Op den 19den Augustus verlieten wij voorgoed de Braziliaansche

kusten. Gode zij dank--nooit zal ik weer een slavenland bezoeken! Nog

heden herinnert elke gil, dien ik in de verte hoor, mij pijnlijk en

levendig aan de gevoelens die mij bestormden, toen ik voorbij een

huis bij Pernambuco gaande, het hartverscheurendste gejammer hoorde,

en niet anders kon denken dan dat hier een arme slaaf gemarteld

werd, terwijl ik wist dat ik even machteloos was als een kind, om

er zelfs iets van te zeggen! Ik vermoedde dat dit het gejammer was

van een gemartelden slaaf, want men vertelde mij andere gevallen van

dien aard. Bij Rio de Janeiro woonde ik tegenover eene oude dame,

die er schroeven op nahield om de vingers van hare slavinnen te

vermorzelen. Ik heb in een huis vertoefd, waar een jonge mulatbediende

dag aan dag, uur aan uur beschimpt, geslagen en gekweld werd op eene

manier, die zelfs den geest van het laagste dier zou dooden. Ik heb

een knaap van zes of zeven jaren tweemaal met eene paardenzweep op

het bloote hoofd zien striemen, voordat ik tusschenbeide kon komen,

alleen omdat het kind mij een glas water had gegeven dat niet geheel

schoon was. Ik zag zijn vader beven zoodra zijn meester maar de

oogen opsloeg. Deze laatste gruwelen woonde ik bij in eene Spaansche

kolonie, waar de slaven altijd beter behandeld heetten te worden,

dan door de Portugeezen, Engelschen of andere Europeanen. Te Rio de

Janeiro heb ik een krachtigen neger gezien, die bang was om een slag

af te weren, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt was. Ik was

er bij, toen een goedhartig man op het punt stond de mannen, vrouwen

en kinderen van een groot aantal gezinnen, die lang te zamen hadden

gewoond, voor altijd te scheiden! Nu zal ik nog niet eens spreken

van de vele hartroerende wreedheden, die ik uit geloofwaardige bron

gehoord heb: en ook de bovenstaande schokkende bijzonderheden zou ik

niet hebben vermeld, indien ik niet een aantal lieden ontmoet had,

die zoo verblind waren door de natuurlijke vroolijkheid van den neger,

dat zij over de slavernij spraken als over een dragelijk kwaad. Zulke

lieden hebben meestal de huizen der hoogere standen bezocht, waar

het slavenpersoneel doorgaans goed behandeld wordt, en hebben niet,

zooals ik, onder de lagere standen verkeerd. Dergelijke onderzoekers

zullen slaven uithooren omtrent hun toestand, en daarbij vergeten,

dat het inderdaad een domme slaaf moet zijn, die niet rekent op de

kans, dat zijn antwoord ter oore kan komen van zijn meester.

