(Vert.))) , toont ons welk een ontzaglijke slagboom het Mexicaansche

tafelland vormt. Waar Dr. Richardson in zijn voortreffelijk Report on

the Zoology of N. America (uitgebracht voor het Brit. Assoc., 1836,

blz. 157) spreekt over de gelijkstelling van een Mexicaansch dier

met den Synetheres prehensilis--zegt hij: "In hoeverre dit juist is,

weten wij niet; maar indien het waar is, vormt dit zoo niet het eenige,

dan toch bijna het eenige voorbeeld van een knaagdier, dat aan Noord-

en Zuid-Amerika gemeen is."

[134] Zie Dr. Richardson's Report blz. 157; ook L'Institut 1837,

blz. 253. Cuvier zegt, dat de kinkaju op de Groote Antillen gevonden

wordt; maar dit is twijfelachtig. Gervais zegt, dat de Didelphis

Cancrivora daar gevonden wordt. Zeker is 't, dat West-Indië eenige

zoogdieren bezit, welke dit land bijzonder kenmerken. Een tand van

den Mastodon is uit Bahama meêgebracht: Edinb., New Phil. Journal,

1826, blz. 395.

[135] Zie het merkwaardig Bijvoegsel van Dr. Buckland tot Beechy's

Voyage; ook de geschriften van Chamisso in Kotzebue's Voyage.

[136] In kapitein Owen's Surveying Voyage (deel II, blz. 274) staat

een treffend verhaal over de gevolgen eener droogte op de olifanten

te Benguëla (westkust van Afrika). "Een aantal dezer dieren was

vóor eenigen tijd in een drom de stad binnengekomen, om zich van de

putten meester te maken, daar zij zich nergens in het land water

konden verschaffen. De bewoners vereenigden zich, en er ontstond

een wanhopig gevecht, dat met de volkomen nederlaag der indringers

eindigde, doch niet voordat zij één man gedood en vele anderen gewond

hadden." Naar men zegt, heeft de stad eene bevolking van ongeveer 3000

zielen! Dr. Malcolmson bericht mij, dat tijdens eene groote droogte in

Indië de wilde dieren eenige soldatententen te Ellore binnendrongen,

en dat een haas uit een pot dronk, dien de adjudant van het regiment

hem voorhield.

[137] Voyage, deel I, blz. 374.

[138] Deze droogten schijnen, tot op zekere hoogte, bijna periodiek te

zijn. Men noemde mij de datums van vele andere en de tusschenruimten

bedroegen ongeveer 15 jaren.

[139] Het vaartuig gelijkt eenigszins op onze kotters.

(Vert.)

[140] Hiermede wordt de tigre de América bedoeld, zooals de jaguar

daar genoemd wordt.

(Vert.)

[141] Trogschelpen (van het Grieksche of Latijnsche Mactra = baktrog).

(Vert.)

[142] Darwin spelt dit woord in zijn tekst njata en niata. Het woord

luidt echter zoowel in 't Spaansch als Portugeesch nata en beteekent

(fig.) het beste, uitgezochtste, de bloem. De eigenlijke vertaling is

"room." (Vert.)

[143] Waterhouse heeft eene uitvoerige beschrijving van dit hoofd

gegeven, welke hij, hoop ik, in eenig tijdschrift zal publiceeren.

[144] Dit dier was een reusachtig vierhoornig hert, ter grootte van een

olifant, en grooter nog. Men heeft het met de overblijfsels van vele

andere zoogdieren uit de Mioceen- en Plioceenperioden (o. a. groote

krokodillen, en de vier meter lange reuzenschildpad Colossochelys

Atlas) gevonden in de zoogenaamde Siwalik-heuvels aan den zuidelijken

voet van den Himalaya. Deze heuvels zijn van zoetwateroorsprong,

en vormen eene 2000 meter diepe afzetting van klei, zandsteen en

conglomeraten door de bergstroomen van den Himalaya, gedurende de

laatste geweldige aardkorstbewegingen in het Tertiaire Tijdvak,

toen de H. evenals de meeste groote bergketenen der aarde omhoog

werd geheven. Enkele deelen van den toenmaligen zeebodem liggen nu

minstens 16,500 voet boven de zee.

