Deadwood volgens het door generaal Beatson gegeven verhaal ondergaan
hebben, is uiterst merkwaardig. Daarin heet het, dat beide vlakten in
vroegeren tijd met bosschen waren bedekt, en daarom the Great Wood
of het Groote Bosch genoemd werden. Nog in het jaar 1716 stonden er
vele boomen, maar in 1724 waren de oude boomen meerendeels gevallen;
en daar men geiten en varkens had laten rondloopen, waren alle jonge
boomen gedood. [387] Ook blijkt uit de officiëele berichten, dat de
boomen eenige jaren later onverwacht werden opgevolgd door een dradig
gras, dat zich over de geheele oppervlakte verspreidde. Beatson voegt
er bij, dat deze vlakte "thans met een fraai grasveld bedekt en het
mooiste stuk weiland op St.-Helena geworden is." De uitgestrektheid van
het gebied, dat in vroegeren tijd met bosch bedekt was, wordt op niet
minder dan 2000 acres [388] geschat; maar tegenwoordig is er bijna geen
enkele boom meer over. Ook zegt men, dat er in 1709 in Sandy-Bay groote
menigten doode boomen waren; en nu is die plek eene zoo volslagen
woestenij, dat geen ander dan zulk een geloofwaardig bericht mij ooit
had kunnen doen gelooven, dat daar eenmaal boomen konden groeien. Het
feit, dat de geiten en varkens alle jonge boomen bij hunne ontkieming
verwoestten, en dat de oude die van hunne aanvallen verschoond bleven
na verloop van tijd door ouderdom stierven, schijnt klaar bewezen te
zijn. Geiten werden ingevoerd in het jaar 1502; acht en zestig jaren
later, ten tijde van den Britschen zeevaarder Thomas Cavendish, [389]
weet men dat zij er verbazend talrijk waren. Meer dan een eeuw later,
in 1731, toen de ramp volkomen en onherstelbaar was, werd een bevel
uitgevaardigd, dat alle losloopende dieren gedood moesten worden. Hier
zien wij dus een feit van groot belang, nl., dat de komst van dieren
op St.-Helena in 1502 het geheele aanzien van het eiland niet eer
veranderde, voordat er eene tijdruimte van 222 jaren verstreken was;
want de geiten werden ingevoerd in 1502, en in 1724 wordt gezegd dat
de boomen meerendeels gevallen waren. Er kan weinig twijfel bestaan,
of deze groote verandering in den plantengroei had niet alleen gevolgen
op de landschelpdieren, waarvan zij acht soorten deed uitsterven,
maar ook op eene menigte insecten.
Door zijne ligging, zoo ver van eenig vasteland, te midden van een
grooten oceaan, en door het bezit van eene flora welke eenig is in hare
soort, wekt St.-Helena onze belangstelling. De acht landschelpdieren,
ofschoon nu uitgestorven, zijn, evenals de nog levende Succinea,
bijzondere soorten die nergens anders worden gevonden. Cuming meldt mij
echter, dat hier een Engelsche Helix (schelp- of huisjesslak) voorkomt,
waarvan de eieren ongetwijfeld in eene van de vele ingevoerde planten
herwaarts zijn gebracht. Vogels en insecten zijn, zooals te verwachten
was, zeer gering in aantal; en wat de eersten betreft, geloof ik,
dat die allen in de laatste jaren zijn ingevoerd. [390] Patrijzen
en fazanten zijn vrij talrijk: het eiland is te zeer Engelsch, om
niet aan strenge jachtwetten onderworpen te zijn. Men vertelde mij
een geval van opoffering aan zulke bepalingen, zoo onrechtvaardig
als ik zelfs in Engeland nooit gehoord heb. Vroeger plachten arme
lieden eene plant te verzamelen, die op de kustrotsen groeit, en na
hare verbranding de soda uit de asch naar elders te verzenden. Maar
plotseling kwam een streng bevel om deze handelwijze te verbieden,
onder voorwendsel, dat de patrijzen anders nergens konden nestelen!
