[5] Op zulk eene wijze stierf Hercules; zooals men ziet zouden de

Liliputters het zelfs met hem hebben klaar gespeeld.

Eindelijk gelukte het den keizer den schatbewaarder Lalkol op zijne

zijde te krijgen, en daarna kreeg Reldresal, die zich als een waarachtig

vriend van u gedroeg, het woord. Hij gaf toe, dat uw misdaad heel groot

was, maar grooter nog was, zooals iedereen op dezen aardbodem wist, de

genade van onzen geliefden keizer. Hij verzocht dringend, met het oog op

de belangrijke diensten, die gij het land hebt bewezen, u het leven te

schenken en u slechts de oogen uit te steken. De rechtvaardigheid en

zachtheid van dit vonnis zult u zelf wel moeten erkennen. Door uw

blindheid vermindert uw lichaamskracht niet. U zou dan ook in het

vervolg den keizer van nut kunnen zijn. Ja, blindheid verhoogt zelfs

moed, omdat een blinde nooit de gevaren ziet. Ten slotte is het ook

voldoende, dat gij in het vervolg door de oogen van de ministers ziet;

want de wijste en grootste vorsten zijn gewend niet anders dan zóó te

zien.

Deze raad vond ondertusschen vooral bij Bolgolam, den heftigsten

weerstand.

Woedend sprong hij op en riep: "Ik ben werkelijk zeer verwonderd, dat

een hooge beambte en dienaar van Zijne Majesteit het voegzaam acht, de

partij op te nemen voor een beslist hoog- en landverrader. De

zoogenaamde diensten en verdiensten van dezen misdadiger, die de vorige

spreker noodig vond op te sommen, bezwaren hem juist van het standpunt

der hooge politiek gezien. Kan dit monster niet met dezelfde jas waarmeê

hij het vuur uitdoofde een vonk aanwakkeren tot den meest verwoestenden

brand? Kan hij niet de verschrikkelijkste overstroomingen te weeg

brengen wanneer het hem invalt in een onzer zeeën of rivieren te baden?

En kan hij niet, wanneer hij dit wil, de vijandelijke vloot evengoed

naar den overkant brengen, als hij hem gehaald heeft? Alles wat men ten

gunste van dezen misdadiger kan aanvoeren kan slechts tegen hem pleiten

en daarom ben ik van oordeel, dat deze dik-eiïge op de vreeselijkste

wijze ter dood moet worden gebracht. Jawel, ik zeg "dik-eiïge". Gij

zult zeggen: "nog niemand heeft hem een ei zien eten". Mijne heeren,

juist dàt maakt hem verdacht. Zelfs wanneer hij nog nooit in zijn leven

een ei zou gegeten hebben, dan nog zou ik zeggen: "het verraad begint in

het gemoed, en in zijn gemoed slaat hij het kopje van het ei er aan den

dikken kant af," daarvoor durf ik mijne hand in het vuur te steken."

Zoo raasde en tierde de admiraal en Flimnap was het met hem eens. Hij

somde een lange rekening van de kosten op, die het land voor u heeft

moeten maken, en, zei hij, wanneer men u blind zou maken, zou dit nog

erger worden. "Men heeft beweerd," zoo besloot hij zijne redevoering,

"dat er geen wettige bewijzen tegen den menschberg te vinden zijn, maar

ik ben van meening, dat deze niet noodig zijn als men van iemands schuld

overtuigd is. Het hangt heelemaal van den rechter af wat hij als bewijs

wil laten gelden en wat niet. Onze overtuiging is ons bewijs en

krachtens onze overtuiging is hij schuldig en moet hij ter dood

veroordeeld worden."

Na langdurig heen en weer gepraat besloot men 1^e tot oogen uitsteken,

2^e tot hongerdood, omdat dit laatste den schijn heeft of gij vanzelf

zijt gestorven. Inderdaad is het heel natuurlijk, dat een mensch dood

gaat als hij niets meer te eten heeft.

Natuurlijk was dit vonnis den admiraal veel te zacht, en hij had er nog

heèl wat over te zeggen.