Men beweert, dat eigenbelang buitensporige wreedheid zal voorkomen,

alsof eigenbelang onze huisdieren beschermde, die toch veel minder

dan verworpen slaven in staat zijn den toorn hunner woeste meesters

op te wekken! Het is een argument, waartegen de groote von Humboldt

lang geleden met ridderlijk gevoel te velde is getrokken, en dat

hij door treffende voorbeelden heeft toegelicht. Dikwijls poogt men

slavernij te verschoonen door den slavenstand te vergelijken met

onze armere landgenooten. Zoo de ellende onzer armen veroorzaakt

wordt--niet door de wetten der natuur, maar door onze instellingen,

dan zondigen wij zwaar; doch hoe dit in verband staat met slavernij,

kan ik niet inzien: even goed zou men in ons land het gebruik van

de duimschroef kunnen verdedigen, door te bewijzen dat menschen

in een ander land veel aan eene gevreesde ziekte leden. Zij, die

goedgunstig over slavenhouders denken, en met een koud hart over

den slaaf, schijnen zich nooit in den toestand van den laatsten te

stellen. Welk een vreugdeloos en troosteloos vooruitzicht--zelfs

geen hoop op verandering! Denk eens, lezer, dat u zelven steeds de

kans boven het hoofd hing, dat uwe vrouw en kinderen--de wezens,

die de natuur ook aan den slaaf vergunt de zijnen te noemen--aan

u ontrukt en aan den eersten den besten bieder als beesten wierden

verkocht! En zulke daden worden bedreven en verschoond door lieden,

die belijden dat zij hunne naasten liefhebben als zich zelven, die

in God gelooven en bidden dat Zijn wil zal geschieden op aarde! Ons

bloed kookt, maar ook ons hart krimpt bij de gedachte, dat wij,

Engelschen en onze Amerikaansche afstammelingen, met onze trotsche

vrijheidsleus zoo schuldig zijn geweest en nòg zijn; maar het is een

troost te denken, dat wij ten minste een grooter offer hebben gebracht

om voor onze zonden te boeten, dan ooit een ander volk deed!

Op den laatsten dag in Augustus 1836 ankerden wij voor de tweede maal

te Porto Praya op de Kaap-Verdische Eilanden, en zeilden van daar naar

de Azoren, waar wij zes dagen bleven. Op den 2den October bereikten

wij de Engelsche kust, en te Falmouth verliet ik eindelijk de Beagle,

na omtrent vijf jaren aan boord van dit kleine, maar degelijke schip

te hebben doorgebracht.

Aan het einde onzer Reis gekomen, zal ik een kort overzicht geven

van de voor- en nadeelen, alsmede de bezwaren en genoegens, welke

onze omvaring van de wereld heeft opgeleverd. Zoo iemand, voordat

hij eene groote reis ondernam, mij om raad vroeg, zou mijn antwoord

afhangen van de voorwaarde, of hij eene besliste neiging voor de

eene of andere wetenschap bezat, die langs dezen weg bevorderd kon

worden. Verschillende landen en de vele menschenrassen te zien,

is ongetwijfeld een groot genot; maar het genoegen dat men daarbij

smaakt, weegt niet op tegen de lasten. Zal eene vrucht worden geplukt,

of iets goeds worden bereikt, dan moet men een oogsttijd afwachten,

ook al is deze nog zoo ver.

Het is duidelijk, dat men zich vele verliezen moet getroosten: zoo,

bij voorbeeld, het gezelschap van alle oude vrienden, en het gezicht

van die plaatsen, waaraan de dierbaarste herinneringen ten nauwste

zijn verbonden. Die verliezen worden echter voor een deel verzacht

door het onuitsprekelijk voorgenot van den lang gewenschten dag van

wederkomst. Indien, zooals de dichters zeggen, het leven een droom is,

dan ben ik zeker, dat dergelijke droombeelden op reis het best geschikt

zijn om den langen nacht door te komen. Andere verliezen zijn er, die,

hoewel in 't eerst niet gevoeld, na verloop van tijd zwaar beginnen te

wegen; deze zijn het gemis van eene kamer, van afzondering, van rust;

het afmattende gevoel van voortdurende haast; het derven van kleine

weeldezaken; het gemis van huiselijke gezelligheid, en zelfs van

muziek of andere aesthetische genoegens. Wanneer wij zulke beuzelingen

vermelden, is het duidelijk dat de werkelijke bezwaren van het leven

op zee--rampen of onheilen uitgezonderd--voorbij zijn. De korte spanne

van 60 jaren heeft eene verbazende verandering teweeg gebracht in

het gerief van verre zeereizen. Nog in den tijd van Cook (1728-1779)

stond elk, die den huiselijken haard verliet om zulke tochten te

ondernemen, aan ernstige ontberingen bloot. Thans kan een yacht of

snelzeiler met alle levensgemakken den aardbol omvaren. Behalve de

groote verbeteringen in de schepen en de hulpmiddelen van het zeewezen,

staat thans de geheele westkust van Amerika open, terwijl Sydney de

hoofdstad is geworden van een opkomend werelddeel. Hoe geheel anders

zijn de omstandigheden voor iemand, die nu in den Stillen Oceaan

schipbreuk lijdt, vergeleken met die in de dagen van Cook! Sedert

zijne reis is aan de beschaafde wereld een halfrond toegevoegd.

