Veertien dagen lang, woonde ik in en bij mijnen tempel, en g

Produced by Jeroen van Luin, whirl and the Online

Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

[Illustratie: Een kreet van verbazing ontsnapte aan de menigte, toen ik

voor het eerst overeind ging staan.]

GULLIVER'S REIS NAAR LILIPUT

DOOR

OTTO ERNST

BEWERKT DOOR

STELLA MARE

MET FRAAIE PLATEN

[Illustratie]

AMSTERDAM--MEULENHOFF & Co.--MCMXII

Boek- Courant- en Steendrukkerij

G. J. Thieme, Nijmegen

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladz.

I. Gulliver wordt scheepsdokter, lijdt

schipbreuk en wordt op een vreemd

eiland gevangen genomen 1

II. Gulliver krijgt te eten, en wordt

onder sterke bewaking naar de residentie

gebracht en daar tentoongesteld 11

III. Beschrijving van het land der

Liliputters en van zijn vorst. Groote

opwinding waarna men weder eenigszins

tot rust komt 23

IV. De zakken van den held van ons

verhaal worden grondig doorzocht 35

V. Wij worden langzamerhand vertrouwelijk

en wij betoonen elkaar vriendelijkheden 46

VI. Een plechtige triomftocht en een

plechtige overeenkomst 57

VII. Van een stad van een half millioen

inwoners; van keizerlijke vertrekken;

van eene keuken; en van tal van

zonderlinge zeden der Liliputters 66

VIII. In Liliput is niet alles zoo mooi als

het schijnt 76

IX. Gulliver's schitterende overwinning

ter zee 86

X. Onze held verricht wederom een goede

daad, maar oogst snooden ondank 95

XI. De vijanden van onzen held zijn in

de weer 104

XII. Aanklacht voor het gerechtshof en

vonnis 111

XIII. Gulliver wordt te Blefusku met

groot eerbetoon ontvangen 121

XIV. Onze held verlangd huiswaarts te

keeren, maar de Liliputters zenden

een bevel tot inhechtenisneming 129

XV. Gulliver vertrekt met eerbewijzen;

brengt den Liliputters uit de verte

een afscheidsbezoek en keert naar

zijn vaderland terug 139

HOOFDSTUK I.

GULLIVER WORDT SCHEEPSDOKTER, LIJDT SCHIPBREUK EN WORDT OP EEN VREEMD

EILAND GEVANGEN GENOMEN.

Ik ben in Engeland op een klein landgoed te Nottinghamshire geboren.

Toen ik 14 jaar was, stuurde mijn vader mij naar de Hoogeschool te

Cambridge.

Zoo kreeg ik dus al heel vroeg den smaak van het reizen te pakken.

Maar mijn vader had geen geld genoeg om mij te laten afstudeeren, en

daarom deed hij mij drie jaren later bij een Londenschen chirurgijn in

de leer.

Vier jaren bleef ik bij hem en leerde alles wat een gewone chirurgijn

moet weten.

In mijn vrijen tijd hield ik mij met mijn liefhebberij-studiën bezig.

Ik had mij allerlei boeken over Wiskunde en over Zeevaartkunde

aangeschaft en elk oogenblikje, dat ik maar voor mij zelf had, studeerde

ik er vlijtig in, want ik had mij al lang voorgenomen dat ik later als

ik ooit mijn eigen baas zou zijn, de heele wereld zou doorreizen, en

juist Zeevaartkunde en Wiskunde komen zoo goed bij een reis om de wereld

te pas.

Nadat ik dus vier jaren bij dien Londenschen dokter was geweest, had ik

zooveel geld opgespaard, dat ik nog twee en een half jaar naar de

Hoogeschool te Leiden kon gaan om daar in de medicijnen te studeeren. Ik

vond het heerlijk, dat ik dat kon doen want ik begreep wel, dat ik dit

alles, wat ik daar leerde later heel goed op mijne reis zou kunnen

gebruiken.

Nadat ik daarna nog drie en een half jaar lang als scheepsdokter op

menig schip had meegevaren leerde ik een allerliefst meisje kennen,

waarmeê ik trouwde.

Het sprak van zelf, dat het nu voorloopig uit met reizen was en ik

vestigde mij in Londen als dokter.

Veel verdienen deed ik helaas nog niet en daarom leek het mij het beste

weer te gaan varen.

Zes jaren lang doorkruiste ik als scheepsdokter allerlei vreemde zeeën.

Gedurende die jaren had ik ruimschoots tijd genoeg voor mijzelf.

Ik las veel goede boeken, leerde vele vreemde talen, niet alleen uit

boeken, maar ook door den omgang met vreemde volkeren.

Van kind af aan had ik een buitengewonen aanleg voor vreemde talen, en

waarvoor je aanleg hebt, daar houdt je ook gewoonlijk van. Ik hoefde

maar een paar weken onder eene vreemde bevolking te zijn of ik begreep

de menschen al erg goed en kon ze in hunne taal zeggen, wat ik wilde.

Wij zeilden de heele wereld om, en daar ik niet alleen een groote, maar

ook een sterke en gezonde man was, doorstond ik alle vermoeienissen

uitmuntend.

Maar eindelijk verlangde ik toch weer naar vrouw en kinderen; ik ging

naar huis terug en werkte weer drie jaren lang in Londen als dokter.

Maar ik verdiende niet al te veel en daarom begon ik den vierden Mei

1699 met de "Antilope" mijne onvergetelijke reis door de Zuidzee.

Wij voeren van Bristol weg en hadden in het begin, dat wil zeggen bijna

een half jaar lang, eenen volmaakt-voorspoedigen tocht.

Maar toen wij niet ver meer van Oost-Indië waren, brak er een storm los,

die ons zonder genade altijd verder en verder naar het Zuid-Oosten

dreef, totdat we ons (volgens onze schatting) ten Noord-Westen van Van

Diemensland bevonden.

Door den mist liep hier ons schip tegen eenen rots, en sloeg te pletter.

Tot ons geluk hadden wij al van te voren de reddingsboot uitgezet; ik

ging er met zes anderen in en wij roeiden op goed geluk door.

Wij konden zoowat drie mijlen afgelegd hebben, toen een stortzee onze

boot deed kantelen en wij allen in zee vielen. Wat er van de anderen

werd weet ik niet; ik begon maar dadelijk te zwemmen. Daarbij liet ik

dikwijls mijne beenen zakken om te onderzoeken of er nog geen grond te

voelen was; maar telkens te vergeefs. Eindelijk had ik vasten grond te

pakken en ik was dol blij over mijne redding, maar nog lang moest ik

door het water waden voor ik eindelijk op het droge was. Het zal zoowat

's avonds acht uur geweest zijn toen ik den vasten wal betrad; ik liep

wel een half uur landwaarts en vond noch menschen noch iets wat aan

menschen deed denken, misschien omdat ik te moe en te uitgeput was om

ook maar iets te kunnen opmerken. Toen liet ik mij in het zachte gras

neervallen, viel dadelijk vast in slaap en ontwaakte eerst pas toen het

al klaarlichte dag was.

