de rivier op te varen in de richting naar Cawa-Cawa, en stelde daarna
eene wandeling voor naar het dorp Waiomio, waar eenige belangrijke
rotsen zijn. Wij volgden een der armen van de baai en hadden nu een
aangenamen roeitocht te midden van aardige landschappen, totdat wij
in een dorp kwamen, waar de boot niet verder kon. Hier boden een
opperhoofd en zijne mannen vrijwillig aan met ons naar Waiomio te
wandelen, een afstand van vier mijlen. Dit opperhoofd was destijds
eenigszins berucht, doordien hij onlangs een zijner vrouwen en een
slaaf wegens overspel had opgehangen. Toen een der zendelingen hem
daarover ernstig onderhield, scheen hij zeer verwonderd en zeide,
dat hij dacht stipt de Engelsche methode te volgen. De oude Shongi,
die in Engeland bij het verhoor der Koningin aanwezig was, sprak
zijne diepe afkeuring uit over het geheele proces; hij zeide, dat hij
vijf vrouwen had en haar liever allen het hoofd zou laten afslaan
dan zich om ééne zoozeer te kwellen. Dit dorp verlatende, staken
wij over naar een ander, dat op korten afstand op een heuvelhelling
lag. Vijf dagen te voren was de dochter van een opperhoofd gestorven,
die nog heiden was. De hut, waarin zij stierf, was tot den grond
toe verbrand en door eene schutting omgeven, waarop hunne houten
afgodsbeelden stonden. Het geheel was vuurrood geverfd, opdat het van
verre zichtbaar zou zijn. Hare japon was aan de doodkist bevestigd,
en het afgesneden haar lag aan hare voeten. De bloedverwanten hadden
zich het vleesch van de armen, lichamen en aangezichten gescheurd,
zoodat zij met geronnen bloed bedekt waren; maar de oude vrouwen zagen
er het vuilst en het walgelijkst uit. Den volgenden dag bezochten
eenige officieren deze plek, en vonden de vrouwen nog huilend en
bezig hare lichamen stuk te rijten.
Wij vervolgden onze wandeling en bereikten weldra Waiomio. Hier
staan eenige zonderlinge rotsen van kalksteen, die op ruïnen van
kasteelen gelijken. Deze rotsen hebben langen tijd tot begraafplaatsen
gediend, en worden bijgevolg als te heilig beschouwd om ze te mogen
naderen. Toch riep een der jonge mannen tot de anderen: "Wie heeft
den moed om meê te gaan?" en snelde vooruit; maar op nog geen honderd
yards van de rotsen gekomen, dacht de geheele troep er anders over en
bleef staan, ofschoon men ons met volkomen onverschilligheid toestond
de geheele plek in oogenschouw te nemen. In het dorp rustten wij
eenige uren uit, welke tijd besteed werd aan een lang onderhoud met
Bushby over het recht van verkoop van sommige landen. Een oud man,
die een volleerd geslachtkundige scheen, duidde de achtereenvolgende
bezitters aan door stukjes takken in den grond te steken. Voordat wij
de huizen verlieten werd aan elk van ons gezelschap een mandjevol
gebakken aardappelen uitgereikt, en volgens gebruik namen wij die
mede om onderweg op te eten. Onder de vrouwen, die bezig waren met
koken, merkte ik ook een mannelijken slaaf op. In een oorlogzuchtig
land, als dit, moet het voor een man iets vernederends zijn werk
te doen, dat als het laagste vrouwenwerk wordt beschouwd. Dat men
slaven niet ten oorlog laat gaan, daarin heeft men misschien niet
geheel en al ongelijk. Ik hoorde vertellen van een armen drommel,
die tijdens de vijandelijkheden naar de tegenpartij overliep. Hier
werd hij onmiddellijk door twee mannen gegrepen; maar wijl zij het
niet eens konden worden aan wien hij zou toebehooren, stond elk met
een bijl boven zijn hoofd gereed, vast besloten, dat de ander hem ten
minste niet levend kon meênemen. Alleen door het beleid van de vrouw
van een opperhoofd werd de arme man, die bijna dood was van schrik,
gered. Daarna hadden wij eene aangename wandeling naar de boot terug,
doch bereikten het schip niet voor des avonds laat.
[30 December.]
Des namiddags stevenden wij de Eilanden-Baai uit en zetten koers
naar Sydney. Ik geloof, dat wij allen blijde waren Nieuw-Zeeland
te verlaten. Het is geen aangenaam oord. Onder de inboorlingen mist
men dien beminnelijken eenvoud, welken men op Tahiti vindt, en het
meerendeel der Engelschen is het uitschot der maatschappij. Ook is
het land zelf niet aantrekkelijk. Slechts op eene enkele schoone
plek zie ik met dankbaarheid terug, en dat is Waimate met zijne
christelijke bewoners.
HOOFDSTUK XIX.
AUSTRALIË.
[12 Januari 1836.]
