Bushby deed Sulivan en mij het aanbod om in zijne boot eenige mijlen

de rivier op te varen in de richting naar Cawa-Cawa, en stelde daarna

eene wandeling voor naar het dorp Waiomio, waar eenige belangrijke

rotsen zijn. Wij volgden een der armen van de baai en hadden nu een

aangenamen roeitocht te midden van aardige landschappen, totdat wij

in een dorp kwamen, waar de boot niet verder kon. Hier boden een

opperhoofd en zijne mannen vrijwillig aan met ons naar Waiomio te

wandelen, een afstand van vier mijlen. Dit opperhoofd was destijds

eenigszins berucht, doordien hij onlangs een zijner vrouwen en een

slaaf wegens overspel had opgehangen. Toen een der zendelingen hem

daarover ernstig onderhield, scheen hij zeer verwonderd en zeide,

dat hij dacht stipt de Engelsche methode te volgen. De oude Shongi,

die in Engeland bij het verhoor der Koningin aanwezig was, sprak

zijne diepe afkeuring uit over het geheele proces; hij zeide, dat hij

vijf vrouwen had en haar liever allen het hoofd zou laten afslaan

dan zich om ééne zoozeer te kwellen. Dit dorp verlatende, staken

wij over naar een ander, dat op korten afstand op een heuvelhelling

lag. Vijf dagen te voren was de dochter van een opperhoofd gestorven,

die nog heiden was. De hut, waarin zij stierf, was tot den grond

toe verbrand en door eene schutting omgeven, waarop hunne houten

afgodsbeelden stonden. Het geheel was vuurrood geverfd, opdat het van

verre zichtbaar zou zijn. Hare japon was aan de doodkist bevestigd,

en het afgesneden haar lag aan hare voeten. De bloedverwanten hadden

zich het vleesch van de armen, lichamen en aangezichten gescheurd,

zoodat zij met geronnen bloed bedekt waren; maar de oude vrouwen zagen

er het vuilst en het walgelijkst uit. Den volgenden dag bezochten

eenige officieren deze plek, en vonden de vrouwen nog huilend en

bezig hare lichamen stuk te rijten.

Wij vervolgden onze wandeling en bereikten weldra Waiomio. Hier

staan eenige zonderlinge rotsen van kalksteen, die op ruïnen van

kasteelen gelijken. Deze rotsen hebben langen tijd tot begraafplaatsen

gediend, en worden bijgevolg als te heilig beschouwd om ze te mogen

naderen. Toch riep een der jonge mannen tot de anderen: "Wie heeft

den moed om meê te gaan?" en snelde vooruit; maar op nog geen honderd

yards van de rotsen gekomen, dacht de geheele troep er anders over en

bleef staan, ofschoon men ons met volkomen onverschilligheid toestond

de geheele plek in oogenschouw te nemen. In het dorp rustten wij

eenige uren uit, welke tijd besteed werd aan een lang onderhoud met

Bushby over het recht van verkoop van sommige landen. Een oud man,

die een volleerd geslachtkundige scheen, duidde de achtereenvolgende

bezitters aan door stukjes takken in den grond te steken. Voordat wij

de huizen verlieten werd aan elk van ons gezelschap een mandjevol

gebakken aardappelen uitgereikt, en volgens gebruik namen wij die

mede om onderweg op te eten. Onder de vrouwen, die bezig waren met

koken, merkte ik ook een mannelijken slaaf op. In een oorlogzuchtig

land, als dit, moet het voor een man iets vernederends zijn werk

te doen, dat als het laagste vrouwenwerk wordt beschouwd. Dat men

slaven niet ten oorlog laat gaan, daarin heeft men misschien niet

geheel en al ongelijk. Ik hoorde vertellen van een armen drommel,

die tijdens de vijandelijkheden naar de tegenpartij overliep. Hier

werd hij onmiddellijk door twee mannen gegrepen; maar wijl zij het

niet eens konden worden aan wien hij zou toebehooren, stond elk met

een bijl boven zijn hoofd gereed, vast besloten, dat de ander hem ten

minste niet levend kon meênemen. Alleen door het beleid van de vrouw

van een opperhoofd werd de arme man, die bijna dood was van schrik,

gered. Daarna hadden wij eene aangename wandeling naar de boot terug,

doch bereikten het schip niet voor des avonds laat.