Ik wilde opspringen--en schrok niet weinig: ik kon mij niet verroeren,

dus nog veel minder opspringen. Ik was aan den grond gekluisterd. Met

handen en voeten was ik vastgebonden en ook mijne lange haren waren op

de een of andere manier aan den grond bevestigd. Ik voelde, dat ook over

mijn lichaam en mijne beenen koorden of draden liepen, die mij iedere

beweging onmogelijk maakten. Ik kon alleen maar naar boven kijken, maar

ik moest spoedig mijne oogen sluiten voor het verblindende zonnelicht.

Daarbij hoorde ik een verward geroesemoes om mij heen, en plotseling

voelde ik op mijn linkerbeen iets levends kriebelen dat ik voor eenen

kever of zoo iets hield; ik wilde het vangen--maar, ho maar! Mijne

handen waren immers vastgebonden. Nu kroop het levende wezen hooger; nu

eens voelde ik het op mijne borst dan weer in mijn nek en toen stond het

op mijn kin, en nu kon ik als ik erg naar beneden keek herkennen, dat

het een menschelijk wezen was niet veel langer dan mijn middelvinger.

Het was met pijl en boog gewapend.

[Illustratie: Met handen en voeten was ik vastgebonden en ook mijn lange

haren waren aan den grond bevestigd.]

"O!" riep ik onwillekeurig uit. Van schrik tuimelde de kleine man van

mijn kin af en viel tusschen mijn nek en mijn boord. Met veel moeite

krabbelde het weer naar boven en nu bemerkte ik, dat er nog wel veertig

van zulke mannetjes over mijn borst en mijne armen marcheerden. Een

bizonder klein kereltje was zoo brutaal zich met zijn zwaard een weg

door mijn zwaren knevel te banen en het wilde juist met een lichtje, dat

het te voorschijn haalde mijn linkerneusgat onderzoeken, toen ik door

het kriebelen hard begon te niezen. Het gevolg hiervan was, dat de arme

drommel en verscheidene van zijne vriendjes een grooten smak op den

grond deden zoodat velen, zooals ik later vernam, bij het vallen armen,

beenen en ribben braken. Nu probeerden zij mijn hoofd van achteren te

beklimmen door langs mijn haar naar boven te klauteren. Ik had grooten

lust mijn zakkam te voorschijn te halen om mij van dat gespuis te

ontdoen; maar hoe bij mijn zak te komen? Er stond er al een op mijn

voorhoofd en riep: "Hekinah Degul!" en allen die hem volgden herhaalden

dien uitroep, die, zooals ik later hoorde, zooveel als "wat een

monster!" beteekende. Ik moet zeggen, dat mij dit gezelschap niet erg

beviel en toen nu een van hen zelfs in mijn linkeroor wilde kruipen,

maakte ik met mijnen linkerarm eene zòo krachtige beweging dat het mij

gelukte dien te bevrijden. Toen begonnen ze vreeselijk te gillen en dat

leek veel op het gekrijsch van een opgejaagden zwerm vogels. Nu kon ik

ook met mijn vrij-gemaakte hand mijn haar aan den linkerkant losmaken,

zoodat nu nog maar alleen de rechterkant aan den grond bevestigd bleef.

Maar toen begon er een "Tolgo phonac!" te roepen en meer dan honderd

pijlen verwondden mijn hand als waren het muggenbeeten. Toen schoten zij

in de lucht zoodat de pijlen mij in mijn gezicht vielen en door de

wonden, die daardoor ontstonden kreeg ik zoo'n vreeselijken jeuk, dat ik

het uitschreeuwde. Zij probeerden ook mij met hunne speren te

doorboren, maar daar ik een leeren wambuis droeg, gelukte hun dit niet.

Ten slotte dacht ik bij mijzelf: "het verstandigste is maar, dat ik mij

voorloopig kalm houd en den nacht afwacht, dan komt alles wel terecht!"

[Illustratie: Ik begon maar dadelijk te zwemmen.]

HOOFDSTUK II.

GULLIVER KRIJGT TE ETEN, EN WORDT ONDER STERKE BEWAKING NAAR DE

RESIDENTIE GEBRACHT EN DAAR TENTOONGESTELD.

Ondertusschen verzamelden zich hoe langer hoe meer van deze menschjes om

mij heen, en het was mij aanhoudend alsof er een gegons als van een

zwerm bijen in mijne ooren klonk. Na een poosje hoorde ik aan mijn

rechterkant een geklop. Zoo ver ik maar kon, draaide ik mijn hoofd die

richting uit en ik zag, dat men eene tribune timmerde, die iets boven

mijn neus uitstak. Toen maakte men de touwen aan den linkerkant van

mijn hoofd heelemaal los en nu kon ik gadeslaan hoe een mannetje, dat

wel van heel hoogen afkomst moest zijn,--want een page niet grooter dan

mijn duim droeg zijn sleep--de tribune opklauterde en zich tot mij

wendde.

Hij hield eene lange redevoering tegen mij met een stem als een

kanarievogel. Ik snapte er natuurlijk geen stom woord van, maar uit den

klank van zijn stem, en uit zijne verschillende gebaren begreep ik toch

wel, dat hij mij met iets ergs dreigde in geval ik weerstand zou bieden

en hij mij veel goeds beloofde als ik mij naar den wil van de kleine

menschjes zou voegen. Ik wilde antwoorden, maar al bij het eerste woord,

dat ik zei waggelde de heele tribune, zoodat de deftige redenaar

wankelde en alle aanwezigen de vingers in de ooren stopten. Ik sprak

daarom heel zacht en onderdanig eenige woorden, stak, om er kracht bij

te zetten mijn linkerhand in de hoogte en keek op naar de zon alsof ik

deze tot getuige aanriep.

En toen bracht ik den kleinen menschjes, door dat ik telkens mijn vinger

naar den mond bracht en de beweging van kauwen maakte, aan het verstand,

dat ik vreeselijken honger had. Dadelijk werden er laddertjes tegen mijn

lichaam gezet en meer dan honderd man, klommen, met eetwaren beladen,

naar boven. Ze brachten mij talrijke hammen, halve schapen en ossen.

Alles was lekker klaargemaakt en smaakte mij uitstekend; een halve os

stond gelijk aan vier lekkere hapjes; van de hammen stak ik er dadelijk

een stuk of wat tegelijk in mijn mond. Ook van de brooden, die de

grootte hadden van kleine kersen, at ik er verscheidene tegelijk op. De

menschjes stonden om mij heen en schreeuwden en staken de armen in de

lucht van verbazing over mijn eetlust of ze lachten hard, of zij sperden

sprakeloos mond en oogen open, wanneer weer een half schaap achter mijne

kiezen verdween. Nu toonde ik door gebaren, dat ik drinken wilde en zij

brachten mij een reuzenbeker van de grootte van een vingerhoed, waarvan

de sage vermeldde, dat een muzikant dien eens tweehonderd jaar geleden

in één teug geledigd had. Maar zij begrepen, dat mij die paar

droppeltjes niet tegen den dorst konden helpen en zij rolden een groot

vat naar mij toe waarvan zij het deksel afsloegen. Er zat zooveel in als

een, niet heel groot theekopje, kan bevatten en ik dronk het in één teug

leeg.

