Aan den steilen buitenkant der Keeling-atolle werden door kapitein

Fitz-Roy een aantal zorgvuldige peilingen gedaan, en werd bevonden,

dat de bereide talk op den bodem van het lood, uit punten binnen

tien vademen diepte, altijd bovenkwam met duidelijke indruksels van

levende koralen, doch zonder aanklevende bestanddeelen, en even schoon

alsof men het op een grasveld had laten vallen. Nam de diepte toe, dan

werden de indruksels minder talrijk, maar de aanklevende zanddeeltjes,

daarentegen, steeds talrijker, totdat de bodem eindelijk uit eene

zachte zandlaag bleek te bestaan. Wil men de vergelijking met het

grasveld voortzetten, dan kunnen wij zeggen, dat de grashalmen al

schaarscher en schaarscher werden, tot de grond eindelijk zoo dor was,

dat er niets meer uit opschoot. Uit deze, door vele andere bevestigde

waarnemingen mogen wij veilig afleiden, dat de uiterste diepte waarop

koralen hunne riffen kunnen bouwen, 20 tot 30 vademen bedraagt. Nu

zijn er ontzaglijke oppervlakten in de Stille en Indische Oceanen,

waar elk eiland op zichzelf eene koraalvorming is, en slechts die

hoogte bereikt, tot welke de golven nog brokstukken kunnen opwerpen,

en de winden zand kunnen ophoopen. Zoo is de groep der Radack-atollen

(Marshall-Eilanden) een onregelmatig vierkant, 520 mijlen lang, bij

240 breed; de ellipsvormige Lage of Tuamotu-Archipel meet 840 mijlen

in zijne langste en 420 in de kortste as; tusschen deze twee archipels

liggen andere kleine groepen en afzonderlijke lage eilanden, welke met

de eersten eene ruimte in den oceaan bedekken van 4000 mijlen lengte,

waarbinnen geen enkel eiland boven de bepaalde hoogte reikt. Ook in

den Indischen Oceaan is eene ruimte van 1500 mijlen in doorsnede,

welke drie archipels omvat, alle uit lage eilanden bestaande,

die door koralen zijn gevormd. Wegens het feit, dat de rifbouwende

koralen niet op groote diepte leven, kan met volstrekte zekerheid

worden gezegd, dat overal in die uitgestrekte ruimten, waar thans

eene atolle is, oorspronkelijk een bodem bestaan moet hebben binnen

eene diepte van 20 tot 30 vademen (ongeveer 37 tot 55 Met.) van

het zeeoppervlak. Het is ten hoogste onwaarschijnlijk, dat breede,

hooge, vrij staande en steil oploopende banken van bezonken stoffen,

verspreid in groepen en reeksen van vele honderden mijlen lengte,

gevormd konden zijn in de midden- en diepste gedeelten der Stille

en Indische Oceanen, op een reusachtigen afstand van het vasteland,

en waar het water volkomen doorschijnend is. Even onwaarschijnlijk is

het, dat de opstuwende krachten onder onze aardkorst over de genoemde

uitgestrekte ruimten tallooze groote rotsbanken zouden hebben opgeheven

tot eene hoogte van 20 tot 30 vademen (120 tot 180 voet) onder de

oppervlakte der zee, en geen enkele harer boven dat peil. Immers,

wáár op de geheele aardoppervlakte kunnen wij eene bergketen vinden,

zelfs van maar weinige honderden mijlen lengte, welker talrijke toppen

zich niet hooger verheffen dan enkele voeten onder een bepaald peil,

en waar geen enkele top daarboven verrijst? Bijgevolg, indien de

grondvlakken waaruit de atollen-bouwende koralen groeiden, niet uit

bezonken stoffen gevormd, en ook niet tot de vereischte hoogten werden

opgestuwd, moeten zij noodzakelijk tot dat peil zijn ondergezonken;

en dit lost terstond de moeilijkheid op. Want terwijl de eene berg

na den anderen, het eene eiland na het andere langzaam onder water

zonken, ontstonden achtereenvolgens versche bodems voor den groei der

koralen. Wij kunnen hier onmogelijk in alle vereischte bijzonderheden

treden; maar ik tart elk, om op andere wijze te verklaren, hoe het

mogelijk is, dat over zulke uitgestrekte ruimten talrijke eilanden

verspreid liggen, allen dit gemeen hebbende, dat zij laag en opgebouwd

zijn uit koralen, die als levensvoorwaarde een bodem behoeven, welke

op beperkte diepte onder het zeeoppervlak is gelegen. [373]