Over drie dagen zal uw vriend en beschermer Reldresal bij u verschijnen.

Hij zal u dan het vonnis voorlezen en u wijzen op de buitengewone

mildheid en de groote genade van den keizer.

De keizer is er vast van overtuigd, dat gij dankbaar zult zijn voor

zooveel onverdiende genade en goedheid.

Gij weet nu waaraan gij u te houden hebt. Draag mij nu weer naar buiten;

ik moet zoo gauw mogelijk naar huis anders zou ik nog ontdekt kunnen

worden."

Onder de warmste dankbetuigingen bracht ik mijnen gast naar buiten. Op

een vooruit afgesproken teeken verschenen zijne bedienden weer, en een

oogenblik daarna was de draagstoel in het donker van den nacht

verdwenen.

HOOFDSTUK XIII.

GULLIVER WORDT TE BLEFUSKU MET GROOT EERBETOON ONTVANGEN.

Het laat zich denken, dat ik de rest van den nacht niet slapend

doorbracht. Voortdurend moest ik over dit vonnis nadenken. Het kwam

zeker omdat ik geen hoveling en geen rechter was, dat ik dit vonnis zoo

geheel anders beschouwde dan zij. Daar ik de veroordeelde was, vond ik

het verre van zachtzinnig. Een oogenblik kwam de gedachte bij mij op

naar mijne rechters te gaan, om mij te verdedigen, dan zouden zij wel

m o e t e n inzien, dat ik onschuldig was.

Maar al gauw herinnerde ik mij, dat de wil van den rechter altijd de

juiste in Liliput is, dus ik kwam van mijn plan terug. Toen besloot ik

mij eenvoudig tegen het vonnis te verzetten. Wat konden die kleine

kereltjes doen als ik mij wilde verdedigen! Ik kon hun heele leger

vertrappen en hunne steden verwoesten! Maar, ook van zulke gedachten

kwam ik terug. Als ik dit plan volvoerde, zouden vele onschuldigen, die

mij nooit kwaad hadden gedaan omkomen, en zoodoende zou ik heel wat meer

kwaad gesticht hebben dan zij mij zouden aandoen. Ik was ook door een

eed gebonden, en ik had ook van den keizer vele gunsten ontvangen.

Wanneer deze kereltjes met vergiftige pijlen schoten waren zij bovendien

gevaarlijk genoeg.

Ik achtte het dus verstandiger om eerst mijn bezoek in Blefusku af te

leggen. Ik had immers van den keizer van Liliput daartoe verlof.

Heel in de vroegte ging ik met mijne dekens naar de haven, waar de

buitgemaakte vloot lag, nam een van de oorlogsschepen, legde mijne

kleeren en de dekens daarop, en waadde en zwom, het schip aan een touw

achter mij medetrekkend, naar Blefusku. Toen ik geland was liepen

natuurlijk de menschen van alle kanten toe, om mij te bekijken, maar het

opzien dat ik verwekte was niet zoo groot als ik had verwacht.

Natuurlijk hadden de gezanten en ook vroeger de bemanning van de vloot

bij hun terugkeer uit Liliput van mij verteld en mij nauwkeurig

beschreven. Deze verhalen waren van mond tot mond gegaan, en daarom was

de verbazing niet zoo groot als destijds in Liliput. Ja, een

aanzienlijke Blefuskunees, die vloeiend Liliputsch sprak zei zelfs: "Ik

had mij u veèl grooter voorgesteld!" Hij en nog een andere heer hadden

de vriendelijkheid mij den weg naar de hoofdstad te wijzen. Deze

hoofdstad heet, even als het geheele eiland, Blefusku.

[Illustratie: Toen ik geland was, liepen de menschen van alle kanten

toe.]

De menschen, die mij in groote scharen vergezelden, gedroegen zich

behoorlijk en maakten het mij op geenerlei wijze lastig. Op 200 Meter

afstand van de stad hield ik halt, en zond eenen bode naar den keizer.

