zeer belangwekkenden, hoewel eenvoudigen bouw en oorsprong dezer
eilanden. Daar het water bijzonder effen was, waadde ik over de
buitenste bank van dood gesteente tot aan de levende koraaldijken,
waarop de golfslag der volle zee breekt. In sommige geulen en holten
zwommen visschen in prachtig groene en andere kleuren, en prijkten
vele zoöphieten in wondervolle tinten en vormen. Het is verschoonbaar,
dat men in geestdrift geraakt over het oneindig aantal bewerktuigde
wezens, waarmede de keerkringszee, zoo kwistig in levensvormen,
bevolkt is; toch moet ik bekennen, dat natuuronderzoekers die in
welgekozen bewoordingen de onderzeesche grotten beschreven hebben
als versierd te zijn met duizend schoonheden, volgens mijn idee eene
eenigszins gezwollen taal gebezigd hebben.
[6 April.]
Ik vergezelde kapitein Fitz-Roy naar een eiland aan het hoofdeinde
der lagune, en daarbij volgden wij een ingewikkeld kanaal, dat
zich door velden van fijn vertakte koralen slingerde. Wij zagen
verscheidene zeeschildpadden, en twee booten werden afgezonden om ze te
vangen. Het water is zoo helder en ondiep, dat hoewel de zeeschildpad
door snel duiken in de eerste oogenblikken uit het gezicht raakt,
de vervolgers in hunne kano of zeilboot haar na eene niet zeer lange
jacht inhalen. Op dit oogenblik springt een man, die in den boeg gereed
staat, door het water heen op den rug der schildpad, grijpt haar met
beide handen bij het nekschild, en laat zich zoo meevoeren totdat het
dier uitgeput raakt en gevat wordt. Het was eene belangwekkende jacht,
de twee booten zoo te zien rondvaren, en de mannen met het hoofd
vooruit door het water te zien schieten om te trachten hunne prooi
te grijpen. Kapitein Moresby meldt mij, dat de inboorlingen der in
dezen zelfden oceaan gelegen Chagos-Eilanden op eene afgrijselijke
manier het rugschild van de levende zeeschildpad wegnemen. "Het
wordt met brandende houtskool bedekt, die de buitenste schaal omhoog
doet krommen; daarna rukt men het met een mes af, en maakt het plat
tusschen twee planken voordat het koud wordt. Na deze barbaarsche
behandeling laat men het dier weer in zijn element terugkeeren,
waar zich na eenigen tijd een nieuw schild vormt, dat echter te dun
is om het dier van eenig nut te zijn. Het gevolg is dan ook altijd,
dat de schildpad er kwijnend en ziekelijk uitziet."
Toen wij aan den kop der lagune kwamen, staken wij een smal eilandje
over, en zagen hier op de kust naar den wind eene hevige branding
staan. Ik kan moeilijk zeggen waarom: maar op mijn geest maakt de
aanblik van de buitenkusten dezer laguneneilanden een zeer grootschen
indruk. Er ligt iets grootsch in dat eenvoudige borstweringachtige
strand, dien zoom van groene struiken en hooge kokosboomen, die
stevige bank van dood koraalgesteente met hare groote, hier en daar
verspreide losse brokken, en in die lange lijn van woedende brekers,
die aan alle zijden aanrollen. Als de oceaan zijne golven over het
breede rif werpt, schijnt hij u een onoverwinnelijke vijand van
alvermogende kracht; toch zien wij hem tot staan gebracht en zelfs
overwonnen door middelen, die u op 't eerste gezicht zoo uiterst
zwak en krachteloos schijnen. Niet dat de oceaan de koraalrotsen
spaart! De groote brokken, die over het rif verspreid en opgehoopt
zijn op het strand, waaruit de hooge kokosboom ontspruit, spreken
duidelijk van de onbuigzame kracht der golven. Ook gunt de zee het
land geen tijd van rust. De langdurige stijging, veroorzaakt door de
gestadige werking van den passaatwind, die altijd in ééne richting
over een uitgestrekt gebied waait, doet brekers ontstaan, bijna
even machtig als die in gematigde luchtstreken tijdens een orkaan,
en die met onverpoosd geweld woeden. Men kan deze golven niet zien
zonder een gevoel van overtuiging, dat een eiland, ofschoon uit
het hardste gesteente bestaande, hetzij porfier, graniet of kwarts,
eindelijk voor zulk eene onweerstaanbare kracht moet zwichten en door
de golven worden verslonden. Niettemin houden deze lage, onbeduidende
koraaleilandjes zegevierend stand, want eene andere macht treedt
op als tegenstander en mengt zich in den strijd. De krachten van het
organische leven scheiden, een voor een, de molekulen koolzure kalk uit
de schuimende branding, en vereenigen ze tot een hecht, symmetrisch
samenstel. Laat vrij de oceaan er duizenden brokken afrukken, wat
zegt dit tegen de tienduizenden nijvere arbeiders, die dag en nacht,
maand in maand uit aan 't werk zijn? Zoo zien wij dan het zachte en
slijmachtige lichaam der poliep door tusschenkomst der levenswetten
zegevieren over de ruwe mechanische kracht der golven van een oceaan,
dien noch de menschelijke kunst, noch zelfs de onbezielde werken der
natuur met goed gevolg konden weerstaan!