Alvorens te verklaren hoe de atollen of lagunenriffen hunne

eigenaardige structuur verkrijgen, moeten wij ons wenden tot de

tweede groote klasse, namelijk de wal- of damriffen. Deze strekken

zich uit, hetzij in rechte lijnen voor de kusten van een vastland of

groot eiland, of zij omringen kleine eilanden; in beide gevallen zijn

zij van het land gescheiden door een breed en vrij diep waterkanaal,

evenals de lagune binnen eene atolle. Het is opmerkelijk hoe weinig

aandacht aan de ringvormige walriffen is geschonken, ofschoon zij

toch zoo wondervol zijn samengesteld. De volgende schets stelt een

gedeelte van het walrif voor, dat het eiland Bolabola [374] in den

Stillen Oceaan omringt, gezien van een der rotstoppen in het midden. In

dit geval is de geheele rifrand in land veranderd; maar gewoonlijk

scheidt eene sneeuwwitte lijn van hooge brekers, waartusschen hier

en daar een enkel laag, met kokosboomen begroeid eilandje zichtbaar

is, de donkere golven in den oceaan van de lichtgroene ruimte in het

lagunenkanaal. En het kalme water in dit kanaal bespoelt in de meeste

gevallen een lagen rand van alluvialen grond, beladen met de schoonste

voortbrengselen uit de keerkringen en gelegen aan den voet der ruwe,

steile bergen in het midden.

Er zijn ringvormige walriffen in alle grootten, van af 3 tot niet

minder dan 44 mijlen in doorsnede; het rif, dat tegenover een der

zijden van Nieuw-Caledonië ligt en de beide uiteinden omvat, is zelfs

400 mijlen lang. Elk rif sluit één, twee of meer rotsachtige eilanden

in van verschillende hoogten (in één geval zelfs 12 afzonderlijke

eilanden), en loopt op ongelijke afstanden om het ingesloten land--bij

de Gezelschaps-Eilanden meestal op een afstand van een tot drie of

vier mijlen, maar bij Hogoleu [375] op 20 mijlen van den zuidkant,

en 14 mijlen van den tegenovergestelden of noordkant der ingesloten

eilanden. Ook is de diepte binnen het lagunenkanaal aan veel

verandering onderhevig, en kan gemiddeld op 10 tot 30 vademen worden

gesteld; maar op Wanikoro zijn ruimten van niet minder dan 56 vademen

of 336 voeten diepte. Aan de binnenzijde loopt het rif zacht glooiend

af naar het lagunenkanaal, of eindigt in een loodrechten wal, die onder

water somtijds 200 tot 300 voeten hoog is; aan de buitenzijde verrijst

het rif, evenals eene atolle, zeer steil uit de groote diepten van den

oceaan. Kan men zich iets zonderlingers voorstellen dan dergelijke

natuurgewrochten? Wij zien een eiland, dat te vergelijken is met

een kasteel op den top van een hoogen onderzeeschen berg, tegen het

geweld der zee beschermd door een grooten muur van koraalgesteente,

die altijd steil is aan den buiten- en soms ook aan den binnenkant:

van boven begrensd door een breed horizontaal vlak, en hier en daar

afgebroken door smalle toegangen of invaarten, waardoor de grootste

schepen de wijde en diepe singel- of vestinggracht kunnen binnenzeilen.

Voor zoover het eigenlijke koraalrif betreft, is er niet het geringste

verschil zoowel in algemeene grootte, begrenzing en groepeering

als zelfs in zeer onbeduidende structuur-bijzonderheden, tusschen

een walrif en eene atolle. De aardrijkskundige Balbi heeft terecht

aangemerkt, dat een omwald eiland eene atolle is, waarin zich hoogland

uit de lagune verheft; neem het land er binnen weg, en er blijft eene

volledige atolle over.

