kusten. Gode zij dank--nooit zal ik weer een slavenland bezoeken! Nog
heden herinnert elke gil, dien ik in de verte hoor, mij pijnlijk en
levendig aan de gevoelens die mij bestormden, toen ik voorbij een
huis bij Pernambuco gaande, het hartverscheurendste gejammer hoorde,
en niet anders kon denken dan dat hier een arme slaaf gemarteld
werd, terwijl ik wist dat ik even machteloos was als een kind, om
er zelfs iets van te zeggen! Ik vermoedde dat dit het gejammer was
van een gemartelden slaaf, want men vertelde mij andere gevallen van
dien aard. Bij Rio de Janeiro woonde ik tegenover eene oude dame,
die er schroeven op nahield om de vingers van hare slavinnen te
vermorzelen. Ik heb in een huis vertoefd, waar een jonge mulatbediende
dag aan dag, uur aan uur beschimpt, geslagen en gekweld werd op eene
manier, die zelfs den geest van het laagste dier zou dooden. Ik heb
een knaap van zes of zeven jaren tweemaal met eene paardenzweep op
het bloote hoofd zien striemen, voordat ik tusschenbeide kon komen,
alleen omdat het kind mij een glas water had gegeven dat niet geheel
schoon was. Ik zag zijn vader beven zoodra zijn meester maar de
oogen opsloeg. Deze laatste gruwelen woonde ik bij in eene Spaansche
kolonie, waar de slaven altijd beter behandeld heetten te worden,
dan door de Portugeezen, Engelschen of andere Europeanen. Te Rio de
Janeiro heb ik een krachtigen neger gezien, die bang was om een slag
af te weren, dien hij dacht dat op zijn gelaat gemunt was. Ik was
er bij, toen een goedhartig man op het punt stond de mannen, vrouwen
en kinderen van een groot aantal gezinnen, die lang te zamen hadden
gewoond, voor altijd te scheiden! Nu zal ik nog niet eens spreken
van de vele hartroerende wreedheden, die ik uit geloofwaardige bron
gehoord heb: en ook de bovenstaande schokkende bijzonderheden zou ik
niet hebben vermeld, indien ik niet een aantal lieden ontmoet had,
die zoo verblind waren door de natuurlijke vroolijkheid van den neger,
dat zij over de slavernij spraken als over een dragelijk kwaad. Zulke
lieden hebben meestal de huizen der hoogere standen bezocht, waar
het slavenpersoneel doorgaans goed behandeld wordt, en hebben niet,
zooals ik, onder de lagere standen verkeerd. Dergelijke onderzoekers
zullen slaven uithooren omtrent hun toestand, en daarbij vergeten,
dat het inderdaad een domme slaaf moet zijn, die niet rekent op de
kans, dat zijn antwoord ter oore kan komen van zijn meester.
Men beweert, dat eigenbelang buitensporige wreedheid zal voorkomen,
alsof eigenbelang onze huisdieren beschermde, die toch veel minder
dan verworpen slaven in staat zijn den toorn hunner woeste meesters
op te wekken! Het is een argument, waartegen de groote von Humboldt
lang geleden met ridderlijk gevoel te velde is getrokken, en dat
hij door treffende voorbeelden heeft toegelicht. Dikwijls poogt men
slavernij te verschoonen door den slavenstand te vergelijken met
onze armere landgenooten. Zoo de ellende onzer armen veroorzaakt
wordt--niet door de wetten der natuur, maar door onze instellingen,
dan zondigen wij zwaar; doch hoe dit in verband staat met slavernij,
kan ik niet inzien: even goed zou men in ons land het gebruik van
de duimschroef kunnen verdedigen, door te bewijzen dat menschen
in een ander land veel aan eene gevreesde ziekte leden. Zij, die
goedgunstig over slavenhouders denken, en met een koud hart over
den slaaf, schijnen zich nooit in den toestand van den laatsten te
stellen. Welk een vreugdeloos en troosteloos vooruitzicht--zelfs
geen hoop op verandering! Denk eens, lezer, dat u zelven steeds de
kans boven het hoofd hing, dat uwe vrouw en kinderen--de wezens,
die de natuur ook aan den slaaf vergunt de zijnen te noemen--aan
u ontrukt en aan den eersten den besten bieder als beesten wierden
verkocht! En zulke daden worden bedreven en verschoond door lieden,
die belijden dat zij hunne naasten liefhebben als zich zelven, die
in God gelooven en bidden dat Zijn wil zal geschieden op aarde! Ons
bloed kookt, maar ook ons hart krimpt bij de gedachte, dat wij,
Engelschen en onze Amerikaansche afstammelingen, met onze trotsche
vrijheidsleus zoo schuldig zijn geweest en nòg zijn; maar het is een
troost te denken, dat wij ten minste een grooter offer hebben gebracht
om voor onze zonden te boeten, dan ooit een ander volk deed!
