Het klimaat is hier vochtiger dan in Nieuw Zuid-Wallis, en daardoor

het land vruchtbaarder. De landbouw bloeit, de ontgonnen velden hebben

een goed aanzien, en de tuinen vloeien over van welige groenten en

vruchtboomen. Sommige pachterswoningen, die op afgelegen plekken

stonden, boden een zeer schilderachtigen aanblik. Het algemeen

voorkomen der plantenwereld gelijkt op dat der Australische flora,

misschien iets groener en frisscher, en het weidegras tusschen

de boomen iets overvloediger. Op zekeren dag deed ik eene lange

wandeling aan den kant der baai tegenover de stad, en stak over op

eene stoomboot, waarvan er twee voortdurend heen en weer voeren. De

machinerieën van een dezer vaartuigen waren geheel in deze kolonie,

die toen pas 33 jaren sedert hare stichting bestond, vervaardigd. Op

een anderen dag besteeg ik Mount Wellington en nam daartoe een gids

mede, want eene eerste poging mislukte mij wegens de dichtheid van

het bosch. Onze gids was echter een dom man en bracht ons naar den

vochtigen zuidkant van den berg, waar de plantengroei zeer welig en

het beklimmingswerk, ten gevolge van de menigte verrotte stammen,

bijna even moeilijk was als op een berg in Vuurland of op Chiloë. Het

kostte ons vijf en een half uur ingespannen klimmen, voordat wij den

top bereikten. Op sommige gedeelten groeiden de Eucalypti tot eene

aanzienlijke hoogte en vormden een prachtig woud. [357] In eenige van

de diepste ravijnen bloeiden varenboomen op buitengewone schaal; ik

zag er een, die tot het ondervlak der loofkroon minstens 20 voet hoog

was en juist zes voet omtrek had. Het loofdak vormde de sierlijkste

zonneschermen en verspreidde eene donkere schaduw als in het eerste

uur van den nacht. De top van den berg is breed en vlak, en bestaat

uit reusachtige brokken kalen groensteen. Zijne hoogte is 3100 voet

boven de zee. Het was een prachtig heldere dag, en wij hadden een

ruim uitzicht: in het noorden geleek het land eene aaneenschakeling

van begroeide bergen, ongeveer even hoog als die waarop wij stonden,

en even gelijkvormig in omtrek; in het zuiden lag het gebroken land en

water met zijne vele verwikkelde baaien duidelijk als op eene landkaart

voor ons. Nadat wij eenige uren op den top hadden doorgebracht,

vonden wij een beteren weg om af te dalen, doch bereikten de Beagle

niet vóór des avonds 8 ure, na een dag van ingespannen beweging.

[7 Februari.]

De Beagle zeilde uit Tasmanië en bereikte op den 6den der volgende

maand de zeeëngte van King George, welke dicht bij den zuidwesthoek van

Australië ligt. Hier bleven wij acht dagen; maar op onze geheele reis

brachten wij niet zulk een doodschen en vervelenden tijd door. Van

eene hoogte gezien, doet het land zich voor als eene boschachtige

vlakte, waaruit hier en daar ronde en gedeeltelijk kale granietheuvels

verrijzen. Een dezer dagen ging ik met een gezelschap op weg, in

de hoop eene kangoeroe te zullen zien, en trok vele mijlen ver het

land in. Overal vonden wij een zeer armen zandgrond, nu eens bedekt

met een grof gewas van dun, laag kreupelhout en borstelig gras, dan

met een woud van kwijnende boomen. Het landschap geleek op dat der

zandsteenen hoogvlakte in de Blauwe Bergen van Nieuw Zuid-Wallis,

met dit verschil, dat de Casuarina (een boom die iets weg heeft

van den Schotschen den) hier talrijker is, en de Eucalyptus iets

minder voorkomt. [358] Op de open gedeelten waren vele grasboomen,

d.w.z. planten, die uiterlijk eenigszins aan den palmboom verwant zijn,

maar in plaats van eene fraaie bladerkroon te bezitten, slechts op

een bosje van zeer grove grasachtige bladeren kunnen bogen. [359]

Op een afstand gezien, scheen de meestal lichtgroene kleur van het

kreupelhout en andere planten vruchtbaarheid te voorspellen; maar

eene enkele wandeling was voldoende om deze illusie te verdrijven;

en wie het met mij eens is, zal niet verlangen op nieuw een tocht

door zulk een ongastvrij oord te doen.