Maar wat is nu de oorzaak, dat deze riffen op zulke groote afstanden

van de kusten der ingesloten eilanden uit zee verrijzen? De reden

kan niet zijn, dat koralen niet in de nabijheid van het land groeien:

want dikwijls zijn de kusten van het lagunenkanaal, wanneer zij niet

door alluvialen grond zijn omgeven, door een rand van levende riffen

begrensd; en aanstonds zullen wij zien, dat er eene geheele klasse

van riffen bestaat, welke ik juist om hun nauw verband met de kusten

zoowel van vastelanden als van eilanden, met den naam van Randriffen

heb bestempeld. Eene tweede vraag is: waarop hebben de rifvormende

koralen, die niet op groote diepten kunnen leven, hunne ringvormige

wallen gegrondvest? Blijkbaar is de oplossing daarvan even moeilijk

als in het gelijksoortige geval der atollen, en die meestal over het

hoofd is gezien. De zaak zal duidelijker worden begrepen na een blik

op de volgende ware doorsneden, die genomen zijn in de richtingen

noord en zuid door de eilanden Wanikoro, Gambier (of Mangarewa) en

Maurua met hunne walriffen. Zoowel in horizontale als in verticale

richting, zijn deze doorsneden herleid tot denzelfden maatstaf van

een kwart inch op elke mijl.----

Wij moeten hier opmerken, dat in welke richting de doorsneden ook

genomen waren hetzij bij deze of vele andere omwalde eilanden, in

't algemeen dezelfde vormen zouden zijn weergevonden. Zoo men nu

bedenkt, dat rifvormend koraal op geen grootere diepte kan leven dan

van 20 tot 30 vademen en dat de schaal der teekening zoo klein is,

dat de peilstreepjes CD aan de rechterhand eene diepte aanduiden van

200 vademen (366 Met.), dan mag men terecht vragen: waarop zijn deze

walriffen gegrondvest? Moeten wij aannemen, dat elk eiland omringd

is door eene halssnoervormige onderzeesche rotsklip, of door eene

groote bank van bezonken stoffen, die plotseling eindigt waar ook het

rif eindigt? Indien de zee vroeger diep in de eilanden had geknaagd,

voordat deze door de riffen werden beschermd, en aldus eene ondiepe

klip rondom hen onder water had gezet, zouden de tegenwoordige

kusten steeds door diepe, steile afgronden omringd zijn; maar dit is

hoogst zelden het geval. Ook kan men, volgens dit begrip, onmogelijk

verklaren, waarom de koralen, evenals een muur, van den uitersten

buitenrand der klip zijn opgegroeid, en aan den binnenkant dikwijls

eene breede watervlakte hebben vrijgelaten, te diep voor den groei

der koralen zelven. Dat rondom deze eilanden eene uitgestrekte bank

van bezonken stoffen opgehoopt zou zijn, welke meestal het breedst

was daar waar de ingesloten eilanden het kleinst zijn, is hoogst

onwaarschijnlijk, zoo men in aanmerking neemt hoezeer die banken in

de centrale en diepste gedeelten van den oceaan aan de werking der

golven zijn blootgesteld. In het bijzondere geval van het walrif van

Nieuw-Caledonië, dat zich 150 mijlen ver voorbij de noordelijkste

punt van het eiland uitstrekt in dezelfde rechte lijn, waarin het

langs de westkust loopt, is het haast niet mogelijk aan te nemen,

dat aldus eene bank van bezonken stoffen kon worden afgezet lijnrecht

tegenover een hoog eiland en zoo ver voorbij zijn eindpunt in volle

zee. En ten slotte, zoo wij acht slaan op andere eilanden in den oceaan

van ongeveer dezelfde hoogte en gelijke geologische samenstelling,

maar niet door koraalriffen omgeven, dan zullen wij vruchteloos

zoeken naar zulk eene onbeduidende, zich rondom uitstrekkende diepte

van 30 vademen, behalve in de onmiddellijke nabijheid der kusten;

want land dat steil uit het water verrijst, gelijk de meeste omwalde

en niet omwalde eilanden in den oceaan, duikt er gewoonlijk steil

onder. En daarom herhaal ik mijne vraag: waarop zijn deze walriffen

gegrondvest? Waarom liggen zij met hunne wijde en diepe grachtvormige

kanalen zoo ver van het ingesloten land? Spoedig zullen wij zien hoe

gemakkelijk deze moeilijkheden verdwijnen.