Niet voor des avonds laat keerden wij aan boord terug, want langen tijd
bleven wij in de lagune bezig met het onderzoek van de koraalvelden
en van de 1 1/2 M. groote reuzenschelpen, [365] welke laatste zoo
sterk zijn, dat iemand die zijne hand tusschen de schalen durft
steken, haar niet zou kunnen lostrekken, zoolang het dier leeft. Bij
het hoofdeinde der lagune vond ik tot mijne groote verbazing eene
uitgestrekte ruimte van veel meer dan een mijl in het vierkant, bedekt
met een woud van fijn vertakte koralen, die allen dood en verrot waren,
ofschoon zij recht overeind stonden. In 't eerst begreep ik volstrekt
niet wat de oorzaak hiervan was, doch later viel mij in, dat zij aan
den volgenden, eenigszins vreemden samenloop van omstandigheden was toe
te schrijven. Ik moet echter vooraf zeggen, dat koralen zelfs niet een
korten tijd aan de zonnestralen in de open lucht kunnen blootgesteld
zijn, zonder te sterven, zoodat hare bovenste groeigrens bepaald wordt
door die van het laagste water bij springgetijden. Uit eenige oude
kaarten blijkt, dat het lange eiland bovenwinds voorheen door wijde
kanalen in verscheidene eilandjes verdeeld was: welk feit ook hieruit
blijkt, dat de boomen op die gedeelten jonger zijn. In den vroegeren
toestand van het rif zou een sterke bries, door meer water over de
borstwering te werpen, het peil der lagune hebben doen rijzen. Thans
heeft zij eene tegengestelde werking; want niet alleen neemt het water
in de lagune door stroomingen van buiten niet toe, maar het wordt zelf
door de kracht van den wind naar buiten gestuwd. Zoo heeft men dan
waargenomen, dat het getij nabij het hoofd der lagune gedurende eene
sterke bries niet zoo hoog stijgt, als bij kalm weder. Volgens mijn
idee, heeft dit niveau-verschil, ofschoon zonder twijfel zeer gering,
den dood veroorzaakt van deze koraalboschjes, die in den vroegeren,
meer open toestand van het buitenrif hunne hoogst mogelijke grens
van verticalen groei bereikt hadden.
