", de admiraal van

het rijk, genaamd Skyresch Balgolam. Deze, wel bekwame, maar sombere en

nurksche man, had mij van af het eerste oogenblik niet mogen lijden,

waarom wist ik niet. Na veel heen en weer gepraat verklaarde hij

eindelijk, dat hij het goed vond wanneer hij de voorwaarden voor mijne

vrijheid mocht vaststellen. Dat werd hem toegestaan en zoo verscheen

hij dan door verscheiden staatsambtenaren begeleid, om mij de

keizerlijke oorkonde in betrekking tot mijne bevrijding voor te lezen.

Ik deel daaruit het volgende vertaald mee:

"Bimbul Galbasto Mamarem Evlame Gurdelo Chefin Mully Ully Gue, de

allergrootmachtigste keizer van Liliput, de vreugde en de schrik van het

heelal, wiens bezittingen zich over vijfduizend Blustrugs[1] tot aan de

uiterste grenzen van den aardbol uitstrekken, de alleenheerscher van

alle alleenheerschers, die grooter is dan de zonen der menschen, wier

voeten wortelden in het middelpunt der aarde, en wiens hoofd tegen de

zon stoot, op wiens wenken de knieën der vorsten der aarde knikken; die

vroolijk is gelijk de lente, mild gelijk de zomer, vruchtbaar gelijk de

herfst en verschrikkelijk gelijk de winter. Zijn Allerverhevenste

Majesteit doet den menschberg, die kort geleden in ons Hemelsche Rijk

zijn intrede heeft gedaan, de volgende artikelen kennen die hij met een

plechtigen eed moet bezweren en waaraan hij onvoorwaardelijk zich zal

moeten houden."

[1] Een gebied, dat ik in twee en een half uur gemakkelijk kon

doorloopen.

Dit was de inleiding. Van de artikelen deel ik hierbij de volgende mede:

"1. De menschberg mag ons rijk niet verlaten zonder onze keizerlijke,

verzegelde goedkeuring.

2. Hij mag slechts op hoofdwegen, echter niet op weiden of akkers gaan

liggen of zitten, en wanneer hij wandelt moet hij zich ten zeerste in

acht nemen, noch onze getrouwe onderdanen, noch hunne paarden, wagens,

huizen of hun huisraad te vertrappen.

3. Wanneer Zijne Majesteit eene bizonder dringende zending te

verrichtten heeft, neemt de menschberg op zich den ijlbode en zijn paard

in zijn zak naar de plaats van bestemming te brengen en zoo noodig hem

met het antwoord weer terug te brengen.

4. De menschberg moet in zijne vrije uren onze houthakkers bij het

vellen der boomen, en onze handwerkslieden bij het bouwen van huizen en

schepen helpen en zich ook op alle andere wijzen zoo nuttig mogelijk

maken.

5. Hij moet binnen twee maanden de heele kust van ons rijk afgewandeld

hebben om op die manier de uitgestrektheid van ons gebied zoo nauwkeurig

mogelijk vast te stellen."

Het laatste artikel luidde ten slotte aldus:

"Nadat genoemde menschberg dit alles plechtig zal hebben bezworen, zal

hem dagelijks aan spijs en drank zooveel gegeven worden als 4913 van

onze gewone onderdanen per dag gebruiken. Ook zal hij vrijen toegang

hebben tot onzen Allerhoogsteigen Persoon en kan hij zich ook verder in

onze gunst en in onze genade verheugen.

Aldus gedaan op ons slot Belsabarak den 12^den dag van de 91^ste maand

van onze regeering."

De admiraal had dus in zijn minder goede gezindheid jegens mij

verscheidene bepalingen uit gedacht, die nu niet juist aangenaam en

eervol voor me waren, maar ik dacht bij mijzelf: "Als er in mijn land

een in verhouding, even groote man zou komen, zou men hem niet anders

behandelen." Daar ik bovendien zeer naar mijne vrijheid verlangde,

bezwoer ik de artikelen eerst op de wijze van mijn land, door twee

vingers van mijne rechterhand in de hoogte te steken, en vervolgens op

de Liliputter wijze.

[Illustratie: Deze plechtige handeling bestond daarin, door den

rechtervoet in de linkerhand te nemen en de rechterhand tegen den

schedel te leggen...]