Thans komen wij aan onze derde klasse van riffen, de zoogenaamde Rand-

of Kustriffen, die eene zeer korte beschrijving behoeven. Waar het

land steil onder water duikt, zijn deze riffen slechts enkele yards

breed, en vormen zij eenvoudig eene strook of rand rondom de kusten;

waar het land zacht glooiend onder het water verdwijnt, strekt het rif

zich verder uit, soms zelfs eene mijl ver van het land, maar in zulke

gevallen bewijzen steeds de peilingen buiten het rif, dat het land

zich met eene geringe helling onder water voortzet. Inderdaad strekt

het rif zich slechts tot dien afstand van de kust uit, binnen welken

de vereischte diepte van 20 tot 30 vademen grond gevonden wordt. Wat

nu het eigenlijke rif betreft, is er geen wezenlijk onderscheid

tusschen dit en die, welke een walrif of eene atolle vormen; in de

meeste gevallen heeft het echter eene mindere breedte, zoodat er zich

weinig eilandjes op gevormd hebben. Omdat de koralen sterker aan de

buitenzijde groeien, en het bezinksel, dat naar binnen wordt gespoeld,

nadeelige werking heeft, is de buitenrand van het rif het hoogste

gedeelte; tusschen dit en het land ligt meestal een ondiep zandig

kanaal van enkele voeten diepte. Daar, waar zich banken van bezonken

stoffen tot dicht bij de oppervlakte hebben opgehoopt (zooals in

sommige gedeelten van West-Indië), worden die soms met een rand van

koralen omzoomd, en gelijken dus in zekeren zin op laguneneilanden

of atollen, op dezelfde manier als randriffen die zacht glooiende

eilanden omringen, in zekeren zin op walriffen gelijken.

Geene enkele theorie over de vorming der koraalriffen kan als voldoende

worden beschouwd, welke niet de drie groote klassen omvat. Wij

hebben gezien, dat de hypothese der inzinking van den zeebodem de

eenig mogelijke is, ter verklaring van die uitgestrekte ruimten met

hier en daar verspreide lage eilanden, waarvan geen enkel hooger

verrijst, dan tot waar wind en golven stof kunnen opwerpen, ofschoon

die eilanden opgebouwd zijn door dieren, welke een bodem behoeven,

die op geen groote diepte kan liggen. Laat ons nu, als voorbeeld, een

eiland nemen, dat door randriffen is omgeven, welke geene moeilijkheid

in hunne samenstelling opleveren, en zien wij wat er gebeurt, als dit

eiland met zijn rif (in de teekening door de gebogen lijn ABB'B'BA

voorgesteld) langzaam onderzinkt. Uit hetgeen van de voorwaarden,

gunstig voor den groei van koraaldieren bekend is, mogen wij veilig

besluiten, dat, als het eiland op een tijdstip enkele voeten of geheel

onmerkbaar daalt, de levende koraaldieren, die door de branding op den

rand van het rif bespoeld worden, spoedig weer de oppervlakte zullen

bereiken. Maar langzaam en gestadig zal de zee op de kust winnen;

het eiland wordt steeds lager en kleiner, en de ruimte tusschen den

binnenrand van het rif en het strand naar evenredigheid breeder. Eene

doorsnede van het rif in dezen toestand, na eene onderzinking van

verscheidene honderden voeten, geeft ons de stippellijn AA'A'A

te zien; de boompjes bij A' wijzen aan, dat zich koraaleilanden

op het rif gevormd hebben, en het schip bij C de plaats van het

lagunenkanaal. Dit kanaal zal meer of minder diep zijn al naar de

mate van onderzinking, van de hoeveelheid daarin opgehoopt bezinksel,

en den groei der fijn vertakte koralen die er kunnen leven. In dezen

toestand gelijkt de doorsnede in alle opzichten op die van een omwald

eiland; en inderdaad is zij eene getrouwe doorsnede (naar den maatstaf

van 517/1000 van een inch op elke mijl) van het eiland Bolabola (of

Borabora) in den Stillen Oceaan. Nu kunnen wij onmiddellijk zien,

waarom walriffen zoo ver van de kusten liggen, die zij als met een

ring omgeven. Ook kunnen wij zien, dat de lijn die van den buitenrand

van het nieuwe rif loodrecht op het vaste steenen grondvlak onder het

oude rand- of kustrif wordt neergelaten, evenveel voeten langer is dan

de geringe grensdiepte waarop werkelijke koraaldieren kunnen leven,

als de maat der inzinking van dat grondvlak zelf: m.a.w., de kleine

bouwmeesters hebben, gedurende de inzinking van den zeebodem, hun

groot muurvormig bouwwerk opgetrokken op een grondvlak, samengesteld

uit andere koralen en hunne vastgeworden brokstukken. De schijnbaar

groote moeilijkheid omtrent dit punt verdwijnt derhalve.