[30 December.]

Des namiddags stevenden wij de Eilanden-Baai uit en zetten koers

naar Sydney. Ik geloof, dat wij allen blijde waren Nieuw-Zeeland

te verlaten. Het is geen aangenaam oord. Onder de inboorlingen mist

men dien beminnelijken eenvoud, welken men op Tahiti vindt, en het

meerendeel der Engelschen is het uitschot der maatschappij. Ook is

het land zelf niet aantrekkelijk. Slechts op eene enkele schoone

plek zie ik met dankbaarheid terug, en dat is Waimate met zijne

christelijke bewoners.

HOOFDSTUK XIX.

AUSTRALIË.

[12 Januari 1836.]

Vroeg in den morgen voerde een zwakke wind ons naar den ingang van

Port Jackson. In plaats van een groenend land te zien, met hier en

daar eenige fraaie huizen, vertoonde zich slechts eene rechte lijn

van geelachtige klippen, die ons de kusten van Patagonië voor den

geest riepen. Alleen een eenzame, wit-steenen vuurtoren zeide ons,

dat wij in de nabijheid eener groote volkrijke stad waren. Is men de

haven binnengegaan, dan heeft deze met hare klipvormige oevers van

gelaagden zandsteen een fraai en ruim aanzien. Het bijna vlakke land

is met dunne, armzalige boomen bedekt, die getuigen van den vloek

der onvruchtbaarheid. Verder het land ingaande, verbetert dit en ziet

men mooie buitenplaatsen en nette boerderijen hier en daar langs het

strand verspreid. In de verte wezen steenen huizen van twee en drie

verdiepingen, en een aantal windmolens aan den rand van een dijk ons

op de nabijheid der hoofdstad van Australië.

Eindelijk ankerden wij in Sydney-Cove, waar wij het kleine dok gevuld

zagen met vele groote schepen, en omringd door pakhuizen. Des avonds

wandelde ik door de stad en keerde vol bewondering over wat ik zag,

terug. Alles legt een schitterend getuigenis af van de macht der

Britsche natie. Hier, in een weinig belovend land, hebben eenige

twintigtallen van jaren heel wat meer uitgericht dan evenveel eeuwen

in Zuid-Amerika. Het eerste gevoel, dat in mij opwelde, was mij geluk

te wenschen dat ik Engelschman van geboorte was. Toen ik later meer

van de stad zag, daalde mijne bewondering misschien wel eenigszins;

maar toch is zij mooi. De straten zijn regelmatig, breed, zindelijk en

worden uitstekend onderhouden; de huizen hebben eene flinke grootte,

en de winkels zijn wel voorzien. Men kan haar gerust vergelijken

met de groote voorsteden van Londen en enkele andere hoofdplaatsen in

Engeland; maar zelfs bij Londen of Birmingham ziet men zulk eene snelle

uitbreiding niet. Het aantal groote huizen en andere gebouwen, die

juist voltooid waren, was inderdaad verwonderlijk; niettemin klaagde

elk over de hooge huren en de moeite om een huis te koopen. Daar ik

uit Zuid-Amerika kwam, waar elk, die eigendom heeft, in de steden

bekend is, verwonderde niets mij zoozeer, als dat ik niet dadelijk

kon te weten komen wie eigenaar was van dit of dat voertuig.

