Als men de overeenstemming ziet tusschen de horizontale lagen aan elken

kant van deze valleien en groote amphitheater-vormige verdiepingen,

dan is de eerste indruk deze, dat zij evenals andere valleien door de

werking van water zijn uitgehold; maar denkt men aan de ontzaglijke

hoeveelheid steenen, die volgens deze onderstelling alléén door

kelen of kloven moest worden verwijderd, dan is men geneigd te

vragen of deze ruimten niet door inzinking zijn ontstaan. Zoo men

echter let op den vorm der onregelmatig vertakte valleien en smalle

uit de bergvlakte daarin uitstekende landtongen, dan is men wel

genoopt ook dit denkbeeld op te geven. De holten toe te schrijven

aan tegenwoordige alluviale werking zou ongerijmd zijn; ook ligt

het hoogste niveau der afwatering (zooals ik bij The Weatherboard

opmerkte) niet altijd aan den top dezer valleien, maar aan ééne zijde

harer baaivormige bochten. Enkele inwoners deden mij de opmerking, dat

zij zulk een baaivormigen inham met zijne rechts en links uitstekende

landtongen nooit zagen zonder getroffen te worden door de gelijkenis

er van met eene steile zeekust. Dit is zeker het geval; men kan

er bijvoegen, dat de talrijke fraaie, wijdvertakte havens aan de

tegenwoordige kust van Nieuw Zuid-Wallis, welke meestal door een

smallen, in de zandsteenen kustriffen uitgeholden mond met de zee

verbonden zijn--eene gelijkenis vertoonen, hoewel op kleine schaal,

met de groote valleien van het binnenland. Maar dan doet zich de

onverwachte moeilijkheid voor: waarom heeft de zee deze groote,

hoewel begrensde boezems uitgehold in een uitgestrekt tafelland,

en slechts kelen gelaten aan de openingen, waardoor die ontzaglijke

hoeveelheid uitgespoelde stof is weggevoerd? Het eenige licht, dat ik

op dit raadsel kan werpen, is door op te merken, dat zich tegenwoordig

in sommige zeeën (bijv. hier en daar in de Westindische en in de Roode

Zee) banken schijnen te vormen van de meest onregelmatige gedaanten

en met zeer steile zijwanden. Ik heb reden om te onderstellen, dat

zulke banken gevormd zijn geworden door ophooping van bezinksel op een

onregelmatigen bodem, onder de werking van sterke stroomen. Dat de zee

in sommige gevallen bezinksel ophoopt rondom onderzeesche rotsen en

eilanden, in plaats van het uit te spreiden in eene gelijkvormige laag,

kan moeilijk in twijfel worden getrokken, wanneer men de kaarten van

West-Indië bestudeert; en dat de golven in staat zijn hooge en steile

riffen te vormen zelfs in havens, die door land zijn ingesloten, heb ik

in vele gedeelten van Zuid-Amerika waargenomen. Om nu deze begrippen

te toetsen aan de zandsteenen bergvlakten van Nieuw Zuid-Wallis, stel

ik mij voor, dat de lagen werden opgehoopt op een onregelmatigen bodem

door de werking van sterke stroomen en den golfslag eener volle zee;

vervolgens, dat de steil hellende wanden der aldus ontstane ongevulde,

dalvormige ruimten gedurende eene langzame landrijzing tot klippen

werden uitgehold, en dat de losgewerkte zandsteen verwijderd werd

òf in den tijd toen de nauwe dalkelen door de ruimende zee gegraven

werden, òf later door alluviale werking.

