welwillendheid te gedenken, waarmeê deze vermaarde natuuronderzoeker
vele mijner exemplaren onderzocht heeft. In Juni 1845 heb ik een
volledig bericht over dit vallende stof aan The Geological Society
gezonden.
[11] De harmáttan waait in December, Januari en Februari.
(Vert.)
[12] Behoorende tot de Cephalophora (Slakken), eene klasse van de
Mollusca.
(Vert.)
[13] Een groep van 29 eilanden ten noordoosten van Madagascar. Zij
zijn bekend om hunne kokosnoten. De hoofdstad Victoria op Mahé telt
ruim 20,000 inwoners.
(Vert.)
[14] Mr. Horner en Sir David Brewster hebben in de Philosophical
Transactions (Jaargang 1836, blz. 65) eene zonderlinge "kunstmatige
zelfstandigheid" beschreven "die op eene schelp geleek." Deze
zelfstandigheid zet zich in fijne, doorschijnende, fraai gepolijste en
bruinachtig gekleurde laminae, welke bijzondere optische eigenschappen
bezitten, af aan de binnenzijde van een vat met water, waarin
men laken, dat eerst in lijm en daarna in kalk gedrenkt is, snel
laat roteeren. Zij is veel zachter en doorschijnender en bevat meer
dierlijke stof dan de natuurlijke korst of incrustatie op Ascension;
maar hier zien wij opnieuw de sterke neiging, die koolzure kalk en
dierlijke stof aan den dag leggen tot het vormen van eene aan schelpen
verwante vaste stof.
[15] Bóbo en Nodí zijn de Spaansche namen voor Jan-van-Gent
en Domme Zeezwaluw. Ook heeft het woord Bóbo de beteekenis van
"domkop." De soortnamen dezer vogels zijn resp. Sula en Sterna. (Orden
respect. Graculi en Lari).
(Vert.)
[16] M. Montaigne in de Comptes Rendus, enz. van Juli 1844, en Annales
des Sciences Naturelles, December 1844.
[17] M. Lesson (Voyage de la Coquille, Deel I, blz. 255) maakt melding
van rood water op de hoogte van Lima, dat blijkbaar aan dezelfde
oorzaak is toe te schrijven. De uitstekende natuuronderzoeker
Peron geeft in zijn Voyage aux Terres Australes niet minder dan
12 aanhalingen van reizigers, die op het verkleurde water der zee
gezinspeeld hebben. (Deel II blz. 239). Aan de door Peron gegeven
verwijzingen kunnen worden toegevoegd; Humboldt. Relation historique,
deel VI blz. 804 (Eng. Vert.); Flinder, Voyage, deel I blz. 92;
Labillardière, deel I blz. 287; Ulloa, Voyage; Voyage of the Astrolabe
and of the Coquille; Kapitein King, Survey of Australia, enz.
[18] Lagoa is het Portugeesche woord voor "Meer."
(Vert.)
[19] Annales des Sciences Naturelles, Jaargang 1833.
[20] De Broodwortel (wortel van den cassave-struik) met den Lat. naam
Jatropa manihot.
(Vert.)
[21] Volgens eene planimetrische berekening telt Brazilië 8,524,777
vierkante Kilom. bij eene bevolking van ruim 21 millioen zielen. De
dichtheid is dus 2.5 inw. per vierkante Kilom. Zooals bekend, is 80
het normaalcijfer voor de bevolkingsdichtheid, welke grens niet mag
worden overschreden, zonder sociale nooden in 't leven te roepen.
Nederland en België hebben respect. eene bevolkingsdichtheid van 176.5
en 251 per vierkante Kilom.
(Vert.)
[22] De West-Indische koolpalm (Areca of Oreodoxa oleracea.)
(Vert.)
[23] Baron George L. C. F. D. Cuvier (1769-1832), vooral bekend door
zijn klassiek werk Recherches sur les ossemens fossiles, dat in 1812
voor 't eerst verscheen.
(Vert.)
[24] Deze species heb ik beschreven en benoemd in de Annals of Natural
History, Vol. XIV, blz. 241.
[25] Rhamphastus, van de orde der Cuculi (Koekoeksvogels.) In Brazilië
heet hij tucano.