Op den laatsten dag in Augustus 1836 ankerden wij voor de tweede maal
te Porto Praya op de Kaap-Verdische Eilanden, en zeilden van daar naar
de Azoren, waar wij zes dagen bleven. Op den 2den October bereikten
wij de Engelsche kust, en te Falmouth verliet ik eindelijk de Beagle,
na omtrent vijf jaren aan boord van dit kleine, maar degelijke schip
te hebben doorgebracht.
Aan het einde onzer Reis gekomen, zal ik een kort overzicht geven
van de voor- en nadeelen, alsmede de bezwaren en genoegens, welke
onze omvaring van de wereld heeft opgeleverd. Zoo iemand, voordat
hij eene groote reis ondernam, mij om raad vroeg, zou mijn antwoord
afhangen van de voorwaarde, of hij eene besliste neiging voor de
eene of andere wetenschap bezat, die langs dezen weg bevorderd kon
worden. Verschillende landen en de vele menschenrassen te zien,
is ongetwijfeld een groot genot; maar het genoegen dat men daarbij
smaakt, weegt niet op tegen de lasten. Zal eene vrucht worden geplukt,
of iets goeds worden bereikt, dan moet men een oogsttijd afwachten,
ook al is deze nog zoo ver.
Het is duidelijk, dat men zich vele verliezen moet getroosten: zoo,
bij voorbeeld, het gezelschap van alle oude vrienden, en het gezicht
van die plaatsen, waaraan de dierbaarste herinneringen ten nauwste
zijn verbonden. Die verliezen worden echter voor een deel verzacht
door het onuitsprekelijk voorgenot van den lang gewenschten dag van
wederkomst. Indien, zooals de dichters zeggen, het leven een droom is,
dan ben ik zeker, dat dergelijke droombeelden op reis het best geschikt
zijn om den langen nacht door te komen. Andere verliezen zijn er, die,
hoewel in 't eerst niet gevoeld, na verloop van tijd zwaar beginnen te
wegen; deze zijn het gemis van eene kamer, van afzondering, van rust;
het afmattende gevoel van voortdurende haast; het derven van kleine
weeldezaken; het gemis van huiselijke gezelligheid, en zelfs van
muziek of andere aesthetische genoegens. Wanneer wij zulke beuzelingen
vermelden, is het duidelijk dat de werkelijke bezwaren van het leven
op zee--rampen of onheilen uitgezonderd--voorbij zijn. De korte spanne
van 60 jaren heeft eene verbazende verandering teweeg gebracht in
het gerief van verre zeereizen. Nog in den tijd van Cook (1728-1779)
stond elk, die den huiselijken haard verliet om zulke tochten te
ondernemen, aan ernstige ontberingen bloot. Thans kan een yacht of
snelzeiler met alle levensgemakken den aardbol omvaren. Behalve de
groote verbeteringen in de schepen en de hulpmiddelen van het zeewezen,
staat thans de geheele westkust van Amerika open, terwijl Sydney de
hoofdstad is geworden van een opkomend werelddeel. Hoe geheel anders
zijn de omstandigheden voor iemand, die nu in den Stillen Oceaan
schipbreuk lijdt, vergeleken met die in de dagen van Cook! Sedert
zijne reis is aan de beschaafde wereld een halfrond toegevoegd.
