Ziehier nog eene bijzonderheid: zoo men bedenkt, dat in twee naburige

eilanden-groepen koralen bloeien in de eene en niet in de andere

groep, en dat zoo vele van de bovengenoemde omstandigheden van invloed

moeten zijn op hun bestaan--zou het een onverklaarbaar feit wezen,

indien koralen gedurende de veranderingen waaraan lucht, aarde en

water onderhevig zijn, eeuwigdurend op een plek of een gebied in

't leven bleven. En daar volgens onze theorie de oppervlakken,

die atollen en walriffen bevatten, in zee zinken, moeten wij nu en

dan zoowel doode als verdronken koralen vinden. In alle riffen is

de zijde onder den wind voor een krachtigen, langdurigen groei der

koralen het minst gunstig, omdat naar dien kant het bezinksel uit

het lagunenkanaal wordt weggespoeld. Bij gevolg komen aan lijwaarts

niet zelden doode rifstukken voor, die, ofschoon nog hunne eigen

muurvormige gedaante behoudende, nu in vele gevallen verscheidene

vademen onder de oppervlakte zijn gezonken. De Chagos-Archipel schijnt

om de eene of andere reden--misschien omdat de onderzinking te snel

is geschied--op 't oogenblik minder gunstig te zijn voor den groei

van riffen dan vroeger: bij ééne atolle is een deel van het zoomrif,

negen mijlen lang, dood en verdronken; bij eene tweede verrijzen

slechts enkele zeer kleine levende toppen boven de oppervlakte; eene

derde en vierde zijn geheel dood en verdronken, terwijl eene vijfde

niet meer is dan een wrak, waarvan de oorspronkelijke structuur bijna

geheel is uitgewischt. Het verdient opmerking, dat in al deze gevallen

de doode riffen en deelen van riffen op bijna dezelfde diepte liggen,

nl. van zes tot acht vademen onder de oppervlakte, alsof zij door eene

eenparige beweging omlaag waren gevoerd. Een dezer "halfverdronken

atollen" (zoo genoemd door kapitein Moresby, aan wien ik vele kostbare

inlichtingen te danken heb) is zeer uitgestrekt, nl. 90 zeemijlen

(166.9 km.) in de eene richting en 70 mijlen (129.8 km.) in eene

andere, en ook in vele opzichten hoogst belangrijk. Aangezien uit

onze theorie volgt, dat op elk nieuw zinkingsgebied meestal nieuwe

atollen gevormd zullen worden, zou men twee gewichtige bedenkingen

kunnen aanvoeren, nl., dat atollen dan in onbeperkt aantal moesten

vermeerderen: en ten tweede, dat op oude zinkende terreinen elke

atolle in 't bijzonder onbepaald in dikte moest toenemen, indien

geen bewijzen konden worden aangevoerd, dat zij toevallig werden

verwoest. Zoo hebben wij dan de geschiedenis dezer groote ringen van

koraalgesteente geschetst, van af hun eersten oorsprong, door hunne

opvolgende normale veranderingen, en door de toevallige gebeurtenissen

in hun leven tot aan hun dood en algeheele vernietiging.