(Vert.)
[26] Ik ben Waterhouse veel dank schuldig voor zijne vriendelijkheid
om deze en vele andere insecten voor mij te benoemen, en voor zijne
zeer gewaardeerde hulp.
[27] Illig. of Ill. is de afgekorte benaming voor J. K. W. Illiger.
[28] Kirby's Entomology, Deel II, blz. 319.
[29] Behoorende tot de Sphingidae, eene familie van de Lepidoptera
of Kapellen.
[30] Phallus impudicus.
(Vert.)
[31] Doubleday heeft op 3 Maart 1845 voor het Entomologisch Genootschap
een bijzonderen bouw in de vleugels dezer kapel beschreven, welke
het middel schijnt te zijn om dit geluid te maken. Hij zegt: "Dit
insect is merkwaardig wegens het bezit van eene soort trommel aan de
basis der voorvleugels, tusschen de rib- en de onderribnerven. Deze
twee nerven hebben daarenboven binnenin een schroefvormig diaphragma
of tubus." In Langendorff's Reizen (gedurende de jaren 1803/7),
blz. 74 vind ik vermeld, dat op het eiland Sa.-Catharina, aan de
kust van Brazilië, eene kapel Februa Hoffmanseggi bestaat, die bij
het wegvliegen een geluid maakt, als van een ratel.
[32] Ik wil hier als een gewoon voorbeeld van één dag verzamelen
(23 Juni), toen ik op de Coleoptera niet bijzonder acht gaf,
vermelden, dat ik 68 soorten van deze orde ving. Daaronder waren
slechts twee Carabidae, vier Brachelytra, vijftien Rhyncophora en
veertien Chrysomelidae. Zeven en dertig soorten Arachnidae, die ik
thuis bracht, zullen voldoende zijn om te bewijzen, dat ik aan de
algemeene lievelingsorde der Coleoptera niet te veel aandacht schonk.
[33] Te vinden in een handschrift van Abbott, die zijne waarnemingen
in Georgië deed, en dat in het Britsch Museum berust. Zie de
verhandeling van A. White in de Annals of Natural History, Deel VII,
blz. 472. Luitenant Hutton heeft in The Journal of the Asiatic Society,
Deel I, blz. 555 eene in Indië thuis behoorende wesp beschreven,
die dezelfde gewoonten heeft.
[34] Don Felix Azara (Deel I, blz. 175) spreekt van een tot de
Hymenoptera behoorend insect, waarschijnlijk van hetzelfde geslacht,
en zegt dat hij dit eene doode spin door het hooge gras in eene rechte
lijn naar zijn nest zag sleepen, hetwelk 163 pas ver lag. Hij voegt er
bij, dat de wesp, om haren weg te vinden, telkens demi-tours d'environ
trois palmes maakte.
[35] Behoort tot de familie der Orbitelae (groep Sedentaria of
Netspinnen). Veelal geschreven Epeira in plaats van Epeïra.
(Vert.)
[36] Hans Sloane (1660-1753), Iersch geneesheer en natuuronderzoeker,
schreef Natural History of Jamaica en stichtte het Britsch Museum.
(Vert.)
[37] Azara's Voyage, Deel I, blz. 213.
[38] Zoo genoemd naar den heilige St.-Elmo, bisschop van Formiae,
eene stad in het oude Italië.
(Vert.)
[39] Wilde bewoners van de Pampas, meerendeels veedrijvers.
[40] Spaansche uitdrukking: "Zonder zonde begrepen."
[41] De zadel in de Pampas.
[42] Hearnes' Journey, blz. 383.
[43] Maclaren, hoofdstuk "Amerika" in de Encyclop. Brittannica.
[44] Azara zegt: "Je crois que la quantité annuelle des pluies est,
dans toutes ces contreés, plus considérable qu'en Espagne"--Deel I,
blz. 36.
[45] In Zuid-Amerika verzamelde ik in 't geheel 27 soorten muizen, en
nog 13 zijn bekend uit de werken van Azara en andere schrijvers. Die,
welke door mijzelf verzameld werden, zijn benoemd en beschreven
geworden door Mr. Waterhouse op de vergaderingen der Zoological
Society. Het zij mij vergund van deze gelegenheid gebruik te maken
om mijn hartelijken dank te betuigen aan Mr. Waterhouse en de andere
aan dat Genootschap verbonden heeren, voor hunne vriendelijke en zeer
trouwe hulp bij alle gelegenheden.