Indien iemand veel aan zeeziekte lijdt, laat hij dan hiermede
ernstig rekening houden. Ik spreek uit ondervinding; het is een
kwaad, dat niet gering en niet binnen eene week genezen is. Heeft
hij daarentegen pleizier om op zee te dobberen, dan zal hij voor dat
genoegen zeker ruimschoots gelegenheid vinden. Men diene intusschen
wel in 't oog te houden, dat gedurende eene lange reis een zeer
groot deel van den tijd op het water wordt doorgebracht, vergeleken
met het oponthoud binnen de havens. En wat zijn nu de zoo geprezen
schoonheden van den grenzenloozen oceaan? Eene vervelende eenzaamheid,
een waterwoestijn, gelijk de Arabier hem noemt. Niettemin geeft hij
ons somtijds verrukkelijke tafereelen te zien. Schoon is een nacht met
maneschijn, bij helderen hemel en donker-glinsterende zee: de witte
zeilen gezwollen onder den zachten adem van een kalmen passaat, of
bij bladstille lucht, als het bolle zeevlak gepolijst en spiegelend
voor u ligt, en alleen het klapperend zeildoek nu en dan de stilte
verbreekt. Ook is het goed eens een donderbui te zien opkomen, die
u nadert in al hare woede, of een geweldigen orkaan die de golven
tot bergen verheft. Toch beken ik, dat mijne verbeelding zich iets
grootschers, iets vreeselijkers gemaald had van een woedenden
storm. Een onvergelijkelijk schooner schouwspel biedt hij op 't
strand gezien, waar de zwiepende boomen, de wilde vlucht der vogels,
de jagende stroomen, de donkere schaduwen en heldere tinten allen
den strijd der losgebroken elementen verkondigen. Op zee vliegen
albatros en kleine stormvogel met evenveel gemak, als ware de storm
hun eigenlijk element, en rijst en daalt het water, alsof het zijn
gewone taak volbrengt; alleen het schip en zijne bewoners schijnen
het voorwerp der algemeene woede. Op een eenzaam, door wind en zee
geteisterd strand is het tafereel weer anders, doch krijgen wij hier
meer een gevoel van afschrik, dan van wilde verrukking.
Laat ons nu de lichtere zijde van den afgeloopen tijd beschouwen. Het
genoegen, dat voortsproot uit het gezicht van de natuurtooneelen en
den algemeenen aanblik der verschillende door ons bezochte landen, is
beslist een bron geweest van duurzaamst en hoogst genot. Waarschijnlijk
wordt al wat wij zagen door het schilderachtig schoon in vele gedeelten
van Europa overtroffen; maar een toenemend genot levert het onderling
vergelijken van den aard der natuurtooneelen in verschillende landen,
hetgeen in zekeren zin iets anders is dan een louter bewonderen van
hunne schoonheid. Dit genot hangt voornamelijk af van onze bekendheid
met de onderdeelen van elk landschap; en ik ben zeer geneigd te
gelooven, dat--evenals iemand, die elken toon in de muziek begrijpt
en daarenboven een gepasten smaak bezit, een meer volkomen genot
van het ensemble zal hebben--ook hij die elk deel van een fraai
landschap onderzoekt, den vollen en samengestelden indruk er van
zal begrijpen. Zoo zou een reiziger plantkundige moeten zijn, want
in elk landschap vormen planten de hoofdversiering. Groepen naakte
rotsen kunnen somtijds, zelfs in hare ruwste gedaanten, een verheven
schouwspel opleveren; doch spoedig worden zij eentonig. Maal haar af
in heldere en afwisselende kleuren, zooals de Andes in het noorden
van Chili--en zij zullen phantastisch worden; maar bekleed ze met
planten--en zij moeten een aangenaam, zoo niet een schoon tafereel
vormen.