Toen dronk ik nog een tweede vat leeg; maar toen ik om een derde vroeg

hadden zij er geen meer. Nadat nu mijn middagmaal was afgeloopen,

stroomden zij weer van alle kanten toe en voerden op mijn lichaam een

waren vreugde-dans uit. Dit kriebelde mij en daardoor werd ik

herhaaldelijk in verzoeking gebracht om een hand vol van dit gespuis op

te nemen en tegen den grond te kwakken, maar ik bedacht toch iets

beters. Zij hadden immers om zoo te zeggen mijn eerewoord, dat ik mij

naar hunnen wil zou schikken en dan hadden zij mij toch ook groote

gastvrijheid bewezen, die hun nogal wat kostte en die moest mij toch

heilig zijn en dan, waren zij wel klein, maar toch heelemaal zoo

ongevaarlijk niet, want dat hadden zij mij wel door hunne pijlen doen

voelen. Door hun groot aantal, vormden zij een macht, die mij misschien

nog iets veel ergers kon doen dan ze tot nog toe hadden gedaan.

Terwijl ik zoo het een en ander overdacht, kwam een hooge ambtenaar met

gevolg naar mij toe; hij hield een groote rol in zijn hand. Hij stapte

op mijn scheenbeen, schreed op tot mijn borst, ontrolde zijn keizerlijk

manifest en liet het mij zien. Toen sprak hij ongeveer tien minuten lang

en wees daarbij herhaaldelijk naar een richting in de verte, waar,

zooals ik later vernam de hoofd- en residentiestad van het land lag. Ik

gaf hem te verstaan, dat ik weer graag vrij zou willen zijn, maar dat

weigerde hij door zeer beslist met zijn hoofd te schudden.

Nu gaf hij bevel, dat men de wonden, door de pijlen veroorzaakt, met

zalf zou insmeren, waardoor pijn en jeuk al heel gauw overgingen en

daarna sliep ik in. Ik sliep, zooals men mij later vertelde, acht uren

lang en dat kwam daardoor, dat men in den wijn, dien men mij had

gegeven, een slaapmiddel had gedaan.

Terwijl ik sliep maakten de bewoners van dit zonderlinge land de noodige

toebereidselen om mij naar hunne hoofdstad te brengen. Eigenlijk was dit

zeer vermetel van hen om eenen, zoo grooten man naar de hoofd- en

residentiestad te voeren, maar zij durfden dit omdat zij met zoovelen

waren en zij dachten bepaald dat zij het met mij wel konden klaar

spelen.

Vijf honderd timmerlieden en wagenmakers hadden intusschen een wagen in

elkaar gezet, die zoo lang was als ik, en op twee en twintig wielen

liep. Nadat er tachtig palen ingeheid waren wond men mij even zoovele

koorden om mijn hals, mijn buik, mijn borst, en mijn beenen en toen

heschen zij mij op. Negen honderd arbeiders spuwden eerst in hunne

handen en trokken toen uit alle macht, en zij hadden nog niet eens

drie uur er voor noodig om mij op de wagen te krijgen. Ik sliep zoo

vast, dat ik van den heelen boel niets merkte; eerst later vertelden zij

het mij. Toen ik op den wagen was vastgebonden, werden er 1500 van de

grootste, sterkst-gespierde werkpaarden voorgespannen; deze dieren waren

zòo groot, dat er maar twee van hen op mijne hand konden staan. Het kwam

mij voor, dat ik een klein uur noodig zou hebben om naar de hoofdstad te

loopen: wij reden dus een heelen dag door, hielden 's nachts in een

bosch halt, en waren den volgenden middag nog maar honderd vijftig

gewone menschenpassen van de stad verwijderd.

[Illustratie: Toen ik op den wagen was vastgebonden, werden er 1500 van

de grootste werkpaarden voorgespannen.]

Hier kwam keizer Bimbul XVII met zijne gemalin Zimpilla en zijn heelen

hofstoet ons te gemoet. De dappere vorst wilde mij dadelijk beklimmen

maar de keizerin en het heele hof, bezworen hem vurig zijn kostbaar

leven toch niet in gevaar te brengen en toen liet hij het maar. Op de

plaats waar we stopten, stond een reusachtige oude tempel, die niet

meer voor de godsdienstoefening gebruikt werd. De poort ervan was zoò

hoog, dat ik er door kon kruipen en de binnenruimte was juist voldoende

om mij er uit te strekken. Bij den ingang van dezen tempel werd ik aan

mijn linkerbeen vastgeklonken. Ze hadden daartoe 91 kettingen noodig,

die zoo sterk waren als bij ons dameshorlogekettingen, en zij gebruikten

behalve dien nog 36 sloten.

Tegenover den tempel stond een soort Babylonische toren, die bijna zoo

groot was als ik.

De keizer besteeg met zijn gevolg dezen toren om mij te kunnen overzien.

Het aantal menschen, dat uit de stad kwam toestroomen om mij te bekijken

werd op meer dan 100.000 geschat en het gebeurde menigmaal, dat er wel

10.000 tegelijkertijd op mijn lichaam rondliepen. Tienduizend menschen

hadden te zamen een gewicht van ongeveer 30 pond; ieder van hen woog

zooveel als bij ons een gewone brief; vier wogen zooveel als één

kippenei. Een pasgeborene woog zooveel als een kleine kruisbes. De druk

van deze menschenmassa zou dus wel te verdragen zijn geweest, wanneer

zij zich maar wat behoorlijker hadden gedragen. De meesten maakten niet

eens hunne schoenen schoon voor zij mij beklommen, maar beklopten en

bepikten mij heel ongegeneerd met hunne wandelstokken; sommigen gingen

zoover, dat zij mijn voorhoofd met den knop van hun wandelstok

beklopten; anderen kropen in al mijne zakken; weer anderen bestegen mijn

neus om van daaruit een vergezicht over de stad te kunnen genieten. Een

brutale rakker stond op mijn onderlip en kibbelde met een ander, die op

mijn bovenlip stond over de breedte van mijn mond, totdat ik van

verveling moest gapen. Toen vielen zij er met een ontzettend gegil af.

Daar mijn borst en mijn buik bij het ademhalen voortdurend op en neer

gingen werden verscheidene van mijne bezoekers zeeziek, en toen zelfs

een dame in het knoopsgat van mijn vest een been brak, vaardigde de

keizer een verbod uit, dat mij voortaan niemand meer op straffe des

doods zonder bizonder verlof mocht beklimmen.