Op mijne wandelingen stak ik meer dan eens de door diepe valleien
begrensde grasvlakte over, waarop Longwood staat. Van nabij gezien,
doet dit zich voor als een landgoed van aanzienlijke grootte. Daar
tegenover liggen enkele bebouwde velden, en achter dezen de berg
Flagstaff met zijne gladde oppervlakte en gekleurd gesteente, alsmede
het ruwe, plompe, zwarte berggevaarte, de Barn genaamd. Over het geheel
was de aanblik eenigszins koud en onaantrekkelijk. De eenige last,
dien ik op mijne wandelingen ondervond, waren de hevige winden. Eens
was ik getuige van het volgende vreemde natuurverschijnsel. Op den rand
eener hoogvlakte staande, die door eene groote klip van omstreeks 1000
voet diepte begrensd werd, zag ik enkele yards ver, vlak bovenwinds,
eene zeezwaluw tegen eene zeer sterke bries worstelen, terwijl op
de plek waar ik stond de lucht geheel kalm was. Toen ik het strand
dicht genaderd was, waar de stroom opwaarts van den klipwand scheen
te worden afgedreven, stak ik mijn arm uit en voelde terstond de volle
kracht van den wind. Hier scheidde een onzichtbare, twee yards breede
dam eene volkomen kalme lucht van een krachtigen storm.
Ik had zooveel genot van mijne zwerftochten tusschen de rotsen en
bergen, dat ik op den morgen van den 14den Juli bijna met spijt naar
de stad afdaalde. Vóór den middag was ik aan boord en ging de Beagle
onder zeil.
Op den 19den Juli bereikten wij Ascension. Personen, die een vulkanisch
eiland hebben gezien, dat in een droog klimaat gelegen is, zullen
zich den aanblik van Ascension terstond kunnen voorstellen. In hunne
verbeelding zullen zij dan gladde kegelvormige bergen zien van een
lichtroode kleur, met meestal afgeknotte toppen, die, onderling
gescheiden, zich uit een horizontaal oppervlak van ruwe zwarte lava
verheffen. Een hoofdberg in het midden van het eiland schijnt de vader
der kleinere kegels, en draagt den naam van Green Hill of Groene berg,
ontleend aan de zeer zwakke tint van die kleur, welke in dezen tijd
van het jaar nauwelijks van de ankerplaats is waar te nemen. Eene
woeste en onstuimige zee, die op de zwarte rotsen aan de kust beukt,
voltooit dit sombere tafereel.
De nederzetting ligt in de nabijheid van het strand en bestaat uit
verscheidene witte hardsteenen huizen en loodsen, die ongeregeld
geplaatst, maar goed gebouwd zijn. De bewoners zijn uitsluitend
zeesoldaten, behalve eenige uit slavenschepen bevrijde negers,
die door het gouvernement betaald en van levensmiddelen worden
voorzien. Op het geheele eiland woont geen enkel particulier. [391]
Onder de zeesoldaten schenen vele met hun toestand wel tevreden;
zij achtten het beter hunne 21 jaren aan land te dienen--hoe dit
land ook zijn mocht--dan op een schip; en indien ik zeesoldaat was,
zou ik van harte met deze keus instemmen.
Den volgenden morgen beklom ik den 2840 voet hoogen Green Hill, [392]
en wandelde van daar over het eiland naar de windzijde. Een goede
wagenweg voert van de nederzetting op de kust naar de huizen met tuinen
en velden, die zich nabij den top van den centralen berg bevinden. Ter
zijden van den weg staan mijlsteenen en vindt men waterputten, waaruit
elk dorstig voorbijganger een teug goed water kan drinken. Eene
dergelijke zorg wordt in elk deel der kolonie in acht genomen,
en vooral wat het onderhoud der bronnen betreft, opdat geen enkele
druppel water verloren zal gaan; inderdaad kan het geheele eiland
vergeleken worden met een groot schip, dat op de voortreffelijkste
wijze onderhouden wordt. Toen ik de groote nijverheid bewonderde, die
met zulke geringe middelen dergelijke resultaten had voortgebracht, kon
ik tevens de spijt niet onderdrukken, dat al die nijverheid verspild
werd voor zulk een armzalig en beuzelachtig doel. Lesson heeft terecht
opgemerkt, dat alléén de Engelsche natie op het denkbeeld zou komen
om van het eiland Ascension eene vruchtbare plek te maken, waar elk
ander volk het slechts als fort in den oceaan zou gebruiken.