Als ik zeg, dat het landschap in sommige gedeelten van Europa
vermoedelijk schooner was dan die wij zagen, zonder ik daarvan, als
eene klasse op zich zelve, dat der tusschenkeerkringsstreken uit. Die
twee klassen kunnen niet samen vergeleken worden; doch, over het
grootsche dezer gewesten heb ik al dikwijls uitgeweid. Daar de kracht
der indrukken meestal afhangt van vooraf gevormde denkbeelden, mag ik
er bijvoegen, dat de mijne ontleend waren aan de levendige beschrijving
in von Humboldt's Relation Historique, die in verdienste elke andere
door mij gelezene overtreft. Maar zelfs met deze hoog opgevatte ideeën
ondervonden mijne gevoelens op verre na geen zweem van teleurstelling
bij mijne eerste en laatste landing op de kusten van Brazilië.
Van de landschappen, welke een diepen indruk op mijn geest maakten,
overtrof er geen in grootschheid de maagdelijke wouden, die de hand
des menschen ongerept had gelaten: hetzij die prachtvolle in Brazilië,
zoo overrijk aan vormen, waar het Leven heerscht in al zijne kracht:
hetzij die sombere in Vuurland, waar Dood en Verval den scepter
zwaaien. Beiden zijn tempels, gevuld met de velerlei voortbrengselen
uit Gods schoone Natuur! Niemand kan deze eenzaamheden betreden zonder
ontroering, er dolen zonder een gevoel, dat in den mensch iets meer
is dan alleen zijn ademtocht... Bij het oproepen van beelden uit
het verleden, zie ik telkens weer de vlakten van Patagonië voorbij
mijne oogen gaan--vlakten, die door ieder als nutteloos en ellendig
worden uitgekreten. Men kan ze slechts beschrijven met negatieve
eigenschappen: zonder woningen, zonder water, zonder boomen of bergen,
bevatten zij niets dan enkele dwergplanten. Maar waarom--en het geval
betreft niet alleen mij zelven--hebben die dorre wildernissen dan
zoo onwrikbaar in mij post gevat? Waarom hebben de nog vlakkere,
meer groene en vruchtbare Pampas, nog dienstig daarenboven voor
het menschdom, niet een even sterken indruk nagelaten? Ik kan deze
gevoelens moeilijk uitdrukken; maar deels zijn zij hieraan toe te
schrijven, dat de verbeelding er den vrijen teugel viert. En kan
het anders? De vlakten van Patagonië zijn grenzenloos; want zij
zijn bijna ontoegankelijk en dientengevolge onbekend. Zij dragen
het stempel van eeuwenlang geduurd te hebben zooals zij nu zijn, en
onbeperkt schijnt haar duur in de toekomst. Denkt men tevens aan de
onderstelling der Ouden, dat de platte aarde omringd was door eene
onmetelijke watervlakte of door ondraaglijk heete woestijnen--wie
zou dan niet met indrukken van diep en onbestemd gevoel die uiterste
grenzen van menschelijke kennis beschouwen?
Tot de natuurtafereelen behooren eindelijk de vergezichten van
hooge bergen, die, hoewel in zekeren zin niet bepaald mooi, toch
zeer gedenkwaardig zijn. Toen ik, door geen nietige bijzonderheden
in het berglandschap gestoord, van de hoogste kruin der Cordilleras
naar omlaag zag, werd mijn geest overstelpt door de ontzagwekkende
afmetingen der omringende bergen!
Wat menschenrassen betreft, wekt niets zoozeer onze verbazing als
het eerste gezicht van een wilde: van een mensch in den laagsten en
wildsten natuurstaat in de schuilhoeken van zijn geboorteland. Onze
geest snelt eeuwen, eeuwen ver terug en vraagt zich af: is 't mogelijk,
dat onze stamvaderen in de geschiedenis der menschheid geweest zijn
zooals deze wilden? Menschen, wier gebaren en uitdrukkingen nog
minder verstaanbaar voor ons zijn dan die der huisdieren? Menschen,
die niet het instinct dezer dieren bezitten, maar ook niets dat bogen
kan op menschelijk verstand--althans op kunsten, die de vruchten zijn
van dat verstand? Ik geloof niet, dat het mogelijk is het verschil
te beschrijven, of te malen, tusschen een wilden en een beschaafden
mensch. Het is als het verschil tusschen een wild en een tam dier;
en onze belangstelling bij het zien van een wilde is voor een deel
dezelfde, als die ons zou doen wenschen den leeuw te zien in zijn
woestijn, den tijger als hij zijn prooi in den dsjungel verscheurt,
of den rhinoceros, zwervend over de woeste vlakten van Afrika.