Op een anderen dag vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar Bald Head--eene

plaats, door zoo vele zeevaarders vermeld, en waar eenigen zich

verbeelden koralen te zien, anderen versteende boomen, die nog in

de houding stonden waarin zij gegroeid waren. Naar onze meening,

zijn de grondlagen gevormd doordien de wind het fijne, uit kleine

ronde schelp- en koraaldeeltjes bestaande zand golfsgewijze ophoopte,

waarbij takken en wortels van boomen met vele landschelpen onder het

zand bedolven werden. Toen nu de doorzijgende kalkhoudende stof de

geheele massa verhardde, werden ook de cylindervormige, door rotting

van het hout ontstane holten met eene harde druipsteenachtige massa

gevuld. Doch langzamerhand spoelt de neerslag uit den dampkring de

weekere deelen weg; de harde vormen van de takken en wortels der

boomen steken daardoor boven de oppervlakte, en gelijken zeldzaam

bedriegelijk op de boomstompen van een dood kreupelbosch.

Terwijl wij in deze kolonie waren, bracht een groote stam

inlanders, genaamd de Mannen van den Witten Kaketoe, er juist een

bezoek. Aangelokt door het aanbod van eenige vaatjes rijst en suiker,

werden deze mannen, benevens die van den stam, welke aan de zeeëngte

van King George thuis behoort, overgehaald om een corrobori of groote

danspartij te houden. Zoodra het donker werd, zag men kleine vuren

ontsteken en begonnen de mannen hun toilet te maken, hierin bestaande,

dat zij zich met witte vlekken en strepen beschilderden. Toen

alles gereed was, werden groote vuren in lichtelaaien gloed gezet,

rondom welke vrouwen en kinderen zich als toeschouwers verzamelden,

en verdeelden de mannen van den Kaketoe en van King George zich

in twee partijen, waarin men nu twee aan twee tegenover elkander

begon te dansen. Het dansen bestond hierin, dat zij of zijdelings,

of zooals de Indianen op ééne rij, naar eene open ruimte liepen,

en gedurende die gemeenschappelijke beweging met groote kracht op

den grond stampten. Hunne zware voetstappen gingen vergezeld van een

soort van gedreun, door het tegen elkander slaan van hunne knuppels

en speren, en verschillende andere gebaren, als het uitsteken van de

armen en het wringen van het lichaam. Het was een uiterst ruw en wild

schouwspel, dat naar onze meening geheel zonder zin was; toch merkten

wij op, dat de zwarte vrouwen en kinderen er met het grootste genoegen

naar keken. Wellicht stelden deze dansen oorspronkelijk handelingen

voor, als symbolen van gevechten en overwinningen. Eén dans was er,

genaamd de Emu-dans, waarin elk man zijn arm in eene gebogen houding

uitstrekte, evenals de hals van een vogel. Bij een anderen dans bootste

een man de bewegingen na van een kangoeroe, die in de bosschen graast,

terwijl een tweede hem besprong, schijnbaar om hem aan zijne speer

te rijgen. Als beide stammen aan den dans deelnamen, beefde de grond

onder hunne zware voetstappen, en weergalmde de lucht van hunne woeste

kreten. Allen schenen zeer opgewonden; en die drom van bijna naakte

gestalten, gezien bij het rosse schijnsel der hoogvlammende vuren,

allen in duivelachtige eenparige beweging--dat tooneel, gevoegd

bij de woeste kreten van dansers en omstanders, vormde een volmaakt

schouwspel van een feest onder de laagste wilden. In Vuurland hebben

wij vele zonderlinge tooneelen uit het leven der wilden gezien, maar ik

geloof nooit een, waar de inboorlingen zoo opgewonden en zoo volkomen

in hun element waren als bij dezen dans. Toen de dans was afgeloopen,

schaarde de geheele troep zich in een grooten kring op het terrein, en

werd, tot aller blijdschap, de gekookte rijst met suiker rondgedeeld.