Ik huurde een man en twee paarden om mij naar het dorp Bathurst

te brengen, dat omstreeks 120 mijlen in het binnenland ligt en het

middelpunt is van een groot landelijk district. Op deze wijze hoopte

ik een algemeen idee te krijgen van het voorkomen der streek. Op den

morgen van 16 Januari ving ik mijn tocht aan. De eerste rit bracht

ons naar Paramatta--een landstadje, dat in beteekenis op Sydney

volgt. De wegen, volgens het stelsel van Mac Adam [342] aangelegd,

waartoe de noodige basaltsteen van vele mijlen ver was aangevoerd,

waren uitmuntend. In alle opzichten was er nauwe overeenstemming

met Engeland, behalve misschien in de bierhuizen, die hier talrijker

waren. De ijzeren benden (troepen misdadigers, die hier het een of

ander misdrijf hebben gepleegd) herinnerden het minst aan Engelsche

toestanden; zij werkten met ketens aan het lichaam, onder toezicht

van schildwachten met geladen geweren. De macht, die het gouvernement

bezit om door gedwongen arbeid in korten tijd goede wegen door het

land te banen is, geloof ik, een der hoofdoorzaken van den snellen

voorspoed dezer kolonie. Ik sliep dien nacht in eene zeer geriefelijke

herberg te Emuferry, 35 mijlen van Sydney en dicht bij den voet der

Blauwe Bergen. Deze reisweg wordt het drukst bezocht en is het langst

van alle in de kolonie bewoond. Al het land is afgesloten met hoog

rasterwerk, wat een gevolg is van de omstandigheid, dat de pachters

geen heggen hebben kunnen aanleggen. Rondom liggen vele flinke huizen

en goede boerderijen verspreid; maar hoewel groote stukken land onder

cultuur zijn, verkeert het grootste deel nog in den staat waarin het

ontdekt werd.

De buitengewone gelijkvormigheid der flora is het merkwaardigste

kenmerk van het landschap in het grootste gedeelte van

Nieuw-Zuid-Wallis. Overal vinden wij open boschland, en is de grond

ten deele bedekt met zeer dun gras, dat weinig groen vertoont. De

boomen behooren bijna alle tot ééne familie en kenmerken zich

hierdoor, dat hunne bladeren meerendeels in een verticalen, in

plaats van in een bijna horizontalen stand geplaatst zijn, zooals

in Europa. Het loof is schraal met eene eigenaardige bleekgroene

tint, zonder eenigen glans, ten gevolge waarvan de bosschen licht en

zonder schaduw zijn. Ofschoon dit onder de brandende zonnestralen een

ongerief is voor wie deze streken bereizen, is het van belang voor

den pachter, daar nu gras kan groeien waar dit anders niet kan. De

bladeren vallen niet periodiek af--een kenmerk, dat aan het geheele

zuidelijk halfrond, namelijk Zuid-Amerika, Australië en de Kaap de

Goede Hoop gemeen schijnt. De bewoners van dit halfrond missen dus

een zeer prachtig, hoewel in onze oogen gewoon natuurverschijnsel:

de eerste volle bladontplooiing van den bladerloozen boom. Zij kunnen

ons antwoorden, dat wij dit genot duur betalen nadat het land zooveel

maanden lang met naakte geraamten is bedekt geweest. Ook dit is

waar; maar onze zintuigen krijgen zoodoende een prikkelend, opwekkend

verlangen naar het verrukkelijke lentegroen, dat de oogen van hen die

in de keerkringen leven en zich het jaar lang aan de schitterende,

kleurenrijke voortbrengselen dezer gloeiende gewesten verzadigen,

nooit kunnen smaken. Met uitzondering van eenige blauwe-gomboomen

(Eucalyptus globubus) bereiken de meeste boomen geen aanzienlijke

grootte; maar zij zijn lang, vrij recht en staan goed gescheiden. De

schors van eenige Eucalypti valt jaarlijks af, of hangt in lange doode

reepen, die in den wind heen en weer slingeren, en aan de bosschen een

doodsch en slordig aanzien geven. Ik kan mij in alle opzichten geen

grootere tegenstelling denken, dan tusschen de wouden van Valdivia

of Chiloë, en de bosschen van Australië.

Bij zonsondergang ging een troep van een twintigtal zwarte inboorlingen

voorbij, die allen op hunne gewone manier een bundel speren of

andere wapenen droegen. Door een jongen aanvoerder een shilling

te geven, kon ik hen gemakkelijk laten stilstaan, en wierpen zij

hunne speren om mij te vermaken. Allen waren gedeeltelijk gekleed,

en verscheidenen konden wat Engelsch spreken. Hun uiterlijk was

opgeruimd en aangenaam, en zij schenen op verre na niet zulke geheel

verbasterde wezens, als doorgaans wordt voorgesteld. In hunne eigen

kunsten zijn zij te bewonderen. Eene muts, welke op 30 yards afstand

was opgehangen, doorboorden zij met eene speer, die door den werpstok

werd weggeslingerd met de snelheid waarmede een geoefend schutter een

pijl uit zijn boog drijft. De wonderlijkste schranderheid leggen zij

aan den dag wanneer zij het spoor van menschen of dieren zoeken, en

ik hoorde verscheidene opmerkingen van hen vertellen, die blijk gaven

van ongewone scherpzinnigheid. Maar den grond ontginnen, of huizen

bouwen en gezeten lieden worden, willen zij niet; zelfs willen zij

zich de moeite niet geven eene kudde schapen te hoeden, die aan hunne

zorg is toevertrouwd. Over het geheel schijnen zij mij maar enkele

sporten hooger op de beschavingsladder te staan dan de Vuurlanders.