Reeds twee uur later kwam de bode terug met de mededeeling, dat Zijne

Majesteit met zijne familie en met de geheele hofhouding naar mij toe

zou komen. Ik vond, dat de beleefdheid eischte nog 100 Meter door te

loopen en daàr, den vorst af te wachten. Hij kwam en behandelde mij

geheel als ware ik een vorst, en zijn gelijke. Hij stapte van zijn

paard, en hij bracht mij aan het verstand, dat ik hem in mijn hand moest

nemen, en hem op zou tillen. Toen ik dat had gedaan, kuste hij mij

volgens de etikette van het land eerst op het voorhoofd en daarna op de

kin. Ik deed die beide dingen in eenen kus. Toen knielde ik voor de

keizerin, kuste haar onderarm, die zij mij met een lief glimlachje

toestak, en dankte ik haar in galante woorden voor zooveel minzaamheid.

Daarna deelde ik Zijne Majesteit mede, dat ik met goedvinden van Zijne

Majesteit Bimbul van Liliput kwam, om zooals ik beloofd had, den

machtigen heerscher van Blefusku alle diensten te bewijzen, die in mijn

macht stonden, en die met mijn plichten tegenover Liliput vereenigbaar

waren. Ik vertelde natuurlijk niet, dat ik bij keizer Bimbul in ongenade

was gevallen. Ik veronderstelde natuurlijk, dat de Liliputters niet over

mijn proces zouden spreken zoolang ik buitenslands was. Daarin had ik

mij deerlijk vergist.

In vriendelijke woorden heette Zijne Majesteit mij welkom en dankte hij

mij voor mijne aanbieding, en daarna verzocht hij mij aan tafel te gaan.

Deze was te mijner eere in de open lucht gedekt, omdat ik onder een dak

geen plaats gevonden zou hebben. De tafel zag er met hare bloemstukken

van een duim hoog, met haar prachtige kristallen karaffen en glazen en

haar duim-hooge gouden en zilveren vruchtenschalen, buitengewoon mooi

uit. De Blefuskuneesche keuken is beroemd en de spijzen waren

voortreffelijk toebereid, maar helaas alle zeer licht en weinig

voedzaam. Ik schaamde mij bepaald, dat ik alleen ruim duizend

lamskotteletten en twee duizend kwartels opat, en toen de maaltijd

afgeloopen was, was ik nog niet eens verzadigd. 's Avonds had eveneens

te mijner eer, in de open lucht een gala-opera plaats. Het muzikale

genot was zeer twijfelachtig. De orkestmuziek klonk precies eender als

het geluid van duizend musschen, wanneer zij om een kers vechten, maar

de keizer verzekerde mij, dat deze opera het nieuwste werk was van den

beroemdsten componist van den tegenwoordigen tijd.

Toen op het tooneel een zanger kwam, wiens laagste toon zoo hoog was als

de hoogste toon van een zangeres bij ons, zeide de keizer tot mij: "Dit

is onze diepste bas." Toen later echter de grootste opera-zangeres begon

te zingen, klonk het precies alsof men met een heel fijne naald een gat

prikt, in eene geheel met lucht gevulde varkensblaas, waardoor dan

piepend de lucht ontsnapt.

Aan het einde van dit bedrijf, dacht ik dat het beleefd was krachtig, in

mijne handen te klappen. Het gevolg daarvan was, dat in mijne nabijheid

ongeveer zeven honderd menschen van hunne stoelen tuimelden, dat vele

dames flauw vielen, en dat allen van hunne stoelen opsprongen in de

meening, dat er een verschrikkelijke ramp had plaats gehad. Het duurde

lang voor ik de menschen had gerust gesteld met de verklaring, dat men

in mijn land op deze wijze blijk geeft van zijn bijval. Tot mijn diepe

droefheid, vernam ik den volgenden dag, dat vele van de hofhouding, die

in mijne nabijheid zaten, tengevolge van den luchtdruk, dien ik door

mijn klappen had veroorzaakt, heftig verkouden waren geworden.