Hadden wij, in plaats van een eiland, de kust genomen van een met

riffen omzoomd vasteland, en dit in gedachten laten zinken, dan zou

het resultaat blijkbaar geweest zijn een groote rechte dam of wal,

evenals die van Australië of Nieuw-Caledonië, welke door een wijd en

diep kanaal van het land gescheiden was.

Laat ons nu deze beschouwing uitbreiden op ons nieuw ringvormig

walrif, welks doorsnede (zooals gezegd eene ware doorsnede van het

eiland Bolabola) in de teekening voorgesteld is door den omtrek DA'A'D

der donkergeschaduwde figuren, en onderstellen dat dit rif de dalende

beweging van den zeebodem volgt. Terwijl deze langzaam zinkt, zullen de

koraaldieren krachtig omhoog groeien, maar tegelijk zal het water duim

voor duim op de kust van het eiland winnen; de gescheiden bergtoppen,

die in 't eerst afzonderlijke eilanden binnen het groote rif vormen,

zinken de een na den anderen weg, en eindelijk verdwijnt ook de laatste

en hoogste top. Op het oogenblik dat dit gebeurt, is eene volledige

atolle ontstaan. In overeenstemming met hetgeen ik boven zeide, zien

wij dus, dat wanneer al het hooge land binnen een ringvormig walrif

verwijderd wordt, eindelijk eene atolle overblijft. Ook wordt het nu

duidelijk hoe het komt dat atollen, die uit ringvormige walriffen

zijn ontstaan, meestal op hen gelijken zoowel in grootte en vorm,

als in hare wijze van groepeering en de samenstelling uit enkele of

dubbele dammen; want feitelijk kan men ze ruwe schetskaarten noemen

van de gezonken eilanden waarop zij staan. Verder kunnen wij zien

wat de oorzaak is, dat de atollen in de Stille en Indische Oceanen

zich uitstrekken in lijnen, evenwijdig met de meestal scherp

uitkomende asrichting der hooge eilanden en groote kustlijnen

van deze oceanen. Daarom waag ik het de bewering te handhaven,

dat alle hoofdkenmerken dezer belangrijke vormingen--zoowel van de

laguneneilanden of atollen, die zoolang de aandacht der reizigers

hebben getrokken, als van de niet minder gewichtige walriffen,

hetzij deze kleine eilanden omringen of zich honderde mijlen ver

langs de kusten van een vasteland uitstrekken--door de theorie van

den opwaartschen groei der koraaldieren gedurende het onderzinken

van het land op eenvoudige wijze worden verklaard. [376]