In mijn werk over "Koraalvormingen" heb ik eene kaart in 't licht

gegeven, waarop alle atollen donkerblauw, de walriffen lichtblauw

en de rand- of kustriffen rood gekleurd zijn. Deze laatste riffen

zijn gevormd toen het land in rust, of, zooals uit de menigvuldige

aanwezigheid van opgeheven organische overblijfsels blijkt, langzaam

rijzend was. Atollen en walriffen, daarentegen, zijn opgegroeid

gedurende de lijnrecht tegenovergestelde dalende beweging, die

zeer gestadig en, wat de atollen betreft, vertikaal zoo groot

geweest moet zijn, dat over uitgestrekte ruimten in zee elke hooge

bergtop geheel is ondergezonken. Op deze kaart kunnen wij zien,

dat de licht- en donkerblauw getinte riffen, die door dezelfde

bewegingsrichting zijn ontstaan, als algemeene regel opvallend dicht

bij elkander staan. [379] Ook zien wij, dat de oppervlakten met

de twee blauwe tinten zeer uitgestrekt zijn, en dat zij gescheiden

liggen van uitgestrekte roodgekleurde reeksen kustriffen. Deze beide

omstandigheden had men terstond kunnen afleiden uit de theorie, dat

de aard der riffen bepaald wordt door den zin der beweging van onze

aardkorst. Het verdient opmerking, dat ik in meer dan één geval waar

enkele roode en blauwe cirkels elkander dicht naderen, kan aantoonen,

dat er hoogte-schommelingen geweest zijn; want in zulke gevallen

zijn de roode cirkels of randriffen eigenlijk atollen, die volgens

onze theorie oorspronkelijk tijdens eene daling gevormd, maar later

opgeheven zijn; en omgekeerd bestaan sommige lichtblauwe cirkels of

omwalde eilanden uit koraalsteen, die tot zijne tegenwoordige hoogte

moet zijn opgeheven, voordat de daling intrad, gedurende welke de

bestaande walriffen opgroeiden.

Schrijvers hebben met verwondering opgemerkt, dat, hoewel atollen de

meest voorkomende koraalvormingen zijn over eenige uitgestrekte ruimten

in de groote oceanen, zij in andere zeeën (zooals bij West-Indië)

ontbreken. De oorzaak daarvan kunnen wij nu terstond zien: want

waar geen daling geweest is, kunnen geen atollen zijn gevormd; en

wat West-Indië en sommige gedeelten van Oost-Indië betreft, weet men

dat deze streken in het jongste tijdperk gerezen zijn. De grootere,

rood en blauw gekleurde oppervlakten zijn alle langwerpig; en tusschen

de twee kleuren is eene zekere mate van afwisseling, alsof de rijzing

van het eene gebied had opgewogen tegen de daling van het andere. Zoo

wij letten op de bewijzen van jongste rijzing zoowel aan de kusten

met randriffen, als aan eenige andere waar geen riffen zijn (bijv. in

Zuid-Amerika), worden wij tot de gevolgtrekking geleid, dat de groote

vastelanden meerendeels rijzende--en uit den aard der koraalriffen,

dat de centrale gedeelten der groote oceanen dalende gebieden zijn. De

Oostindische Archipel, het meest gebroken land ter wereld, is op de

meeste punten een rijzend gebied, doch wordt omringd en waarschijnlijk

in meer dan eene richting gesneden door smalle perken van daling.