Indien iemand veel aan zeeziekte lijdt, laat hij dan hiermede

ernstig rekening houden. Ik spreek uit ondervinding; het is een

kwaad, dat niet gering en niet binnen eene week genezen is. Heeft

hij daarentegen pleizier om op zee te dobberen, dan zal hij voor dat

genoegen zeker ruimschoots gelegenheid vinden. Men diene intusschen

wel in 't oog te houden, dat gedurende eene lange reis een zeer

groot deel van den tijd op het water wordt doorgebracht, vergeleken

met het oponthoud binnen de havens. En wat zijn nu de zoo geprezen

schoonheden van den grenzenloozen oceaan? Eene vervelende eenzaamheid,

een waterwoestijn, gelijk de Arabier hem noemt. Niettemin geeft hij

ons somtijds verrukkelijke tafereelen te zien. Schoon is een nacht met

maneschijn, bij helderen hemel en donker-glinsterende zee: de witte

zeilen gezwollen onder den zachten adem van een kalmen passaat, of

bij bladstille lucht, als het bolle zeevlak gepolijst en spiegelend

voor u ligt, en alleen het klapperend zeildoek nu en dan de stilte

verbreekt. Ook is het goed eens een donderbui te zien opkomen, die

u nadert in al hare woede, of een geweldigen orkaan die de golven

tot bergen verheft. Toch beken ik, dat mijne verbeelding zich iets

grootschers, iets vreeselijkers gemaald had van een woedenden

storm. Een onvergelijkelijk schooner schouwspel biedt hij op 't

strand gezien, waar de zwiepende boomen, de wilde vlucht der vogels,

de jagende stroomen, de donkere schaduwen en heldere tinten allen

den strijd der losgebroken elementen verkondigen. Op zee vliegen

albatros en kleine stormvogel met evenveel gemak, als ware de storm

hun eigenlijk element, en rijst en daalt het water, alsof het zijn

gewone taak volbrengt; alleen het schip en zijne bewoners schijnen

het voorwerp der algemeene woede. Op een eenzaam, door wind en zee

geteisterd strand is het tafereel weer anders, doch krijgen wij hier

meer een gevoel van afschrik, dan van wilde verrukking.

Laat ons nu de lichtere zijde van den afgeloopen tijd beschouwen. Het

genoegen, dat voortsproot uit het gezicht van de natuurtooneelen en

den algemeenen aanblik der verschillende door ons bezochte landen, is

beslist een bron geweest van duurzaamst en hoogst genot. Waarschijnlijk

wordt al wat wij zagen door het schilderachtig schoon in vele gedeelten

van Europa overtroffen; maar een toenemend genot levert het onderling

vergelijken van den aard der natuurtooneelen in verschillende landen,

hetgeen in zekeren zin iets anders is dan een louter bewonderen van

hunne schoonheid. Dit genot hangt voornamelijk af van onze bekendheid

met de onderdeelen van elk landschap; en ik ben zeer geneigd te

gelooven, dat--evenals iemand, die elken toon in de muziek begrijpt

en daarenboven een gepasten smaak bezit, een meer volkomen genot

van het ensemble zal hebben--ook hij die elk deel van een fraai

landschap onderzoekt, den vollen en samengestelden indruk er van

zal begrijpen. Zoo zou een reiziger plantkundige moeten zijn, want

in elk landschap vormen planten de hoofdversiering. Groepen naakte

rotsen kunnen somtijds, zelfs in hare ruwste gedaanten, een verheven

schouwspel opleveren; doch spoedig worden zij eentonig. Maal haar af

in heldere en afwisselende kleuren, zooals de Andes in het noorden

van Chili--en zij zullen phantastisch worden; maar bekleed ze met

planten--en zij moeten een aangenaam, zoo niet een schoon tafereel

vormen.