Men zou mij kunnen vragen of ik een rechtstreeksch bewijs van het

zinken van walriffen of atollen kan geven; doch men moet hierbij in

't oog houden, hoe moeilijk het steeds is eene beweging te ontdekken,

welke er toe leidt het bewogen land onder water te verbergen. Op

Keeling-atolle zag ik echter aan alle zijden van de lagune oude

kokosboomen, die ondermijnd en op het punt waren te vallen; en op

ééne plaats stond eene hut, waarvan de bewoners verklaarden dat

de fundamenten zeven jaren geleden even boven hoogwaterpeil hadden

gestaan, terwijl zij nu dagelijks door elken vloed bespoeld werden. Bij

onderzoek vernam ik, dat hier gedurende de laatste tien jaren drie

aardbevingen waren gevoeld, waaronder ééne hevige. Op Wanikoro is het

lagunenkanaal bijzonder diep; aan den voet der hooge ingesloten bergen

heeft zich bijna geen alluviale grond opgehoopt, en op het muurvormig

walrif zijn door het opwerpen van brokken en zand zeer weinig eilandjes

gevormd. Deze en eenige dergelijke feiten meer, leidden mij tot de

meening, dat dit eiland kort geleden moet gezonken en het rif omhoog

zijn gegroeid. Hier zijn ook aardbevingen talrijk en zeer ernstig. Op

de Gezelschaps-Eilanden, daarentegen, waar de lagunenkanalen bijna

zijn verstopt; waar veel lage alluviale grond is opgehoopt, en waar in

sommige gevallen lange eilandjes op de walriffen zijn gevormd--feiten,

die alle er op wijzen, dat de eilanden niet zeer kort geleden gezonken

zijn--worden slechts uiterst zelden zwakke schokken gevoeld. Bij

deze koraalvormingen, waar land en water om de oppermacht schijnen te

strijden, moet het altijd moeilijk zijn te beslissen of de gevolgen

zijn toe te schrijven aan eene verandering in den loop der getijden,

of aan eene geringe onderzinking. Dat vele van deze riffen en atollen

aan veranderingen van eenigerlei aard onderhevig zijn, staat vast; in

sommige atollen schijnen de eilandjes in een niet lang verleden zeer

gegroeid, in andere, daarentegen, geheel of gedeeltelijk weggespoeld

te zijn. De bewoners van sommige gedeelten der Maldivische Eilanden

kennen den datum, waarop sommige eilandjes zich het eerst begonnen te

vormen; elders in dien archipel bloeien thans de koralen op riffen,

waarover het water spoelt, en waar holten, die voor graven moesten

dienen, getuigen van het vroeger bestaan van bewoond land. Dat in de

getij-stroomingen eener open zee menigvuldige veranderingen zouden

plaats hebben, is moeilijk te gelooven; daarentegen zien wij in de

aardbevingen waarvan de bewoners van sommige atollen de overlevering

bewaard hebben, en in de groote op andere atollen waargenomen spleten,

een klaar bewijs van de veranderingen en storingen welke in de

onderaardsche streken in gang zijn.

Volgens onze theorie is het duidelijk, dat kusten die alléén door

randriffen worden omgeven, niet merkbaar diep gezonken kunnen zijn,

en dus sedert den groei harer koralen òf op hetzelfde peil gebleven,

òf opgeheven moeten zijn. Nu is het opmerkelijk, hoe in 't algemeen

door de aanwezigheid van uit zee geheven organische overblijfsels kan

worden aangetoond, dat de eilanden met randriffen gerezen zijn. In

zoover is dit een indirect bewijs voor de juistheid onzer theorie. Dit

feit trof mij vooral, toen ik tot mijne verwondering ontdekte, dat de

door Quoy en Gaimard gegeven beschrijvingen niet toepasselijk waren op

riffen in 't algemeen (gelijk stilzwijgend door hen werd aangenomen),

maar alleen op die van de klasse der kust- of randriffen. Mijne

verwondering week echter, toen ik later bevond, dat volgens de eigen

verklaringen dezer bekwame natuuronderzoekers bewezen kon worden, dat,

door een spel van het toeval, al de verschillende door hen bezochte

eilanden in een jong geologisch tijdperk omhoog waren geheven. [377]

Door de theorie der inzinking van den zeebodem (welke theorie wij,

onafhankelijk, voor het gebied in quaestie genoopt zijn aan te nemen,

wegens de noodzakelijkheid om voor den groei der koralen bodems

op de vereischte diepte te vinden) worden niet alleen verklaard

de hoofdtrekken in den bouw van walriffen en atollen, en van hunne

onderlinge gelijkenis in vorm, grootte en andere kenmerken: maar ook

vele bijzonderheden in bouw en zelfs uitzonderingsgevallen vinden door

haar eene eenvoudige verklaring. Ik zal slechts enkele voorbeelden

noemen. Sedert lang is bij walriffen met verwondering waargenomen,

dat de doorgangen in het rif nauwkeurig liggen in de asrichting der

valleien op het ingesloten land--zelfs dan, als het rif van het land

gescheiden is door een lagunenkanaal, zoo wijd en zooveel dieper dan

de eigenlijke doorgang zelf, dat het haast niet mogelijk schijnt,

dat de zeer geringe hoeveelheid van land afgevoerd water of bezinksel

de koralen op het rif kon schaden. Om dit te verklaren, wenden wij

ons tot de klasse der kustriffen. Hier wordt elk rif doorsneden van

eene smalle geul of invaart, recht tegenover het kleinste riviertje

van het ingesloten land, zelfs indien dat riviertje het grootste deel

van het jaar droog ligt; en wel om deze reden, dat alle weggespoelde

modder, zand en kiezel de rifkoralen doodt, waarop die stoffen worden

afgezet. Bij gevolg, wanneer zulk een eiland met kustrif onderzinkt,

zullen, ofschoon waarschijnlijk de meeste smalle invaarten door den

buiten- en opwaartschen groei der koralen verstopt zullen worden,

enkele niet verstopte (en door het bezinksel of onzuivere water dat

uit het lagunenkanaal wegvloeit, moeten er altijd eenige open blijven)