Ik heb door vuurroode punten de plaatsen aangestipt van de talrijke

werkzame vulkanen, die binnen de grenzen van dezelfde kaart gelegen

zijn. Hoogst verrassend is het feit, dat zij geheel ontbreken in elk

van de groote zinkende oppervlakten, hetzij licht- of donkerblauw

gekleurd; en niet minder verrassend is het samenvallen van de

hoofdketens der vulkanen met de roodgekleurde gedeelten, welke de

feiten ons leeren beschouwen als sedert lang in rust, of meer algemeen,

als in jongeren tijd omhoog geheven te zijn. Ofschoon enkele van de

vuurroode plekken op geen grooten afstand liggen van alleenstaande

blauwgetinte cirkels, is toch geen enkele werkzame vulkaan dichter

dan vele honderden mijlen van een archipel of zelfs van eene kleine

groep atollen gelegen. Het is daarom een opmerkelijk feit, dat op

de Vriendschaps-Eilanden, die uit eene groep opgeheven en sedert

gedeeltelijk vervallen atollen bestaan, voor zoover men weet twee,

en vermoedelijk meer vulkanen sinds historische tijden in werking zijn

geweest. [380] Daarentegen is op de door walriffen omgeven eilanden in

den Stillen Oceaan, voor zoover men weet, geen enkele vulkaan ooit in

uitbarsting geweest, ofschoon de meeste dezer eilanden van vulkanischen

oorsprong en de overblijfsels van kraters dikwijls nog duidelijk te

onderkennen zijn. Uit deze gevallen zou dus blijken, dat vulkanen op

dezelfde plaatsen in werking komen en uitgedoofd worden, naar gelang

er rijzende of dalende bewegingen heerschen. Tallooze feiten kon men

aanvoeren om te bewijzen, dat overal daar waar werkzame vulkanen zijn,

opgeheven organische overblijfsels voorkomen; maar niet voordat men kon

bewijzen, dat vulkanen op zinkende bodems òf ontbraken òf werkeloos

waren, zou het zeer gewaagd geweest zijn de gevolgtrekking af te

leiden--hoe waarschijnlijk ook op zich zelve--dat hunne verdeeling

van het rijzen of dalen der aardkorst afhing. Maar ik denk, dat wij

nu deze belangrijke gevolgtrekking vrijelijk mogen aannemen.

Werpen wij een laatsten blik op de kaart, en denken wij aan

hetgeen gezegd is omtrent de opgeheven organische overblijfsels,

dan moeten wij verwonderd zijn over de uitgebreidheid der streken,

die in een geologisch niet ver verleden aan op- en nederwaartsche

niveau-veranderingen onderhevig zijn geweest. Ook zou het ons

toeschijnen, dat de rijzende en dalende bewegingen nagenoeg dezelfde

wetten volgen. Over het gansche gebied dat met atollen is bedekt,

waar geen enkele rotspunt of stuk hoogland boven den zeespiegel is

gebleven, moet de zinking ontzaglijk diep geweest zijn. Bovendien moet

zij uiterst langzaam zijn geschied, hetzij die beweging onafgebroken

voortduurde, of zich herhaalde na tusschentijden, lang genoeg om den

koralen gelegenheid te geven hunne levende gebouwen tot den zeespiegel

op te trekken. Waarschijnlijk is deze gevolgtrekking de belangrijkste,

die uit de studie der koraalvormingen kan worden afgeleid; en het laat

zich moeilijk voorstellen, of men er ooit langs een anderen weg toe

gekomen zou zijn. Eindelijk kan ik niet nalaten er op te wijzen, dat

de voorheen bestaande groote archipels van hooge eilanden, daar waar

nu slechts ringen van koraalgesteente eene zwakke breking vormen in

het uitgestrekte zeegebied, waarschijnlijk eenig licht zullen werpen

op de verspreiding der bewoners van de andere hooge eilanden, die nu

te midden van de groote oceanen op zulke onmetelijke afstanden van

elkaar gescheiden liggen. Inderdaad hebben de rifvormende koralen

wondervolle gedenkteekenen opgericht en bewaard van de onderaardsche

niveau-veranderingen en hare reactie op de korst; in elk walrif

zien wij het bewijs dat daar het land is ondergezonken, en in elke

atolle een gedenkteeken boven een eiland, dat nu verdwenen is. Zoo

zullen wij dan, evenals een geoloog die tienduizend jaren heeft

geleefd en aanteekening hield van de opvolgende veranderingen, eenig

inzicht kunnen krijgen in het groote stelsel van kern-contractie

en korstplooiing, waardoor het oppervlak der aarde werd gebroken,

en land en zee van plaats verwisselden. [381]

HOOFDSTUK XXI.

MAURITIUS--TERUGKEER NAAR ENGELAND.

[29 April 1836.]