[Illustratie: Een luide, doordringende gil klonk van uit de menigte,

toen ik mij oprichtte.]

Toen ik dus met zoo buitengewoon veel voorzorg was vastgeklonken, sneden

ze eindelijk de touwen los, waarmee zij mij op den wagen hadden

vastgebonden, en voor de eerste maal sedert ik dit land had betreden,

richtte ik mij op.

Eèn luide, doordringende gil klonk van uit de menigte, daarna volgde een

diepe stilte en toen een stemmengegons als van honderdduizend musschen.

Dat ik een reuzenmonster was, dat hadden ze wel gezien, maar zòo groot

hadden zij zich den vondeling toch niet voorgesteld. Het duurde lang

voor zij eenigszins tot kalmte kwamen over mijne grootte. Aangezien

mijne kettingen mij veroorloofden, mij in eenen halven cirkel van

ongeveer twee el te bewegen, of mij in den tempel juist heelemaal uit te

strekken, leek mijne woning op een tamelijk groot hondenhok.

HOOFDSTUK III.

BESCHRIJVING VAN HET LAND DER LILIPUTTERS EN VAN ZIJN VORST. GROOTE

OPWINDING WAARNA MEN WEDER EENIGSZINS TOT RUST KOMT.

Toen ik voor het eerst rechtop stond, overzag ik een buitengewoon groot

stuk van het land en dit bracht mij in mijne gedachten naar mijn jeugd

terug, toen ik in onze groote woonkamer op den grond gezeten met mijne

bouwdoos zulke steden had gebouwd, als deze hoofdstad van het land. Het

heele land leek op een groot grasveld. Er waren akkers en weiden van de

groote van een schaakbord af, tot aan zulke, die de grootte hadden van

het allergrootste tafellaken van mijne moeder en daartusschen bosschen

die men met vier twee-persoons beddelakens niet zou kunnen bedekken. In

een bosch dicht bij mij, zag ik reuzenboomen, die wel vele eeuwen oud

moesten zijn, en die zoo hoog waren als bij ons thuis een jongetje van

een jaar of acht.

De dieren waren natuurlijk in verhouding daarvan even klein. Paarden en

runderen waren zoo wat van de grootte van een eekhoorntje zonder staart,

de ganzen niet grooter dan bij ons een roodborstje; de vliegen waren

nauwelijks zichtbare stippen en de vlooien, zooals ik later bemerkte,

waren geheel onzichtbaar, maar voelen kon je ze wèl. Voor de bewoners

van Liliput waren zij natuurlijk wèl zichtbaar; deze menschjes kunnen

namelijk zeer scherp maar niet ver zien. Ze zien wanneer hunne vliegen

hun slurfjes schoonmaken, ze zien natuurlijk ook de zon en de maan; van

de sterren zien zij alleen de dicht-bijzijnde als zij erg schitteren;

maar een heel overzicht van het uitspansel hebben ze niet.

Terwijl ik nog in den aanblik van dit landschap was verzonken, reed de

keizer met zijn gevolg naar mij toe, maar dat zou hem bijna duur te

staan zijn gekomen. Zijn paard werd schichtig toen het mij zag en begon

te steigeren. Maar de keizer was een schitterend ruiter en wist zich in

den zadel te houden. Hij gaf nu last mij eten en drinken te brengen en

dadelijk kwamen twintig wagens met eetwaren en tien met dranken

aanrollen.

Ik nam den eenen wagen na den anderen op en ledigde hem in mijnen mond.

Allen waren wederom verbaasd over dit wonderwerk; de keizerin en eenige

prinsessen en hofdames die eveneens bij dit schouwspel tegenwoordig

waren, trokken haar neusjes op over mijnen eetlust, wat ik best zag al

waren hare neusjes niet langer dan een kleine mier. Toen ik mijn eten op

had naderde de keizer mij tot op drie Meter afstand, zoodat ik hem heel

goed kon zien, maar om hem nog beter te kunnen bekijken ging ik op mijn

zij liggen en daar ik hem bovendien later dikwijls genoeg in mijne hand

heb gehouden, kan ik hem heel nauwkeurig beschrijven. Hij was een zeer

forsche eerbied-inboezemende verschijning want hij stak wel de breedte

van den nagel van mijn pink boven zijn omgeving uit; zijn optreden was

voornaam en waardig. Hij was geen jonge man meer, want hij was acht en

twintig jaar en de menschen in dit land leven korter dan wij. Reeds op

hun tweede jaar gaan de kinderen naar school; als zij twaalf zijn

trouwen de meisjes en de jongens als zij vijftien zijn.

De gelaatstrekken van den keizer waren flink en mannelijk; hij had een

beetje hangende onderlip en een adelaarsneus. Zijne stem was wel zacht

maar toch helder en duidelijk. Zijne kleeding was eenvoudig en voornaam;

een gouden met juweelen versierde helm waaraan een deftige pluim

wapperde, tooide zijn hoofd. Zijn sabel, waarvan het handvat en de

scheede eveneens rijk met goud en diamanten waren bezet, had de lengte

van een tamelijk groote naald en hij hield haar steeds getrokken om

zich dadelijk te kunnen verdedigen wanneer ik hem misschien zou willen

aanvallen. Zijn hofstoet was zoo kostbaar en bont gekleed, dat het wel

leek, alsof men de rijk-geborduurde baljapon van eene dame op den grond

had uitgespreid. Zijne majesteit sprak zeer lang en zeer minzaam tot mij

en ik antwoordde eerbiedig en bescheiden maar wij verstonden er beiden

geen woord van. Eindelijk riep de keizer een groot aantal geleerden bij

elkaar--ik kon aan hunne kleeding zien, dat het geleerden waren--en ik

sprak ze in verscheidene talen aan: in het Engelsch, Fransch,

Italiaansch, Latijn, Grieksch, hoog-en-plat-Duitsch, maar niemand

verstond mij.

Twee uur later trok de hofstoet zich terug en ik bleef achter onder een

sterke bewaking, die mij tegen de nieuwsgierigheid, ruwheid en

baldadigheid van het gepeupel moest beschermen. Het duurde dan ook

inderdaad niet lang, of eerst enkele en daarna steeds meer menschjes

begonnen mij met steenen te gooien; ja enkele schoten zelfs pijlen op

mij af en het zou best kunnen zijn, dat ik door een van die pijlen een

oog kon verliezen. Toen liet de commandant van de wacht zes van de

boosdoeners gevangen nemen en ze boeien. Daarna leverde hij ze aan mij

over. Ik pakte ze beet en stak eerst vijf van hen in mijn rechterjaszak;

den zesden nam ik in mijn linkerhand alsof ik hem wilde opeten. Het

manneke piepte van angst, als een jong konijn wanneer de vos hem te

pakken heeft. En toen ik nu ook mijn zakmes trok dat tweemaal zoo lang

was als de heele misdadiger, verstijfden allen van schrik. Ik sneed

echter alleen maar de boeien van den gevangene los, zette hem op den

grond, gaf hem met mijn wijsvinger een zacht duwtje tegen zijn achterste

en liet hem loopen. Hetzelfde deed ik met de anderen en ik merkte, dat

deze handelwijze op het volk en op de soldaten een uitstekenden indruk

maakte en dat ik daardoor bij hen in de gunst kwam.