Ondanks zijne gastvrijheid was het in dit land met de woningtoestanden

zeer slecht gesteld. Er was geen gebouw, dat mij een onderdak kon

aanbieden en daarom moest ik mij op een renbaan voor de poorten van de

stad uitstrekken, maar daar sliep ik in mijne dekens gewikkeld toch zeer

goed, omdat ik den vorigen nacht niet veel had gerust.

HOOFDSTUK XIV.

ONZE HELD VERLANGT HUISWAARTS TE KEEREN, MAAR DE LILIPUTTERS ZENDEN EEN

BEVEL TOT INHECHTENISNEMING.

In weerwil van de vriendelijke opname, die ik in Blefusku had gevonden,

voelde ik mij toch niets in mijn schik. Zou ik hier nog weer eens

hetzelfde moeten mede maken als ginds in Liliput? Het einde zou dan ook

wel weer hetzelfde zijn! Bovendien had ik ook heimwee naar huis en

haard, en men kan zich dus wel voorstellen hoe ik vol verlangen uitkeek

toen ik den volgenden dag, terwijl ik heelemaal niet aan die

mogelijkheid dacht, al wandelende langs de Noordkust van het eiland op

een halve mijl afstand een voorwerp op het water zag drijven, dat er

ongeveer als een boot uitzag. Ik trok natuurlijk dadelijk mijn kousen en

schoenen uit, sloeg mijn broekspijpen zoo ver mogelijk om, en stapte in

zee. Tegelijkertijd kwam het donkere voorwerp, op de golven der zee

gedragen, vanzelf dichterbij en zoo kon ik spoedig zien, dat het

werkelijk een boot was. Zij dreef met de kiel naar boven op de golven

doordat zij hoogstwaarschijnlijk door een storm van het schip waarbij

zij behoorde was losgeslagen.

Ik keerde nu naar de residentie terug, en verzocht den keizer mij

twintig van de grootste schepen, die hem na den slag nog waren

overgebleven, ter beschikking te stellen en bovendien nog 3000 matrozen

onder bevel van eenen vice-admiraal. Daartoe was de keizer bereid en ik

keerde over land naar die plaats terug waar ik de boot had gezien,

terwijl de Janmaten om het eiland heen naar datzelfde punt zeilden.

Intusschen was de boot nog dichterbij gekomen. De matrozen waren allen

van trossen voorzien, die ik uit vele kabeltouwen had samengevlochten.

Nu kleedde ik mij uit, maar--ik hield mijn broek aan, want ik was door

mijn Liliputsch proces wel voorzichtig geworden. Ik waadde naar de boot

toe en was nog op ongeveer 100 Meter er van af, toen moest ik zwemmen.

Toen ik de boot genaderd was wierpen mijne matrozen mij een zeer langen

tros toe, waarvan ik het eene eind aan den boeg van de boot door een gat

trok en bevestigde, en waarvan ik het andere eind aan eene, der

medegekregen schepen liet vastmaken. Maar, wat nu? De matrozen konden

onmogelijk de boot aan land trekken. Zij zouden haar slechts een klein

eindje dichterbij kunnen slepen, maar meer ook niet.