Kort na ons vertrek van The Blackheath daalden wij door den pas van

Mount Victoria van de zandsteenen hoogvlakte af. Om dezen pas te

maken had men door eene ontzaglijke hoeveelheid steen moeten boren;

maar zoowel het plan als de wijze van uitvoering verdienden op ééne

lijn te worden gesteld met een werk van dien aard in Engeland. De

streek, die wij nu betraden, was ongeveer 1000 voet lager en bestond

uit graniet. Met de verandering van gesteente veranderde ook de

flora. De boomen waren fraaier en stonden meer gescheiden, terwijl

het tusschenliggende weiland iets groener en weliger was. Te Hassan's

Walls verliet ik den grooten weg en maakte een korten omweg naar eene

hoeve, Walerawang geheeten, die bewoond werd door een hoofdopzichter,

aan wien ik een introductie-brief had van den eigenaar te Sydney. De

heer Brown was zoo vriendelijk mij te vragen tot den volgenden dag

te blijven, welk voorstel ik met genoegen aannam. Deze plaats levert

een voorbeeld van een der groote landbouwinrichtingen of liever

schapenfokkerijen in de kolonie; maar omdat eenige dalen moerassig

zijn en een grover gras voortbrengen, zijn vee en paarden hier wat

talrijker dan gewoonlijk. Op twee of drie vlakke strooken grond nabij

het huis was het hout gerooid en koren gezaaid, dat de maaiers nu

bezig waren te oogsten; van tarwe wordt echter niet meer gezaaid

dan voor het jaarlijksch onderhoud der in de inrichting werkende

arbeiders noodig is. Het gewone cijfer der toegewezen strafarbeiders

bedraagt hier omtrent veertig; doch in dezen tijd waren er enkelen

meer. Ofschoon de hoeve van al het noodige goed voorzien was,

heerschte er duidelijk gebrek aan gerief; en er woonde hier geen

enkele vrouw. In 't algemeen zal de zonsondergang op een fraaien

dag een glans van geluk en tevredenheid op een landschap stralen;

maar hier, in deze afgelegen hoeve, konden de helderste tinten op

de omliggende bosschen mij niet doen vergeten, dat veertig verharde,

verworpen mannen hun dagarbeid staakten evenals de slaven uit Afrika,

maar zonder hun heilig recht op medelijden!

Den volgenden morgen vroeg was de heer Archer, adjunct van den

hoofdopzichter, zoo vriendelijk mij op eene kangoeroe-jacht te

noodigen. Wij reden het grootste deel van den dag, doch hadden eene

zeer slechte vangst, daar wij geen enkele kangoeroe (Macropus) zagen,

en zelfs geen wilden hond (Canis dingo). De hazenwinden vervolgden

eene kangoeroe-rat (Hypsiprimnus) [348] in een hollen boom, waaruit

wij haar te voorschijn haalden. Deze rat is zoo groot als een konijn,

maar heeft de gedaante van een kangoeroe. Weinige jaren geleden

bezat dit land een overvloed van wilde dieren; maar nu is de emu

(Dromaius Novae Hollandiae) [349] ver het binnenland ingedreven en

de kangoeroe zeldzaam geworden; voor beiden is de Engelsche hazenwind

hoogst schadelijk geweest. Ofschoon het nog lang kan duren voordat deze

dieren geheel zijn uitgeroeid, is hun vonnis geveld. De inboorlingen

zijn er altijd op gesteld de honden van de pachthoeven te leenen:

en hun gebruik, gevoegd bij den afval als een dier gedood wordt en

wat melk van de koeien, zijn de zoenoffers der kolonisten, die al

dieper en dieper in het binnenland dringen. Aangelokt, verblind door

deze onbeduidende voordeden, verheugt de onnadenkende inboorling zich

over de nadering van den blanke, die inderdaad bestemd schijnt het

land van zijne kinderen te erven.

In weerwil van onze schrale vangst hadden wij een aangenamen rit. Het

boschland is meestal zoo open, dat iemand te paard er door heen kan

galoppeeren. Dwars door het boschland loopen enkele vlakke groene dalen

zonder boomen; en op zulke plekken was het landschap even vriendelijk

als in een park. In de geheele streek zag ik bijna geen enkele plek,

welke niet de sporen droeg van een vuur. Of deze sporen van vroeger

of later dagteekenden; of de overblijfsels van het verbrande hout meer

of minder zwart waren--die vragen brachten de grootste afwisseling in

de eentonigheid, welke het oog van den reizenden zoozeer vermoeit. In

deze bosschen zijn niet veel vogels; maar ik zag eenige groote zwermen

kaketoes in een korenveld grazen, en enkele zeer prachtige papegaaien;