Veertien dagen lang, woonde ik in en bij mijnen tempel, en gedurende

dien tijd werd er een bed voor mij klaargemaakt. Honderdvijftig

matrassen werden aan elkaar genaaid. Deze hadden voldoende lengte en

breedte voor mijne grootte en aangezien vier van zulke matrassen op

elkaar moesten gestapeld worden, gebruikte ik zeshonderd van hunne

matrassen.

Op dezelfde manier werden lakens, dekens en hoofdkussens gereed gemaakt

en niettegenstaande dit alles lag ik nog tamelijk hard. Intusschen

kwamen nog dagelijks uit alle deelen des lands de menschen in dichte

drommen toestroomen om mij te bekijken. Men liet de zaken rusten; het

bedrijf lag stil: de schoenmakers leverden geen schoenen meer af, de

kleermakers maakten geen kleeren, de bakkers bakten geen brood meer en

de boeren melkten hunne koeien niet; de jongens bleven uit school weg en

de vrouwen lieten haar potjes en pannetjes in den steek. Allen lieten

den arbeid liggen om het vreemde monster te gaan bekijken. Toen liet de

keizer het bevel uitvaardigen dat allen, die mij eenmaal gezien hadden

weer naar huis terug moesten keeren en het niet moesten wagen voor de

tweede maal te komen. Maar dat hielp niet veel, want de staatsambtenaren

waren omkoopbaar en wie hun een flinke fooi gaf lieten zij door.

Dadelijk na zijnen terugkeer in de residentie, had de keizer den Raad

van Staten om zich vereenigd en ik bereidde aan deze hooge vergadering

geweldig veel hoofdbreken. Men schilderde in schelle kleuren de

vreeselijke gevaren af waaraan ik het land zou kunnen blootstellen.

Sommige der raadslieden zeiden: "als hij zich nu eens los zou rukken!

Als hij maar even zijne hand uitsteekt kan hij heele steden verwoesten.

Op eene wandeling door het land kan hij ons den heelen oogst

vernietigen, en de heele bevolking vertrappen!"

"Dàt zouden wij in ieder geval wel kunnen verhinderen," riepen anderen

uit, "want wij zijn immers niet weerloos, maar, wij moeten hem voeden

en als hij zoo doorgaat met vreten--want eten is dat niet meer--, duurt

het niet lang meer of wij krijgen hongersnood."

Nu gaf een ander den raad, dat men mij maar eenvoudig zou laten

verhongeren, en weer een ander van de heeren vonden het 't beste mij

door vergiftige pijlen te dooden.

"En wat moeten we dan met zoo'n dooden reus doen?" riep een derde.

Terwijl men nog bezig was over mijn lot te beraadslagen, kwamen twee

officieren, die mij mede bewaakt hadden in de raadzaal en gaven den

keizer verslag van de zachtmoedigheid, die ik tegenover de zes

misdadigers had betoond. Deze mededeeling bracht een volkomen ommekeer

in de gevoelens teweeg, en de keizer beval nu,--en de Raad van Staten

was het daarmeê eens,--dat alle burgers van iedere negen honderd Meter

in het vierkant, mij dagelijks zes runderen, veertig schapen en ander

vleesch, en eveneens drie honderd brooden, tien vaten wijn enzoovoorts,

enzoovoorts, moesten leveren. De kosten daarvan zou hun uit de schatkist

des keizers worden betaald. Er werden ook zes honderd man aangesteld om

mij te bedienen. Zij kregen een onderkomen in de verschillende tenten

naast mijn tempel. Dit groote aantal behoeft geen verwondering te wekken

wanneer men bedenkt, dat voor het poetsen van een van mijne laarzen

vijftien man noodig waren en voor het stoppen van een, niet zoo heel erg

groot gat in mijne kous, twaalf touwslagers onder leiding van eenen baas

aan het werk werden gezet. Het noodige waschwater moest natuurlijk door

paarden worden aangevoerd. Voor waschkom had men mij het zwembassin van

eene badinrichting gegeven en mijn scheerzeep roerde ik in een

reuzenketel aan, die anders voor het bierbrouwen werd gebruikt. Het was

zeer potsierlijk wanneer zij mijne jas terwijl ik ze aan had van

achteren afborstelden. Dan werden boven aan de kraag wel twaalf touwen

bevestigd, en de borstelaars klommen er op en af, zooals bij ons ververs

doen wanneer zij een huis verven.

Voor het overige viel mijn kleeding niet in den smaak bij de bewoners

van dit land; ze vonden het niet prettig, dat ik mij niet volgens de

mode van hun land kleedde. Ook merkte ik op, dat zij het onfatsoenlijk

van mij vonden, dat mijn hemd mijn heelen hals bloot liet, en dat mijne

mouwen zoo kort waren, dat mijne polsen te zien waren. Daarom werd aan

drie honderd kleermakers de opdracht gegeven mij een nieuwe jas te maken

en twee honderd naaisters moesten ondergoed, tafellakens en beddegoed

voor mij naaien. De kleermakers waren zoo slank als libellen. Zeven van

hen konden op een kippenei staan en ze huppelden op en neer als jonge

veulens. Het grofste linnen van de naaisters was niet dikker dan het

dunste vliesje, dat men op een ei ziet als men den kop er af slaat, maar

het fijnste was als nevel, en wanneer ik er zachtjes tegenaan blies,

viel het uit elkaar. Het prachtigste kantwerk werd er uit vervaardigd.

Voor mij moesten natuurlijk vele lagen van het grofste laken op elkaar

worden gestapeld, om een doelmatig hemd of beddelaken te maken. Ik vond

het bizonder prettig te kijken, hoe de naaisters een onzichtbaren draad

in een onzichtbare naald staken, in den draad een nog altijd

onzichtbaren knoop maakten en telkens wanneer er een naad klaar was, ze

den draad met hare tandjes afbeten.

HOOFDSTUK IV.

DE ZAKKEN VAN DEN HELD VAN ONS VERHAAL WORDEN GRONDIG DOORZOCHT.

De keizer gaf mij zes beroemde taalgeleerden tot leeraren opdat ik de

taal van het land zou leeren. Verder gelastte hij, dat de paarden van

het land dikwijls in mijne tegenwoordigheid moesten worden afgereden, om

zoodoende gewend te raken aan den griezeligen aanblik van den

wandelenden mensch-toren.

Daar mij het leeren van vreemde talen altijd gemakkelijk gevallen was,

maakte ik ook nu goede vorderingen. De keizer kwam dikwijls en hielp de

leeraren bij het les geven en heel gauw kon ik al tamelijk vloeiend met

hem praten. Ik hoorde onder andere van hem, dat dit land een eiland was

en Liliput heette.