(Noot v. d. Vert.)

[145] Een bijna even abnormale bouw (maar ik weet niet of hij erfelijk

is) heeft men waargenomen bij den karper, alsmede bij den krokodil van

den Ganges (Histoire des Anomalies, par Isid. Geoffroy St. Hilaire,

Deel I. blz. 244.)

[146] A. d'Orbigny heeft een bijna gelijkluidend verhaal van dezen

hond gegeven: Voyage dans l'Amérique Mérid., Deel I, blz. 175.

[147] In den tekst staat domidor, welk woord echter noch in 't

Spaansch, noch in 't Portugeesch bekend is.

(Vert.)

[148] "Ach, Don Karel, wat erg!" (Karel of Charles was Darwin's

voornaam).

[149] Een crown = 5 shillings.

[150] Ik moet mijn dank betuigen aan Mr. Keane, in wiens huis op den

Berquelo ik vertoefde en aan Mr. Lumb te Buenos Aires; want zonder

hunne hulp zouden deze kostbare overblijfsels nooit in Engeland

zijn gekomen.

[151] saamgesteld uit = vlies en pter'on = vleugel.

(Vert.)

[152] Lyell's Principles of Geology, 10de Edit., Deel II, blz. 377/78.

[153] Pelagisch van pelagik'oc: tot de zee (p'elagoc) behoorende.

(Vert.)

[154] De vliegen, die dikwijls een schip eenige dagen op zijn tocht

van de eene haven naar de andere vergezellen, zijn, als zij van het

schip afdwalen, spoedig verloren en verdwijnen alle.

[155] Pierre André Latreille (1762-1833) was een Fransch dier- en

insectenkundige. Hij schreef Histoire des Salamandres, en Histoire

naturelle des Reptiles.

(Vert.)

[156] Mr. Blackwall, in zijne Researches on Zoology, doet vele

voortreffelijke opmerkingen over de gewoonten van spinnen.

Volgens Dr. Otto Taschenberg (Bilder aus dem Tierleben) zijn de

herfstdraad-spinnen de jonge dieren van verschillende soorten:

Xysticus, Micryphantus, e. a.

(Vert.)

[157] Eene soort van kwallen, behoorende tot de orde der

Craspedophorae.

[158] Lagere Kreeftdieren (eene onderklasse van de Crustacea).

[159] Ook Zwaluw-stormvogel genoemd: eene soort Procellaria, evenals

de albatros (Diomedea). Zijn tekstnaam is ontleend aan het feit,

dat hij, evenals Petrus, over zee schijnt te loopen.

(Vert.)

[160] Twee soorten van makreelen (Thynnus of Scomber).

[161] Ik heb hier eene cactus-soort gevonden, door Professor

Henslow beschreven onder den naam van Opuntia Darwinii (Magazine of

Zoology and Botany, deel I, blz. 466), welke merkwaardig was om de

prikkelbaarheid harer stamina (meeldraden), als ik de punt van een

stok of mijn vingertop in de bloem stak. Ook de segmenten van het

perianthium (bloemkelk) sloten zich op den stamper, maar langzamer

dan de meeldraden. Planten van deze familie, die in 't algemeen als

tropisch wordt beschouwd, komen in Noord-Amerika op dezelfde hooge

breedte voor als hier: namelijk in beide gevallen op 47°. (Lewis and

Clarke's Travels, blz. 221).

[162] Laatstgenoemde insecten vindt men niet zelden onder steenen. Eens

zag ik een schorpioen kalm een anderen verslinden.

[163] De dingey of dinghy is eene soort van boot, die in Oost-Indië

gebruikt wordt; ook noemt men aldus de kleinste boot op een schip,

die door twee man geroeid wordt.

(Vert.)

[164] Onlangs heb ik gehoord, dat kapitein Sulivan der K. M. talrijke

fossiele beenderen gevonden heeft in regelmatige lagen op 52° 4'

breedte aan de oevers der Rio Gallegos. Eenige daarvan zijn groot,

andere klein, en schijnen tot een armadil behoord te hebben. Dit is

eene zeer belangwekkende en gewichtige ontdekking.