Des morgens zeilden wij om de noordpunt van Mauritius of Isle de

France. Van dit punt uit beantwoordde de aanblik van het eiland aan

de verwachtingen, die de vele welbekende beschrijvingen over zijne

schilderachtige natuur hadden opgewekt. Op den voorgrond lag de

glooiende Pampelmoezenvlakte met hare hier en daar verspreide huizen

en groote suikerrietvelden, die aan het geheel eene heldergroene kleur

gaven. De glans van dit groen was des te merkwaardiger, omdat deze

kleur meestal eerst op zeer korten afstand in 't oog valt. Naar het

midden van het eiland verrezen groepen bergen uit de rijk bebouwde

vlakte, die met bosschen waren bedekt en waarvan de toppen, gelijk

zoo dikwijls met oude vulkanische rotsen gebeurt, van de scherpste

punten waren voorzien. Zware, witte wolkbanken waren rondom deze

toppen saamgepakt, als met het doel om het oog van den vreemdeling

te boeien. Het geheele eiland met zijn glooienden rand en bergen in

het midden, was op de smaakvolste wijze met natuurschoon versierd,

en vormde een landschap, waar, indien ik het zoo zeggen mag, voor

het oog alles in harmonie was.

Den volgenden dag besteedde ik grootendeels aan het doen van

wandelingen om de stad en aan het bezoeken van verschillende

personen. De stad bezit eene aanzienlijke grootte, heeft zeer nette

en regelmatige straten, en telt, naar men zegt, 20.000 inwoners. [382]

Ofschoon het eiland reeds zoovele jaren onder Engelsch bestuur staat,

is het algemeen karakter der stad Fransch gebleven: de Engelschen

spreken Fransch tot hunne bedienden, en de winkels zijn allen

Fransche. Inderdaad zou ik denken, dat Calais of Boulogne nog meer

Engelsch waren. Er is een kleine, maar zeer aardige schouwburg, waarin

uitmuntende opera-voorstellingen worden gegeven. Ook waren wij verrast

bij het zien van groote boekwinkels met welgevulde kasten. Muziek

en lectuur verkondigen, dat wij de oude beschaafde wereld naderen;

want waarlijk, zoowel Amerika als Australië zijn nieuwe werelden.

Het meest belangwekkende schouwspel in Port-Louis zijn de

verschillende menschenrassen, die langs de straten wandelen. Indische

misdadigers worden hier voor levenslang verbannen; op het oogenblik

zijn er ongeveer 800, die voor allerlei openbare werken gebruikt

worden. Voordat ik deze menschen zag, had ik geen idee, dat de bewoners

van Indië zulke fraaie typen van menschen waren. Hunne huid is zeer

donker, en vele oudere mannen hadden groote knevels en baarden van

eene sneeuwwitte kleur, hetgeen, gevoegd bij hunne vurige gebaren,

hun een indrukwekkend voorkomen gaf. De meesten waren wegens moord

en de ergste misdaden verbannen; anderen om redenen, die moeilijk als

zedelijke vergrijpen beschouwd kunnen worden: zooals ongehoorzaamheid

aan de Engelsche wetten wegens bijgeloovige drijfveeren. In 't

algemeen zijn deze menschen kalm en gedragen zij zich goed; zoowel om

hun persoonlijk gedrag, hunne zedelijkheid en de getrouwe vervulling

van hunne godsdienstplichten, kan men hen onmogelijk gelijkstellen

met onze ongelukkige verbannenen in Nieuw Zuid-Wallis.

[Zondag 1 Mei.]

Ik deed eene lange wandeling langs de zeekust naar het noorden der

stad. Op dit gedeelte is de vlakte geheel onbebouwd en bestaat uit

een zwart lavaveld, dat geëffend is door een laagje grof gras en

struiken, waarvan de laatsten voornamelijk uit Mimosae bestaan. Men

kan het landschap beschrijven als het midden houdend tusschen die op

de Galápagos-Eilanden en op Tahiti--wat intusschen slechts aan zeer

weinige personen een juist denkbeeld er van zal geven. Het is een

zeer aangenaam oord, maar bezit noch de bekoorlijkheid van Tahiti,

noch het grootsche karakter van Brazilië.