Dit doet men door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en den

middelvinger van de rechterhand tegen den schedel te leggen en den duim

tegen het rechter oorlelletje. Nadat deze plechtige behandeling

voltrokken was werden mijne ketenen dadelijk losgemaakt en ik viel den

keizer te voet om hem mijne dankbaarheid te betuigen. De drukking van de

lucht, die daardoor veroorzaakt werd, deed Zijne Majesteit wankelen en

veroorzaakte een oogenblik gebrek aan adem, maar hij herstelde zich weer

spoedig en sprak de hoop uit, dat ik een nuttige dienaar zou blijken en

zijne talrijke reeds ontvangene, en misschien nog te ontvangen

gunstbewijzen waardig zou blijken.

Toen ik aan eenen ambtenaar vroeg waarom men mij juist 4913 maal zooveel

te eten gaf als eenen Liliputter, zeide hij mij, dat men vastgesteld

had, dat ik 17 maal zoo dik en daarom ook wel 17 maal zoo breed en 17

maal zoo groot zou zijn als een Liliputter, en dat 17 × 17 × 17 = 4913.

Mij bleek uit deze berekening den hoogen stand der wetenschap in het

land van Liliput.

HOOFDSTUK VII.

VAN EEN STAD VAN EEN HALF MILLIOEN INWONERS; VAN KEIZERLIJKE VERTREKKEN;

VAN EENE KEUKEN; EN VAN TAL VAN ZONDERLINGE ZEDEN DER LILIPUTTERS.

Den eersten wensch, dien ik den keizer te kennen gaf, was, zijne

hoofdstad te mogen bezichtigen. Hij willigde dit verzoek gaarne in en

liet in de geheele residentie bekend maken, dat alle hoofdstraten twee

uren vóór mijn bezoek ontruimd moesten zijn. Wie zich daarna nog op

straat ophield, deed dit op eigene verantwoordelijkheid.

De muur, die deze stad omringt, reikte mij tot midden aan mijn kuit en

was zoo dik, dat twee rijtuigen daar bovenop langs elkaar voorbij

konden rijden. Die muur was door torens versterkt, die op vijf voet

afstands van elkaar stonden. Ik klom over de groote poort aan de

westzijde heen en ging zeer voorzichtig door de hoofdstraten. Ik had

mijn jas, voordat ik de stad bezocht uitgetrokken, omdat de lange panden

anders de pannen van de daken en de kerktorens meegesleept zouden

hebben. Natuurlijk waren alle daken zwart van toeschouwers. De halve

bevolking bevond zich op de daken om in ademlooze spanning naar mijne

wandeling te kijken en natuurlijk lieten een paar onvoorzichtige jongens

zich ondanks het verbod het genoegen niet benemen, zoo dicht mogelijk

voor mijne voeten over straat te loopen; het scheelde geen haar of ik

had een van hen vertrapt.

De stad, die 500.000 zielen telt, is precies in een vierkant gebouwd; de

beide hoofdstraten kruisen elkander rechthoekig en verdeelen de stad in

vier kwartieren. Deze straten zijn ware prachtstraten en ongeveer twee

voet breed; de zijstraten en stegen waren niet breeder dan mijn voet

lang is; ik kon die dus niet betreden. Een van deze zijstraten voerde

naar een marktplein, dat er zeer aardig uitzag met zijn vele vruchten,

groenten, visschen, vleesch en andere etenswaren. Meiden en knechts

waren bezig inkoopen te doen voor de tafel hunner meesters, en een

groote menigte stond in bewondering voor een reusachtig dier, dat de

visschers van hun laatste vischvangst hadden mede gebracht, en dat zij

hadden tentoongesteld. Het was waarlijk een bewonderenswaardig monster,

een haai, zoolang als bij ons een haring, en het strekte zich over de

halve breedte van het marktplein uit.

Waar de beide hoofdstraten elkaar kruisen, is het paleis van den keizer

gelegen. Het wordt omringd door eenen muur, die twee voet hoog is.

Tusschen dezen muur en de gebouwen is een afstand van twintig voet. Met

goedvinden van den keizer klom ik over den muur en bekeek ik het slot

van alle kanten. Het bestaat uit een paleis waarin van binnen weer twee

andere paleizen zijn gelegen. In het binnenste paleis zijn de

keizerlijke vertrekken gelegen, die ik o, zoo graag zou willen zien,

maar, hoe zou ik daàr nu in kunnen komen? De poorten, die van het

buitenste paleis naar het binnenste voerden, waren bij lange na niet zoo

hoog als mijn kuit en niet breeder dan mijn dijbeen. Daar kon ik dus

niet door. Over het buitenste paleis klimmen? Neen, dat ging ook niet.