Ik zelfs kon ook niets uitrichten omdat ik geen grond onder mijn voeten

had. Ten slotte zwom ik achter de boot aan, en gaf deze al zwemmende af

en toe een duwtje. Dit zou mij weinig of niet gebaat hebben, wanneer de

vloed mij niet te hulp was gekomen. Na veel moeite, kwam ik eindelijk

zóó ver dat ik, als ik mijn kin zoo hoog mogelijk in de hoogte stak, met

mijn voeten den grond kon raken. Nu kon ik toch eindelijk eens een paar

minuten uitrusten. Daarna vervolgde ik mijn werk weer, totdat het water

mij slechts tot de elbogen reikte. Nu liet ik een der schepen naderbij

komen waarin ik nog ander touwwerk had gestopt, nam negen trossen eruit

en bevestigde deze met het eene eind aan even zoo vele schepen van de

vloot, en met het andere einde aan de boot. Daar de wind nu ook op onze

hand was, gelukte het ons, daar de schepen trokken en ik duwde, de boot

op veertig Meter afstands van den oever te krijgen. Daar liet ik haar

liggen en wachtte de eb af, waardoor zij op het droge kwam. Met behulp

van 2000 menschen en talrijke katrollen en hefboomen gelukte het ons dan

ook de boot om te draaien, zoodat zij op de kiel kwam te liggen. Tot

mijne niet geringe vreugde kan ik vaststellen, dat zij weinig

beschadigd was. Ik had 10 dagen noodig om mij twee roeispanen te maken

en toen stuurde ik mijn boot in de haven van Blefusku, maar ik deed dit

heel voorzichtig want anders zou door den zwaren golfslag, die mijn boot

al varend te weeg bracht, deze te veel schommeling veroorzaken, wat

natuurlijk voor die miniatuur-scheepjes, die in de haven lagen nadeelig

zou zijn geweest. Men kan zich voorstellen dat er heel wat menschen op

den oever te zamen stroomden, hoe men schreeuwde, en wenkte en naar de

boot wees, en hoe men een en al verbazing was, toen ik met deze boot

kwam aanvaren, die de heele vloot van Blefusku en Liliput te zamen

gemakkelijk had kunnen bevatten.

[Illustratie: Iedereen hielp mij bij het maken van de boot.]

Intusschen verwonderde ik mij elken dag meer, dat er nog steeds geen

bevel uit Liliput was gekomen om mij uit te leveren. Natuurlijk was dit

zwijgen zeer verklaarbaar. Men had er geen flauw vermoeden van, dat mij

de inhoud van dat beruchte proces bekend was, en dat ik op de hoogte

van mijn vonnis was, en zoodoende verwachtte men waarschijnlijk, dat ik

totaal onkundig van dit alles over eenigen tijd in mijne kooi terug zou

keeren. Maar eindelijk was mijn wegblijven den Liliputters toch wel

verdacht voorgekomen, want op zekeren dag verscheen bij den keizer een

Liliputsche hoveling, met een afschrift van een gedeelte van de

aanklacht, die tegen mij was ingebracht en met den eisch mij uit te

leveren. Natuurlijk verzweeg de bode wijselijk dit gedeelte van de

aanklacht, dat over mijne vriendelijkheden tegenover Blefusku handelde

en over mijne weigering Blefusku te vernietigen en alle dik-eiïgen te

dooden. De afgezant van Liliput verklaarde, dat ik, wanneer ik niet

binnen twee dagen zou terugkeeren den titel van "Nardak" zou verliezen

en tot hoog- en landverrader zou worden verklaard. De verheven heerscher

van Liliput hoopte en verwachtte in het belang van het in standhouden

van den vrede en uithoofde van de uitstekende betrekkingen van de beide

innig-bevriende mogendheden, dat zijn verheven, en hem goed gezinde

broeder, de keizer van Blefusku, den staatsmisdadiger aan handen en

voeten gebonden, zonder verwijl zou uitleveren.

De keizer van Blefusku verzocht drie dagen bedenktijd, alvorens hij dit

verzoek kon beantwoorden en liet mij bij zich komen.

Ik schonk hem klaren wijn over de wakkere Liliputters en vertelde hem,

wat men van mij had verlangd en wat ik had geweigerd. Daarop liet Zijne

Majesteit den afgezant van Liliput het volgende antwoord mededeelen: "De

keizer van Blefusku beantwoordt de vriendschappelijke gezindheid van

zijnen verheven en hem goedgezinden broeder met dezelfde oprechtheid en

hartelijkheid. Wat nu den eisch betrof, dat ik aan handen en voeten zou

worden uitgeleverd, moest hij antwoorden, dat Zijne Majesteit van

Liliput wel uit eigen ervaring wist, dat dit niet zoo heel gemakkelijk

was, en in ieder geval alleen dan uitgevoerd kon worden, wanneer ik zelf

daar niets tegen had. Bovendien was hij mij, al had ik hem dan ook zijn

vloot weggenomen, voor vele waardevolle diensten zeer dankbaar, en

ondankbaarheid was,--dit wist zijn doorluchtige neef immers wel, bij een

koning uitgesloten. Bovendien had de menschberg op zee een vaartuig

gevonden, dat sterk genoeg was om hem te torsen en waarmeê hij

vermoedelijk wel vertrekken zou, zoodat beide landen binnenkort wel van

dezen drukkenden last zouden ontheven zijn."