Enkele mijlen ten noorden van Keeling is eene andere kleine
atolle, binnen welke de lagune bijna geheel met koraalmodder
gevuld is. Kapitein Ross vond in het conglomeraat-gesteente op de
buitenkust een goed afgerond stuk groensteen bedolven, iets grooter
dan een menschenhoofd, waarover hij zelf en zijne metgezellen zoo
verwonderd waren, dat zij het stuk medenamen en als eene bijzonderheid
bewaarden. Het voorkomen van dezen enkelen steen in eene omgeving van
niets dan kalkhoudend gesteente, is zeer verrassend. Het eiland is
bijna nooit bezocht geworden, en het is ook niet waarschijnlijk, dat
er een schip is vergaan. Bij gebrek aan eene betere verklaring, kwam
ik tot de slotsom, dat de steen, tusschen de wortels van een grooten
boom verward, hierheen was gekomen; maar denkende aan den grooten
afstand van het naastbij gelegen land, en aan het onwaarschijnlijke
van zulk een samenloop van omstandigheden, nl. dat een steen zou
vastgeraakt zijn in een boom, met den boom in zee gespoeld, zóó ver
weggedreven, toen veilig geland en eindelijk zoodanig begraven zou
zijn, dat hij ontdekt werd--schrok ik haast, dat een blijkbaar zoo
onwaarschijnlijk middel van vervoer in mijn brein opkwam. Met veel
belangstelling las ik daarom het verhaal van Chamisso, den te recht
vermaarden natuuronderzoeker die Kotzebue vergezelde, dat de bewoners
van den Radack-Archipel (de reeds genoemde groep laguneneilanden
in den Stillen Oceaan) de steenen voor het scherpen van hunne
werktuigen verkregen, door de wortels van boomen te onderzoeken
welke op het strand waren geworpen. Blijkbaar moet dit verscheidene
keeren gebeurd zijn, daar er wetten bestaan, dat zulke steenen aan
het opperhoofd toebehooren, en elk die hen poogt te stelen straf
ontvangt. Let men op de afgezonderde ligging dezer eilandjes te midden
van een uitgestrekten oceaan (de reusachtige afstand van eenig land,
behalve koraalvormingen, blijkt wel het best uit de waarde welke de
inboorlingen, die zulke kloeke zeevaarders zijn, aan elke soort van
steenen hechten) [366]: alsmede op de geringe snelheid der stroomingen
in eene open zee--dan schijnt het voorkomen van op deze wijze vervoerde
steenen ons wonderlijk toe. Toch kunnen steenen dikwijls zoo vervoerd
worden; en indien het eiland, waarop zij stranden, uit andere stoffen
dan koraal bestaat, zullen zij nauwelijks de aandacht trekken en zal
althans hun oorsprong nooit aanleiding geven tot gissingen. Bovendien
kan dit vervoer langen tijd de aandacht ontgaan, daar de boomen,
vooral die welke met steenen zijn beladen, waarschijnlijk onder
de oppervlakte drijven. In de kanalen van Vuurland worden groote
hoeveelheden drijfhout op het strand geworpen; maar uiterst zelden
ziet men een boom op het water drijven. Misschien kunnen deze feiten
eenig licht werpen op het geval, dat hoekige zoowel als afgeronde
steenen soms in fijne bezonken stoffen begraven worden gevonden.
Op een anderen dag bezocht ik het West-Eilandje, waar de plantengroei
misschien overvloediger is dan op de overige. De kokosboomen groeien
meestal gescheiden; maar hier bloeiden de jonge stammen onder
hunne hooge bloedverwanten, en vormden met hunne lange en gebogen
bladerkronen de meest belommerde priëelen. Alleen zij, die zoo iets
ondervonden hebben, weten hoe heerlijk het is onder zulk lommer te
zitten en het koele, aangename sap van de kokosnoot te drinken. Op
dit eiland bevindt zich eene groote baaivormige ruimte, welke uit het
fijnste witte zand bestaat; zij is geheel vlak en alleen bij hoog
water door het getij bedekt. Uit deze groote baai ontspringen vele
kleine kreken, die zich in de omringende bosschen verliezen. Het
gezicht van zulk een veld met blinkend wit zand, rustig als eene
bevroren watervlakte en omgeven door een rand van hooge, wuivende
kokosstammen, vormde een zonderling, maar zeer aardig schouwspel.