Het kwam bijna tot aan mijn kin, en bij overklimmen zou het gemakkelijk

kunnen gebeuren, dat ik er iets vanaf zou brokkelen. Wat nu te doen? Ik

ging naar het park van den keizer en kapte met mijn zakmes eenige der

grootste boomen om, en uit het hout vervaardigde ik twee krukken van

drie voet hoogte. Met deze krukken klom ik in den tuin van het binnenste

paleis, ging op de eene staan, tilde de andere over het dak en zette hem

voorzichtig in den tuin van het tweede paleis. Nu kon ik gemakkelijk

van de eene kruk op de andere stappen, en daarna de eerste kruk met een

haak naar mij toe te trekken. Zoo kwam ik dan in den tuin van het

binnenste paleis, waar ik mij dan zóó op mijne zijde legde, dat mijne

oogen op gelijke hoogte kwamen met de vensters van het middelste paleis.

Daar zag ik nu de heerlijkste pronkkamers, die denkbaar waren en in de

allerschoonste bevond zich de bevallige keizerin, de nog bevalliger

prinsen en de allerbevalligste prinsessen.

[Illustratie: Ik bekeek het paleis van alle kanten.]

Wanneer een klein meisje dit in plaats van mij gezien had, zou het van

verrukking in de handen hebben geklapt bij het aanschouwen van deze

poppenkamer.

Hare Majesteit de keizerin knikte mij zeer vriendelijk toe maar op haar

schoot zat, naar het mij toescheen een vlieg, die tegen mij blafte.

Maar, het was heelemaal geen vlieg, maar een hondje. De hooge Vrouwe

stak mij door het venster hare hand toe opdat ik deze zou kussen. Ik

hield met beide handen mijn snor weg om de keizerin niet te verwonden,

ik drukte mijne lippen zeèr, zeèr langzaam en voorzichtig op hare

vingertoppen en ik kon het met den besten wil van de wereld niet helpen,

dat ik haren geheelen onderarm kuste. Zij scheen daarover gebelgd en

trok snel hare hand terug.

Toen ik mijn hoofd diep tegen den grond aandrukte, kon ik met mijn

linkeroog in het sousterrain zien, waar de keukens waren. Wanneer het

kleine meisje in mijn plaats diè zou hebben gezien, dan zou ze van

verrukking gedanst hebben. In die keuken wemelde het van allersnoezigste

potjes en pannetjes en kannetjes, en mesjes en vorkjes en kokjes en

keukenmeisjes. Een van die keukenmeisjes plukte juist een leeuwerik ter

grootte van een Onze-Lieve-Heers-beestje, en de kaarsrechte chef-kok,

die zoo dik was als een witte pruim en haast niet loopen kon, maakte

juist appelbeignets, die zoo groot waren als peperkorrels. Nu kan men

nagaan hoe klein die wel waren.

Daar ik mij nu vrijer kon bewegen, leerde ik langzamerhand eenige van de

zeden, gebruiken en wetten van dit vreemde land kennen, maar ik wil

daarvan slechts die mededeelen, die zich opmerkelijk van de onze

onderscheiden. Zoo is het bij voorbeeld merkwaardig, dat de Liliputters

niet van links naar rechts schrijven zooals wij, ook niet van rechts

naar links, zooals de Arabieren en de Hebreeuwers, ook niet van boven

naar beneden als de Chineezen, en ook niet van beneden naar boven zooals

de Caskagiërs, maar schuin, van beneden links naar boven rechts, zooals

bij ons de dames doen, wanneer zij bij het schrijven aan het dansen

denken. Om nu maar eens bij de dames te blijven, worden lafheid,

zwakheid en flauw gedoe in Liliput evenzeer afgekeurd bij een vrouw als

bij een man. Overigens willen de vrouwen volstrekt niet op de mannen

lijken. Ze weten toch wel, dat ze precies evenveel waard zijn als deze.

Wanneer een leugenaar bij het liegen betrapt wordt, en men hem

"leugenaar" noemt, dan wordt degene, die gelogen heeft gestraft en niet

degene, die hem leugenaar heeft genoemd. Dus precies het omgekeerde als

bij ons.