kraaien, zooals onze kerkkraaien, waren niet zeldzaam, en eindelijk zag

ik nog een anderen vogel, die eenigszins op een ekster geleek. In de

avondschemering deed ik eene wandeling langs eene reeks van vijvers,

die in dit droge land de plaats van rivier innemen, en had het geluk

verscheidene individuën van het vermaarde Snaveldier (Ornithorhynchus

paradoxus) te zien. [350] Zij doken en speelden bij de oppervlakte

van het water, maar lieten zoo weinig van hun lichaam zien, dat men

hen gemakkelijk voor waterratten had kunnen houden. De heer Browne

schoot er een, en ik zag toen, dat het werkelijk een zeer buitengewoon

dier is; een opgezet exemplaar geeft volstrekt geen goed denkbeeld

van het voorkomen van het hoofd en den bek van een levend individu,

omdat de laatste hard wordt en krimpt. [351]

[20 Januari.]

Wij hadden een langen dagrit naar Bathurst. Voordat wij den grooten

weg insloegen, volgden wij een pad door het woud. Met uitzondering van

enkele squatters-hutten, was dit oord zeer eenzaam. Dien dag werden wij

overvallen door den sirocco-achtigen wind van Australië, welke uit de

droge woestijnen van het binnenland komt. Wolken stof vlogen in alle

richtingen, en de wind voelde zoo heet, als ware hij over een vuur

gestreken. Later hoorde ik, dat de thermometer buitenshuis op 119°,

en in eene gesloten kamer op 96° had gestaan. Des namiddags kwamen de

duinen van Bathurst in het gezicht. Deze golvende, doch bijna effen

vlakten zijn in deze streek zeer merkwaardig, omdat zij geheel van

boomen ontbloot zijn, en slechts een dun bruin weidegras bezitten. Wij

reden eenige mijlen over dit land en bereikten toen het stadsgebied van

Bathurst, gelegen in de kom eener ruimte, welke met den naam van zeer

breede vallei of smalle vlakte bestempeld zou kunnen worden. Te Sydney

had men mij gezegd geen al te slechten dunk van Australië te krijgen

door het land van den wegkant te beoordeelen, en geen al te goeden

door Bathurst als maatstaf te nemen. Wat dit laatste betrof, gevoelde

ik dat ik niet het minste gevaar liep van vooringenomenheid. Ik moet

trouwens erkennen, dat het jaargetijde zeer droog was geweest en het

land er niet gunstig uitzag, ofschoon ik begreep dat dit twee of drie

maanden geleden onvergelijkelijk slechter geweest was. Het geheim van

Bathurst's snel toenemenden voorspoed is, dat het bruine weiland,

hetwelk in de oogen van den vreemdeling er zoo armzalig uitziet,

voortreffelijk geschikt is voor het weiden van schapen. De stad

ligt op eene hoogte van 2200 voet boven de zee aan de oevers der

Macquarie--eene der rivieren, welke in het uitgestrekte en bijna

onbekende binnenland vloeit. De waterlinie, welke de binnenlandsche

stroomen scheidt van die aan de kust, heeft eene hoogte van ongeveer

3000 voet, en loopt in eene noord-zuidelijke richting op een afstand

van 80 tot 100 mijlen van de zeekust. Op de kaart is de Macquarie

eene aanzienlijke rivier en de grootste van al degene, welke dit

deel der scheiding ontwateren; toch vond ik tot mijne verwondering,

dat zij slechts eene aaneenschakeling was van poelen of vijvers, die

door bijna droge ruimten van elkander gescheiden waren. Meestal zijn

de kleine rivieren stroomend, en vormen somtijds hooge en onstuimige

vloeden. Is de watertoevoer in dit district schaarsch te noemen,

verder landwaarts in wordt hij nog schaarscher.

[22 Januari.]