Boven heb ik gesproken van een kreeft, die van de kokosnoten leeft. Hij
is zeer algemeen overal waar droog land is, bereikt eene monsterachtige
grootte, en is na verwant aan of dezelfde als Birgos latro. [367]
Het voorste paar beenen eindigt in zeer sterke en forsche scharen,
terwijl het achterste van zachtere en veel smallere voorzien is. In
't eerst zou men het geheel onmogelijk achten, dat een kreeft eene met
een stevigen dop omsloten kokosnoot kan openen; maar Liesk verzekerde
mij, dat hij dit herhaaldelijk heeft zien doen. De kreeft begint met
den dop vezel voor vezel stuk te plukken, en altijd van dat einde
af, waar zich de zoogenaamde drie oogen bevinden. Is dit volbracht,
dan begint de kreeft met zijne zware klauwen op een van de oogen
te hameren, totdat er eene opening gemaakt is. Dan draait hij zijn
lichaam om, en haalt met de twee achterste en smallere scharen de witte
vleezige pit te voorschijn. Ik beschouw dit feit niet alleen als het
merkwaardigste voorbeeld van instinct, waarvan ik ooit gehoord heb,
maar ook als eene aanpassing in lichaamsbouw tusschen twee in het
schema der natuur blijkbaar zoover van elkander staande organismen,
als een kreeft en een kokosboom. Deze Birgos is in zijne leefwijze een
dagdier; maar men zegt, dat hij elken nacht een bezoek aan zee brengt,
zonder twijfel met het doel om zijne kieuwen te bevochtigen. Op de
kust worden ook de jongen uitgebroed, die er vervolgens eenigen tijd
leven. Deze kreeften wonen in diepe gaten, welke zij onder de wortels
van boomen graven, en waar zij bijzonder groote hoeveelheden van de
losgetrokken vezels der kokosnotedoppen verzamelen, om hierop als op
een bed te rusten. Soms maken de Maleiers hiervan gebruik, en garen de
vezels om er oud touwwerk van te maken. Deze kreeften vormen een zeer
goed voedsel; bovendien bevindt zich onder den staart van de grootere
individuën eene aanzienlijke hoeveelheid vet, dat, gesmolten, somtijds
een kwart flesch vol heldere olie oplevert. Sommige schrijvers beweren,
dat de Birgos tegen de kokosboomen opkruipt, om de noten te stelen. Ik
twijfel zeer of dit wel mogelijk is, maar met den Pandanus (Pandang
of Schroefboom) zou die beklimming veel gemakkelijker zijn. Liesk
vertelde mij, dat de Birgos op deze eilanden leeft van de noten,
die op den grond zijn gevallen.
Kapitein Moresby deelt mij mede, dat deze kreeft de Chagos-Eilanden en
de Seychellen bewoont, maar niet voorkomt op de naburige Maldivische
Eilanden. Vroeger was hij talrijk op Mauritius, doch nu vindt men
daar slechts enkele kleine. Naar men zegt bewoont deze soort, of eene
met zeer overeenkomstige eigenschappen, één enkel koraaleiland in den
Stillen Oceaan, noordelijk van de Gezelschaps-Eilanden. Als een bewijs
hoe verbazend sterk het voorste paar scharen is, wil ik vermelden,
dat Scoresby eens een kreeft in een sterken tinnen trommel opsloot,
waarin beschuit geweest was, en het deksel met metaaldraad omwond. De
kreeft boog echter de randen om en ontsnapte. Dit ombuigen geschiedde
met zulk eene kracht, dat hij verscheidene kleine gaatjes door het
tin boorde.