Bij de kust groeit niets; verder landwaarts in kan men soms eene
groene castorolie-plant [393] en enkele sprinkhanen ontmoeten, bekend
als ware vrienden van de wildernis. Over de oppervlakte der centrale
hoogvlakte is eenig gras verspreid, en het geheel heeft veel weg van
de slechtere gedeelten in het gebergte van Wallis. Maar al lijkt de
weide ook schraal, toch vinden ongeveer 600 schapen, vele geiten,
benevens enkele koeien en paarden er ruim hun voedsel. Onder de
inlandsche dieren wemelt het van landkrabben en ratten. Of de rat
werkelijk inheemsch is, mag men terecht betwijfelen; volgens de
beschrijving van Waterhouse zijn er twee variëteiten of speelsoorten:
de eene heeft eene zwarte kleur, een fraai glad vel, en leeft op
het met gras bedekte hoogland; de andere is bruinachtig van kleur,
minder glad, heeft langer haar, en leeft bij de nederzetting op de
kust. Deze beide speelsoorten zijn een derde kleiner dan de gewone
zwarte rat (Mus rattus), en verschillen van deze zoowel in kleur
als in den aard van haar vel; maar verder in geen ander opzicht van
belang. Ik kan moeilijk betwijfelen of deze ratten zijn ingevoerd
(evenals de gewone muis, die óók verwilderd is), en hebben, evenals
op de Galápagos-Eilanden, de veranderingen ondergaan, die voortsproten
uit de nieuwe levensvoorwaarden waaraan zij werden onderworpen; daarom
verschilt ook de speelsoort op de hoogvlakte van het eiland van die
op de kust. Inheemsche vogels ontbreken geheel; maar de paarlhoen
(Numida), die van de Kaap-Verdische Eilanden werd ingevoerd, is er
talrijk, en de gewone kip loopt ook in 't wild. Eenige katten, die
oorspronkelijk op het verdelgen van ratten en muizen uittrokken,
zijn zoozeer in aantal toegenomen, dat zij eene groote plaag zijn
geworden. Het eiland bezit geen enkelen boom, en is, zoowel in dit
als in elk ander opzicht, veel minder dan St.-Helena.
Een mijner uitstapjes voerde mij naar de zuidwestpunt van het
eiland. Het was een heldere en warme dag; maar in plaats dat ik nu
het eiland op zijn schoonst zag, stralend in het zonlicht, grijnsde
het mij tegen in al zijne naakte leelijkheid. De lavastroomen zijn
met heuveltjes bedekt en zoo ruw, dat het niet gemakkelijk is dit
geologisch te verklaren. De tusschenruimten liggen verborgen onder
lagen puimsteen, asch en vulkanischen tufsteen. Toen ik over zee
langs dit deel van het eiland ging, kon ik niet begrijpen wat de witte
vlekken waren, waarmee de gansche vlakte gestippeld was; nu vond ik,
dat het zeevogels waren, die zoo vol vertrouwen lagen te slapen,
dat men zelfs midden op den dag naar hen toe kon wandelen en hen
grijpen. Deze vogels waren de eenige levende wezens, die ik gedurende
den ganschen dag zag. Ofschoon er eene zwakke bries op de kust stond,
rolde eene sterke branding over de gebroken lavarotsen.