[46] Hydrochoerus van (water) en qo=iroc (varken).
[47] In de maag en duodenum (twaalfvingerdarm) van een Capybara,
welke ik opende, vond ik een zeer groote hoeveelheid van eene
dunne geelachtige vloeistof, waarin bijna geen vezel te onderkennen
was. Maar R. Owen meldt mij, dat een deel van den oesophagus (slokdarm)
zoodanig gebouwd is, dat er niets door kan hetwelk veel grooter is
dan de schacht eener kraaieveêr. Inderdaad zijn de breede tanden en
sterke kaken van dit dier wel geschikt om de waterplanten waarmeê
het zich voedt, tot brij te vermalen.
[48] Het halfkonijntje of zeezwijntje (Cavia). Cabiai is een
Braziliaansch woord.
(Vert.)
[49] Aan de Rio Negro in Noord-Patagonië leeft een dier met dezelfde
gewoonten, en waarschijnlijk eene naverwante soort, maar dat ik
nooit zag. Zijn geluid verschilt van dat der Maldonado-soort; het
herhaalt zich slechts twee- in plaats van drie- of viermaal, en heeft
een duidelijker klank; op een afstand gehoord, gelijkt het zoozeer
op het geluid, dat ontstaat bij het vellen van een kleinen boom met
behulp van een bijl, dat ik soms in twijfel heb verkeerd wat het was.
[50] Philosophie Zoologique (1809), deel I, blz. 242--Prof. E. Haeckel
beoordeelt Lamarck (1744-1829) met veel meer lof dan Darwin hier.
(Vert.)
[51] Magazine of Zoology and Botany, Vol. I. Blz. 217.
[52] L'Institut, 1834, Blz. 418. Lezing in de Acad. des Sciences
de Paris.
[53] Ook wel negendooders, Grauwe Eksters genoemd (Familie der Laniidae
of Worgers).
(Vert.)
[54] Tegenwoordig deelt men Gallinazo (Cathartes) en Condor
(Sarcorhamphus) in bij de orde der Giervogels (Vultures).
(Vert.)
[55] Zoogenaamde estáncia's.
[56] Den buizerd rangschikt men nu onder de Valken (Falcones), eene
onderorde der Roofvogels (Raptatores).
[57] Volgens A. von Humboldt's Ansichten der Natur, bestaan er twee
soorten: Cathartes Urubu en Cathartes aura.
(Vert.)
[58] In de Philosophical Transactions, 1790, blz. 294, heeft
Dr. Priestley eenige onvolkomen kwartshoudende buizen beschreven,
en een gesmolten stuk kwarts, dat gevonden was bij het graven in den
grond onder een boom, waar een man door den bliksem gedood was.--Men
noemt deze buizen "Bliksembuizen" of met een wetenschappelijken naam:
Fulgurites.
[59] Annales de Chimie et de Physique, deel 37, blz. 319.
[60] Azara's "Reis", Deel I, blz. 36.
[61] De corrál is eene uit lange en stevige palen gemaakte omheining,
die tegen elke estáncia of landbouw-plantage wordt aangebracht.
[62] tóldo = zonnetent.
[63] Linnean Transactions, deel XI, blz. 205. Het is merkwaardig,
dat alle omstandigheden, op de zoutmeren betrekking hebbende, in
Siberië en Patagonië van gelijken aard zijn. Siberië schijnt, evenals
Patagonië, betrekkelijk niet lang geleden uit zee te zijn geheven. In
beide landen vormen de zoutmeren ondiepe holten in de vlakten; in
beide is de modder aan de kanten zwart en stinkend; onder de gewone
zoutkorst (NaCl) komt zwavelzure soda of zwavelzure magnesia voor in
onvolkomen kristallen, en in beide is het modderige zand vermengd
met gipslenzen. De Siberische zoutmeren worden bewoond door kleine
schaaldieren, en ook flamingo's vindt men er (Edin. New Philos. Journ.,
Januari 1830). Daar deze schijnbaar zoo nietige omstandigheden in twee
ver verwijderde werelddeelen voorkomen, mogen wij veilig aannemen, dat
zij het noodzakelijke gevolg zijn van gemeenschappelijke oorzaken. (Zie
Pallas' Travels, 1793 tot 1794, blz. 129-134.)