Als ik zeg, dat het landschap in sommige gedeelten van Europa

vermoedelijk schooner was dan die wij zagen, zonder ik daarvan, als

eene klasse op zich zelve, dat der tusschenkeerkringsstreken uit. Die

twee klassen kunnen niet samen vergeleken worden; doch, over het

grootsche dezer gewesten heb ik al dikwijls uitgeweid. Daar de kracht

der indrukken meestal afhangt van vooraf gevormde denkbeelden, mag ik

er bijvoegen, dat de mijne ontleend waren aan de levendige beschrijving

in von Humboldt's Relation Historique, die in verdienste elke andere

door mij gelezene overtreft. Maar zelfs met deze hoog opgevatte ideeën

ondervonden mijne gevoelens op verre na geen zweem van teleurstelling

bij mijne eerste en laatste landing op de kusten van Brazilië.

Van de landschappen, welke een diepen indruk op mijn geest maakten,

overtrof er geen in grootschheid de maagdelijke wouden, die de hand

des menschen ongerept had gelaten: hetzij die prachtvolle in Brazilië,

zoo overrijk aan vormen, waar het Leven heerscht in al zijne kracht:

hetzij die sombere in Vuurland, waar Dood en Verval den scepter

zwaaien. Beiden zijn tempels, gevuld met de velerlei voortbrengselen

uit Gods schoone Natuur! Niemand kan deze eenzaamheden betreden zonder

ontroering, er dolen zonder een gevoel, dat in den mensch iets meer

is dan alleen zijn ademtocht... Bij het oproepen van beelden uit

het verleden, zie ik telkens weer de vlakten van Patagonië voorbij

mijne oogen gaan--vlakten, die door ieder als nutteloos en ellendig

worden uitgekreten. Men kan ze slechts beschrijven met negatieve

eigenschappen: zonder woningen, zonder water, zonder boomen of bergen,

bevatten zij niets dan enkele dwergplanten. Maar waarom--en het geval

betreft niet alleen mij zelven--hebben die dorre wildernissen dan

zoo onwrikbaar in mij post gevat? Waarom hebben de nog vlakkere,

meer groene en vruchtbare Pampas, nog dienstig daarenboven voor

het menschdom, niet een even sterken indruk nagelaten? Ik kan deze

gevoelens moeilijk uitdrukken; maar deels zijn zij hieraan toe te

schrijven, dat de verbeelding er den vrijen teugel viert. En kan

het anders? De vlakten van Patagonië zijn grenzenloos; want zij

zijn bijna ontoegankelijk en dientengevolge onbekend. Zij dragen

het stempel van eeuwenlang geduurd te hebben zooals zij nu zijn, en

onbeperkt schijnt haar duur in de toekomst. Denkt men tevens aan de

onderstelling der Ouden, dat de platte aarde omringd was door eene

onmetelijke watervlakte of door ondraaglijk heete woestijnen--wie

zou dan niet met indrukken van diep en onbestemd gevoel die uiterste

grenzen van menschelijke kennis beschouwen?

Tot de natuurtafereelen behooren eindelijk de vergezichten van

hooge bergen, die, hoewel in zekeren zin niet bepaald mooi, toch

zeer gedenkwaardig zijn. Toen ik, door geen nietige bijzonderheden

in het berglandschap gestoord, van de hoogste kruin der Cordilleras

naar omlaag zag, werd mijn geest overstelpt door de ontzagwekkende

afmetingen der omringende bergen!

Wat menschenrassen betreft, wekt niets zoozeer onze verbazing als

het eerste gezicht van een wilde: van een mensch in den laagsten en

wildsten natuurstaat in de schuilhoeken van zijn geboorteland. Onze

geest snelt eeuwen, eeuwen ver terug en vraagt zich af: is 't mogelijk,

dat onze stamvaderen in de geschiedenis der menschheid geweest zijn

zooals deze wilden? Menschen, wier gebaren en uitdrukkingen nog

minder verstaanbaar voor ons zijn dan die der huisdieren? Menschen,

die niet het instinct dezer dieren bezitten, maar ook niets dat bogen

kan op menschelijk verstand--althans op kunsten, die de vruchten zijn

van dat verstand? Ik geloof niet, dat het mogelijk is het verschil

te beschrijven, of te malen, tusschen een wilden en een beschaafden

mensch. Het is als het verschil tusschen een wild en een tam dier;

en onze belangstelling bij het zien van een wilde is voor een deel

dezelfde, als die ons zou doen wenschen den leeuw te zien in zijn

woestijn, den tijger als hij zijn prooi in den dsjungel verscheurt,

of den rhinoceros, zwervend over de woeste vlakten van Afrika.