De geologie van dit eiland is in vele opzichten belangrijk. Op
verscheidene plaatsen ontdekte ik vulkanische bommen, d.w.z. klompen
lava, die eenmaal in vloeibaren staat in de lucht werden geslingerd
en dientengevolge eene bol- of peervormige gedaante hebben
aangenomen. Zoowel hare uitwendige, als in vele gevallen ook hare
inwendige structuur verraadt op zeer treffende wijze, dat zij in hare
luchtbaan om eene as hebben gewenteld. In nevenstaande figuur is de
inwendige structuur van eene dezer gebroken bommen zeer nauwkeurig
voorgesteld.
Het middengedeelte bestaat uit grove cellen, die naar buiten toe in
grootte afnemen, tot waar zij omsloten zijn door een schaalvormig
kapsel, ongeveer een derde inch dik, van vast gesteente, dat weder aan
de buitenzijde met eene korst van fijncellige lava bedekt is. Naar mijn
idee kan er weinig twijfel bestaan, ten eerste, dat de buitenkorst
snel afkoelde in den toestand waarin wij haar nu zien; ten tweede,
dat de nog vloeibare kernlava door de middelpuntvliedende kracht,
die de aswenteling der bom in 't leven riep, tegen de afgekoelde
buitenkorst werd gedreven en zoo de vaste steenen schaal vormde;
en eindelijk, dat de middelpuntvliedende kracht, welke de drukking
in de meer centrale gedeelten der bom verminderde, aan de ingesloten
verhitte gassen gelegenheid gaf de kerncellen uit te zetten, en aldus
de grofcellige binnenmassa deed ontstaan.
Een uit de oudere reeks van vulkanische gesteenten gevormde heuvel,
dien men ten onrechte voor een vulkaankrater heeft gehouden, is
belangrijk doordat zijn breede, eenigszins holle, cirkelvormige
top gevuld is met een aantal opvolgende lagen van asch en fijne
slakken. De schotelvormige lagen puilen over den rand, waar zij
zuivere, verschillend gekleurde ringen vormen, en zoodoende aan den
top een hoogst phantastisch aanzien geven; een dezer ringen is wit en
breed, en gelijkt op eene renbaan waar paarden worden geoefend: vandaar
dat deze heuvel den naam van Devil's Riding School (Duivels-Rijschool)
ontving. Uit een der tufhoudende lagen die eene bleekroode kleur had,
nam ik eenige specimens stof mee naar Engeland. Na opzending daarvan
aan Prof. Ehrenberg, meldde deze mij het hoogst belangrijke feit,
dat die stof bijna geheel uit bewerktuigde wezens [394] bestond. Hij
ontdekte daarin eenige kiezelschalige zoetwater-infusoria, en
daarenboven niet minder dan 25 verschillende soorten kiezelskeletten
van planten, voornamelijk grassen. Wegens het ontbreken van alle
koolstofhoudende verbindingen, houdt Ehrenberg het er voor, dat deze
organische lichamen den vulkanischen vuurdoop hebben ondergaan, en
uitgeworpen zijn in den toestand, waarin wij hen nu zien. Het voorkomen
der lagen deed mij denken, dat zij onder water waren afgezet, ofschoon
het buitengewoon droge klimaat mij tot de onderstelling leidde,
dat er gedurende eene groote uitbarsting waarschijnlijk stroomen
regen waren gevallen, en zoo een tijdelijk meer was gevormd, waarin
de asch viel. Thans mag men echter aannemen, dat het geen tijdelijk
meer was. Hoe dit ook zij, wij kunnen ons verzekerd houden, dat het
klimaat en de voortbrengselen van Ascension in een vroeger tijdperk
zeer verschilden van wat zij nu zijn. Bij het zien van dit eiland
vragen we ons weder af: waar kunnen wij op aarde een plek vinden, die
niet bij aandachtig onderzoek teekenen openbaart van die eindelooze
reeks van veranderingen, waaraan onze planeet onderhevig was, is,
en zijn zal?