[64] Het varkenkonijn--een langneuzig knaagdier in Brazilië. De
soortnaam is ook Dasyprocta aguti.
(Vert.)
[65] Peruaansch konijntje.
[66] Ik acht mij verplicht in de hartelijkste bewoordingen mijn dank
te betuigen aan het gouvernement te Buenos Aires voor de vriendelijke
wijze, waarop mij, als natuuronderzoeker op de Beagle, paspoorten
werden gegeven naar alle deelen van het land.
[67] Deze profetie is geheel anders en ongelukkig uitgevallen (1845).
[68] H. Credner (Elemente der Geologie, 9e Auflage 1902, blz. 751)
omschrijft deze formatie aldus: "Gleichalterige äolische Lösze mit
eingelagerten fluviatilen Sanden."
(Vert.)
[69] Voyage dans l'Amérique Méridionale par M. A. d'Orbigny, Partie
Historique, Tome I, blz. 664.
[70] Wie weet?
[71] Kuguar of Chileensche leeuw.
[72] Van m'ega (groot) en jhr'ion (dier).
[73] Skel'ic of Sqel'ic (ham, achterpoot.)
[74] Van dit dier zijn 7 Zuid-Amerikaansche soorten gevonden, een
zoo groot als de Megalonyx. (Zie Dana "Manual of Geology," blz. 570).
[75] Makra'uqhn (met den langen hals).
[76] Doegong (van het Maleische dûyông) en Manatus (of Lamantijn) zijn
de twee eenige nog levende soorten van de Orde der Zeekoeien (Sirenia).
(Vert.)
[77] Principles of Geology, Deel IV, blz. 40. Dit vermaarde werk,
dat in 1830/32 in 2 deelen 8o het licht zag en in 1867/68 eene 10de
oplaag beleefde, verscheen in de 3de, 4de en 5de uitgaven (respect. in
de jaren 1834, 1835 en 1837) in 4 deelen 12o. De Principles zijn voor
de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde geweest, wat Darwin's Origin
of Species in 1859 voor de Biologie geweest is.
(Vert.)
[78] Deze theorie werd het eerst ontwikkeld in de Zoology of the Voyage
of the Beagle, en later in Prof. Owen's "Memoir on Mylodon robustus."
[79] De naam Megalonyx zinspeelt zelfs op deze grootte der klauwen,
want het Grieksche >'onux wil zeggen klauw.
[80] Het Megatherium overtrof den grootsten rhinoceros. De lengte van
een der skeletten bedraagt 18 voet. Het femur of dijbeen was driemaal
zoo dik als dat van een oliphant. Daar de grootste thans nog levende
Edentata, waartoe dit dier behoorde, slechts 3 of 4 voet lang zijn,
overtrof het Megatherium zijne tegenwoordige soortverwanten meer
dan honderdmaal.
(Vert.)
[81] Van het Sanskriet dsjañgala = wildernis.
(Vert.)
[82] Ik wil hiermede zeggen, dat ik den totalen rijkdom, welke
achtereenvolgens in een gegeven tijdvak voortgebracht en verbruikt
wordt, uitsluit.
[83] Travels in the Interior of South Africa, Vol. II, blz. 207.