Tot mijne groote verrassing vond ik twee koraalsoorten van het geslacht
Millepora (M. complanata en M. alcicornis), die het vermogen bezaten
tot steken. Versch uit het water genomen, zijn de steenen takken of
platen op het gevoel ruw en niet kleverig, ofschoon zij een sterken,
onaangenamen reuk bezitten. De stekende eigenschap schijnt bij
verschillende exemplaren ongelijk te zijn; drukte of wreef men een stuk
op de zachte huid van aangezicht of arm, dan ontstond gewoonlijk, na
verloop van eene secunde, eene prikkelende gewaarwording, die slechts
enkele minuten duurde. Toen ik echter op zekeren dag een der takken
vluchtig met mijn gezicht aanraakte, ontstond onmiddellijk pijn;
deze nam, zooals gewoonlijk, na enkele secunden toe, bleef eenige
minuten lang hevig, en was nog een half uur daarna te bespeuren. Het
gevoel was even onaangenaam als wanneer men een brandnetel aanraakt,
doch geleek meer op dat, veroorzaakt door Physalia of het Spaansche
Fregat. Kleine, roode vlekken ontstonden op de zachte huid van den
arm, en zagen er uit alsof zij blaren zouden trekken, hetgeen echter
niet gebeurde. De heer Quoy meldt dit geval van de Millepora, en
zoo hoorde ik ook van stekende koralen in West-Indië. Vele zeedieren
schijnen dit steekvermogen te bezitten; behalve het Spaansche fregat,
vele koralen, en Aplysia of de zeehaas van de Kaap-Verdische-Eilanden,
wordt in de "Voyage of the Astrolabe" gesproken van eene Actinia of
zee-anemoon, en van een buigzaam aan Sertularia verwant koraaldier,
die beiden dit middel tot aanvallen of verdedigen bezitten. Men zegt,
dat in de Oostindische Zee een stekend zeewier wordt gevonden.
Twee soorten van visschen, behoorende tot het geslacht Scarus
(papegaaivisch), welke hier algemeen zijn, leven uitsluitend van
koraal; beiden zijn schitterend blauwgroen gekleurd en leven,
de een altijd in de lagune en de ander tusschen de brekers op de
buitenkust. Liesk verzekerde mij, dat hij herhaaldelijk geheele scholen
visschen met hunne sterke beenige kaken op de toppen der koraaltakken
had zien grazen. Bij verscheidene opende ik de ingewanden en vond die
gevuld met kalkhoudende, zanderige modder van geelachtige kleur. Ook
de slijmerige, walgelijke zeeblazen (Holothuroidea [368] aan onze
zeesterren verwant), waarop de Chineesche lekkerbekken zoo verzot zijn,
leven voor een groot deel van koralen, gelijk Dr. Allan mij bericht;
en het beenig toestel binnen hun lichaam schijnt wel voor dit doel
geschikt. Deze Holothuroidea, de visschen, de talrijke boorschelpen
en borstelwormen (Nereïdae), die elk blok dood koraalgesteente
doorboren, moeten zeer krachtig medewerken tot het voortbrengen van
de fijne witte modder, welke op den bodem en de oevers der lagune
ligt. Prof. Ehrenberg vond echter bij onderzoek, dat eene hoeveelheid
van deze modder, die, nat zijnde, in 't oog vallend op fijngestampte
kalk geleek, voor een deel uit kiezelschalige infusiediertjes bestond.
[12 April.]
Des morgens zeilden wij uit de lagune en zetten koers naar Isle
de France. Het doet mij genoegen, dat wij deze eilanden bezocht
hebben; want zulke vormingen behooren zeker tot de wonderlijkste
voortbrengselen der Natuur. Op een afstand van 2200 yards van de
kust (2012 M.) peilde kapitein Fitz-Roy met eene lijn van 7200
voet lengte (2195 M.) nog geen grond, waaruit dus blijkt, dat dit
eiland een hooge onderzeesche berg is met nog spitsere hellingen
dan de steilste vulkaankegel. De schotelvormige top meet bijna tien
mijlen in doorsnede; en elk atoom, van af het kleinste deeltje tot
het grootste steenblok in dezen hoogen berg, die toch nog klein
is in vergelijking met zeer vele andere koraaleilanden, draagt den
stempel van langs organischen weg ontstaan te zijn. [369] Wij zijn
verbaasd, als reizigers ons vertellen van de reusachtige afmetingen
der pyramiden en andere groote gedenkteekenen der menschelijke kunst;
maar hoe onbeduidend zijn de grootsten hunner, vergeleken met deze
steenen bergen, welke door geen andere arbeiders zijn opgehoopt, dan
verschillende kleine en tengere dieren! Dit is een wonder, dat op het
eerste gezicht niet het lichamelijk oog, maar, na rijpe overdenking,
het oog der rede treft.
Ik zal nu eene zeer korte beschrijving geven van de drie groote
klassen van koraalriffen, namelijk:
1o. Atollen of Lagunenriffen.
2o. Wal- of Damriffen (door Darwin genoemd Barrier-reefs).