Den volgenden dag beklom ik den berg La Pouce, zoo genoemd naar zijne

duimvormige gedaante, die zich dicht achter de stad tot eene hoogte van

2600 voet verheft. Het midden van het eiland bestaat uit eene groote

bergvlakte, omgeven door oude gebroken basaltbergen, die met hunne

lagen naar de zeekust hellen. De centrale, uit betrekkelijk jonge

lavastroomen gevormde hoogvlakte heeft eene lang-ronde gedaante,

waarvan de korte as 13 geographical miles (24,1 kilom.) lang

is. De randbergen, die haar omgeven, behooren tot die klasse van

vormingen, waaraan de naam van "Opheffingkraters" is gegeven, en

die ondersteld worden niet evenals gewone kraters, maar door eene

groote en plotselinge rijzing ontstaan te zijn. [383] Het schijnt

mij toe, dat er onoverkomelijke bezwaren tegen deze meening bestaan;

anderzijds kan ik in dit en eenige andere gevallen moeilijk gelooven,

dat deze kratervormige randgebergten slechts de overblijfsels zijn

der ondereinden van reusachtige vulkanen, waarvan de toppen afgeslagen

of in onderaardsche diepten verzwolgen zijn.

Van ons hoog standpunt hadden wij een prachtig uitzicht over het

eiland. Het land aan dezen kant schijnt zeer goed bebouwd; want het was

in velden verdeeld, waarop talrijke pachthoeven stonden. Men verzekerde

mij echter, dat tot heden niet meer dan de helft van het geheele land

voortbrengselen oplevert. Is die bewering juist, dan zal Mauritius,

zoo men let op den tegenwoordigen grooten uitvoer van suiker, in de

toekomst van veel belang worden, wanneer het dicht bevolkt is. Sedert

Engeland het in bezit nam (eene periode van slechts 25 jaren), zegt

men dat de uitvoer van suiker tot het 75-voud gestegen is. Eene groote

oorzaak van zijn voorspoed is de uitmuntende staat der wegen. Op het

naburige Isle de Bourbon, dat onder Fransch bestuur blijft, zijn

de wegen nog in denzelfden ellendigen staat, als zij enkele jaren

geleden hier waren. Ofschoon de Fransche bewoners uit de meerdere

welvaart van hun eiland stellig zeer veel voordeel hebben getrokken,

is het Engelsche bestuur verre van populair.

[3 Mei.]

Des avonds noodigde de Inspecteur-generaal, kapitein Lloyd--zoo wel

bekend door zijn onderzoek van het Panama-kanaal--den heer Stokes en

mij op zijn landgoed, dat omstreeks zes mijlen van de haven aan den

rand der Wilheim-vlakte gelegen is. Wij bleven twee dagen op deze

aangename plek; door hare ligging, 800 voet boven de zee, was de

lucht er koel en frisch, en naar alle zijden openden zich heerlijke

wandelingen. Dicht bij lag een groot ravijn, dat tot eene diepte van

omstreeks 500 voet in den zwak hellenden lavastroom was uitgehold,

die van de centrale bergvlakte was gevloeid.

[5 Mei.]

Kapitein Lloyd bracht ons naar de verscheidene mijlen zuidwaarts

gelegen Rivière Noire of Zwarte Rivier, waar ik eenige gerezen

koraalbanken onderzoeken wilde. Wij trokken door vriendelijke tuinen

en fraaie velden met suikerriet, dat tusschen reusachtige brokken

lava groeide. Hagen van mimosa-struiken omzoomden de wegen, en bij

vele huizen waren lanen met mango-boomen (Mangifera indica). Sommige

kijkjes, daar waar de bouwhoeven zich afteekenden op een achtergrond

van spitse bergen, waren uiterst schilderachtig; en telkens kwamen

wij in verzoeking om uit te roepen: "Hoe heerlijk zou het zijn om

levenslang op zulke rustige plekjes te wonen!" Kapitein Lloyd bezat

een olifant, dien hij halfweg met ons liet meegaan, om ons het genot

van een echt Indischen rit te verschaffen. Wat mij hierbij het meest

verraste, was zijn volkomen gedruischlooze stap. Deze olifant is op

't oogenblik de eenige op het eiland; doch, naar men zegt, zullen er

meer worden gezonden.