Na verscheidene vervelende dagen, doordien het weder betrokken was,

stevenden wij den 14den Maart 1836 uit de zeeëngte van King George

en zetten koers naar Keeling-Eiland.

Vaarwel, Australië! Ge zijt een aankomend kind, en zult gewis na

zekeren tijd als grootvorstin regeeren in het Zuiden! Maar al zijt ge

nog niet groot genoeg voor eerbied, dan toch te groot en eerzuchtig

voor genegenheid. Ik verlaat uwe stranden zonder droefheid of spijt...

HOOFDSTUK XX.

KEELING-EILAND--KORAALVORMINGEN.

[1 April 1836.]

Wij kwamen in het gezicht der Keeling- of Kokos-Eilanden, die in

den Indischen Oceaan en omstreeks 600 mijlen van de kust van Sumatra

liggen. Deze groep behoort tot de uit koralen gevormde laguneneilanden

(of atollen), gelijk aan die in den Lagen-Archipel (Tuamotu-Eilanden),

welke wij in Nov. 1835 voorbijvoeren. Toen het schip bij den ingang

van het kanaal was, kwam een Engelsch bewoner, de heer Liesk, in eene

boot naar ons toe. De geschiedenis van de bewoners dezer eilanden is

in de kortst mogelijke bewoordingen als volgt. Omstreeks negen jaren

geleden bracht een nietswaardig persoon, Hare genaamd, een aantal

Maleische slaven uit den Oostindischen Archipel hierheen, die nu ruim

100 zielen tellen, de kinderen medegerekend. Kort daarna kwam kapitein

Ross, die deze eilanden vroeger met zijn koopvaardijschip bezocht had,

vergezeld van zijn gezin en have uit Engeland hier aan, met het doel

zich te vestigen. Tot zijn gezelschap behoorde ook Liesk, die stuurman

op zijn schip geweest was. De Maleische slaven liepen spoedig van het

eilandje weg, waarop Hare zich gevestigd had, en voegden zich bij de

partij van Ross, zoodat Hare eindelijk genoodzaakt was deze eilanden

te verlaten.

In naam verkeeren de Maleiers nu in een staat van vrijheid, en wat

hunne persoonlijke behandeling betreft, is dit ook werkelijk zoo; doch

in de meeste andere opzichten worden zij als slaven beschouwd. Deels

door hunne ontevredenheid ten gevolge van de herhaalde verplaatsingen

van het eene eiland naar het andere, en misschien ook door eenig

wanbestuur, gaan de zaken niet voorspoedig. Het eiland heeft geen

ander viervoetig huisdier dan het zwijn, en het voornaamste plantaardig

voortbrengsel is de kokosboom. Zijn geheele welvaart hangt af van dezen

boom; de geheele uitvoer bestaat in olie van deze noot en de noten

zelven, die naar Singapore en Mauritius gaan, waar zij, na geraspt te

zijn, voornamelijk bij de kerrie-bereiding worden gebruikt. Ook de

vetgemeste varkens leven bijna geheel van kokosnoten, en hetzelfde

geldt voor de eenden en kippen. Zelfs een groote landkreeft is door

de natuur met de middelen toegerust om deze hoogst nuttige vrucht te

openen en er van te leven.