Na Ascension te hebben verlaten, zeilden wij naar Bahia op de kust
van Brazilië, ten einde de chronometrische opmeting van de wereld te
voltooien. Op 1 Augustus 1836 kwamen wij hier aan, en bleven er vier
dagen, in welken tijd ik verscheidene lange wandelingen deed. Met
genoegen ontdekte ik, dat mijne belangstelling in het tropische
landschap door het ontbreken van nieuwe gegevens er volstrekt niet
op verminderd was. De onderdeelen van het landschap zijn hier zoo
eenvoudig, dat zij verdienen genoemd te worden als een bewijs van
welke nietige omstandigheden een uitgezocht natuurschoon afhangt.
Het oord kan worden beschreven als eene effene vlakte van omstreeks 300
voet hoogte, welke overal doorsneden is van valleien met horizontale
bodems. In een land waar de bodem uit graniet bestaat, is zulk een
structuur merkwaardig; doch in al die zachtere formaties waaruit
vlakten gewoonlijk bestaan, is zij nagenoeg algemeen. De geheele
oppervlakte is bedekt met verschillende soorten van rijzig geboomte,
afwisselend met strooken ontgonnen grond, waarop huizen, kloosters
en kapellen verrijzen. Hier zij herinnerd, dat in de keerkringen de
rijkdom van wild natuurschoon zelfs in de nabijheid van groote steden
niet verloren gaat, want de natuurlijke plantenwereld der hagen en
heuvelhellingen beheerscht op schilderachtige wijze het kunstwerk
van den mensch. Dientengevolge zijn er slechts enkele plekken,
waar de lichtroode grond eene scherpe tegenstelling vormt met het
algemeen bekleedsel van groen. Van de zoomen der vlakten heeft men
vergezichten hetzij op den oceaan, hetzij op de groote Baai met hare
laag begroeide stranden, en waarop talrijke booten en kano's hare witte
zeilen vertoonen. Behalve van deze punten is het landschap uiterst
begrensd; want volgt men de effen paden rechts en links, dan kan men
de met bosch bedekte dalen slechts vluchtig te zien krijgen. Ik kan
er bijvoegen, dat de huizen, en vooral de kerkelijke gebouwen in een
eigenaardigen en eenigszins phantastischen stijl zijn opgetrokken. Daar
al die huizen gewit zijn, teekenen zij zich in 't licht der stralende
middagzon op den matblauwen hemel aan de kim eerder af als schimmen,
dan als gebouwen.
Zoo zijn de onderdeelen van het landschap; maar het zou een hopeloos
werk zijn den algemeenen indruk er van te schilderen. Geleerde
natuuronderzoekers beschrijven deze tropische landschappen door eene
menigte voorwerpen te noemen, en eenige bijzonderheden te vermelden die
elk hunner kenmerken. Een geleerd reiziger kan daaruit mogelijk eenige
duidelijke begrippen putten; maar wie kan anders, door eene plant in
een herbarium te zien, zich voorstellen hoe zij er uitziet als zij
in haar geboortegrond groeit? Wie kan, bij het zien van keurplanten
in eene broeikas, eenige er van vergroot denken tot de afmetingen van
woudboomen, andere als dicht dooreengevlochten tot een ontoegankelijk
struikgewas? Wie zal, als hij de bonte, uitheemsche kapellen en
eigenaardige cicadae gadeslaat in het kabinet van den entomoloog,
zich bij die levenslooze vormen ook voorstellen de onafgebroken
schorre muziek der laatsten, de trage vlucht der eersten--twee
kenmerken, die op een stillen, gloeienden middag in de tropen nooit
ontbreken? Het is wanneer de zon hare grootste hoogte heeft bereikt,
dat men zulke landschappen zien moet: dan hult het dichte, prachtige
gebladerte van den mango-boom den grond in zijn diepste schaduw,
terwijl de bovenste takken door den overvloed van licht prijken in
het schitterendste groen. In de gematigde streken is dit anders:
daar is de plantengroei niet zoo donker of weelderig, en zijn het
de purper-, rood-, of lichtgeel gekleurde stralen der namiddagzon,
welke het meest tot de schoonheid dier streken bijdragen.