Het is zeer zonderling, zoo te midden van een beschaafd volk een

troep onschadelijke wilden te zien rondloopen, die niet weten waar

zij des nachts zullen slapen, en hun kost verdienen met jagen in de

bosschen. Naarmate de blanken voortdrongen, hebben zij zich over het

land verspreid, dat aan verschillende stammen toebehoorde; en ofschoon

deze zoodoende allen door eenzelfde volk werden ingesloten, hebben

zij hunne oude gewoonte om soms elkander te beoorlogen, behouden. In

een gevecht, dat onlangs plaats had, kozen beide partijen--zeer

zonderling--het midden van het dorp Bathurst tot slagveld. Dit had

voor de verslagene partij het voordeel, dat de weggeloopen krijgslieden

een toevlucht zochten in de hutten.

Het getal inboorlingen neemt snel af. Op mijn geheelen rit zag ik,

behalve een paar jongens die door Engelschen werden opgebracht,

nog slechts één enkelen troep. Zonder twijfel moet deze afname

gedeeltelijk worden toegeschreven aan den invoer van spiritualiën,

aan Europeesche ziekten (waarvan zelfs de meer goedaardige, zooals

mazelen, zeer verderfelijk blijken), [343] en aan het trapsgewijze

uitsterven van wild. Men zegt, dat een aantal van hunne kinderen op

zeer jongen leeftijd aan de gevolgen van hun zwervend leven bezwijken;

en daar de moeite om aan voedsel te komen grooter wordt, moeten ook

hunne zwervende gewoonten toenemen. Zonder openlijk den hongerdood

te sterven, wordt hier de bevolking dus op bijzonder snelle wijze

ondermijnd, vergeleken met wat in beschaafde landen gebeurt, waar

de vader, ofschoon door overmatigen arbeid zich zelf benadeelende,

zijn nakroost niet uitroeit.

Behalve deze vele zichtbare oorzaken van ondergang, schijnt er in

't algemeen eene meer geheimzinnige kracht in 't spel te zijn. Waar

de Europeaan zijne schreden zet, schijnt de dood den inboorling

te vervolgen. Hetzij wij het oog wenden naar de wijde vlakten van

Noord- en Zuid-Amerika, naar Polynesië, de Kaap de Goede Hoop of naar

Australië, overal vinden wij denzelfden uitslag. En het is niet alleen

de blanke, die dus als verdelger optreedt: de Polynesiër van Maleischen

oorsprong heeft in sommige gedeelten van den Oostindischen Archipel

evenzoo den donkerkleurigen inboorling voor zich uitgedreven. De

menschenrassen schijnen op elkander te werken in gelijken zin als

velerlei diersoorten, nl. zoo, dat het sterkere steeds het zwakkere

uitroeit. Het was treurig, toen wij op Nieuw-Zeeland de fiere,

kloeke inboorlingen hoorden zeggen, dat zij wel wisten dat hun land

gedoemd was aan hunne kinderen te ontvallen. [344] Ieder heeft gehoord

van de onverklaarbare vermindering der bevolking op het schoone en

gezonde eiland Tahiti sedert den tijd van Cook's reizen, hoewel wij

in dit geval hadden mogen verwachten, dat zij zou zijn toegenomen:

want kindermoord, die hier vroeger in zoo buitengewone mate woedde,

heeft opgehouden: losbandigheid is afgenomen, en de moordende oorlogen

zijn nu minder talrijk.