[165] Zie de uitmuntende opmerkingen dienaangaande van Lyell in zijne

Principles of Geology, 10e Uitgaaf, Deel II, Blz. 433 en volg.

[166] De woestijnen van Syrië kenmerken zich, volgens Volney (Deel I,

blz. 351) door boschachtige struiken, talrijke ratten, gazellen en

hazen. In de landschappen van Patagonië vervangt het guanaco de gazel,

en het aguti den haas.

[167] Door neerslag uit zout- of zoetwater ontstaan.

[168] Volgens Humboldt wisselt de vluchtwijdte der condors in de Andes

af van 2.6 met. tot 4.5 met. Uit deze grootte en den gezichtshoek

waaronder de vogel dikwijls loodrecht boven het hoofd van waarnemers

gezien is geworden, kan men zijne hoogte bepalen. Een gezichtshoek van

4 minuten geeft reeds eene hoogte van 2230 meter. Het is bekend, dat

hij bij helderen hemel tot 7150 meter kan stijgen, waar de luchtdruk

slechts 310,5 mm. bedraagt. Zoo men bedenkt, dat de condor uit deze

hoogte soms plotseling naar het dal of het zeestrand neerstrijkt,

hetgeen o.a. aan de westelijke helling van den vulkaan Pichineha

bij Quito is waargenomen, dan staat men verbaasd over het gemak,

waarmee deze vogel zijn ademhalingsvermogen kan regelen.

(Noot van den Vert.)

[169] Ik merkte op, dat verscheidene uren voordat een der condors

stierf, al de luizen waarmede hij besmet was, naar zijne buitenste

vederen kropen; en men verzekerde mij, dat dit altijd gebeurde.

[170] Loudon's Magazine of Natural History, deel VII.

[171] Daar 1 vierkante nautical of geographical mile = ± 3.441

vierkante Kilom., zou volgens Darwin de Archipel eene oppervlakte

hebben van circa 24775 vierk. Kilom., terwijl Ierland 84253 vierk.

Kilom. groot is. Blijkbaar is Darwin's opgaaf dus niet nauwkeurig. In

de Geographisch-Statistische Tabellen van Otto Hübner (uitgaaf 1910)

wordt de land-oppervlakte der Falklands-Eilanden aangegeven als 16800

vierk. Kilom. Deze Archipel bestaat uit twee groote eilanden Oost-

en West-Falkland, omringd door circa 200 kleine, en ligt 450 Kilom. ten

oosten van Patagonië. Hij werd op 14 Aug. 1592 door John Davis ontdekt.

(Vert.)

[172] Uit verhalen, sedert onze reis in het licht gegeven, en meer in

't bijzonder uit verschillende belangwekkende brieven van kapitein

Sulivan der K. M., die bij de opmeting was aangesteld, blijkt, dat

wij van de slechtheid van het klimaat dezer eilanden een overdreven

begrip hadden. Maar als ik denk aan de bijna onafgebroken veenlaag,

die den bodem bedekt, en aan het feit, dat tarwe hier zelden tot

rijpheid komt, dan kan ik moeilijk gelooven, dat het klimaat in den

zomer zoo fraai en droog is, als men het onlangs heeft voorgesteld.

[173] Lesson's Zoology of the Voyage of the "Coquille," Deel I,

blz. 168. Alle vroegere reizigers, en in 't bijzonder Bougainville,

verklaren uitdrukkelijk, dat de wolfachtige vos (Canis antarcticus) het

eenige op het eiland inheemsche dier was. Dat men het konijn als eene

bijzondere soort beschouwt, vloeit voort uit eigenaardigheden in zijn

pels, uit den vorm van het hoofd, en uit de kortheid der ooren. Ik wil

hier opmerken, dat verschil tusschen den Ierschen en Engelschen haas

op bijna gelijksoortige, alleen sterker uitkomende kenmerken berust.

[174] Konijntje.

[175] Cávia = Zeezwijntje of Varkenkonijntje.

[176] Ik heb reden te onderstellen, dat er eene kleine veldmuis is. De

gewone Europeesche rat en muis zijn ver van de woningen der kolonisten

afgedwaald. Op een der eilandjes loopt ook het gewone zwijn wild

rond; allen hebben een zwarte kleur; de mannetjes zijn zeer woest,

en hebben groote slagtanden.