Wanneer ik kalm over de belommerde paden wandelde en de opvolgende
tafereelen bewonderde, wenschte ik woorden te vinden om mijne gedachten
uit te drukken. Doch vruchteloos: bijnaam op bijnaam bleken te zwak
om het genot dat de geest smaakt, te beschrijven aan hen, die de
tusschenkeerkringslanden niet bezocht hebben. Boven zeide ik, dat de
planten in eene broeikas onmachtig zijn om een juist denkbeeld van de
flora te geven; toch moet ik tot dien zwakken maatstaf terugkeeren. Het
land is ééne groote, woeste, ongerepte en rijk gevulde broeikas,
door de Natuur voor zich zelve gemaakt, maar door den mensch in
bezit genomen, die haar met vriendelijke huizen en regelmatige tuinen
heeft gestoffeerd. Hoe gaarne zou niet elk bewonderaar der natuur,
indien zulks mogelijk was, het landschap op eene andere planeet
willen zien? Welnu, men kan in waarheid zeggen, dat zich voor elken
Europeaan op een afstand van slechts weinige lengtegraden de pracht
eener andere wereld ontsluit! Op mijne laatste wandeling bleef ik
bij herhaling staan om deze schoonheden te bewonderen, en poogde
zoo een onuitwischbaren indruk daarvan in mijne ziel te griffen,
schoon wetende dat die vroeg of laat toch zou vervloeien. De vormen
van den oranje- en kokosboom, den palm- en mangoboom, de boomvaren
en den banaan zullen duidelijk en scherp bewaard blijven; maar de
duizende tinten en vormen die met deze boomen een volledig landschap
samenstellen, moeten onherroepelijk vervloeien--mij niets nalatende
dan eene schilderij vol onbestemde doch overschoone figuren, evenals
een sprookje uit onze kinderjaren!
[6 Augustus.]
In den namiddag stevenden wij in zee, met het doel om rechtstreeks naar
de Kaap-Verdische Eilanden te gaan. Maar ongunstige winden hielden ons
terug, en zoo liepen wij den 12den Pernambuco binnen--eene groote stad
op 8° Z.B. aan de kust van Brazilië. Wij ankerden buiten het rif; doch
spoedig kwam een loods aan boord en bracht ons naar de binnenhaven,
waar wij dicht bij de stad lagen.
Pernambuco is gebouwd op eenige smalle en lage zandbanken, die door
ondiepe zoutwater-kanalen van elkander gescheiden zijn. De drie
deelen, waaruit de stad bestaat, zijn onderling door twee lange, op
houten palen gebouwde bruggen verbonden. De stad is op alle punten
afschuwelijk: de straten zijn smal, slecht geplaveid en morsig,
en de huizen zijn hoog en somber. Het seizoen der hevige regens was
nauwelijks geëindigd, en dientengevolge stond het omliggende land, dat
amper boven den zeespiegel ligt, geheel onder water. Dit was oorzaak,
dat al mijne pogingen om lange wandelingen te doen, mislukten. [395]
Het vlakke moerasland, waarop Pernambuco ligt, is op enkele mijlen
afstands omringd door een halven cirkel van lage heuvels, of liever
door den rand van een gebied, dat ongeveer 200 voet boven de zee
ligt. De oude stad Olinda ligt aan het eene einde dezer heuvelreeks. Op
zekeren dag nam ik een kano, en voer een der kanalen op om deze stad
te bezoeken, die met hare groote kloosters en kerken een treffenden
indruk maakt. Zij is zindelijker en aangenamer gelegen dan Pernambuco,
doch innerlijk vervallen. Hier moet ik vertellen wat ons voor de
eerste maal op onze vijfjarige reis overkwam, nl. dat wij gebrek aan
voorkomendheid ontmoetten; ik werd aan twee verschillende huizen op
knorrigen toon afgewezen, en kreeg aan een derde met moeite verlof om
door den tuin naar een onbebouwden heuvel te gaan, ten einde de streek
te overzien. Het doet mij genoegen, dat dit in het land der Brazilianen
gebeurde, want ik draag hun geen goed hart toe; ook is het een land
van slavernij en dus van zedelijk verval. Een Spanjaard zou zich
schamen over het denkbeeld alléén, dat hij zulk een verzoek weigerde
of zich ruw tegen een vreemdeling gedroeg. Het kanaal, waardoor wij
naar Olinda gingen en van daar terugkeerden, was aan beide zijden met
mangleboomen (Rhizophora mangle) begroeid, [396] die als een woud in
't klein uit de vettige modderbanken verrezen. De lichtgroene kleur
dezer bosschages herinnerde mij aan het welige gras op een kerkhof;
beiden worden gevoed door bedorven uitwasemingen: het een spreekt
van dood in het verleden, het ander zeer vaak van dood in de toekomst.