Nadat de bode, die met het bevel tot inhechtenisneming was gekomen, met

dit korte antwoord, waarvan hij leelijk op zijn neus keek, was

afgepoeierd, verzocht ik den keizer mij het noodige materiaal te

verschaffen om mijn schip in orde te maken en uit te rusten, en ik vroeg

verlof weer naar mijn vaderland terug te keeren. Zijne Majesteit vroeg

mij zeer vriendelijk of het mij dan niet in zijn land beviel, en of ik

niet wilde blijven. Wanneer ik in zijnen dienst wilde treden, kon ik

verzekerd van zijne machtige bescherming zijn. Ik ben ervan overtuigd,

dat hij dit op dit oogenblik eerlijk meende, maar na de onpleizierige

ondervindingen, die ik van vorsten en ministers had, dacht ik bij

mijzelf: "Liever niet!"

Ik dankte den vorst eerbiedig voor zijn groote goedheid, maar ik zei,

dat ik liever alle verschrikking en gevaren van den oceaan wilde

trotseeren, dan de twistappel te zijn tusschen twee machtige rijken en

de oorzaak van bloedige oorlogen. De keizer drong dan ook niet langer

aan en scheen in zijn hart verheugd te zijn een zoo grooten man kwijt te

raken, die op den duur wel last kon veroorzaken.

HOOFDSTUK XV.

GULLIVER VERTREKT MET EERBEWIJZEN; MAAKT DEN LILIPUTTERS UIT DE VERTE

EEN AFSCHEIDSBEZOEK EN KEERT NAAR ZIJN VADERLAND TERUG.

Iedereen hielp mij nu vol bereidwilligheid met de uitrusting van mijn

schip. Vijfhonderd man werden aangesteld om mij van dertienmaal dubbel

genomen zeildoek zeilen te maken. Ik zelf vlocht de noodige kabels en

touwen, nam een grooten steen als anker en kreeg om de naden van mijn

vaartuig dicht te maken, het vet van 500 koeien. Een maand later was ik

met alles gereed, en ik verzocht nu den keizer afscheid te mogen nemen.

Wederom kwam hij met zijne geheele familie en het geheele hof bij mij en

nogmaals sprak hij zijn spijt uit, dat het hem niet mocht gelukken, mij

aan zijn land te binden. (Bij de uitdrukking aan zijn land "binden",

moest ik aan den eersten tijd in Liliput denken). Hij zeide, dat hij mij

ongaarne liet vertrekken, maar hij hoopte, dat ik nog eens terug zou

komen. Daarna liet hij mij vijftig zakken met geld, elk met 200 "dobols"

erin (een dobol = een sprug) geven, en een levensgroot portret van hem

met zijne handteekening er onder. Dit portret schoof ik dadelijk, om het

niet te verliezen, in mijne handschoen. Om mij nog een zeer bizondere

eer te bewijzen gaf de vorst en opperste bevelhebber van het leger, mij

een regiment kurasiers mee. Dit regiment zou in het vervolg het

"Gulliver-regiment" genoemd worden, waarvan ik de opperbevelhebber zou

zijn.