[177] De culpeu is de Canis Magellanicus, dien kapitein King uit de

Straat van Magelhaen heeft meegebracht.

Deze wilde hond komt onder den naam Culpo in Chili voor.

[178] De Dodo (Gekuifde Zwaan of Dodó das Mauricias, volgens de

Portugeezen) was een groote, plompe, omstreeks 23 kilo zware vogel,

wiens vleugels niet meer ontwikkeld waren dan van een jong kuiken,

zoodat het dier niet in staat was te vliegen. In voorkomen verschilde

hij van alle bekende vogels, ook van den struisvogel en casuaris. In

de 17de eeuw vonden de Hollandsche zeevaarders hen in groot aantal op

Isle-de-France of Mauritius; doch na de inbezitneming van het eiland

door de Franschen (1712), is niets meer van den Dodo vernomen. Deze

vogel en de Solitaire van Rodriguez (met de wetenschappelijke

soortnamen Didus en Pezophaps) vormden eene Onderorde der Gyrantes.

(Vert.)

[179] Pernety, Voyage aux Isles Malouines, blz. 526.

[180] "Niet minder zijn wij verwonderd geweest bij het zien van de

tallooze menigte steenen van alle grootten, die op elkander waren

geworpen, en toch in regelmatige orde, alsof zij achteloos waren

opgestapeld om ravijnen te vullen. Men werd het bewonderen van de

verrassende werkingen der natuur niet moede."

Pernety, Voyage aux Isles Malouines, blz. 526.

[181] Een inwoner van Mendoza, en dus wel tot oordeelen bevoegd,

verzekerde mij, dat hij verscheidene jaren op deze eilanden gewoond,

maar nooit den geringsten schok van aardbeving gevoeld had.

(Mendoza, hoofdstad eener Argentijnsche provincie bij de Andes,

had o.a. aardbevingen op 20 Februari 1835, en vooral op 20 Maart 1861.)

(Vert.)

[182] Darwin's meening, dat de door hem op de Falklands Eilanden

gevonden "steenstroomen" (thans steenrivieren genoemd) door geweldige

bevingen of stuiptrekkingen, zooals hij ze noemt, der aardkorst

ontstaan zouden zijn, wordt, in overeenstemming met zijn in den

tekst uitgesproken vermoeden, door de tegenwoordige wetenschap niet

gedeeld. Deze geeft er eene eenvoudiger verklaring van. De oorzaak

van het verschijnsel is volgens Geikie (Textbook of Geology) een

onderdeel der mechanische werking van den regen, door hem met den

naam Movement of Soil-cap bestempeld. Op blz. 328 zegt hij:

"In some countries where the ground is covered with a thick spongy

mass of vegetation exposed to considerable variation of temperature

and moisture, appearances have been observed of an extensive slipping

of the layer of soil to lower levels, bearing with it whatever may

be growing or lying upon it. Such are the so-called "Stone-rivers"

of the Falkland-Islands, and the superficial débris of certain parts

of the west coast of Patagonia. In Western Europe, slight indications

of a similar movement may often be noticed on the sides of hills

or valleys."

Waarvan de vertaling luidt:

"In sommige streken, waar de grond bedekt is met eene dikke

sponsachtige plantenmassa, die aan aanzienlijke temperatuurs-

en vochtigheids-verandering blootgesteld is, zijn verschijnselen

waargenomen van eene vèrstrekkende verschuiving der grondlaag naar

lagere peilhoogten, waarbij zij al wat er op groeit of ligt met

zich meevoert. Daartoe behooren de zoogenaamde "Steenrivieren" der

Falklands-Eilanden, en het rotspuin dat de oppervlakte van sommige

kustgedeelten in Westelijk Patagonië bedekt. In West-Europa kunnen op

heuvel- of dalhellingen dikwijls kleine teekenen van eene dergelijke

beweging waargenomen worden."

(Noot van den Vert.)

[183] Tot de Orde der Sphenisci behoorende.