3o. Rand- of Kustriffen (door Darwin genoemd Fringing-reefs).
en mijne inzichten omtrent hunne vorming mededeelen. [370] Bijna
elk reiziger, die den Stillen Oceaan is overgestoken, heeft zijne
groote verwondering betuigd over de laguneneilanden of Atollen,
zooals ik hen later bij hun Indischen (Maleischen) naam zal noemen,
en getracht er eene verklaring van te geven. Reeds in het jaar 1605
zeide Pyrard de Laval terecht:
"C'est une merveille de voir chacun de ces atollons environné d'un
grand banc de pierre, tout autour n'y ayant point d'artifice humain."
(Het is verwonderlijk elk dezer atollen omringd te zien door eene
groote steenen bank, zonder eenig spoor van menschelijke kunst in
den omtrek).
Nevensstaande schets van het eiland Whitsunday in den Stillen Oceaan,
welke ontleend is aan de uitnemende reisbeschrijving van kapitein
Beechey, geeft slechts een flauw begrip van het zonderlinge voorkomen
van zulk eene atolle. Het is er een van de kleinste grootte, en bestaat
uit smalle eilanden, die onderling tot een ring zijn vereenigd. De
tegenstelling tusschen den onmetelijken oceaan met zijne woedende
stortzeeën, en het lage eiland met het kalme heldergroene water
binnen de lagune, kan men zich moeilijk voorstellen zonder het gezien
te hebben.
De vroegere reizigers stelden zich voor, dat de koraalvormende dieren
hunne groote ringen instinctmatig bouwden, om zich aan de binnenzijde
eene veilige schuilplaats te verschaffen; maar als bewijs hoe ver dit
van de waarheid is, wil ik alleen zeggen, dat die in massa vereenigde
soorten, van wier groei op de open buitenkusten het bestaan van het
rif zelf afhangt, niet binnen de lagune kunnen leven, waar andere
fijn vertakte soorten bloeien. Volgens die meening wordt bovendien
ondersteld, dat vele soorten van verschillende geslachten en families
zich tot één doel vereenigen; en van zulk eene vereeniging is in de
geheele natuur geen enkel voorbeeld te vinden. De theorie, welke het
meest ingang heeft gevonden is, dat atollen op onderzeesche kraters
rusten; beschouwen wij echter den vorm en grootte van sommige,
het aantal, de nabuurschap en betrekkelijke ligging van andere,
dan verliest dit denkbeeld zijn aannemelijk karakter. Zoo meet de
atolle Suadiva [371] 44 geographical mijlen in de eene richting
en 34 in eene andere; Rimsky meet 54 bij 20 mijlen, en heeft een
zonderling gebogen rand; de atolle Bow [372] is 30 mijlen lang,
bij eene gemiddelde breedte van slechts zes, terwijl Menchikov (een
der Marshall-Eilanden) uit drie onderling vereenigde of verbonden
atollen bestaat. Bovendien is deze theorie geheel ontoepasselijk op de
noordelijke Maldivische atollen in den Indischen Oceaan (waarvan ééne
88 mijlen lang en tusschen de 10 en 20 m. breed is); want deze worden
niet begrensd door smalle riffen evenals gewone atollen, maar door
een groot aantal afzonderlijke kleine atollen, terwijl andere kleine
atollen uit de groote lagunenvormige binnenruimten verrijzen. Eene
derde en betere theorie werd door Chamisso voorgesteld, die meende,
dat, ten gevolge van den sterkeren groei der koralen op plaatsen
waar zij aan de volle zee zijn blootgesteld--zooals ongetwijfeld
het geval is, de buitenranden vroeger dan andere gedeelten uit het
gemeenschappelijke grondvlak zouden opgroeien, en dat dit de ring- of
schotelvormige structuur zou verklaren. Maar aanstonds zullen wij zien,
dat in deze, zoowel als in de krater-theorie, een allerbelangrijkst
punt over het hoofd is gezien, namelijk de vraag: waarop hebben de
rifvormende koralen, die op geene groote diepte kunnen leven, hunne
hechte bouwwerken gegrondvest?