voortdurend juist tegenover de hoogere gedeelten van die valleien

liggen, aan welker vroegere mondingen de bodem van het oorspronkelijke

kustrif van geulen werd doorsneden.

Wij kunnen nu gemakkelijk inzien, hoe een eiland dat slechts aan

ééne zijde, met of zonder insluiting van een of beide uiteinden,

door walriffen is omgeven, na langdurige onderzinking veranderd kan

worden hetzij in een enkel muurvormig rif, hetzij in eene atolle

met een groote recht daaruit stekende klip, of eindelijk in twee of

drie door rechte riffen verbonden atollen. Werkelijk komen al deze

bijzondere gevallen voor. Daar de rifvormende koralen voedsel noodig

hebben, en op hunne beurt weer door andere dieren worden gegeten;

daar zij door bezinksel worden gedood, zich niet aan een lossen

bodem kunnen hechten, en gemakkelijk op eene diepte kunnen geraken,

waaruit zij niet weer kunnen omhoog groeien--behoeven wij ons niet

te verwonderen, dat zoowel atollen als walriffen op sommige punten

onvolledig worden. Zoo is het groote walrif van Nieuw-Caledonië op

vele plaatsen onvolledig en gebroken; en na langdurige onderzinking

zou dat rif niet voortbrengen eene enkele groote atolle van 400 mijlen

lengte, maar eene reeks of archipel van atollen, van ongeveer dezelfde

afmetingen als die der Maldivische Eilanden. Bovendien, zoodra eene

atolle eenmaal aan overstaande zijden is doorgebroken, is het, op grond

dat de zee- en getijstroomingen vermoedelijk recht door de breuken

zullen gaan, hoogst onwaarschijnlijk dat de koralen ooit in staat

zullen zijn weer den rand te bereiken, vooral wanneer de inzinking

voortduurt. Is dit het geval, dan zal, terwijl de geheele oppervlakte

zinkt, ééne atolle in twee of meer kleinere worden verdeeld. In den

Maldivischen Archipel is de betrekkelijke ligging van verschillende

atollen, die òf door onpeilbare òf zeer diepe kanalen van elkander

gescheiden zijn, [378] zoodanig, dat men bij een blik op de kaart niet

anders kan denken, dan dat zij eenmaal tot elkaar in nauwer verband

stonden. En in dezen zelfden archipel is de atolle Mahlos-Mahdoo door

een tweearmig kanaal van 100 tot 132 vademen zoodanig verdeeld, dat

het haast niet mogelijk is te zeggen of hier, strikt genomen, sprake is

van drie afzonderlijke atollen, of van ééne groote die nog niet geheel

verdeeld is. Ik zal hier niet in veel meer bijzonderheden treden, doch

moet opmerken, dat, zoo men let op het feit dat de zee vrijen toegang

heeft door de gebroken randen der noordelijke Maldivische atollen,

haar eigenaardige bouw eene eenvoudige verklaring vindt in den op-

en buitenwaartschen groei der koralen, die oorspronkelijk gegrondvest

waren op kleine vrijstaande riffen in hare lagunen (zooals in gewone

atollen voorkomen), en op gebroken deelen van het lineaire zoomrif,

als waardoor elke atolle van den gewonen vorm begrensd wordt. Ik kan

niet nalaten telkens weêr op den zonderlingen bouw dezer samengestelde

gewrochten te wijzen, nl. eene groote, zandige en meestal holle schijf,

die zich steil uit den onpeilbaren oceaan verheft: die in haar midden

bezaaid en aan den rand symmetrisch is omkranst met ovale koraalsteenen

holten, welke juist het oppervlak der zee raken, die somtijds met

planten zijn bedekt, en alle een meer van helder water bevatten!

De Reis om de Wereld · 第 48 / 56 段