Tot de merkwaardigste natuur- en hemelverschijnsels, die wij gezien

hebben, mogen gerekend worden: de Magelhaensche Wolken, [400] het

Zuiderkruis en de andere sterrenbeelden van den zuidelijken hemel; eene

waterhoos; een gletscher met zijn blauwen ijsstroom, die als een steile

rotswand boven de zee hing; een laguneneiland, dat door de rifvormende

koralen tot aan de zee was opgebouwd; eene vulkanische uitbarsting,

en eene hevige aardbeving met al hare verpletterende gevolgen. Ik stel

in deze laatste verschijnselen bijzonder veel belang, misschien wegens

hun nauw verband met den geologischen bouw van onze planeet; maar in

't algemeen moet de aardbeving voor ieder een gebeurtenis zijn, die

de sterkste indrukken achterlaat. De aarde, die wij van onze vroegste

kindsheid af als het zinnebeeld van vastheid hebben beschouwd, heeft

als eene dunne korst onder onze voeten gebeefd; en ziende, hoe de

hechtste werken van den mensch in een oogwenk worden omvergeworpen,

beseffen wij hoe nietig de macht is, waarop hij zich verheft!--

Men zegt, dat de liefhebberij in de jacht een genot is, dat den

menschen aankleeft--een overblijfsel van een instinctmatigen

hartstocht. Zoo ja, dan ben ik zeker, dat het genoegen om in de

open lucht te leven met den hemel als dak en de aarde als tafel,

een deel is van die zelfde zucht: het is de wilde mensch, die tot

zijne wilde en aangeboren leefwijze terugkeert. Altijd zie ik op onze

boottochten en mijne uitstappen te land--wanneer deze geschiedden door

onbewoonde streken--met een bijzonder genot terug, hetwelk geen land

der beschaafde wereld had kunnen verschaffen. Ik twijfel niet, of elk

reiziger zal zich het zegepralende gevoel van blijdschap herinneren,

dat in hem opwelde toen hij voor 't eerst in een onbekend land ademde,

waar de beschaafde mensch zelden of nooit een voet gezet had.

Op eene lange reis ontmoet men vele andere bronnen van genot, die

van meer bescheiden aard zijn. De wereldkaart is nu niet langer een

blad papier, maar wordt een schilderij vol van de afwisselendste en

levendigste figuren. Elk deel verkrijgt zijne juiste afmetingen;

vastelanden gelden niet langer als eilanden, en eilanden, die

menigmaal grooter zijn dan vele koninkrijken in Europa, niet langer

als stippen. Afrika, of Noord- en Zuid-Amerika zijn welklinkende

namen en laten zich gemakkelijk uitspreken; doch eerst nadat men

weken achtereen langs hunne kusten heeft gevaren, krijgt men de volle

overtuiging welke uitgestrekte ruimten op onze groote aarde met deze

eenvoudige namen bedoeld worden.

De tegenwoordige toestand, waarin wij een bijna geheel halfrond hebben

leeren kennen, kan niet anders dan hooge verwachtingen schenken omtrent

zijn toekomstigen voorspoed. Waarschijnlijk is de verbetering, die,

dank zij de invoering van het Christendom, over de geheele Zuidzee

in gang is, éénig in de jaarboeken der geschiedenis. Dit is des te

merkwaardiger, zoo wij bedenken, dat Cook, wiens uitnemend oordeel

wel door niemand zal worden betwist, pas 60 jaren geleden geen

uitzicht op verandering kon geven. Toch zijn die veranderingen door

den menschlievenden geest der Britsche natie thans tot stand gebracht.