--De Eerw. I. Williams zegt in zijn belangwekkend werk, [345] dat het

eerste verkeer tusschen inboorlingen en Europeanen "steeds vergezeld

gaat van het uitbreken van koortsen, rooden loop of eene andere ziekte,

die tal van menschen wegsleept." Verder zegt hij: "Het is inderdaad

een feit, hetwelk niet betwist kan worden, dat de meeste ziekten, die

gedurende mijn verblijf op de eilanden gewoed hebben, door schepen

daar zijn ingevoerd; [346] en wat dit feit merkwaardig maakt is,

dat onder de bemanning van het schip, hetwelk deze verderfelijke

lading binnenbracht, geen spoor van ziekte bekend was." Dit verhaal

is niet zoo heel buitengewoon als op het eerste gehoor wel lijkt;

want verscheidene gevallen zijn bekend dat de boosaardigste koortsen

zijn uitgebroken, hoewel de personen, die er de oorzaak van waren,

onaangetast bleven. In de eerste regeeringsjaren van George III

(1738-1820) werd een gevangene, die in een kerker opgesloten was,

door vier konstabels in een rijtuig voor den magistraat gebracht;

en ofschoon de man zelf niet ziek was, stierven de vier konstabels

aan eene soort van rotkoorts, maar zonder dat de besmetting zich

aan anderen meedeelde. Uit deze feiten zou men bijna afleiden, dat

de dampen die door sommige personen eenigen tijd worden uitgestraald,

voor anderen na inademing giftig zijn: en dit wellicht nog meer, als de

personen tot verschillend ras behooren. Hoe geheimzinnig dit geval ook

schijne, is het toch niet wonderlijker dan het feit, dat het lichaam

van een mensch, onmiddellijk na den dood en voordat het bederf is

ingetreden, dikwijls zulke giftige of doodelijke eigenschappen bezit,

dat de prik alleen met een instrument hetwelk bij de opening van het

lijk gebruikt is, noodlottig blijkt.

[17 Januari.]

Vroeg in den morgen staken wij in eene veerboot over de

Nepean. Ofschoon de rivier op deze plek breed en diep was, bevatte

zij een zeer klein volume stroomend water. Aan de overzijde trokken

wij door een laag stuk land en bereikten toen de helling der Blauwe

Bergen. De beklimming daarvan is niet moeilijk, doordien de weg met

veel zorg in de glooiing van eene zandsteenklip is uitgehouwen. Op

den top strekt zich eene bijna effen vlakte uit, die naar het westen

onmerkbaar stijgt en eindelijk eene hoogte bereikt van meer dan 3000

voet. Zulk een wijdsche titel als "Blauwe Bergen", alsmede hunne

werkelijke hoogte deden mij verwachten eene kloeke bergketen te zullen

zien, welke het land doorsneed; maar in plaats hiervan--slechts eene

hellende vlakte, die een onaanzienlijk front vormt bij het laagland aan

de kust. Van deze eerste glooiing was het gezicht op het uitgestrekte

boschland in het oosten verrassend, en de rondom staande boomen waren

kloek en rijzig. Doch is men eenmaal op het zandsteenen bergvlak,

dan wordt het landschap uiterst eentonig; elke kant van den weg is

met schrale boomen der nooit ontbrekende Eucalyptus-familie begroeid,

en met uitzondering van twee of drie kleine herbergen, zijn er geen

huizen of ontgonnen landerijen. Daarenboven is de weg eenzaam; wat

men nog het meest ziet, zijn ossewagens, volgeladen met balen wol.