Ik ving mijn terugtocht aan en volgde een anderen weg, Lockyer's Lane

genaamd, door een wat heuvel- en schilderachtiger landstreek. Het

was een lange dagrit, en het huis, waarin ik wilde slapen, lag

eenigszins van den weg af en was niet gemakkelijk te vinden. Evenals

bij alle andere gelegenheden, ontdekte ik ook nu zeer algemeen

onder den lageren stand eene bereidvaardige wellevendheid, die men

met het oog op het heden en verleden van deze lieden bijna niet

verwacht zou hebben. De hoeve, waar ik den nacht doorbracht, was het

eigendom van twee jongelieden, die eerst onlangs aangekomen en een

kolonisten-leven begonnen waren. Het volslagen gemis van alle gerief

was niet zeer aanlokkend; maar zij hadden het vooruitzicht op eene

zekere voorspoedige toekomst, en dat binnen niet langen tijd.

Den volgenden dag trokken wij door groote stukken land, die in vlammen

stonden en waar rookwolken over den weg zweefden; daarna bereikten

wij nog voor den middag onzen vorigen weg, en beklommen den Mount

Victoria. Ik sliep in The Weatherboard, en wandelde vóór het vallen

van de duisternis naar de amphitheatervormige verdieping. Op den weg

naar Sydney bracht ik een zeer genoeglijken avond door bij kapitein

King te Dunheved, en eindigde hier mijn uitstapje in de kolonie

Nieuw Zuid-Wallis.

Voordat ik hier kwam, boezemden drie zaken mij meer belang in

dan alle overige, nl.: de maatschappelijke gesteldheid onder

de hoogere standen; de toestand der dwangarbeiders, en de vraag

welke omstandigheden aantrekkelijk genoeg zijn om personen tot

landverhuizing te bewegen. Natuurlijk heeft de meening van iemand,

die, zooals ik, er slechts een zeer kort bezoek bracht, bijna geen

waarde; maar het is even moeilijk zich van eene meening te onthouden,

als om een juist oordeel te vellen. Naar hetgeen ik hoorde, meer

dan naar wat ik zag, was ik omtrent de maatschappelijke gesteldheid

over het geheel teleurgesteld. De geheele samenleving is over bijna

elk onderwerp in haatdragende partijen verdeeld; en velen onder hen,

die volgens hun stand de besten moesten zijn, leiden in het openbaar

zulk een ongebonden leven, dat achtingswaardige lieden niet met hen

kunnen verkeeren. Er is veel jaloerschheid tusschen de kinderen der

rijke vrijgelaten misdadigers en van de vrije kolonisten, waarvan

de eersten er behagen in scheppen eerlijke lieden als indringers te

beschouwen. De geheele bevolking, arm en rijk, wordt beheerscht door de

zucht om rijkdom te verwerven; en onder de hoogere standen vormen wol

en schapenteelt voortdurend de onderwerpen van gesprek. Er zijn vele

ernstige schaduwzijden in het geluk van een gezin, waarvan wellicht

de voornaamste is, dat men omringd is door misdadige bedienden. Hoe

in-hatelijk is het niet voor uw gevoel, bediend te worden door een

man, die wellicht op uwe aanwijzing daags te voren om een beuzelachtig

vergrijp gestraft werd. Met de vrouwelijke bedienden is het natuurlijk

nog erger gesteld. Zoo komt het, dat kinderen de laagste uitdrukkingen

leeren; en men mag van geluk spreken, indien zij ook geen gemeene

daden leeren.

Hier staat tegenover, dat het kapitaal van iemand, zonder eenige

moeite van zijn kant, hem driemaal meer rente opbrengt dan in

Engeland; en indien hij voorzichtig is, heeft hij de zekerheid rijk

te worden. Levensweelde is er in overvloed en zeer weinig duurder dan

in Engeland; de meeste voedingsmiddelen zijn zelfs goedkooper. Het

klimaat is prachtig en volmaakt gezond; maar volgens mijn idee gaan

die bekoorlijkheden verloren door het onaantrekkelijk voorkomen van

het land. Een groot voordeel voor de kolonisten is, dat hunne zoons

op zeer jeugdigen leeftijd van nut kunnen zijn. Op den leeftijd

van 16 tot 20 jaren nemen hunne jongens dikwijls het beheer van

afgelegen pachthoeven op zich, wat intusschen dit nadeel heeft, dat

zij dan geheel met het misdadigers-personeel moeten verkeeren. Ik

weet niet of de maatschappelijke geest een bijzonder kenmerk heeft

gekregen; maar bij zulke leefwijzen en zonder eenig streven naar

geestelijke ontwikkeling, kan het haast niet anders of die geest

moet ontaarden. Mijne overtuiging is, dat niets dan de bittere,

harde noodzakelijkheid mij zou kunnen bewegen hierheen te trekken.