Op het ringvormige rif van het laguneneiland verheffen zich over een

groot deel der lengte, lijnvormige eilandjes. Aan de noordzijde of

lijwaarts is eene opening, waardoor de schepen kunnen binnenkomen

om te ankeren. Bij onze binnenkomst was de aanblik zeer vreemd

en niet onaardig, maar de schoonheid der plek hing bijna geheel

af van de kleurschittering der omringende voorwerpen. Het ondiepe,

klare en stille water der lagune, dat grootendeels op wit zand rust,

straalt in het helderste groen, wanneer het door eene verticale zon

verlicht wordt. Deze schitterende, vele mijlen breede ruimte wordt

aan alle kanten begrensd, hetzij door eene reeks van sneeuwwitte

brandingen, die haar scheiden van de donkere golven van den oceaan,

of door strooken land, waarboven de kokosboomen hunne vlakke kruinen

verheffen en die haar scheiden van het blauwe hemelgewelf. Evenals

eene witte wolk hier en daar eene aangename breking geeft in het

blauw des hemels, zoo tinten levende koraalbanken het smaragdgroene

water in de lagune nog donkerder.

Den volgenden morgen ging ik, nadat wij het anker hadden geworpen,

op het eiland Direction aan wal. De strook droog land is hier slechts

enkele honderden yards breed, en wordt aan den kant der lagune begrensd

door een oever van witten kalksteen, die in dit heete klimaat eene zeer

drukkende hitte uitstraalde, en aan de buitenkust door eene stevige,

breede, vlakke koraalbank, welke diende om de kracht der volle zee

te breken. Behalve in de nabijheid der lagune, waar eenig zand ligt,

bestaat het land geheel uit ronde brokken koraal. In zulk een lossen,

drogen en steenachtigen bodem een krachtigen plantengroei voort te

brengen--dat kon alléén het klimaat der tusschenkeerkringsstreken. Op

eenige van de kleinere eilandjes kon men zich verlustigen in de

sierlijke groepeering der jonge en volwassen kokosboomen, die in bonte

mengeling doch zonder wederzijdsche verstoring van vormen-symmetrie,

in een enkel bosch vereenigd waren. Een oever van blinkend wit zand

omsloot deze tooverachtige plekken.

Ik zal nu eene korte schets geven van de natuurlijke geschiedenis

dezer eilanden, welke door haar beperkten omvang van bijzonder belang

is. Op het eerste gezicht schijnt het bosch alleen uit kokosboomen te

bestaan; maar in werkelijkheid zijn er vijf of zes andere boomen. Een

dezer bereikt eene zeer aanzienlijke hoogte, is echter wegens de

groote weekheid van zijn hout onnut. Behalve de boomen, is het getal

planten uiterst beperkt en bestaat uit nietsbeteekenend onkruid. In

mijne verzameling, die, geloof ik, bijna de volledige flora omvat,

zijn 20 species, ongerekend een mos, een korstmos (lichen), en een zwam

(fungus). Tot dit aantal moeten twee boomen worden gerekend, waarvan

de een niet in bloei stond, en de ander mij slechts van hooren zeggen

bekend was. De laatste is in zijne soort een eenzame boom en groeit

bij het strand, waar de golven ongetwijfeld de enkele zaden hebben

aangespoeld. Op een der eilandjes groeit ook een Guilandina. Tot de

bovenstaande lijst reken ik niet het suikerriet, de banaan, eenige

andere voedselplanten, vruchtboomen en ingevoerde grassen. Daar de

eilanden geheel uit koraal bestaan, en weleer niets anders dan riffen

waren, waarover het water spoelde, moeten al hunne landvoortbrengselen

door de golven der zee zijn aangevoerd. Dienovereenkomstig heeft

de plantenwereld geheel het kenmerk van een toevluchtsoord voor

verlatenen. Prof. Henslow meldt mij, dat van de 20 soorten er 19 tot

verschillende geslachten behooren, en deze weder tot niet minder dan

16 families. [360]