Op het midden van den dag voederden en drenkten wij onze paarden in

eene kleine herberg, The Weatherboard (De Loefzijde) genaamd. Het

land ligt hier 2800 voet boven de zee. Ongeveer anderhalve

mijl van deze plek heeft men een panorama, dat wel een kijk

waard is. Eene kleine vallei volgende, waardoor een nietig beekje

stroomt, ontwaart men plotseling tusschen het geboomte, dat den weg

begrenst, een onafzienbaren afgrond met eene diepte van misschien

1500 voet. Enkele schreden voortgaande, staat men aan den rand

eener geweldige steilte en ziet aan zijne voeten een uitgestrekten

landboezem of baai (want anders weet ik het niet te noemen), die

dicht met wouden bedekt is. Het oogpunt ligt als het ware aan den

top der baai, en rechts en links breidt zich eene klipreeks uit met

achtereenvolgende landtongen, evenals aan eene steile zeekust. Deze

klippen bestaan uit horizontale lagen van witachtigen zandsteen, en

zijn zoo volkomen loodrecht, dat men op vele plaatsen een steen, die

van den rand naar omlaag wordt geworpen, op de boomen in den afgrond

aan zijne voeten kan zien vallen. De klipreeks is zoo onafgebroken,

dat men (volgens zeggen) zestien mijlen om moet loopen, om den voet

van den waterval te bereiken, die door het bovengenoemde beekje

gevormd wordt. Omstreeks vijf mijlen ver tegenover ons liep eene

andere klipreeks, die de vallei dus geheel schijnt te omringen,

zoodat de naam van baai, aan deze grootsche amphitheatervormige

diepte gegeven, gerechtvaardigd is. Stellen wij ons voor, dat eene

bochtige haven met steile klipvormige oevers wordt drooggelegd, en

uit haar zandigen bodem een dicht woud opschiet, dan zullen wij een

begrip hebben van het voorkomen en den vorm van dezen landboezem. Dit

landschaps-type was voor mij geheel nieuw en buitengewoon prachtig.

Des avonds bereikten wij de Blackheath, waar de zandsteenen bergvlakte

eene hoogte heeft bereikt van 3400 voet, en met hetzelfde schrale

houtgewas bedekt is als te voren. Van den weg had men nu en dan

vluchtige kijkjes in eene diepe vallei van dezelfde soort als die ik

straks beschreef; maar wegens de steile en hooge wanden was de bodem

bijna nooit te zien. Blackheath is eene zeer geriefelijke herberg,

die door een ouden soldaat gedreven wordt, en die mij aan de kleine

herbergen in Noord-Wallis herinnerde.

[18 Januari.]

Zeer vroeg in den morgen wandelde ik omstreeks drie mijlen ver om

Govett's Leap te zien. Het landschap was hier van gelijken aard

als bij The Weatherboard, misschien zelfs nog indrukwekkender. Zoo

vroeg op den dag, was de baai gevuld met een ijlen blauwen mist, die,

hoewel in 't algemeen het uitzicht belemmerend, de diepte waarop het

woud zich onder onze voeten uitstrekte, nog scheen te vergrooten. Deze

valleien, die zoolang een onoverkomelijken hinderpaal vormden voor de

pogingen der ondernemendste kolonisten om het binnenland te bereiken,

zijn hoogst merkwaardig. Groote, armvormige baaien met verwijdingen

aan het boveneinde ontspringen dikwijls uit de hoofdvalleien,

en banen zich een weg door de zandsteenen hoogvlakte; daarentegen

steekt de hoogvlakte dikwijls landtongen uit in de valleien, zelfs

met afscheiding daarin van groote, eilandvormige berggevaarten. Om

in deze valleien af te dalen moet men somtijds 20 mijlen omloopen;

in andere zijn de landmeters eerst onlangs doorgedrongen, en is het

den kolonisten nog niet gelukt hun vee te laten weiden. Doch het

merkwaardigste kenmerk in haren bouw is wel, dat zij, ofschoon aan de

hoofdeinden verscheidene mijlen breed, naar de mondingen toe meestal

zoo versmallen, dat zij ontoegankelijk worden. De Landmeter-Generaal,

Sir T. Mitchell, poogde te vergeefs, eerst loopend en toen kruipend

tusschen de groote neergestorte zandsteenbrokken, door de keel heen

te dringen, welke de Grose-rivier met de Nepean verbindt; [347] toch

vormt de vallei der Grose, naar ik zag, in haar bovengedeelte eene

fraaie effen kom van eenige mijlen breed, die aan alle kanten door

klippen is omringd, welker toppen waarschijnlijk nergens onder 3000

voet boven den zeespiegel liggen. Ik besteeg een pad, deels gevormd

door de natuur en deels door den eigenaar van den grond, dat toegang

gaf tot de vallei van de Wolgan; wordt langs dit pad vee in de vallei

gedreven, dan kan het niet ontsnappen; want overal elders is dit dal

door loodrechte klippen omringd en versmalt, acht mijlen verder, van

eene gemiddelde breedte van eene halve mijl tot eene gewone kloof,

waar mensch noch dier door kan. Mitchell verhaalt, dat de groote

vallei der Cox-rivier met al hare vertakkingen ter plaatse waar deze

in de Nepean vloeit, samenkrimpt tot eene keel van 2200 yards wijdte

en ongeveer 1000 voet diepte. Andere dergelijke voorbeelden zouden

hieraan kunnen worden toegevoegd.

De Reis om de Wereld · 第 44 / 56 段