De snelle voorspoed en de toekomstige vooruitzichten dezer kolonie

geven mij, die geen verstand van deze onderwerpen heeft, veel te

denken. De twee voornaamste uitvoerartikelen zijn wol en traan, en

voor deze beide producten bestaat eene grens. [352] Het land is geheel

ongeschikt voor kanalen, zoodat reeds op niet zeer grooten afstand het

verdere vervoer van wol over land de kosten van het scheren en hoeden

der schapen niet loont. Het gras is overal zoo dun, dat kolonisten

reeds ver het binnenland zijn ingegaan; bovendien wordt de streek,

dieper landwaarts in, buitengewoon arm. Ten gevolge van de droogte

kan de landbouw nooit op uitgebreide schaal slagen; en daarom zal

Australië, voor zoover ik zien kan, ten slotte alleen afhangen van

zijne ligging als handels-centrum voor het zuidelijk halfrond, en

misschien van zijne toekomstige fabrieken. Daar het steenkool bezit,

heeft het altijd de beweegkracht bij de hand. Twee omstandigheden

waarborgen ons, dat Australië een zeevarend land zal zijn: eerstens

de Engelsche afkomst der natie, en vervolgens de bewoonbaarheid van

het land langs de kust. Vroeger verbeeldde ik mij, dat Australië een

even belangrijk en machtig land zou worden als Noord-Amerika; maar

nu schijnt mij zulk eene grootsche toekomst eenigszins twijfelachtig.

Wat den toestand der misdadigers of gedeporteerden betreft, dezen had

ik nog minder gelegenheid te beoordeelen dan andere onderwerpen. De

eerste vraag is of hun toestand eigenlijk wel een straf mag heeten:

in elk geval zal niemand beweren, dat het eene zeer strenge is. Ik

onderstel echter, dat dit van weinig gevolg is, zoolang die toestand

aan misdadigers in hun eigen land vrees inboezemt. De lichamelijke

behoeften der veroordeelden worden vrij wel bevredigd; hun vooruitzicht

op toekomstige vrijheid en welzijn is niet ver en, bij goed gedrag,

zeker. Een "ontslagbriefje", dat den man binnen een bepaald district

vrijmaakt, zoolang hij zich buiten verdenking of misdaad houdt,

wordt bij goed gedrag uitgereikt na een aantal jaren, evenredig aan

den duur der straf. Ondanks dit alles, en met voorbijzien van de

voorloopige hechtenis en den ellendigen overtocht, geloof ik, dat de

jaren van verbanning in misnoegen en ongeluk worden gesleten. Naar een

schrander man mij verzekerde, kennen de veroordeelden geen ander genot

dan zinnelijkheid, en daarin worden zij niet tevreden gesteld. Het

krachtig lokaas, dat de Regeering bezit in het aanbieden van amnestie,

gevoegd bij den diepen afschuw van de eenzame strafkolonies, schokt

het vertrouwen onder de misdadigers en voorkomt zoo de misdaad. Wat

hun gevoel van schaamte betreft--iets dergelijks schijnt niet bekend

te zijn, en daarvan zag ik eenige zeer zonderlinge bewijzen. Al klinkt

het ook vreemd, toch werd mij algemeen gezegd, dat het karakter der

misdadigers-bevolking schandelijk lafhartig is; niet zelden worden

sommigen wanhopig en geheel onverschillig voor het leven; maar een

plan, dat koelbloedigheid of vastberadenheid vereischt, komt zelden

tot uitvoering. Het ergste in het geheele geval is, dat, ofschoon

er een wat men zou mogen noemen wettelijke hervorming bestaat en er

betrekkelijk weinig wordt bedreven waarop de wet vat kan hebben,

van het tot stand komen eener zedelijke hervorming volstrekt geen

sprake schijnt te zijn. Wel ingelichte personen verzekerden mij,

dat, al zou een man zich trachten te verbeteren, hem dit onmogelijk

zou zijn zoolang hij met andere veroordeelden samenleeft: hij zou

een leven hebben van ondragelijke kwelling en ellende. Ook moet men

niet vergeten, dat strafschepen en gevangenissen, zoowel hier als in

Engeland, de besmetting in de hand werken. Over het geheel is het doel:

eene strafkolonie te stichten, geenszins bereikt; als werkelijk stelsel

van hervorming is het mislukt, zooals misschien elk ander plan mislukt

zou zijn; maar als middel om menschen uiterlijk braaf te maken: om

landloopers, zwervers, die geheel onnut waren in het eene halfrond, te

veranderen in werkzame burgers in het andere, en zoodoende een nieuw en

prachtig land te stichten, een groot beschavingsmiddelpunt--is het plan

geslaagd tot eene hoogte, wellicht zonder wederga in de geschiedenis.

[30 Januari.]

De Beagle zeilde naar Hobart Town op Van Diemensland. Na eene

zesdaagsche reis, waarvan het eerste gedeelte fraai, het laatste

zeer koud en stormachtig was, stevenden wij den mond der Storm-Baai

binnen. Het weder rechtvaardigde dezen gevreesden naam. De baai moest

eerder "riviermond" worden genoemd, want aan haar boveneinde neemt zij

de wateren van de Derwent op. Bij de monding liggen eenige uitgestrekte

basaltterrassen, maar verder op wordt het land bergachtig en is het

met een licht bosch bedekt. Op de lagere gedeelten der heuvels, die

de baai omgeven, is het hout gerooid en prijken heldergele koren- en

donkergroene aardappelvelden in weligen overvloed. Laat in den avond

ankerden wij in de aardige verscholen kreek, aan de oevers waarvan

de hoofdstad van Tasmanië ligt. De eerste aanblik der stad deed zeer

onder voor dien van Sydney; de laatste zou men een city of groote stad

kunnen noemen, gene slechts een town of landstad. Zij ligt aan den

voet van Mount Wellington, een berg van 3100 voet hoogte, doch van

geringe schilderachtige schoonheid. Van dezen berg ontvangt de stad

een flinken toevoer van water. Rondom de kreek stonden eenige fraaie

pakhuizen en aan den eenen kant een klein fort. Wanneer men uit de

Spaansche koloniën komt, waar aan de vestingwerken in 't algemeen zulke

uitstekende zorg wordt besteed, schijnen de verdedigingsmiddelen in

deze koloniën zeer armzalig. Bij vergelijking van de stad met Sydney,

trof mij hier in hoofdzaak het betrekkelijk klein aantal groote huizen,

die gebouwd of nog in aanbouw waren. Volgens de telling van 1835

bevatte Hobart Town 13.826 inwoners, en geheel Tasmanië 36.505. [353]

Alle inboorlingen zijn overgebracht naar een eiland in de Bass-Straat,

zoodat Van Diemensland het groote voordeel geniet van geen inlandsche

bevolking te bezitten. Deze uiterst wreede stap schijnt geheel

onvermijdelijk geweest te zijn, en het eenige middel om een einde

te maken aan een ontzettend aantal plunderingen, brandstichtingen

en moorden, door de inboorlingen gepleegd en die vroeg of laat hunne

geheele uitroeiing ten gevolge zouden hebben gehad. Ik vrees, dat deze

reeks van euveldaden en hare gevolgen ongetwijfeld hare oorzaak vond

in het schandelijke gedrag van enkele mijner landgenooten. [354]