In denzelfden hoek van den aardbol is Australië op weg zich te

verheffen, of, kan men zeggen, heeft het zich verheven tot een

groot beschavingsmiddelpunt, dat in eene niet zeer verre toekomst

als Keizerin zal heerschen over het zuidelijk halfrond. Het is niet

mogelijk, dat een Engelschman deze verre kolonies anders dan met

rechtmatigen hoogmoed en voldoening beschouwt. Rijkdom, voorspoed

en beschaving schijnen de wisse gevolgen te zijn, welke het hijschen

van de Britsche vlag na zich voert.

Tot besluit schijnt het mij toe, dat er voor een jongen

natuuronderzoeker niets bevorderlijkers zijn kan, dan eene reis naar

verre landen. Zulk eene reis--merkt Sir John Herschel op--versterkt

en stilt gedeeltelijk de behoeften en wenschen, die in den mensch

opwellen ook dan, wanneer aan alle stoffelijke begeerten voldaan

is. Het opwekkende gevoel, dat de studie van nieuwe voorwerpen of

verschijnselen en de kans op welslagen doen ontstaan, prikkelen hem tot

meerdere werkzaamheid, terwijl daarenboven de gewoonte om los staande

feiten met elkaar te vergelijken, die anders spoedig onbelangrijk

worden, hem tot algemeene beschouwingen leiden. Hier staat tegenover,

dat de beschrijvingen van den reiziger, die uitteraard slechts kort

op elke plaats vertoeft, meestal uit louter schetsen moeten bestaan,

in stede van uitvoerige waarnemingen. En daaruit ontspruit, gelijk

ik tot mijne schade ondervonden heb, eene voortdurende zucht om

de wijde leemten in onze kennis aan te vullen met onnauwkeurige en

oppervlakkige hypothesen.--

Maar, ik heb mijne reis te volop genoten, om niet elken

natuuronderzoeker aan te bevelen alle kansen te wagen, en zoo mogelijk

landreizen, of anders eene verre zeereis te doen, hoewel hij er

niet op moet rekenen zoo gelukkig in zijne reisgenooten te zijn,

als ik het was. Hij kan er van verzekerd zijn, dat hij, behalve in

zeldzame gevallen, geen moeilijkheden of gevaren zal ontmoeten, die

niet geringer zullen blijken dan hij te voren verwacht heeft. Uit

een zedelijk oogpunt behoort het gevolg te zijn, dat hij leere

opgeruimdheid te paren aan geduld, zijne eigenliefde te overwinnen,

zich te gewennen aan zelfstandig handelen, en zich zoo goed mogelijk

in alle omstandigheden te schikken. In 't kort, hij behoort de

eigenschappen te leeren, welke de meeste zeelieden bezitten. Ook

moet de reis hem leeren anderen te wantrouwen; maar tevens zal hij

dan ontdekken, hoevele oprecht welwillende menschen er zijn, die,

schoon hij vroeger nooit met hen in aanraking kwam noch later ooit weer

komen zal, toch bereid zijn hem op de onbaatzuchtigste wijze te helpen.

EINDE.

HERLEIDING VAN EENIGE IN DIT WERK VOORKOMENDE ENGELSCHE MATEN EN

GEWICHTEN.

1 Foot (12 inches) 30.48 cm.

1 Square foot (144 vierkante inches) 929.014 qcm.

1 Inch (10 lines, vroeger 12 lines) 2.54 cm.

1 Square inch 6.451 qcm.

1 Land yard (in Hertford) = 3 feet 91.44 cm.

1 Yard (als winkelmaat) = 4 quarters 91.44 cm.

1 Square yard 0.836 qm.

1 English ell = 5 quarters 114.30 cm.

1 Fathom = 6 feet 182.88 cm.

1 Statute mile of British mile (algemeen "Engelsche

mijl" genoemd) = 5280 feet 1609.330 m.

1 English mile = 5000 feet 1523.986 m.

1 Nautical mile of Geographical mile = 1/60

Equatorgraad (1/60 van 111.2979 kilom.) 1854.965 m.

1 League = 3 Miles 3 British miles 4827.989 m.

3 London miles 4571.959 m.

3 Nautical miles 5564.895 m.

1 Mile of land of Square Statute Mile = 640 acres 258.994 ha.

2.58994 qkm.