Natuurlijk smeekte ik hem telkens weer, en ik vroeg er hem op de knieën

om, mij toch mijne vrijheid terug te geven. Hij zei, dat dit pas later

kon gebeuren en dat het er heelemaal van afhing hoe ik mij gedroeg. Ook

moest hij dit met den Raad van Staten overleggen. In ieder geval zou ik

eerst een vredes- en vriendschapsverdrag met de Liliputters moeten

sluiten. Ik moest maar geduldig zijn, zei hij, en in de eerste plaats

mij onderwerpen aan een grondig doorzoeken van mijne zakken. "Ik weet

wel heel goed," zei de keizer, "dat we uwe zakken niet kunnen nakijken

wanneer u dat niet wilt hebben, maar ik verwacht van uw grootmoedigheid

en van uw rechtvaardigheidszin, dat u dit zult toelaten. Wat wij u,

terwille van onze veiligheid afnemen, zal u bij het verlaten van ons

land teruggegeven of vergoed worden."

Natuurlijk bleef mij niets anders over dan die nakijkerij maar goed te

vinden, en zoo ontving ik de beide ambtenaren, die voor dit doel

gestuurd waren heel beleefd en stopte ze in mijn zak. Ze doorsnuffelden

achtereenvolgens al mijne kleedingstukken, en deelde den keizer over hun

onderzoek eene verklaring mee, waarvan ik het volgende mededeel: Na de

meest nauwkeurige, grondige en nauwgezette doorzoeking vonden wij in de

zakken van den menschberg (zoo vertaal ik de, in de verklaring staande

woorden, "Quimbus Flestrin") als volgend genoemde en beschreven

voorwerpen:

1. Een stuk grof doek, van dat soort, dat wij voor de sterkste en

grootste zeilen gebruiken en zoo groot als het tapijt in uwer Majesteits

salon, (dat was mijn zakdoek).

2. Een zilveren doos waarvan wij het deksel, zelfs niet met vereende

krachten, konden oplichten. Wij gelastten den menschberg de doos te

openen en klommen als plichtsgetrouwe beambten erin. Dadelijk zonken

wij tot aan de knieën in een zwartachtige stof waaruit een zoo

verschrikkelijke reuk opsteeg, dat wij er zoo spoedig mogelijk weer

uitklommen en ons onderzoek een half uur moesten schorsen, aangezien we

onophoudelijk moesten niezen. Wij houden deze stof voor een

verschrikkelijk wapen van den menschberg. Wanneer hij deze stof in uwer

Majesteits Residentie zou rondstrooien, zouden alle zaken moeten

gesloten worden en kon er door het niezen niet verder geregeerd

worden,--(dat was mijne snuifdoos).

3. Een dikke bundel van aan elkander gehechtte witte stof van de grootte

van drie menschen en met zwarte figuren (misschien letterteekens bedekt)

dat was mijn dagboek.

4. Een soort lijst in harde stof vervaardigd ter grootte van zoowat

anderhalf mensch. Aan den eenen kant zijn twintig kolossale palen. Het

geheel gelijkt op een stuk rasterwerk, zooals dit bij Uwe Majesteit den

tuin van den publieken weg afscheidt. Het komt ons voor, dat het den

eigenaar dient om zijn haar te kammen, (hier hadden zij het eindelijk

bij het rechte eind).

5. Twee holle ijzeren buizen van meer dan manshoogte. Beide zijn aan een

geweldig groot stuk hout bevestigd. Aan iedere buis zitten aan den eenen

kant reusachtige stukken ijzer van zeer eigenaardigen vorm. Wij vroegen

den eigenaar naar het doel van deze machines, maar wij konden hem niet

verstaan daar hij onze taal niet volkomen machtig is. (Het waren mijne

pistolen).

6. Verscheidene ronde en platte stukken wit en rood metaal; de witte

zouden wel zilver kunnen zijn en waren gedeeltelijk zoo groot als

molensteenen en waren zóó zwaar, dat wij ze met ons beiden niet konden

tillen. Men kan zich eene voorstelling maken van de zwaarte van deze

stukken als men hoort, dat een van uwe onderdanigste dienaren op de

tanden knarste toen een van die stukken op zijne teenen viel. (Dat was

geld).

7. Twee zwarte buizen, die zoo groot zijn, dat wij onder in zijn zak

staande, hunne uiteinden nauwelijks konden bereiken. In ieder van die

buizen was een zeer groote reep staal bevestigd. Wij gaven den

menschberg last ons deze, naar het ons voorkwam, zeer verdachte en

gevaarlijke machines nauwkeurig te verklaren en wij begrepen uit zijne

verklaring, dat hij de eene noodig had om zijn baard te scheren en de

andere om vleesch, brood en dergelijke dingen in stukken te hakken. (Dat

hadden zij goed begrepen).

8. Een zeer wonderlijke machine, die voor de eene helft uit zilver en

voor de andere helft uit eene, in den beginne onzichtbare massa bestaat,

en den vorm heeft van eene reusachtige kaas. Op den eenen kant van deze

machine zagen wij vreemde letterteekens en twee lansen. Een van deze

lanzen scheen van zelf te bewegen, alsof hij leefde. Wij wilden deze

lansen aanraken maar wij stootten onze vingers aan de massa, die wij

niet hadden gezien, hoewel ze niet onzichtbaar, maar alleen maar

doorzichtig en heel hard was. Al dadelijk toen we in dien zak waren

gekropen waarin die machine zich bevond, vernamen wij een

oorverdoovend leven als in eene smederij of bij een watermolen. Op onze

vraag om inlichtingen verklaarde de menschberg ons, dat dit lawaai van

binnen uit de machine kwam. De menschberg zei vervolgens nog, dat hij

die machine bijna bij alles wat hij deed, raadpleegde. Het zou kunnen

zijn, dat men hier te doen heeft met een, in onze landstreken onbekend

dier. Wij denken dit omdat de eigenaar het aan een ketting, zoo dik als

een arm, gevangen houdt. Hij noemt dit wonder in zijn doffe, loeiende

taal "een horloge". (Dat klopt).

[Illustratie: Hij noemt deze wonderlijke machine een horloge.]

9. Een groot net, zooals onze visschers dat gebruiken, maar er zaten

geen visschen in maar verscheidene stukken geel metaal. Wanneer deze van

echt goud zijn, dan moeten zij van onberekenbare waarde wezen. (Mijn

beurs).

Behalve den inhoud van de zakken, vonden wij nog bij den vreemdeling:

10. Een zwaard ter lengte van zeven of acht man, en:

11. Een buidel met twee vakken. In ieder vak zouden zoowat drie

onderdanen van Uwe Majesteit kunnen zitten. In het eene vak bevond zich

een aantal zware metalen kogels ter grootte van ruim een hoofd, zooals

onze kunstenmakers ze bij hunne voorstellingen plegen te gebruiken. In

het andere vak bevonden zich een groote menigte zwarte korrels. (Dat was

mijn zak met schietvoorraad).