Dertig jaren is een kort tijdbestek om den laatsten inboorling

uit zijn vaderland te verdrijven, een eiland bijna zoo groot als

Ierland. [355] De briefwisseling, welke daarover tusschen de

regeering in het moederland en die van Tasmanië gevoerd werd,

is zeer belangwekkend. Hoewel in de schermutselingen, die vele

jaren lang bij tusschenpoozen plaats hadden, tal van inboorlingen

neergeschoten of gevangen genomen waren, schijnt niets hen zoozeer

van onze overweldigende macht overtuigd te hebben, als toen in 1830

het geheele eiland onder de krijgswet werd gesteld en alle bewoners

bij proclamatie bevel kregen om den geheelen stam in een enkelen

grooten aanval te overmeesteren. Het ontworpen plan geleek ongeveer

op dat der groote drijfjachten in Indië; er werd een cordon dwars

over het eiland getrokken met het doel de inlanders op Tasman's

schiereiland in een cul-de-sac te drijven. De poging mislukte; de

inboorlingen bonden hunne honden vast, en slopen in een enkelen nacht

door de linie, met uitzondering van één knaap, die gevat werd. Dit is

verre van verwonderlijk, zoo men let op hunne geoefende zintuigen en

hunne gewoonte om achter de wilde dieren aan te kruipen. Men heeft

mij verzekerd, dat zij de kunst verstaan zich op een bijna kalen

grond te verbergen op eene wijze, die haast ongelooflijk is als men

het niet gezien heeft, en waarbij hunne zwarte lichamen gemakkelijk

worden aangezien voor de zwarte boomstompen, die over het geheele land

verspreid zijn. Men vertelde mij van eene weddenschap tusschen eenige

Engelschen en een inboorling, die voor ieder zichtbaar op de kale

helling van een heuvel ging staan. Indien de Engelschen nog geen minuut

lang de oogen sloten, zou hij op de hurken gaan zitten, en dan zouden

zij hem nooit van de omringende boomstompen kunnen onderscheiden. Doch

keeren wij tot onze drijfjacht terug. Toen de inlanders deze manier van

oorlogvoeren begrepen, werden zij zeer ongerust, want zij ontdekten

nu ook de macht en het aantal der blanken. Kort daarna verscheen een

troep van 13 personen, tot twee verschillende stammen behoorende, die

hunne weerloosheid beseffende, zich in wanhoop overgaven. Later werd

door de onvermoeide pogingen van G. A. Robinson, architect te Hobart,

die onbevreesd de meest verbitterde inboorlingen in hunne schuilhoeken

opzocht, de geheele zwarte bevolking overgehaald om hetzelfde te

doen. Zij werden toen naar een eiland gebracht, [356] waar men hen

van voedsel en kleeren voorzag. Graaf Strzelecki verhaalt in zijne

"Physical Description of New South Wales and Van Diemen's Land,"

blz. 354, dat "op het tijdstip van hun vervoer in 1835, het getal

inboorlingen 210 bedroeg. In 1842, dus zeven jaren later, telden zij

slechts 54 personen; en terwijl elk gezin in het binnenland van Nieuw

Zuid-Wallis, waar de inboorlingen niet besmet worden door aanraking

met blanken, rijk aan kinderen is, was dit getal op Flinders-Eiland

in acht jaren tijds met slechts veertien vermeerderd!"

De Beagle bleef hier tien dagen, en in dien tijd deed ik verscheidene

aangename uitstapjes, voornamelijk met het doel om de geologische

gesteldheid der naaste omgeving te onderzoeken. De belangrijkste

uitkomsten daarvan zijn: ten eerste, eenige tot de Devonische

of Steenkool-periode behoorende lagen, welke buitengewoon veel

versteeningen bevatten; ten tweede, bewijzen van eene kleine

landrijzing in een geologisch jong verleden, en eindelijk eene

afgezonderde oppervlakkige laag van geelachtigen kalksteen of

travertijn, met talrijke indruksels van boombladeren en ingesloten

schelpdieren van niet meer levende soorten. Niet onwaarschijnlijk

bevat deze enkele kleine kalkgroeve de eenig overgebleven sporen der

flora van Van Diemensland gedurende een vroeger geologisch tijdperk.

De Reis om de Wereld · 第 45 / 56 段