[184] Darwin geeft aan deze vogels den naam van ganzen, ofschoon de

soortnaam van deze niet Anas (Eend), maar Anser (Gans) luidt. De naam

schijnt echter zoo te zijn aangenomen.

(Vert.)

[185] Het geslacht Apteryx met vier soorten komt alleen op

Nieuw-Zeeland voor, en behoort tot de Apteryges, eene Onderorde van

de Struisvogels of Brevipennes. De geslachten Dinornis en Meiornis,

behoorende tot de Moas of Dinornithes (óok eene Onderorde van de

Brevipennes), bewoonden met te zamen 7 soorten eveneens Nieuw-Zeeland,

maar werden door de zich hier vestigende Maoris uitgeroeid. De Moas

waren reusachtige vogels, met geweldige beenen en drieteenige voeten.

(Vert.)

[186] Bij het tellen van de eieren van een grooten, witten Doris (eene

zeeslak die 3 1/2 inches lang was), vond ik tot mijne verbazing hoe

buitengewoon talrijk die waren. Twee tot vijf eieren (elk 0.003 inch in

doorsnede) waren besloten in kleine bolvormige kapsels, die twee aan

twee in dwarsrijen gegroepeerd, een lint vormden. Dit lint hechtte op

zijn kant in eene ovale spiraal aan de rots. Ik vond er een, dat bijna

20 inches lang en een halve inch breed was. Tellende hoeveel kapsels

er begrepen waren in éen tiende inch van het lint, vond ik bij de

zuinigste berekening dat er 600,000 eieren waren. Toch was deze Doris

stellig niet zeer verspreid, want ofschoon ik dikwijls onder de steenen

zocht, zag ik slechts zeven exemplaren. Onder de natuuronderzoekers

is geen dwaling meer algemeen, dan dat het getal individuën van eene

of andere soort afhangt van haar voortplantingsvermogen.

[187] Elders vind ik dezen beuk Fagus antarctica genoemd. De

Winter's-bast werd door kapitein Winter uit de Straat van Magelhaen

meegebracht; het is een welriekende bast en bezit geneeskrachtige

eigenschappen.

(Vert.)

[188] Groensteen is de oude benaming van twee na aan elkander

verwante gesteenten, dioriet en diabas. Dioriet is een kristallijn

korrelig mengsel van triklinisch veldspaath en hoornblende, soms met

bijmenging van kwarts en augiet. Het veldspaath is gewoonlijk wit,

geel of groenachtig gekleurd; en hoornblende meest zwart-groen. Den

naam "diabas" heeft men gegeven aan zekere donkergroene of zwarte

vulkanische gesteenten, die in de oudere geologische formaties gevonden

zijn; zij bestaan in hoofdzaak uit plagioklas (triklinisch veldspaath),

augiet, magneet- of titaanijzer, en apatiet. De structuur is grof-

tot fijnkorrelig, soms vast en dicht.

(Vert.)

[189] Dit woord is eene verbastering der Noord-Amerikaansch-Indiaansche

woorden wekoe-omoet, hetgeen zeggen wil: in zijn huis. Oorspronkelijk

is het eene Indiaansche hut van kegelvormige gedaante, meest van

boomschors gemaakt en met vellen gedekt.

(Vert.)

[190] Deze booten zijn uit boomschors vervaardigd, en worden meest

door vrouwen geroeid.

(Vert.)

[191] Met den soortnaam Diomedea (Orde: Procellariae).

(Vert.)

[192] De spelling van dit woord schijnt eenigszins twijfelachtig,

hetgeen wellicht aan dialectische verschillen is toe te schrijven. Ik

vind althans ook deze spellingen Jammenschken en Jammenschkener.

(Vert.)

[193] Ongetwijfeld bedoelt Darwin hiermede den stam der Ona's, die

forscher en kloeker gebouwd zijn dan andere Vuurlanders.

(Vert.)