[84] De in Exeter Change gedoode oliphant, die slechts gedeeltelijk
gewogen was, werd op 5 1/2 ton geschat (1 ton = 2240 avoirdupois =
circa 1016 kilo). De oliphant van een menagerie woog, naar men mij
berichtte, een ton minder, zoodat wij 5 ton voor het gemiddelde van een
volwassen oliphant mogen stellen. In de Surrey-Gardens werd mij gezegd,
dat een nijlpaard, hetwelk in drie stukken gesneden naar Engeland
was gezonden, op 3 1/2 ton geschat werd; laat ons stellen drie. Naar
deze maatstaf mogen wij 3 1/2 ton aan elk der drie rhinocerossen
geven; wellicht een ton aan de giraffe, en half zooveel aan den
Zuid-Afrikaanschen os, evenals aan den eland (een groote os weegt
van 1200 tot 1500 pounds of ongeveer 544 tot 600 kilo). Dit geeft
volgens bovenstaande schattingen een gemiddelde van 2.7 ton of 6048
pounds voor de tien grootste plantenetende dieren van Z.-Afrika. Geeft
men, wat Z.-Amerika betreft, 1200 pounds aan de twee tapirs te zamen,
550 aan den guanaco en de vicugna, 500 aan de drie herten, 300 aan de
capybara, het pecari en een aap, dan krijgen wij een gemiddelde van
255 pounds, welk cijfer, naar ik geloof, overschat is. De verhouding
zal dus zijn als 6048 tot 255 of als 237 tot 10 voor de tien grootste
dieren der twee vastelanden.
[85] Van het Spaansche pecár = muskuszwijn.
(Vert.)
[86] Nemen wij eens aan, dat het skelet van een Groenlandschen
walvisch in fossielen staat ontdekt werd, terwijl men niet wist
dat een walvischachtig dier bestond: welk natuuronderzoeker zou dan
durven vermoeden, dat zulk een reusachtige karkas bestaan heeft van
de kleine schaal- en weekdieren, welke leefden in de bevroren zeeën
van het hooge Noorden?
[87] Zie Zoological Remarks to Captain Back's Expedition, door
Dr. Richardson. Hij zegt: "Benoorden 56° breedte is de ondergrond
voortdurend bevroren, daar de dooi op de kust niet meer dan drie
voet, en te Bear Lake op 64° niet meer dan 20 inches diep in
den grond dringt. De bevroren onderlaag op zichzelf verwoest den
plantengroei niet, want op een afstand van de kust bloeien wouden
aan de oppervlakte."
[88] Zie Humboldt Fragmens asiatiques, blz. 386; Barton's Geography
of Plants, en Malte-Brun. In laatstgenoemd werk wordt gezegd, dat
de grens van den boomgroei in Siberië getrokken kan worden onder den
parallel van 70°.
[89] De noordelijke gedeelten lagen waarschijnlijk onder water.
[90] Sturt Travels, Deel II, blz. 74.
[91] Een Gaucho verzekerde mij, dat hij eens eene sneeuwwitte of
Albino-variëteit gezien had, en dat dit eene zeer fraaie vogel was.
[92] Guacho wil zeggen vondeling: ook wel een vrucht, die door de
moeder niet op natuurlijke wijs ter wereld is gebracht.
[93] Burchell's Travels, Deel I, blz. 280.
[94] Azara, Deel IV, blz. 173.
[95] Lichtenstein beweert echter (Travels, Deel II, blz. 25), dat de
wijfjes beginnen te zitten, zoodra zij 10 of 12 eieren gelegd hebben,
en dat zij, geloof ik, in een ander nest het leggen voortzetten. Dit
komt mij zeer onwaarschijnlijk voor. Verder verklaart hij, dat 4 of 5
wijfjes zich voor het broeden verbinden met één mannetje, dat alleen
des nachts zit.
[96] Ook Abestrúz geheeten, een Portugeesch woord, dat struisvogel
beteekent.
(Vert.)
[97] Tijdens ons verblijf aan de Rio Negro hoorden wij veel van de
onvermoeide pogingen van dezen natuuronderzoeker. Gedurende de jaren
1825-1833 doorkruisde Alcide d'Orbigny verscheidene groote deelen
van Zuid-Amerika. De resultaten dier reis heeft hij verzameld en
thans uitgegeven op zulk een grootsche schaal, dat hij na Humboldt de
eerste plaats inneemt onder de wetenschappelijke natuuronderzoekers
van Amerika.
[98] Account of the Abipones, 1749, Deel I, blz. 314. (Engelsche
Vertaling).
[99] Behoorende tot de echte hoenders (Galli), eene onderorde van de
Hoendervogels, of Rasores.
(Vert.)
[100] Eene familie der Zangvogels (Oscines), welke eene Onderorde
uitmaakt van de Passeres of Musschen.