[9 Mei.]

Wij zeilden uit Port-Louis, en kwamen, na een kort oponthoud

aan de Kaap de Goede Hoop, den achtsten Juli in het gezicht van

St.-Helena. Dit eiland, welks terugstootende aanblik zoo menigmaal

beschreven is, verrijst als een reusachtig zwart kasteel loodrecht

uit den oceaan. Als om de natuurlijke verdediging te voltooien, zijn

alle holten tusschen de ruwe rotsen in de nabijheid der stad met

kleine forten en kanonnen gevuld. De stad ligt op de helling eener

vlakke en smalle vallei, en heeft tamelijk goede huizen waartusschen

zeer weinige groene boomen staan. Toen wij de ankerplaats naderden,

hadden wij een indrukwekkend gezicht op een onregelmatig gebouwd

kasteel, dat boven op een hoogen berg stond, en met de enkele er om

heen staande denneboomen zich scherp tegen den hemel afteekende.

Den volgenden dag kreeg ik kamers op een steenworps afstand van

Napoleon's graf; [384] het was een uitmuntend gelegen plek, van waar

men tochten kon doen in elke richting. Gedurende de vier dagen dat ik

hier bleef, doolde ik van den ochtend tot den avond over het eiland,

en onderzocht zijne geologische gesteldheid. Mijne kamers lagen op eene

hoogte van omstreeks 2000 voet; hier was het weder koud en onstuimig,

met aanhoudende regenbuien; en telkens was het geheele landschap in

dichte wolken gehuld.

Bij de kust ligt de ruwe lava geheel bloot; in de centrale en hoogere

gedeelten van het eiland is door verweering van de veldspaat-rotsen een

kleiachtige bodem ontstaan, die, waar hij niet met planten is bedekt,

breede strooken te zien geeft, welke vele heldere kleuren bezitten. In

dit jaargetijde wordt het land door voortdurende regens bevochtigd,

en brengt een eigenaardig groen gekleurd gras voort, dat meer en

meer verwelkt naarmate men lager komt, en eindelijk verdwijnt. Het

is verrassend op eene breedte van 16° en de geringe hoogte van 1500

voet een plantengroei te zien, die een bepaald Britsch karakter

bezit. De bergen zijn met ongeregelde groepen Schotsche dennen

beplant, en de glooiende heuvels dicht begroeid met bremstruiken,

kenbaar aan hunne heldergele bloemen. Treurwilgen komen voor aan de

oevers der riviertjes, en de hagen zijn gemaakt van braamstruiken,

die de welbekende vruchten leveren. Zoo wij bedenken, dat het aantal

tot heden op het eiland gevonden planten 746 bedraagt: dat daaronder

slechts 52 inheemsche soorten voorkomen, terwijl de overige ingevoerd

zijn, en wel meerendeels uit Engeland, dan zien wij de oorzaak van het

Britsch karakter der flora. Vele van deze Engelsche planten schijnen

hier beter te bloeien dan in haar vaderland; en evenzoo gedijen eenigen

uit het tegenover liggende deel van Australië bijzonder goed. De

vele ingevoerde soorten moeten sommige inheemsche hebben verdrongen;

en werkelijk is het alleen op de hoogste en steilste bergruggen,

dat de inlandsche flora de overhand heeft.