Tot de merkwaardigste natuur- en hemelverschijnsels, die wij gezien
hebben, mogen gerekend worden: de Magelhaensche Wolken, [400] het
Zuiderkruis en de andere sterrenbeelden van den zuidelijken hemel; eene
waterhoos; een gletscher met zijn blauwen ijsstroom, die als een steile
rotswand boven de zee hing; een laguneneiland, dat door de rifvormende
koralen tot aan de zee was opgebouwd; eene vulkanische uitbarsting,
en eene hevige aardbeving met al hare verpletterende gevolgen. Ik stel
in deze laatste verschijnselen bijzonder veel belang, misschien wegens
hun nauw verband met den geologischen bouw van onze planeet; maar in
't algemeen moet de aardbeving voor ieder een gebeurtenis zijn, die
de sterkste indrukken achterlaat. De aarde, die wij van onze vroegste
kindsheid af als het zinnebeeld van vastheid hebben beschouwd, heeft
als eene dunne korst onder onze voeten gebeefd; en ziende, hoe de
hechtste werken van den mensch in een oogwenk worden omvergeworpen,
beseffen wij hoe nietig de macht is, waarop hij zich verheft!--
Men zegt, dat de liefhebberij in de jacht een genot is, dat den
menschen aankleeft--een overblijfsel van een instinctmatigen
hartstocht. Zoo ja, dan ben ik zeker, dat het genoegen om in de
open lucht te leven met den hemel als dak en de aarde als tafel,
een deel is van die zelfde zucht: het is de wilde mensch, die tot
zijne wilde en aangeboren leefwijze terugkeert. Altijd zie ik op onze
boottochten en mijne uitstappen te land--wanneer deze geschiedden door
onbewoonde streken--met een bijzonder genot terug, hetwelk geen land
der beschaafde wereld had kunnen verschaffen. Ik twijfel niet, of elk
reiziger zal zich het zegepralende gevoel van blijdschap herinneren,
dat in hem opwelde toen hij voor 't eerst in een onbekend land ademde,
waar de beschaafde mensch zelden of nooit een voet gezet had.
Op eene lange reis ontmoet men vele andere bronnen van genot, die
van meer bescheiden aard zijn. De wereldkaart is nu niet langer een
blad papier, maar wordt een schilderij vol van de afwisselendste en
levendigste figuren. Elk deel verkrijgt zijne juiste afmetingen;
vastelanden gelden niet langer als eilanden, en eilanden, die
menigmaal grooter zijn dan vele koninkrijken in Europa, niet langer
als stippen. Afrika, of Noord- en Zuid-Amerika zijn welklinkende
namen en laten zich gemakkelijk uitspreken; doch eerst nadat men
weken achtereen langs hunne kusten heeft gevaren, krijgt men de volle
overtuiging welke uitgestrekte ruimten op onze groote aarde met deze
eenvoudige namen bedoeld worden.
De tegenwoordige toestand, waarin wij een bijna geheel halfrond hebben
leeren kennen, kan niet anders dan hooge verwachtingen schenken omtrent
zijn toekomstigen voorspoed. Waarschijnlijk is de verbetering, die,
dank zij de invoering van het Christendom, over de geheele Zuidzee
in gang is, éénig in de jaarboeken der geschiedenis. Dit is des te
merkwaardiger, zoo wij bedenken, dat Cook, wiens uitnemend oordeel
wel door niemand zal worden betwist, pas 60 jaren geleden geen
uitzicht op verandering kon geven. Toch zijn die veranderingen door
den menschlievenden geest der Britsche natie thans tot stand gebracht.