(Vert.)
[101] De Portugeezen noemen dit dier Armadilho apar.
(Vert.)
[102] Bufo.
[103] Oenotherae.
[104] De holten, die van de vleezige afdeelingen der extremiteit
binnenwaarts leiden, waren met eene gele weeke stof gevuld, die met den
microscoop onderzocht, er ongewoon uitzag. De massa bestond uit ronde,
half-doorschijnende, onregelmatige korrels, samengehoopt tot deeltjes
van verschillende grootten. Al die deeltjes en de afzonderlijke
korrels konden zich snel bewegen, meestal rondom verschillende assen,
maar soms in lineaire richting. De beweging was zichtbaar bij zeer
zwakke vergrooting; maar zelfs bij de sterkste vergrooting liet zich
de oorzaak niet ontdekken. Zij verschilde zeer van de circulatie
der vloeistof in den veerkrachtigen zak, die het dunne einde der as
bevatte. Bij andere gelegenheden, toen ik kleine zeedieren onder den
microscoop ontleedde, heb ik deeltjes zachte vleezige stof gezien,
enkele van aanzienlijke grootte, die zoodra zij afgescheiden waren,
terstond begonnen te draaien. Ik vermoed--doch weet niet in hoeverre ik
gelijk heb,--dat deze korrelig-vleezige stof op weg was om in eieren te
worden omgezet. In dezen zoöphiet scheen dit zeker het geval te zijn.
[105] Kerr's Collection of Voyages, Vol. VIII, blz. 119.
[106] Purchas' Collection of Voyages: Ik geloof, dat het eigenlijke
jaartal 1537 was.
[107] Azara heeft zelfs in twijfel getrokken of de Pampas-Indianen
ooit bogen gebruikten.
[108] Circa 1018 Meter.
[109] Ik noem deze "distelstengel" bij gemis van een juisteren naam. Ik
geloof, dat het eene soort Eryngium was.
[110] Afgeronde stukken steen (steenpuin), die door een of ander cement
(matrix) verbonden zijn. Er bestaan conglomeraten van kwarts, gneiss,
basalt, kalksteen, enz.
(Vert.)
[111] Zie zijne "Travels in Africa," Blz. 233. Hij leefde van
1771-1806.
[112] Salvatore Rosa, een Napolitaansch schilder (1615-1673).
[113] Twee soorten Tinamus, en Eudromia elegans d'Orbignyi, die
echter alleen om zijn gewoonten met den naam van patrijs bestempeld
kan worden.
[114] History of the Abipones, Deel II, blz. 6.
[115] Falconer's Patagonia, blz. 70.
[116] Fauna Boreali-Americana, Deel I, blz. 35.
[117] Zie Atwater's Account of the Prairies in Silliman's
N. A. Journal, deel I, blz. 117.
[118] Azara, Voyage, deel I, blz. 373. "Deze (wilde) paarden hebben
de zucht om paden en den zoom van rij- of landwegen voor het leggen
van hunne uitwerpsels te kiezen, welke men op die plaatsen in hoopen
vindt."
[119] A. d'Orbigny (Voyage dans l'Amérique Méridionale, deel I,
blz. 474) zegt, dat de cardón en de artisjok beiden wildgroeiend
gevonden worden. Dr. Hooker (Botanical Magazine, deel LV, blz. 2862)
heeft eene variëteit van de Cynara uit dit gedeelte van Zuid-Amerika
beschreven onder den naam van Inermis, en herinnert er aan, dat
botanici het nu algemeen eens zijn, dat de cardón en de artisjok
(Cynara scolymus) variëteiten zijn van dezelfde plant. Ik wil er
bijvoegen, dat een bekwaam pachter mij verzekerde, dat hij in een
verlaten tuin eenige artisjokken in den gewonen cardón had zien
veranderen. Dr. Hooker gelooft, dat Head's heldere beschrijving van
den Pampasdistel betrekking heeft op den cardón; maar dit is een
misverstand. Kapitein Head doelde op de plant, die ik eenige regels
verder onder den naam van Reuzendistel heb vermeld. Of het een echte
distel is, weet ik niet; doch hij gelijkt meer op den eigenlijken
distel (Carduus of Cirsium) dan op den cardón, waarvan hij geheel
verschilt.