Het Engelsche karakter van het landschap--of liever dat van

Wallis--vindt men ook terug in de talrijke hoeven en kleine witte

huizen, waarvan sommige verscholen liggen op den bodem der diepste

valleien, andere op de toppen der hooge bergen verrijzen. Sommige

landschapsgezichten zijn verrassend: bijv. dat in den omtrek van het

huis van Sir Doveton, waar men den steilen berg, Lot genaamd, boven

een donker bosch van dennen ziet verrijzen--alles te midden van de

roode verweerde bergen op de zuidkust. Als men het eiland van eene

verhevenheid ziet, treft ons in de eerste plaats het aantal wegen

en forten; en zoo men dan zijne bestemming als gevangenis vergeet,

schijnt de arbeid, welke hier aan openbare werken is besteed,

buiten alle verhouding tot zijne grootte of waarde. Er is zoo weinig

vlak of bruikbaar land, dat het verwonderlijk schijnt hoe zooveel

menschen (omstreeks 5000) hier kunnen leven. De lagere klassen of de

geëmancipeerde slaven, die over gebrek aan werk klagen, zijn, geloof

ik, uitermate arm. Waarschijnlijk zal deze armoede nog toenemen, nu

wegens de overgave van het eiland door de Oostindische Compagnie, het

aantal openbare beambten is afgenomen, en dientengevolge vele rijkere

personen zijn vertrokken. Het hoofdvoedsel der arbeidende klasse is

rijst met wat pekelvleesch; en aangezien geen dezer artikelen door

het eiland wordt voortgebracht, maar met geld moet worden betaald,

drukken de lage loonen zwaar op het arme volk. Nu de menschen met

vrijheid zijn gezegend--een recht, dat zij ten volle op prijs stellen,

naar ik geloof--zal hun aantal waarschijnlijk snel toenemen; en indien

dit het geval is, mag men vragen: wat zal er van het kleine St.-Helena

worden? [385]

Mijn gids was een man van gevorderden leeftijd, die als knaap

geitenhoeder geweest was, en elken voetstap tusschen de rotsen

kende. Hij behoorde tot een vele malen gekruist ras, maar had, ondanks

zijne donkere huid, niet het onaangename voorkomen van een mulat. Deze

oude man was zeer welwillend en kalm van aard--eigenschappen,

welke het meerendeel der lagere klasse bezit. Het klonk mij vreemd

in de ooren een man, die bijna blank en fatsoenlijk gekleed was,

met onverschilligheid over de tijden te hooren spreken toen hij nog

slaaf was. Met dezen metgezel, die het middageten en een horen met

water droeg (hetgeen volstrekt noodig is, daar al het water in de

lagere valleien zout bevat), deed ik dagelijks lange wandelingen.

De wild romantische valleien, onder den bovensten en centralen

plantengordel gelegen, zijn geheel verlaten en onbewoond. Voor den

geoloog waren hier hoogst belangrijke tafereelen, die van opvolgende

veranderingen en samengestelde storingen getuigden. Naar mijne idee

heeft St.-Helena sedert een lang vervlogen tijdperk als eiland bestaan;

toch zijn er nog eenige vage bewijzen van landrijzing voorhanden. Ik

geloof, dat de centrale en hoogste bergtoppen deel uitmaken van een

grooten kraterrand, welks zuidelijke helft geheel door de golven

der zee is weggespoeld; bovendien is er een buitendam van zwarte

basaltrotsen, evenals de kustbergen van Mauritius, die ouder zijn dan

de vulkanische stroomen in het midden. Op de hoogere gedeelten van

het eiland liggen talrijke schelpen in den grond begraven, die men

langen tijd voor eene zee-soort heeft gehouden, doch een Cochlogena

of landschelp blijkt te zijn van een zeer eigenaardigen vorm. [386]

Bij laatstgenoemde vond ik zes andere soorten, en op eene andere plek

eene achtste soort. Het is opmerkelijk, dat geen van deze soorten

nu nog levend wordt gevonden. Waarschijnlijk is hare uitsterving

veroorzaakt door de algeheele verwoesting der bosschen en het daaruit

gevolgde verlies van voedsel en schuilplaatsen, welke in de eerste

helft der achttiende eeuw plaats vonden.

De Reis om de Wereld · 第 49 / 56 段