[194] De hier genoemde witte stof is in gedroogden toestand vrij vast,

en heeft een gering soortelijk gewicht. Prof. Ehrenberg heeft haar

onderzocht, en verklaart (zie Königl. Akademie der Wissensch., Berlin,

Feb. 1845), dat zij uit infusoria bestaat, waaronder 14 polygastrica

en 4 phytolitharia, en dat deze allen zoetwater-bewoners zijn. Dit is

een schoon voorbeeld van de resultaten, die door Prof. Ehrenberg's

microscopische onderzoekingen verkregen kunnen worden; want Jemmy

Button zeide mij, dat de stof altijd op den bodem van bergbeken

verzameld wordt. Bovendien is het een opmerkelijk feit in de

geographische verspreiding der infusoria--die, gelijk men weet,

een uitgestrekt gebied bewonen--dat alle soorten in deze stof oude

bekende vormen zijn, ook al is zij uit de zuidelijkste punt van

Vuurland afkomstig.

[195] Op zekeren dag zagen wij niet ver van de Vuurlandsche kust

het indrukwekkende schouwspel, dat verscheidene potvisschen (of

cachelotten--Physeter macrocephalus, soortnaam Catodon) rechtop

en in hunne volle lengte, met uitzondering van de staartvinnen,

uit het water sprongen. Telkens als zij dan zijdelings neervielen,

plaste het water hoog op, met een geluid als van een volle laag.

[196] Kapitein Sulivan, die gedurende zijne reis op de Beagle met het

opmeten van de Falklands-Eilanden bezig was geweest, hoorde van een

robbenvanger (in 1842?), dat, toen deze zich eens in het westelijk

gedeelte der Straat van Magelhaen bevond, eene inlandsche vrouw bij

hem aan boord was gekomen, die tot zijne verwondering wat Engelsch

kon spreken. Deze vrouw was zonder twijfel Fuegia Basket. Zij leefde

eenige dagen aan boord (welke uitdrukking, vrees ik, voor eene dubbele

uitlegging vatbaar is.)

[197] Een werpwapen, dat uit de hand wordt weggeslingerd, zeer

merkwaardige bochten beschrijft, en eindelijk in omgekeerde richting

tot den werper terugkeert.

(Vert.)

[198] Hier zij nog opgemerkt, dat de lage ontwikkelingstrap, waarop de

Vuurlanders staan, blijkens onderzoekingen van den laatsten tijd, geen

gevolg is van hun geringeren physieken aanleg. Men heeft nl. gevonden,

dat het gemiddelde gewicht hunner hersenen--zoowel bij mannen als

bij vrouwen--weinig verschilt van dat der beschaafde volken; wel

bleken de afwijkingen van het gemiddelde zeer groot. Dit feit, in

verband met de ervaring door Darwin en anderen opgedaan, dat sommige

Vuurlanders vatbaar zijn voor beschaving, wettigt het vermoeden, dat

zij van een hooger ontwikkeld volk afstammen. Dit vraagstuk is een der

vele problemen, die Zuid-Amerika nog aan de wetenschap stelt. Ook weet

men niet juist welken godsdienst de Vuurlanders hebben; alleen heeft

men waargenomen, dat zij eene zekere vereering voor het uitspansel

aan den dag leggen, en somtijds onder het aanheffen van een tamelijk

welluidend gezang naar den hemel wijzen.

Wat de taal der Vuurlanders betreft, zij hier vermeld, dat in het

binnenland de taal der Ona's--het Onaasch--en hare dialecten gesproken

worden. Deze taal is nauw verwant aan die der Patagoniërs. Eene van

het Onaasch onafhankelijke taal, het Jaghaansch, wordt gesproken aan

het Beagle-kanaal, op de eilanden bij Kaap Hoorn en op Navarin--door

die Vuurlanders, derhalve, met wie Darwin het meest in aanraking

kwam. Al deze talen behooren tot de taalstammen van het Pampas-gebied.

(Noot van den Vert.)

[199] De zuidwestelijke briezen zijn, in 't algemeen, zeer droog. Op 29

Januari lagen wij bij Kaap Gregory voor anker; er woei een zeer harde

storm uit het W.Z.W., bij heldere lucht met enkele cumuli. Temperatuur

57°, dauwpunt 36°; verschil 21°. Op 15 Januari te Port St.-Julian:

des morgens zwakke winden met veel regen, gevolgd door een zeer

hevige windvlaag met regen; deze ging over in een krachtigen storm

met groote cumuli; en toen deze opklaarden, woei het zeer krachtig

uit het Z.Z.W. Temperatuur 60°, dauwpunt 42°; verschil 18°.