Ik had in mijn boot het vleesch van 100 ossen en van 300 schapen

meegenomen en daarenboven een overeenkomstige hoeveelheid brood en

dranken, en dan nog bovendien zóóveel klaar gemaakte schotels als 400

koks per dag kunnen toebereiden. Voorts nam ik nog levende dieren meê,

namelijk 6 koeien en 2 stieren, 6 schapen en 2 bokken, want ik wilde

deze dieren in mijn vaderland laten zien. Als voeder voor deze dieren

nam ik 100 bundels hooi mee en 50 zakken koren (bij ons noemt men dit

koren, meel). Toen alles behoorlijk was opgeladen, verzocht ik Zijne

Majesteit mijn garde-regiment te bevelen in de boot te stappen. Maar

toen zette de vorst een paar oogen op als peperkorrels. Hij zeide mij,

dat dit de bedoeling niet was, toen hij mij een regiment mee gaf, want

dat dit regiment evenals vroeger aan hèm bleef toebehooren en dat hìj

alleen er de beschikking over had, en dat de titel van opperbevelhebber

maar een titel was en een eerbewijs. Hij zei mij, dat ik asjeblieft niet

een paar van zijne onderdanen in mijn zakken moest steken. Ja, ik moest

hem zelfs op mijn woord van eer beloven, dat ik geen Blefuskunees zou

meenemen, zèlfs dan ook niet, wanneer er een zelf om zou vragen. Dit

speet mij erg, maar ik gaf natuurlijk mijn eerewoord, en daardoor komt

het, dat ik mijne kinderen geen levende soldaatjes meê kon brengen en

den lezer geen enkelen van deze eilandbewonertjes als bewijs voor de

waarheid van mijne reisbeschrijving kan laten zien.

Nadat ik den keizer, zooals dit in dit land gebruik is, gekust had, gaf

hij mij de hand. Ik nam deze voorzichtig met duim en wijsvinger en

drukte haar hartelijk, waarbij Zijne Majesteit zachtjes "qui!" riep, dat

zooveel beteekent als bij ons "au!". Hierop nam ik afscheid van de

keizerin en van de prinsjes; liet het kleinste prinsje nog eens paardje

rijden op mijn pink en zette daarna zijn Hoogheid weer voorzichtig op

den grond. Terwijl ik aan boord ging, speelde alle militaire kapellen,

de soldaten presenteerden het geweer, het strand was zwart van

menschen, die voortdurend "awah!" (ons "hoera!") riepen, en met

honderdduizenden zakdoeken wuifden, die wel op vlinders geleken.

Daar de wind mijn schip naar het Zuid-Westen dreef, moest ik, of ik

wilde of niet Liliput voorbij. Zoodra men mijn reusachtig schip in het

zicht kreeg, liep ook hier bijna de geheele bevolking naar het strand.

Ik had geen lust om te landen, want ik had respect voor de vergiftige

pijlen van de Liliputters. Ik kwam dus niet te dicht bij de kust, maar

dicht genoeg om, met behulp van mijnen verrekijker de menschen aan het

strand duidelijk te kunnen onderscheiden. Spoedig herkende ik den

keizer, die een zeer ernstig gezicht trok, de keizerin Zimpilla, die

ijverig haar waaier gebruikte, Flimnap, Neldresal, en--Bolgolam! Diens

gezicht was heelemaal paars,--paars als indigo en braambessen. Toen ik

dit zag, kon ik het niet meer uithouden. Ik moest zoo vreeselijk lachen,

dat het schip schommelde als bij eenen storm, en heele zwermen

strandvogels, erbarmelijk krijschend, opvlogen en de menschjes aan den

oever van het strand verschrikt terugweken. Toen ik weer door mijnen

verrekijker keek, was de geheele hofhouding met de keizerin bezig, die

bewusteloos in de armen van haar gemaal lag.

Den 24^sten September 1701 was ik onder zeil gegaan; drie dagen later 's

middags tegen drie uur kreeg ik een schip in het zicht. Eerst klopte

mijn hart zóó sterk, dat ik geen geluid kon geven, maar toen vermande ik

mij en riep en wenkte ik zoo hard als ik maar kon. Dit deed ik lang

tevergeefs. Eindelijk bemerkte ik, dat het schip van koers veranderde en

dichterbij kwam. Toen ik nu zelfs na eenigen tijd de Engelsche vlag

herkende, kende mijne vreugde geen grenzen meer. Haastig stopte ik mijne

koeien, schapen, bokken en stieren in mijn zak en een kwartier later

stapte ik met al mijn proviand aan boord van het schip, dat mij naar

mijn vaderland zou brengen.

Gulliver's Reis Naar Liliput · 第 4 / 5 段