In Holman's "Reizen" [361] wordt, op getuigenis van A. S. Keating,

die twaalf maanden op deze eilanden woonde, eene opsomming gegeven

van de verschillende zaden en andere voorwerpen, die men weet dat

daar aan strand zijn gespoeld:

"Zaden en planten van Sumatra en Java zijn door de branding naar

de windzijde der eilanden gedreven. Daaronder zijn gevonden: de

Kimiri, thuis behoorende op Sumatra en het schiereiland Malakka;

de om haren vorm en grootte bekende kokosnoot van Bali; de Dadap

(Erythrina indica), die door de Maleiers met den peperstruik

geplant wordt: (laatstgenoemde windt zich daarbij om zijn stam, en

steunt hiertegen met de stekels op zijn stengel); verder de zeepboom

(Sapindus); de castorolie-plant (Ricinus); stammen van den sagopalm

(Sagus), en verschillende soorten van zaden, die den op de eilanden

wonenden Maleiers onbekend waren. Men vermoedt, dat deze alle door

den noordwest-moesson naar de kust van Nieuw-Holland zijn gedreven,

en van daar door den zuidoost-passaat naar deze eilanden. Ook zouden

gevonden zijn groote hoeveelheden Java-teakhout (Tectonia grandis)

en Geelhout (Virgilia lútea), alsmede reusachtige roode en witte

cederboomen, en de blauwe gomboom van Nieuw-Holland, in volkomen

ongeschonden staat. Alle harde zaden, zooals van slingerplanten,

behouden hun kiemvermogen, maar de zachtere soorten, waaronder de

Manggustan, (een Oostindische vrucht ter grootte van een appel, met

een zacht, sappig vruchtvleesch), gaan op den overtocht verloren. Nu

en dan zijn ook vischkano's, blijkbaar van Java, aan strand gespoeld."

Deze feiten zijn van belang, omdat zij ons leeren, hoe talrijk de zaden

zijn, die uit verschillende landen komende, over den grooten oceaan

worden gedreven. Prof. Henslow zegt mij, dat bijna alle planten welke

ik van deze eilanden meebracht, naar zijne meening gewone strandsoorten

zijn in den Oostindischen Archipel. Wegens de richting der winden en

stroomen, schijnt het echter bijna niet mogelijk, dat zij rechtstreeks

hierheen konden komen. Met meer waarschijnlijkheid is door Keating

beweerd, dat zij het eerst naar de kust van Nieuw-Holland werden

gevoerd, en van daar tegelijk met de voortbrengsels van dat land

teruggedreven, zoodat de zaden vóór hunne ontkieming 1800 tot 2400

mijlen moeten hebben afgelegd.

Chamisso zegt in zijne beschrijving van den Radack-Archipel, die in

het westelijk deel van den Stillen Oceaan is gelegen [362]: "de zee

voert de zaden en vruchten van vele boomen naar deze eilanden, alwaar

de meeste van hen niet zijn opgegroeid. Het meerendeel van deze zaden

schijnt echter het vermogen tot groeien niet verloren te hebben." Ook

zegt men, dat palmboomen ergens uit eene heete luchtstreek en stammen

van noordelijke dennen hier aan land zijn gespoeld; deze dennen moeten

dus een buitengewoon verren weg hebben afgelegd. Zulke feiten zijn in

hooge mate belangwekkend. Het valt niet te betwijfelen, dat, indien

er landvogels waren om de zaden op te pikken zoodra zij op 't strand

werden geworpen, alsook een beter voor hunnen groei geschikten bodem

dan de losse brokken koraal, het meest afgelegene dezer laguneneilanden

mettertijd eene veel rijkere flora zou bezitten dan het nu heeft.