1 Square Geographical Mile = 3.44090 qkm.

1 Acre (of land) = 4 roods 40.468 aren.

1 Admiralty knot = 6080 feet 1853.167 m./h.

1 Pound (Avoirdupois--Handelsgewicht) = 16 ounces 453.593 g.

1 Ounce 28.350 g.

1 Ton = 2240 pounds 1016.048 kg.

1 Imperial gallon 4.544 lit.

INHOUD.

Charles Darwin 5

Inleiding 7

Voorwoord van den Schrijver 9

Hoofdstuk I.

St.-Jago. De Kaap-Verdische Eilanden 13

Hoofdstuk II.

Rio de Janeiro 35

Hoofdstuk III.

Maldonado 61

Hoofdstuk IV.

Van de Rio Negro naar Bahia Blanca 91

Hoofdstuk V.

Bahia Blanca 114

Hoofdstuk VI.

Van Bahia Blanca naar Buenos Aires 147

Hoofdstuk VII.

Van Buenos Aires naar Santa Fé 168

Hoofdstuk VIII.

Oost-Banda en Patagonië 193

Hoofdstuk IX.

De Santa Cruz, Patagonië en de Falklands-Eilanden 238

Hoofdstuk X.

Tierra del Fuego of Vuurland 274

Hoofdstuk XI.

De Straat van Magelhaen. Het klimaat der zuidelijke

kusten 313

Hoofdstuk XII.

Midden-Chili 341

Hoofdstuk XIII.

Chiloë en de Chonos-Eilanden 369

Hoofdstuk XIV.

Chiloë en Concepcion.--Eene hevige aardbeving 393

Hoofdstuk XV.

Overtocht van de Cordilleras 424

Hoofdstuk XVI.

Noord-Chili en Peru 455

Hoofdstuk XVII.

De Galápagos-Archipel 502

Hoofdstuk XVIII.

Tahiti (of Taïti) en Nieuw-Zeeland 542

Hoofdstuk XIX.

Australië 580

Hoofdstuk XX.

Keeling-Eiland.--Koraalvormingen 608

Hoofdstuk XXI.

Mauritius. Terugkeer naar Engeland 650

Herleiding van eenige in dit werk voorkomende

Engelsche maten en gewichten 683

Alphabetisch Register 684

Verbeteringen 699

AANTEEKENINGEN

[1] Het reisdagboek van Charles Darwin's bijna vijf jaar durende

reis om de wereld aan boord van de Beagle. Tijdens deze reis werden

de grondslagen gelegt voor zijn latere evolutietheorie.

[2] Darwin's vader had namelijk geen zin zijn zoon deze reis te

laten ondernemen, dan op voorwaarde, dat deze een man vond, die het

hem ernstig aanried. Deze man was Darwin's oom. Voorts had kapitein

Fitz-Roy, commandant van de Beagle, aanvankelijk er op tegen, dat

Darwin als natuuronderzoeker meêging, om reden diens neus, waarin hij

gebrek aan energie meende te lezen, hem niet beviel. Kapitein Fitz-Roy

was namelijk een leerling van Lavater. (Noot van den vertaler.)

[3] Ik moet deze gelegenheid aangrijpen om mijn oprechten dank te

betuigen aan den heer Bynoe, arts op de Beagle, voor zijne zeer

vriendelijke zorgen jegens mij, toen ik te Valparaiso ziek was.

[4] De Britsche Minister van Financiën.

[5] Een student, die zijn eersten graad nog niet bereikt heeft.

(Vert.)

[6] Dit op gezag van Dr. E. Dieffenbach in zijne Duitsche vertaling

van de eerste uitgaaf van dit Dagboek.

[7] Tusschen Frankrijk en de gealliëerde Staten Spanje, Portugal en

Engeland (1807-1814.)

[8] De Kaap-Verdische Eilanden werden ontdekt in 1449. Er was een

grafsteen van een bisschop met het jaartal 1571, en het bovendeel

van een hand en een dolk met het jaartal 1497.

[9] Numida, eene soort behoorende tot de familie der Phasianidae.

(Vert.)

De Reis om de Wereld · 第 51 / 56 段