In denzelfden hoek van den aardbol is Australië op weg zich te
verheffen, of, kan men zeggen, heeft het zich verheven tot een
groot beschavingsmiddelpunt, dat in eene niet zeer verre toekomst
als Keizerin zal heerschen over het zuidelijk halfrond. Het is niet
mogelijk, dat een Engelschman deze verre kolonies anders dan met
rechtmatigen hoogmoed en voldoening beschouwt. Rijkdom, voorspoed
en beschaving schijnen de wisse gevolgen te zijn, welke het hijschen
van de Britsche vlag na zich voert.
Tot besluit schijnt het mij toe, dat er voor een jongen
natuuronderzoeker niets bevorderlijkers zijn kan, dan eene reis naar
verre landen. Zulk eene reis--merkt Sir John Herschel op--versterkt
en stilt gedeeltelijk de behoeften en wenschen, die in den mensch
opwellen ook dan, wanneer aan alle stoffelijke begeerten voldaan
is. Het opwekkende gevoel, dat de studie van nieuwe voorwerpen of
verschijnselen en de kans op welslagen doen ontstaan, prikkelen hem tot
meerdere werkzaamheid, terwijl daarenboven de gewoonte om los staande
feiten met elkaar te vergelijken, die anders spoedig onbelangrijk
worden, hem tot algemeene beschouwingen leiden. Hier staat tegenover,
dat de beschrijvingen van den reiziger, die uitteraard slechts kort
op elke plaats vertoeft, meestal uit louter schetsen moeten bestaan,
in stede van uitvoerige waarnemingen. En daaruit ontspruit, gelijk
ik tot mijne schade ondervonden heb, eene voortdurende zucht om
de wijde leemten in onze kennis aan te vullen met onnauwkeurige en
oppervlakkige hypothesen.--
Maar, ik heb mijne reis te volop genoten, om niet elken
natuuronderzoeker aan te bevelen alle kansen te wagen, en zoo mogelijk
landreizen, of anders eene verre zeereis te doen, hoewel hij er
niet op moet rekenen zoo gelukkig in zijne reisgenooten te zijn,
als ik het was. Hij kan er van verzekerd zijn, dat hij, behalve in
zeldzame gevallen, geen moeilijkheden of gevaren zal ontmoeten, die
niet geringer zullen blijken dan hij te voren verwacht heeft. Uit
een zedelijk oogpunt behoort het gevolg te zijn, dat hij leere
opgeruimdheid te paren aan geduld, zijne eigenliefde te overwinnen,
zich te gewennen aan zelfstandig handelen, en zich zoo goed mogelijk
in alle omstandigheden te schikken. In 't kort, hij behoort de
eigenschappen te leeren, welke de meeste zeelieden bezitten. Ook
moet de reis hem leeren anderen te wantrouwen; maar tevens zal hij
dan ontdekken, hoevele oprecht welwillende menschen er zijn, die,
schoon hij vroeger nooit met hen in aanraking kwam noch later ooit weer
komen zal, toch bereid zijn hem op de onbaatzuchtigste wijze te helpen.
EINDE.
HERLEIDING VAN EENIGE IN DIT WERK VOORKOMENDE ENGELSCHE MATEN EN
GEWICHTEN.
1 Foot (12 inches) 30.48 cm.
1 Square foot (144 vierkante inches) 929.014 qcm.
1 Inch (10 lines, vroeger 12 lines) 2.54 cm.
1 Square inch 6.451 qcm.
1 Land yard (in Hertford) = 3 feet 91.44 cm.
1 Yard (als winkelmaat) = 4 quarters 91.44 cm.
1 Square yard 0.836 qm.
1 English ell = 5 quarters 114.30 cm.
1 Fathom = 6 feet 182.88 cm.
1 Statute mile of British mile (algemeen "Engelsche
mijl" genoemd) = 5280 feet 1609.330 m.
1 English mile = 5000 feet 1523.986 m.
1 Nautical mile of Geographical mile = 1/60
Equatorgraad (1/60 van 111.2979 kilom.) 1854.965 m.
1 League = 3 Miles 3 British miles 4827.989 m.
3 London miles 4571.959 m.
3 Nautical miles 5564.895 m.
1 Mile of land of Square Statute Mile = 640 acres 258.994 ha.
2.58994 qkm.