[200] Talrijke metingen hebben bewezen, dat de lengte der Patagoniërs

afwisselt tusschen 1.750 Met. en 1.924 Met.

(Vert.)

[201] Pedro Sarmiento de Gamboa (1530-1589), Spaansch ontdekker,

die de kust van Peru onderzocht.

(Vert.)

[202] Rengger, Natur der Säugethiere von Paraguay, blz. 334.

[203] De naam is ontleend aan het feit, dat eene kolonie van 400

menschen, welke zich hier in 1584 gevestigd had, er den hongerdood

vond.

(Vert.)

[204] Kapitein Fitz-Roy deelt mij mede, dat de bladeren dezer boomen,

die dicht bij den voet der bergen groeien, in April (gelijkstaande

met onze maand October) van kleur veranderen, maar niet bij die van de

hooger gelegen punten. Ik herinner mij eenige waarnemingen te hebben

gelezen, blijkens welke in Engeland de bladen vroeger afvallen in een

warmen en fraaien herfst, dan in een laten en kouden. Dat hier in de

hoogere, en dus koudere streken de kleurverandering later intreedt,

moet aan dezelfde algemeene vegetatie-wet worden toegeschreven. De

boomen van Vuurland werpen in geen enkel jaargetijde hunne bladeren

geheel af.

[205] Aldus noemt men die soorten van planten, welke op meer dan 1700

Met. boven de zee groeien. In 't hooge Noorden ligt die grens lager.

(Vert.)

[206] Rev. I. M. Berkeley heeft hem naar mijne exemplaren in de Linnean

Transactions (Deel XIX, blz. 37) onder den naam van Cyttaria Darwinii

beschreven. De Chileensche soort is Cyttaria Berteroii. Dit geslacht

is aan Bulgaria verwant.

[207] Behoorende tot de Tyrannidae, eene familie van de Orde der

Musschen of Passeres.

(Vert.)

[208] Vuurland heeft eene oppervlakte van 73746 vierkante Kilom.,

Schotland van 78777 vierkante Kilom.

(Vert.)

[209] Ik meen hier eene uitzondering te moeten maken met eene

Alpen-soort Haltica ((Haltica behoort tot de Aardvlooien:

Halticinae.)) , en een enkel exemplaar van Melasoma. Waterhouse

meldt mij, dat de Harpalidae vertegenwoordigd zijn door acht of

negen soorten, voor het meerendeel met zeer eigenaardige vormen;

de Heteromera door vier of vijf, de Rhynchophora door zes of zeven

soorten, en de volgende familiën: Staphylinidae ((Roofkevers.)) ,

Elateridae ((Springkevers.)) , Cebrionidae ((Zijdekevers.)) ,

Melolonthidae ((Meikevers)) , elk door ééne soort. De andere Orden

komen met nog minder soorten voor. Bij alle Orden treft ons nog

meer de schaarschheid der individuën dan die der soorten. De meeste

Coleoptera zijn door Waterhouse in de Annals of Natural History

nauwkeurig beschreven.

[210] Hare geographische verspreiding is bijzonder groot; men vindt ze

van af de uiterste zuidelijke eilandjes bij Kaap Hoorn (naar Mr. Stokes

mij bericht) tot 43° N.B. aan de oostkust; maar aan de westkust--zegt

Dr. Hooker mij--strekt zij zich uit tot de rivier San Francisco in

Californië, en mogelijk zelfs tot Kamtsjatka. In breedte is dit gebied

dus verbazend groot; bedenkt men echter dat Cook, die met de soort

wel bekend moet zijn geweest, haar op de Kerguélen-Eilanden ((Deze

eilanden (130 in getal) werden in 1772 door den Franschen zeevaarder

Yves Joseph de Kerguélen-Trémarec (1734-1797) ontdekt. Zij liggen

in het zuid. deel van den Indischen Oceaan.)) vond, dan strekt haar

gebied zich over niet minder dan 140 Lengtegraden uit.

De Reis om de Wereld · 第 53 / 56 段