De lijst van landdieren is nog armer dan die der planten. Eenige

eilandjes worden bewoond door ratten, die hierheen werden

gebracht. Deze ratten worden door Waterhouse voor dezelfde gehouden

als de Engelsche soort, maar zijn kleiner en lichter van kleur. Echte

landvogels ontbreken; want een snip en een wachtelkoning (Rallus

Phillippensis), ofschoon geheel in het droge kruid levende, behooren

tot de Orde der Steltloopers (Grallae). Men zegt, dat vogels van deze

Orde op vele van de lage eilandjes in den Stillen Oceaan voorkomen. Op

Ascension, waar geen landvogel is, werd bij den top van den berg een

wachtelkoning (Porphyrio simplex) geschoten, die hier blijkbaar een

eenzame zwerver was. Op Tristan da Cunha, waar volgens Carmichael

slechts twee landvogels zijn, komt een koet (Fulica) voor, [363]

die eveneens een steltlooper is. Wegens deze feiten geloof ik, dat

de steltloopers in 't algemeen, na de talrijke soorten zwemvogels,

de eerste nederzetters zijn op kleine afgelegen eilanden, en

kan er bijvoegen, dat, telkens als ik ver in zee vogels zag, die

geen eigenlijke zeevogels waren, zij tot de Orde der Steltloopers

behoorden. Het is dus natuurlijk, dat zij de vroegste nederzetters

worden op ver afgelegen landpunten.

Van kruipende dieren zag ik slechts eene kleine hagedis. Wat de

insecten betreft, heb ik getracht alle soorten te verzamelen. Behalve

spinnen, die talrijk waren, vond ik dertien soorten, en hieronder

slechts een enkelen kever. [364] Een kleine mier zwermde bij duizenden

onder de losse droge koraalblokken, en was eigenlijk het eenige insect,

dat overvloedig voorkwam. Ofschoon in vergelijking met de waters der

naburige zee, de voortbrengselen van het land zoo schaarsch zijn,

is het aantal bewerktuigde wezens inderdaad oneindig groot. Chamisso

heeft (Kotzebue's First Voyage, deel III blz. 222) de natuurlijke

geschiedenis van een laguneneiland in den Radack-Archipel beschreven;

en het is merkwaardig, hoezeer de bewoners daarvan in aantal en soort

op die van Keeling-Eiland gelijken. Er zijn eene hagedis en twee

steltloopers: namelijk een snip (Scolopax) en een wulp (Numenius). Van

planten zijn er 19 soorten met inbegrip van een varenkruid, en eenige

daarvan zijn dezelfde als die welke hier groeien, niettegenstaande

de plek zoo ontzettend ver en in een geheel anderen oceaan ligt.

De lange strooken land, die de rechtlijnige eilandjes vormen, bereiken

geene grootere hoogte dan tot waar de branding koraalbrokken kan

opwerpen en de wind kalkhoudend zand ophoopen. De stevige bank van

koraalgesteente breekt door hare breedte het eerste geweld der golven,

die anders in één dag deze eilandjes met al wat zij voortbrengen

zouden wegspoelen. Zee en land schijnen hier om het meesterschap

te strijden; en ofschoon het vaste land eene plaats heeft veroverd,

acht het water hier minstens even geldige rechten te bezitten. Op alle

gedeelten ontmoet men krabben van meer dan ééne soort, die hier als

kluizenaars leven, met de schelpdieren op haren rug, welke zij van

het naburige strand gestolen hebben. In de boomen boven ons rusten

talrijke witte rotspelikanen, fregatvogels en zeezwaluwen; en het

bosch zou men een zeekraaiennest kunnen noemen, wegens de vele nesten

en den stank, waarmede de dampkring vervuld is. Op hunne ruwe nesten

gezeten, kijken de rotspelikanen u met een dom en toornig gezicht

aan. De zeezwaluwen (Sterna) zijn, gelijk haar bijnaam van "domme"

uitdrukt, onnoozele kleine schepsels; maar buiten deze is er eene

kleine sneeuwwitte zeezwaluw, een bevallige vogel, die enkele voeten

boven uw hoofd stil rondhuppelt, en met zijne groote, zwarte oogen

kalm maar nieuwsgierig uw gelaat opneemt. Er is weinig verbeelding

toe noodig, om zich voor te stellen, dat in zulk een tenger en fijn

lichaam een dolende feeëngeest moet huizen.