De lasteraar daarentegen, die zijn medemensch met opzet valsch

beschuldigt, wordt met den dood gestraft en dengene, die, wanneer

gebleken is, dat het laster was toch nog zegt: "Nou, er zal toch wel

ièts van waar zijn!" wordt de tong afgesneden.

Ondankbaarheid wordt daar gehouden voor een bewijs van een slecht

karakter. Wie zich daaraan schuldig maakt, wordt voor altijd bij

iedereen geweerd. Men zegt namelijk: "Wie geen hart toont voor degenen,

die hem weldaden bewezen hebben, hoe zal die wel handelen tegenover

menschen aan wie hij niets te danken heeft! Die heeft het hart van eenen

misdadiger en moet als zoodanig behandeld worden!"

Bedrog, verduistering, kortom misbruik van vertrouwen maken, wordt in

dit land veel zwaarder gestraft dan diefstal. Een man was er eens met

een som gelds, die hem toevertrouwd was, van door gegaan, maar hij werd

gepakt en tot een zeer zware straf veroordeeld. "Waarom?" zoo vroeg ik

den rechter, "wordt die man tot zulk een zware straf veroordeeld? Hij

heeft toch niet gestolen, hij heeft toch alleen maar misbruik van

vertrouwen gemaakt!" "Juist daarom!" antwoordde de rechter. "Den dief

heeft men geen vertrouwen geschonken en met eenige voorzichtigheid kan

men zich voor hem hoeden, maar tegenover den bedrieger is een

fatsoenlijk mensch weerloos, en hoe fatsoenlijker hij is, des te

weerloozer is hij. De wereld berust op vertrouwen, daarom steelt degene,

die iemand zijn vertrouwen afneemt, duizend maal meer dan wanneer hij

goud of edelgesteente zou stelen!" Toen de rechter aldus gesproken had,

schaamde ik mij van harte voor mijne vraag.

Bij de verdeeling van betrekkingen wordt meer op braafheid dan op

verstand gelet. "Want," zeggen de Liliputters, "het is niet zoo

moeielijk een land te regeeren, maar moeielijk is het, daarbij eerlijk

te blijven. Ook kan een domheid van een eerlijk man niet zooveel nadeel

berokkenen, als een schurkenstreek van een knappen man."

Dit schenen mij allemaal zeer goede stelregels toe, maar men moet nu

niet gelooven, dat de menschen zoo goed waren als hunne stelregels.

Ontaarding kwam ook hier herhaaldelijk voor. Ik heb al verteld,

nietwaar, dat de hoogste staatsbetrekkingen door koorddansen, door

springen en kruipen konden verkregen worden, en hoe het hier met de

dankbaarheid gesteld was, dat zou ik wel gauw genoeg zelf ondervinden.

HOOFDSTUK VIII.

IN LILIPUT IS NIET ALLES ZOO MOOI ALS HET SCHIJNT.

Zoodra ik mijn vrijheid verkregen had, begon ik ook, mij allerlei

gemakken te verschaffen. Zoo maakte ik bij voorbeeld van de dikste

boomstammen van het naastbij gelegen woud eenen stoel en eene tafel,

waaraan ik mijne maaltijden kon houden. Mijn eten werd door driehonderd

koks toebereid, die in hutten om mij heen woonden; iedere kok moest mij

twee schotels leveren. Iedere schotel was één hap, ieder vat wijn nog

geen slok. Terwijl ik at, stonden twintig bedienden op mijne tafel om

mij te bedienen. Zij heschen met een katrol de spijzen naar boven, die

onder de tafel door andere bedienden in een mand werden gezet. Zij

dienden mij de volle schotels voor, ruimden de leege weg, enz. Daar het

voor mij moeite was de spijzen met een mes te snijden, bediende ik mij

voor dit doel van een hooivork.

[Illustratie: Zij heschen met een katrol de spijzen naar boven.]

Het konden zoowat veertien dagen geweest zijn, die ik genoegelijk in

vrijheid had doorgebracht, toen op zekeren dag mijn vriend en

beschermer, minister Neldresal per rijtuig bij mij kwam, het rijtuig met

zijnen bediende op eenigen afstand liet stoppen, opdat deze niets van

ons gesprek zou kunnen hooren en met een ernstig gelaat op mij toetrad.