Nadat de keizer dit alles had gelezen, naderde hij mij aan het hoofd van

3000 soldaten en verzocht mij in vriendelijke woorden de genoemde

voorwerpen af te geven. Ik gespte mijn sabel los en trok deze uit de

scheede. Dit had een algemeene ontsteltenis ten gevolge. Ik zwaaide

zoo'n beetje met mijn zwaard door de lucht en ofschoon het een beetje

verroest was, schitterde het toch nog in het zonlicht. De Liliputters

durfden niet in de schittering van mijn zwaard te kijken en sloegen

angstig de handen voor het gezicht. Zoo ongeveer zal het de leeuwerik en

hare jongen te moede zijn wanneer de zeis des maaiers over hunne

hoofden zwaait.

Alleen de Keizer behield, ofschoon het hem moeite kostte, zijn kalmte;

met eenigszins bleeke lippen vroeg hij mij het wapen op een afstand van

zes voet ver van mij op den grond te werpen. Dit deed ik, maar door het

schudden van den grond, sprongen de dichtstbijstaanden als ballen in de

hoogte, en de paarden der ruiterij werden onrustig en steigerden. Nu

verlangde Zijne Majesteit de werking der "holle ijzeren buizen" te

leeren kennen.

Ik haalde mijne pistolen te voorschijn, liet zien hoe zij in elkander

zaten, en nadat ik den vorst gewaarschuwd had, dat hij niet moest

schrikken, laadde ik een der pistolen met los kruit, (dat in den

waterdichten zak volkomen droog was gebleven) en schoot in de lucht.

Het had eene uitwerking alsof ik met bommen onder de menigte had

geschoten. Honderden en honderden vielen als dood op den grond, de

vrouwen vielen allen in zwijm; de keizer bleef wel op zijne voeten

staan, maar wankelde toch even. Hij hield zijne oogen gesloten, zijn

gezicht was doodsbleek en het zweet parelde hem op het voorhoofd. Met

een stom gebaar gaf hij mij te kennen, dat ik deze wapens moest

uitleveren. Ik gaf mijne pistolen en mijn schietvoorraad af en ik maakte

hem erop merkzaam dat men het kruit niet met vuur in aanraking mocht

brengen. Ik leverde eveneens alle andere genoemde voorwerpen uit.

[Illustratie: Ik schoot mijn pistool af, en de uitwerking was

overweldigend, 't was voor die kleine menschjes alsof er een ontploffing

plaats vond.]

Mijn horloge, waarover de geleerden, die aanwezig waren elf

verschillende meeningen hadden, die door ieder hunner fel werd

verdedigd, werd door twee sterke arbeiders weggebracht. Zij schoven een

zwaren balk door den ring en namen hem over de schouders. De ambtenaren

hadden noch mijn bril, noch mijn zakverrekijker en mijn kompas gevonden,

want die voorwerpen droeg ik in een geheimen zak, en daar die dingen

voor de menschen in Liliput geen waarde hadden, behield ik ze.

HOOFDSTUK V.

WIJ WORDEN LANGZAMERHAND VERTROUWELIJK EN WIJ BETOONEN ELKAAR

VRIENDELIJKHEDEN.

Van dag tot dag werden de keizer, het leger en het volk van Liliput mij

gunstiger gezind, zoodat ik de hoop begon te koesteren, weldra mijne

vrijheid terug te krijgen.

Hoe meer de inwoners hun vrees voor mij verloren, des te ongedwongener

gedroegen zij zich ook tegenover mij, en ten slotte beschouwden zij mij

ongeveer als ware ik een buiten de stad gelegen wandelpark.

Voor alle mogelijke pretjes moest ik dienst doen; onder leiding van de

betaalde gidsen kwamen mij nog steeds, van 's morgens vroeg tot 's

avonds laat, ontelbare menschenscharen bezichtigen; mijn voorhoofd en

het bovenvlak van mijn hand werden als dansvloer gebruikt, waarop tal

van vroolijke paartjes zich heen en weer bewogen; maar de grootste

aantrekking had ik wel voor bergbestijgers. Hun plezier bestond daarin,

mij zonder ladder te bestijgen; wanneer ik lag, de punten van mijne

schoenen als bizonder steile en gevaarlijke bergtoppen te bestijgen, of

wel, in de verschrikkelijke nauwe afgronden van mijn vestjeszakje te

dalen, waar ze gevaar liepen door mijn buik doodgedrukt te worden.

Dikwijls moest ik, wanneer ik lag, een van mijne beenen optrekken zoodat

mijn knie dan in de lucht stak. Dat verschafte hun dan een druk

bezochten toren, van waaruit zij het heele eiland konden overzien.

Bizonder moedige bergbestijgers beklommen mij terwijl ik rechtop stond.

Dat was natuurlijk een uitstapje dat verscheidene dagen duurde en de

toeristen overnachtten dan in een van mijne zakken. Maar de

allergrootste waaghalzen verlangden dat ik, wanneer zij eenmaal het

hooggebergte van mijn hoofd hadden bereikt mijn arm nog in de hoogte zou

steken, dan klauterden zij ook nog daarop en gingen dan op mijne

vingertoppen staan. De ijle en ijzige lucht van deze verschrikkelijke

hoogte verdroegen zij echter niet lang, zij werden bergziek, dat wil

zeggen, zij werden misselijk, benauwd en kregen hartkloppingen en

verlangden weer naar beneden te komen.

De kinderen behandelden mij natuurlijk het ongegeneerdst. Zij speelden

verstoppertje in mijn haar en mijn knevel, gebruikten den rug van mijn

neus als glijbaan, en ik had hard werk om te zorgen, dat zij mijne

oogappels niet als eene ijsbaan gebruikten.

In mijne mouwen en zakken, in mijne oorschelpen en neusgaten speelden

zij roovertje en soldaatje en elk oogenblik was er eentje verdwaald. Dan

hoorde ik plotseling uit mijn rechteroksel een klagelijk geschrei omdat

een jongetje niet wist of het rechts of links moest gaan om door mijn

armsgat op mijn vest te komen. Eindelijk stookten zelfs eenige jongens

een vuurtje in mijn haar om daarin appelen te braden, maar toen werd het

mij toch wat al te kras en dergelijke dingen verbood ik.