[120] Agave americana, de groote of Amerikaansche Aloë, te
onderscheiden van de Aloë Soccotrina (de echte of Arabische Aloë)
en van de West-Indische Aloë.
[121] Men zegt, dat deze stad 60,000 inwoners heeft; Montevideo,
de tweede belangrijke stad aan de oevers der La Plata, 15,000.
Thans hebben die steden respect. 1,242,000 en 310,000 inwoners,
volgens tellingen in 1909 en 1908.
(Vert.)
[122] Dit woord is afgeleid van het Spaansche matár (dooden), en wil
dus zeggen: doodslager, moordenaar.
[123] De bizcacha (Lagostomus trichodactylus) gelijkt eenigszins op
een groot konijn, maar heeft dikkere knaagtanden en een langeren
staart; zij heeft echter, evenals het aguti, slechts drie teenen
achter. Gedurende de laatste drie of vier jaren zijn de vellen dezer
dieren naar Engeland gezonden, om als bont te dienen.
[124] Journal of Asiatic Soc., deel V, blz. 363.
[125] Naar de volkstelling van 1908 telt zij 160,000 inwoners.
[126] Ofschoon de schrijver niet vermeldt welke "mijlen," zijn het
blijkbaar nautical of geographical miles van 1854.965 Meter. In het
bekende werk van W. Chauvenet: Spherical and Practical Astronomy,
Deel I, blz. 178, vinden wij voor den afstand (d) van den zeehorizon:
d (in standaardmijlen) = 1,317 wortel van x (in voeten)
hierin x = 6 stellende, vinden wij door eene eenvoudige berekening:
d (in standaardmijlen) = ± 3,225
Een statute of British mijl bedraagt 1609.33 M., dus
3,225 St. Miles = ± 5190 Meter.
2,8 Naut. Miles = ± 5194 Meter.
(Noot van den Vert.)
[127] De Mastodonten, die voorvaderen onzer oliphanten, zijn
in Europa gevonden o.a. in de Mioceen-lagen van Frankrijk
(M. longirostris, M. tapiroides Cuv. enz.); in het Plioceen van
Engeland (M. Arvernensis) enz. Vóór het Mioceen-Tijdperk zijn geen
resten van dit dier gevonden. In Amerika heeft de eerste Mastodon
(M. mirificus Leidy) geleefd om de groote Plioceen-meren ten westen
van den Mississippi. Later, in het Quartaire Tijdvak, komt over
de noordelijke helft der Ver. Staten: in Noord- en Zuid-Carolina,
Mississippi, Arkansas, Texas, alsook in Canada Mastodon giganteus
voor. Eene variëteit van deze species is in menigte in de Pampas van
Zuid-Amerika gevonden.
(Noot van den Vertaler.)
[128] Blijkens eene volkstelling, bezat de stad in 1901 circa 27000
inwoners.
[129] In 1907 telde de provincie Entre Rios 384000 inwoners, en is, op
3 na, de meest bevolkte provincie van de Argentijnsche Republiek. Hare
hoofdstad heet nu Concepcion del Uruguay.
(Vert.)
[130] De rijzing van Z.-Amerika aan de westkust bij de Andes duurt
nog voort. Zie Credner, Geologie, blz. 59.
(Vert.)
[131] Ik behoef hier nauwelijks te zeggen, dat er stellige bewijzen
zijn, dat er in Columbus' tijd geen paarden in Amerika waren.
[132] Cuvier, Ossemens fossiles, Deel I, blz. 158.
[133] Dit is de door Lichtenstein, Swainson, Erichson en Richardson
gevolgde geographische verdeeling. De doorsnede van Vera-Cruz naar
Acapulco, door Alex. v. Humboldt in zijn Essai politique sur le royaume
de la Nouvelle Espagne gegeven ((Dit meesterwerk werd van 1809/14 in
't Duitsch vertaald, en verscheen in 5 banden. Een uittreksel daarvan
verscheen in 2 deelen bij Cotta te Stuttgart in de Gesammelte Werke
von A. von Humboldt.