Hij verzocht mij hem een uur lang gehoor te willen geven; ik verklaarde

mij daartoe gaarne bereid, legde mijne rechterhand op den grond, wat een

beleefdheidsvorm in Liliput was en zeide:

"Wilt u maar zoo vriendelijk zijn binnen te komen?" Toen tilde ik hem

zoo hoog op, dat hij gemakkelijk en zonder dat hij behoefde te

schreeuwen met mij kon spreken.

Hij wenschte mij geluk met mijne vrijlating, waar hij ijverig voor

gewerkt had, maar die mij toch niet vergund zou zijn als de

omstandigheden dit niet noodzakelijk hadden gemaakt. Hij zeide: "Van

buiten af gezien, maakt ons land wel een bloeienden indruk, maar in

werkelijkheid is dat alles niet zoo mooi. De waarheid is, dat er

uiterlijke en innerlijke ontevredenheid heerscht. Reeds geruimen tijd is

ons volk door een diepe kloof in twee partijen verdeeld, die van de

"hooggehakten", en die van de "laaggehakten". Ze onderscheiden zich

daarin, dat deze schoenen met hooge hakken, gene met lage hakken dragen.

Nu zegt men wel dat de goede, oude zede hooge hakken eischt, ja, er

bestaat zelfs een oeroude wet, waarin dit staat, maar Zijne Majesteit de

keizer behoort tot de laaggehakten en dat geeft den doorslag. Zijne

Majesteit duldt slechts lage hakken bij zijne ambtenaren, en het zal u

wel niet ontgaan zijn, dat zijne eigen hakken nog een "drurr"[2] lager

zijn, dan die der anderen. De haat van de vijandelijke partijen is zoò

hevig, dat zij niet met elkaar in dezelfde kamer zouden willen eten of

drinken en nooit een woord met elkander praten. Ik geloof wel, dat de

hooggehakten in de meerderheid zijn, maar wìj hebben de macht. Nu

schijnt het wel of Zijne Keizerlijke Hoogheid de kroonprins een weinig

tot de hooggehakten overhelt. U zult ook wel bemerkt hebben dat een van

zijne hakken wat hooger is dan de andere, waardoor hij een beetje mank

loopt. Dit alles verontrust natuurlijk Zijne Majesteit en om zijne

zorgen nog te vergrooten, bedreigen ons de bewoners van het eiland

Blefusku met eenen inval in ons land. Blefusku is het andere groote

keizerrijk van de wereld en is bijna even groot en machtig als het

onze."

[2] Een "drurr" = de dikte van eenen vleugel van een kever.

"Neem mij niet kwalijk, Excellentie, wanneer ik u in de reden val,"

waagde ik te zeggen, "in de artikelen, die ik voor mijne vrijlating heb

bezworen staat immers, dat Zijne Majesteit de Alleenheerscher der

Alleenheerschers is, wiens bezittingen tot aan de uiterste grenzen van

de wereld reiken en bij wiens wenken de knieën van de vorsten van de

aarde knikken. Nu zegt Uwe Excellentie zelf, dat er nog een tweede

machtig keizerrijk bestaat en ik kan Uwe Excellentie verzekeren, dat ik

oòk uit een machtig rijk kom en dat er op deze aarde nog meer zulke

rijken bestaan."

De minister antwoordde hierop: "Wat uwe bewering betreft, dat er nog

andere staten bestaan waarin menschen van uwe grootte wonen, moet ik

zeggen, dat onze geleerden dit voor hoogstonwaarschijnlijk houden, omdat

immers honderd wezens van uwe grootte, voldoende zouden zijn om al het

vee en alle vruchten van een land in korten tijd te verdelgen. En, we

hebben toch ook eene wereldgeschiedenis, die van zaken van zelfs zes

duizend maanden geleden verhaalt en die van zulke staten en van zulke

landen niets weet. Onze geleerden zijn veel meer de meening toegedaan,

dan u van de maan of van een ster naar beneden gevallen is. Wat het

keizerrijk Blefusku betreft, dàt bestaat zeker, maar aangezien de

inleidingswoorden tot de artikelen, die u heeft bezworen, reeds van af

het begin van de wereld zóó in gebruik zijn, en altijd zoo geluid

hebben, mag men niet daarvan afwijken.