Het eigenaardigste gewrocht, dat ik in dezen omtrek zag, was het
rif dat de haven vormt. [397] Ik twijfel of er op de geheele wereld
een tweede natuurgewrocht bestaat met zulk een kunstig voorkomen. Het
loopt over een lengte van verscheidene mijlen in eene volkomen rechte
lijn evenwijdig met en niet ver [398] van het strand. Zijne breedte
wisselt af van 30 tot 60 yards; de oppervlakte is vlak en effen, en
het is saamgesteld uit onduidelijk gelaagden, harden zandsteen. Bij
hoog water spoelen de golven er over heen; bij laag water blijft het
bovengedeelte droog, en zou men het licht voor een pier of golfbreker
houden, die door cyklopische arbeiders gebouwd is. Tegenover het land
op deze kust werpen de zeestroomen lange smalle tongen en dammen op
van los zand, en het is op een van die dammen, dat een deel der stad
Pernambuco staat. In vroeger tijd schijnt een dergelijke lange dam
onder de doorzijgende werking van kalkhoudende stof vast te zijn
geworden, en daarna langzamerhand gerezen. Terwijl dit geschiedde
werden de buitenste en losse gedeelten door den golfslag der zee
weggespoeld, en bleef de vaste kern over in den vorm waarin wij
haar nu zien. Hoewel de golven van den vollen Atlantischen Oceaan,
troebel van het slib, dag en nacht tegen de steile buitenkanten van
dezen steendam worden gedreven, hebben de oudste loodsen nooit van
eene verandering in zijn voorkomen gehoord. Deze duurzaamheid is
verreweg het belangrijkste feit in zijne geschiedenis, en is toe te
schrijven aan eene taaie, kalkhoudende laag van enkele inches dikte,
die geheel gevormd is door het opvolgend groeien en sterven der kleine
schelpdieren, Serpulae geheeten, benevens enkele eendenmosselen
(Lepas anatifera) en Nulliporae. [399] Deze Nulliporae (harde,
zeer eenvoudig georganiseerde kalkafscheidende zeealgen, die in
vorm en hardheid dikwijls op koralen gelijken, doch van de echte
koralen hierin verschillen dat zij geene poriën of cellen hebben,
zooals ook haar naam aanduidt) spelen eene dergelijke en gewichtige
rol, doordien zij de bovenoppervlakken der koraalriffen achter en
tusschen de brandingen beschermen, waar de echte koralen gedurende
den uitwendigen groei der massa door blootstelling aan zon en licht
gedood zijn. Deze onbeduidende organische wezens, in 't bijzonder de
Serpulae, hebben den inwoners van Pernambuco grooten dienst bewezen,
want zonder hare beschermende hulp zou de zandsteenbank stellig reeds
lang zijn vergaan; en zonder de bank zou er geen haven zijn geweest.