1 Square Geographical Mile = 3.44090 qkm.
1 Acre (of land) = 4 roods 40.468 aren.
1 Admiralty knot = 6080 feet 1853.167 m./h.
1 Pound (Avoirdupois--Handelsgewicht) = 16 ounces 453.593 g.
1 Ounce 28.350 g.
1 Ton = 2240 pounds 1016.048 kg.
1 Imperial gallon 4.544 lit.
INHOUD.
Charles Darwin 5
Inleiding 7
Voorwoord van den Schrijver 9
Hoofdstuk I.
St.-Jago. De Kaap-Verdische Eilanden 13
Hoofdstuk II.
Rio de Janeiro 35
Hoofdstuk III.
Maldonado 61
Hoofdstuk IV.
Van de Rio Negro naar Bahia Blanca 91
Hoofdstuk V.
Bahia Blanca 114
Hoofdstuk VI.
Van Bahia Blanca naar Buenos Aires 147
Hoofdstuk VII.
Van Buenos Aires naar Santa Fé 168
Hoofdstuk VIII.
Oost-Banda en Patagonië 193
Hoofdstuk IX.
De Santa Cruz, Patagonië en de Falklands-Eilanden 238
Hoofdstuk X.
Tierra del Fuego of Vuurland 274
Hoofdstuk XI.
De Straat van Magelhaen. Het klimaat der zuidelijke
kusten 313
Hoofdstuk XII.
Midden-Chili 341
Hoofdstuk XIII.
Chiloë en de Chonos-Eilanden 369
Hoofdstuk XIV.
Chiloë en Concepcion.--Eene hevige aardbeving 393
Hoofdstuk XV.
Overtocht van de Cordilleras 424
Hoofdstuk XVI.
Noord-Chili en Peru 455
Hoofdstuk XVII.
De Galápagos-Archipel 502
Hoofdstuk XVIII.
Tahiti (of Taïti) en Nieuw-Zeeland 542
Hoofdstuk XIX.
Australië 580
Hoofdstuk XX.
Keeling-Eiland.--Koraalvormingen 608
Hoofdstuk XXI.
Mauritius. Terugkeer naar Engeland 650
Herleiding van eenige in dit werk voorkomende
Engelsche maten en gewichten 683
Alphabetisch Register 684
Verbeteringen 699
AANTEEKENINGEN
[1] Het reisdagboek van Charles Darwin's bijna vijf jaar durende
reis om de wereld aan boord van de Beagle. Tijdens deze reis werden
de grondslagen gelegt voor zijn latere evolutietheorie.
[2] Darwin's vader had namelijk geen zin zijn zoon deze reis te
laten ondernemen, dan op voorwaarde, dat deze een man vond, die het
hem ernstig aanried. Deze man was Darwin's oom. Voorts had kapitein
Fitz-Roy, commandant van de Beagle, aanvankelijk er op tegen, dat
Darwin als natuuronderzoeker meêging, om reden diens neus, waarin hij
gebrek aan energie meende te lezen, hem niet beviel. Kapitein Fitz-Roy
was namelijk een leerling van Lavater. (Noot van den vertaler.)
[3] Ik moet deze gelegenheid aangrijpen om mijn oprechten dank te
betuigen aan den heer Bynoe, arts op de Beagle, voor zijne zeer
vriendelijke zorgen jegens mij, toen ik te Valparaiso ziek was.
[4] De Britsche Minister van Financiën.
[5] Een student, die zijn eersten graad nog niet bereikt heeft.
(Vert.)
[6] Dit op gezag van Dr. E. Dieffenbach in zijne Duitsche vertaling
van de eerste uitgaaf van dit Dagboek.
[7] Tusschen Frankrijk en de gealliëerde Staten Spanje, Portugal en
Engeland (1807-1814.)
[8] De Kaap-Verdische Eilanden werden ontdekt in 1449. Er was een
grafsteen van een bisschop met het jaartal 1571, en het bovendeel
van een hand en een dolk met het jaartal 1497.
[9] Numida, eene soort behoorende tot de familie der Phasianidae.
(Vert.)