[Zondag 3 April.]

Na den dienst vergezelde ik kapitein Fitz-Roy naar de nederzetting,

die eenige mijlen ver op de punt ligt van een dicht met hooge

kokosboomen bedekt eilandje. Kapitein Ross en de meergenoemde Liesk

wonen in een aan beide kanten open huis, dat de gedaante heeft van

eene schuur, en met matten van gevlochten schors omhangen is. De

huizen der Maleiers staan langs het strand der lagune. De geheele

plek had een eenigszins mistroostig aanzien, omdat er geen tuinen

waren, die getuigen van eene zorgvuldige ontginning. De inboorlingen

behooren tot verschillende eilanden in den Oostindischen Archipel,

maar spreken allen dezelfde taal. Wij zagen er van Borneo, Celebes,

Java en Sumatra. In kleur gelijken zij op de bewoners van Tahiti,

van wie zij in trekken niet veel verschillen. Eenige vrouwen

vertoonen echter veel van het Chineesche type. Mij beviel zoowel de

gelaatsuitdrukking in 't algemeen als de klank hunner stemmen. Zij

schenen arm, en in hunne huizen ontbrak alle gerief van meubelen;

maar uit het poezelig voorkomen der kindertjes bleek duidelijk,

dat kokosnoten en zeeschildpadden geen slecht voedsel zijn.

Op dit eiland liggen de putten, waaruit de schepen water opdoen. In

't eerst schijnt het niet weinig vreemd, dat het zoete water met de

getijden regelmatig ebt en wast, en men heeft zelfs gemeend, dat zand

het vermogen bezit om het zout uit het zeewater te filtreeren. Deze

ebbende putten komen ook op eenige lage eilanden in West-Indië

voor. Het samengedrukte zand of het poreuze koraalgesteente wordt

evenals eene spons van het zoute water doorzegen; maar de regen,

die op de oppervlakte valt, moet dalen tot het peil der omringende

zee en zich daar ophoopen onder verplaatsing van een gelijk volume

zoutwater. Wanneer nu het water in het lagere gedeelte der groote

sponsachtige koraalmassa met de getijden rijst en daalt, zal dit

ook geschieden met het water bij de oppervlakte; en dit laatste zal

zoet blijven, indien het gesteente dicht genoeg is om aanzienlijke

mechanische vermenging te voorkomen. Graaft men echter een put op

plaatsen, waar het land bestaat uit groote losse koraalbrokken met

open tusschenruimten, dan is, blijkens hetgeen ik gezien heb, het

water daarin brak.

Na het middagmaal woonden wij een zonderling en half bijgeloovig

schouwspel bij, dat de Maleische vrouwen ons te zien gaven. Een

groote houten lepel, die in kleeren gestoken en naar het graf

van een overleden man was gebracht, werd, volgens hare bewering,

bij volle maan begeesterd en zou gaan springen en dansen. Na de

noodige voorbereidingen, hielden twee vrouwen den lepel vast, die

daarop in stuipachtige beweging geraakte en onder het gezang der

omstaande vrouwen en kinderen goed in de maat ronddanste. Het was

eene allerzotste vertooning; maar Liesk beweerde, dat vele Maleiers

werkelijk aan de geestenbeweging van den lepel geloofden. De dans begon

eerst nadat de maan was opgegaan; en toen wij hare heldere schijf

zoo stil tusschen de lange, in den avondwind wuivende takken der

kokosboomen zagen schijnen, werden wij ruimschoots voor ons wachten

schadeloos gesteld. Op zichzelven zijn deze tropische landschappen

zoo verrukkelijk, dat men hen bijna even lief krijgt als die in het

eigen vaderland, waaraan wij door de fijnste snaren van het gemoed

verbonden zijn.

De Reis om de Wereld · 第 46 / 56 段