Dat keizerrijk Blefusku is onze grimmigste vijand; reeds zes en dertig

maanden woedt er een bloedige oorlog tusschen hen en ons. De aanleiding

tot dezen oorlog was het volgende: Het is algemeen bekend, dat men

oorspronkelijk wanneer men een ei wilde eten het aan het dikste einde

openmaakte. Nu bezeerde zich de grootvader van onzen tegenwoordigen

keizer in zijn prilsten jeugd, toen hij eens een ei op deze wijze

openmaakte, aan zijnen vinger. Ten gevolge daarvan, vaardigde zijn

vader, dat is dus de overgrootvader van onzen tegenwoordigen keizer,

een bevel uit, waarbij aan alle zijne onderdanen gelast werd hunne

eieren slechts aan het dunne einde open te slaan. Deden zij dit niet,

dan werden zij streng gestraft. Deze wet bracht groote verbittering

onder het volk en had niet minder dan zes revoluties ten gevolge. Een

keizer verloor daarbij zijn leven, en een andere zijne kroon. Deze

opstanden strekten den keizer van Blefusku tot groote vreugde. Zij deden

hun uiterste best om de dik-eiïgen in hunnen lust tot opstand te

versterken en toen het ons eindelijk gelukte de opstandelingen te

onderdrukken, vluchtten velen van hen naar Blefusku. Meer dan 11000

dik-eiïgen moesten in deze gevechten het leven laten. Zij wilden liever

sterven dan hun ei aan den dunnen kant open te slaan. Er verschenen ook

honderde dikke boeken over dezen strijd, maar de boeken van de

dik-eiïgen zijn streng verboden. Een dik-eiïge mag ook nooit een hooge

betrekking bekleeden."

Ik verzocht nu Zijne Excellentie naar mijne linkerhand over te stappen,

daar mijn rechterarm sliep.

Hij vervolgde nu: "De naar Blefusku gevluchte dik-eiïgen, hebben nu de

menschen daar zóó lang opgestookt en bij hunne partijgenooten hier in

het land zóóveel steun gevonden, dat de beide staten sedert 36 maanden

een verbitterden oorlog voeren. Dan eens is de overwinning aan onze

zijde en dan weer aan de hunne.

Het kostte ons reeds 40 groote schepen en 30.000 dappere zeelieden en

soldaten. De verliezen van den vijand schatten wij nog hooger. Nu hebben

de Blefuskuneezen echter een reusachtige vloot uitgerust en daarmede

denken zij ons bij de eerstvolgende gelegenheid te overrompelen. Zijne

Majesteit, onze Allergenadigste keizer en heer heeft mij bevolen u

hiervan mededeeling te doen, omdat hij in uw kracht en in uw dapperheid

het grootste vertrouwen stelt."

Toen de minister uitgesproken was, boog ik diep en zeide: "Als

vreemdeling zou ik mij niet veroorloven mij in den partijstrijd te

mengen en een beslissing te nemen in de groote "eiervraag", maar wanneer

vijanden het rijk van Zijne Majesteit bedreigen, dan spreekt het wel van

zelf, dat mijn kracht en mijn leven geheel tot zijne vervoeging staan!"

HOOFDSTUK IX.

GULLIVER'S SCHITTERENDE OVERWINNING TER ZEE.

Het keizerrijk Blefusku lag ten Noord-Oosten van Liliput en tusschen

beide landen was een kanaal ter breedte van 800 el, dat de vorm had van

een hemdsmouw. Ik had het nooit gezien, omdat ik nog niet aan de

Noord-Oostzijde van Liliput was geweest, en nu liet ik mij met opzet

daar niet zien, omdat ik voor de Blefuskuneezen niet wilde weten, dat ik

in Liliput was. Of zou mijne aanwezigheid hun misschien al door spionnen

verraden zijn? Ik hoopte van niet, want gedurende den oorlog was ieder

verkeer tusschen de beide landen op straffe des doods verboden en de

kusten van ons eiland werden door de meest betrouwbare dun-eiïgen zoo

scherp mogelijk bewaakt.

De vijanden schenen te dien opzichte minder voorzorgen te nemen. Het was

ten minste onzen spionnen gelukt hun vloot in oogenschouw te nemen, die

in de haven gereed lag om uit te zeilen, en klaarblijkelijk alleen nog

maar op gunstigen wind wachtte. Van oude, ervaren zeerotten in ons land

hoorde ik, dat het kanaal in het midden bij vloed, zeventig "glumgluffs"

diep was, dat is iets meer dan mijne lengte.

Gulliver's Reis Naar Liliput · 第 2 / 5 段