Toen ik den keizer met klachten aankwam dat ik al te veel last van het

volk had, gelastte hij dat men daarmede dadelijk zou ophouden en hij

wilde mij als vergoeding nu ook eens een pleizier aandoen. Hij hield er

dol veel van om koorddansers te zien, en liet nu op de verschrikkelijke

hoogte van twaalf voet boven den grond een touw spannen, dat niet dikker

was dan bij ons een dun draadje. Daarop moesten nu allen dansen, die van

den keizer een ambt of eene andere gunst wilden hebben en wie het beste

danste en het hoogste sprong kreeg het ambt. Maar ook de ministers en de

andere raadsheeren, die dus al een ambt hadden moesten hunne kunsten

toonen, en de schatmeester van het rijk was zoo knap er in, dat wanneer

men een plank op het touw legde, hij van af deze plank den zoogenaamden

"doodssprong" maakte, dat wil zeggen hij sprong in de hoogte, duikelde

in de lucht rond en stond dan weer op de plank. Natuurlijk gebeurde het

dikwijls, dat iemand daarbij naar beneden viel, verscheiden ministers

waren reeds meer dan eens gevallen en soms brak er ook wel eens een zijn

nek.

Een ander amusement van den keizer bestond daarin, dat hij een stok voor

zich uit hield en zijne raadslieden en zijn Hof daarover heen liet

springen of daaronder door liet kruipen. Wanneer zij springen moesten,

hield hij den stok zoo hoog mogelijk, wanneer zij kruipen moesten bijna

tot aan den grond. Wie dan het beste en het langste gesprongen of

gekropen had, kreeg een blauwen draad. De tweede prijs was een roode

draad, en de derde een groene. Deze draden wonden de overwinnaars twee

maal om hun gordel. Er waren maar weinig personen, die niet minstens één

zoo'n draad droegen, en toch schenen zij zeer trotsch daarop te zijn.

[Illustratie: Een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den

schoen van mijn voet.]

Evenals de menschen, overwonnen ook langzamerhand de paarden iederen

angst bij mijn aanblik. Zij sprongen met hunne berijders over mijne hand

heen. Ja een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen

van mijn voet en dat was inderdaad een fabelachtige toer.

Ik kwam nu op het idee Zijne Majesteit tot dank voor de vertooning der

koorddansers, die ik mocht bijwonen, ook een schouwspel te bereiden en

ik verzocht om eenige staven van twee voet lengte en zoo dik als mijn

wijsvinger. De keizer beval zijn opperhoutvester de noodige boomen te

laten vellen en reeds den volgenden morgen waren zes houthakkers met

even zoovele wagens ieder door acht paarden getrokken, ter plaatse. Ik

zette nu eenige van deze staven zoo in den grond dat zij een vierkant

vormden; iedere zij van het vierkant was ongeveer zoo lang als mijn arm.

Toen spande ik een zakdoek zoo strak als een trommelvel over de punten

van deze staven en zette daar bovenop wederom eene, uit staven

vervaardigde, borstwering, ter hoogte van mijn pink. Zoo kreeg ik een

prachtige exerceerplaats. Ik verzocht den keizer nu om een bataljon van

zijne beste ruiters. Toen ik ze gekregen had, zette ik ze met hun

vier-en-twintigen met paard en wapenrusting, en ook de officieren op het

parade-veld. Daar verdeelden zij zich in twee partijen en volbrachten nu

met groote behendigheid en stiptheid alle mogelijke oefeningen,

schijngevechten en tornooien.

Ik moest aan de looden soldaten denken, waarmede ik als kind had

gespeeld en die zich helaas niet van zelf voortbewogen en ik dacht bij

mijzelf: "Wanneer het je gelukt weer naar huis te komen, dan moet je

toch probeeren je kinderen een regiment van deze troepen mede te

brengen!" De keizer had zeer veel plezier in deze manoeuvres en was zeer

trotsch op de dapperheid van zijn leger. Ja, hij was op zekeren dag zoo

genadig, zich zelf op het slagveld te laten tillen en het opperbevel op

zich te nemen. Nog sterker. Hare Majesteit de keizerin in eigen persoon

liet zich met haar gevolg zoo hoog door mij optillen, dat zij over het

strijdperk kon heenzien.

Op zekeren dag geraakte helaas een paard met zijn hoef in een

uitgerafelde plaats van mijn zakdoek verward, het dier viel en verrekte

een pees. Toen gaf ik het gevaarlijke spel op.

Dit schouwspel had den keizer zoozeer bevallen, dat hij het mij door een

zeer bizonder spel wilde vergelden, en hij wilde mij ook eens door iets

buitengewoon groots bewondering afdwingen. Hij liet uit zijnen

dierentuin een olifant halen en keek nu met de grootste aandacht naar

mij om te zien wat ik nu wel van dien kolossus zou zeggen. Het was

inderdaad een buitengewoon prachtexemplaar ter grootte van een flinken

dashond, en de keizer vroeg me met trotschen glimlach, of ik zoò iets nu

wel eens in mijn leven had gezien.

"Neen," zei ik, "zulk eenen grooten olifant heb ik nog nooit gezien!" Ik

bedankte hem vriendelijk, nam het dier op mijn arm en streelde het,

waarover Zijne Majesteit toch wel een beetje het land scheen te hebben.

Een paar dagen daarna deelde een ijlbode den keizer mede, dat men aan

het strand in de buurt waar ik was geland, een groot zwart voorwerp had

gevonden, een soort van kleinen circus met een rand er om heen; het

geheel zou ongeveer zoo groot zijn, dat men de gehoorzaal der

universiteit ermee zou kunnen bedekken en het had de hoogte van een man.

Het voorwerp leefde niet. Nadat men het voorzichtig had genaderd, was

men er eindelijk opgeklommen en had men door erop te kloppen

vastgesteld, dat het hol was, maar dat er klaarblijkelijk niemand in

woonde. Waarschijnlijk had men hier te doen met een voorwerp, dat bij

den menschberg behoorde, en wanneer Zijne Majesteit het goed vond, zou

men het halen; vijf paarden zouden daarvoor wel voldoende zijn. Toen ik

dit hoorde begreep ik dadelijk, dat er hier sprake van mijnen hoed was,

dien ik weliswaar op de boot om den storm had vastgebonden, maar

gedurende het zwemmen of kort na mijne landing, toch had verloren. Ik

verzocht, hem mij te brengen en den volgenden dag hoorde en zag ik dan

ook, hoe vijf flinke werkpaarden hinnekend en snuivend, terwijl de

voerlieden ze aanzetten met "hallo" geroep en zweepgeknal, kwamen

aanstappen. Het hinneken van deze paarden leek op het getjilp van onze

leeuwerikken, hun snuiven en proesten op het gezang van onze krekels, en

het zweepgeknal leek op het barsten van een erwtenschil. Zij waren

werkelijk niet al te zachtzinnig met mijnen hoed omgegaan; ze hadden er

gewoonweg twee gaten ingeboord, daarin haken gestoken en deze door

middel van touwen met de leidsels der paarden verbonden en zoo hadden

zij mijn hoofddeksel meer dan een halve mijl door de straten gesleurd.

HOOFDSTUK VI.

EEN PLECHTIGE TRIOMFTOCHT EN EEN PLECHTIGE OVEREENKOMST.

Gulliver's Reis Naar Liliput · 第 1 / 5 段