Vroeg in den morgen voerde een zwakke wind ons naar den ingang van
Port Jackson. In plaats van een groenend land te zien, met hier en
daar eenige fraaie huizen, vertoonde zich slechts eene rechte lijn
van geelachtige klippen, die ons de kusten van Patagonië voor den
geest riepen. Alleen een eenzame, wit-steenen vuurtoren zeide ons,
dat wij in de nabijheid eener groote volkrijke stad waren. Is men de
haven binnengegaan, dan heeft deze met hare klipvormige oevers van
gelaagden zandsteen een fraai en ruim aanzien. Het bijna vlakke land
is met dunne, armzalige boomen bedekt, die getuigen van den vloek
der onvruchtbaarheid. Verder het land ingaande, verbetert dit en ziet
men mooie buitenplaatsen en nette boerderijen hier en daar langs het
strand verspreid. In de verte wezen steenen huizen van twee en drie
verdiepingen, en een aantal windmolens aan den rand van een dijk ons
op de nabijheid der hoofdstad van Australië.
Eindelijk ankerden wij in Sydney-Cove, waar wij het kleine dok gevuld
zagen met vele groote schepen, en omringd door pakhuizen. Des avonds
wandelde ik door de stad en keerde vol bewondering over wat ik zag,
terug. Alles legt een schitterend getuigenis af van de macht der
Britsche natie. Hier, in een weinig belovend land, hebben eenige
twintigtallen van jaren heel wat meer uitgericht dan evenveel eeuwen
in Zuid-Amerika. Het eerste gevoel, dat in mij opwelde, was mij geluk
te wenschen dat ik Engelschman van geboorte was. Toen ik later meer
van de stad zag, daalde mijne bewondering misschien wel eenigszins;
maar toch is zij mooi. De straten zijn regelmatig, breed, zindelijk en
worden uitstekend onderhouden; de huizen hebben eene flinke grootte,
en de winkels zijn wel voorzien. Men kan haar gerust vergelijken
met de groote voorsteden van Londen en enkele andere hoofdplaatsen in
Engeland; maar zelfs bij Londen of Birmingham ziet men zulk eene snelle
uitbreiding niet. Het aantal groote huizen en andere gebouwen, die
juist voltooid waren, was inderdaad verwonderlijk; niettemin klaagde
elk over de hooge huren en de moeite om een huis te koopen. Daar ik
uit Zuid-Amerika kwam, waar elk, die eigendom heeft, in de steden
bekend is, verwonderde niets mij zoozeer, als dat ik niet dadelijk
kon te weten komen wie eigenaar was van dit of dat voertuig.
Ik huurde een man en twee paarden om mij naar het dorp Bathurst
te brengen, dat omstreeks 120 mijlen in het binnenland ligt en het
middelpunt is van een groot landelijk district. Op deze wijze hoopte
ik een algemeen idee te krijgen van het voorkomen der streek. Op den
morgen van 16 Januari ving ik mijn tocht aan. De eerste rit bracht
ons naar Paramatta--een landstadje, dat in beteekenis op Sydney
volgt. De wegen, volgens het stelsel van Mac Adam [342] aangelegd,
waartoe de noodige basaltsteen van vele mijlen ver was aangevoerd,
waren uitmuntend. In alle opzichten was er nauwe overeenstemming
met Engeland, behalve misschien in de bierhuizen, die hier talrijker
waren. De ijzeren benden (troepen misdadigers, die hier het een of
ander misdrijf hebben gepleegd) herinnerden het minst aan Engelsche
toestanden; zij werkten met ketens aan het lichaam, onder toezicht
van schildwachten met geladen geweren. De macht, die het gouvernement
bezit om door gedwongen arbeid in korten tijd goede wegen door het
land te banen is, geloof ik, een der hoofdoorzaken van den snellen
voorspoed dezer kolonie. Ik sliep dien nacht in eene zeer geriefelijke
herberg te Emuferry, 35 mijlen van Sydney en dicht bij den voet der
Blauwe Bergen. Deze reisweg wordt het drukst bezocht en is het langst
van alle in de kolonie bewoond. Al het land is afgesloten met hoog
rasterwerk, wat een gevolg is van de omstandigheid, dat de pachters
geen heggen hebben kunnen aanleggen. Rondom liggen vele flinke huizen
en goede boerderijen verspreid; maar hoewel groote stukken land onder
cultuur zijn, verkeert het grootste deel nog in den staat waarin het
ontdekt werd.
De buitengewone gelijkvormigheid der flora is het merkwaardigste
kenmerk van het landschap in het grootste gedeelte van
Nieuw-Zuid-Wallis. Overal vinden wij open boschland, en is de grond
ten deele bedekt met zeer dun gras, dat weinig groen vertoont. De
boomen behooren bijna alle tot ééne familie en kenmerken zich
hierdoor, dat hunne bladeren meerendeels in een verticalen, in
plaats van in een bijna horizontalen stand geplaatst zijn, zooals
in Europa. Het loof is schraal met eene eigenaardige bleekgroene
tint, zonder eenigen glans, ten gevolge waarvan de bosschen licht en
zonder schaduw zijn. Ofschoon dit onder de brandende zonnestralen een
ongerief is voor wie deze streken bereizen, is het van belang voor
den pachter, daar nu gras kan groeien waar dit anders niet kan. De
bladeren vallen niet periodiek af--een kenmerk, dat aan het geheele
zuidelijk halfrond, namelijk Zuid-Amerika, Australië en de Kaap de
Goede Hoop gemeen schijnt. De bewoners van dit halfrond missen dus
een zeer prachtig, hoewel in onze oogen gewoon natuurverschijnsel:
de eerste volle bladontplooiing van den bladerloozen boom. Zij kunnen
ons antwoorden, dat wij dit genot duur betalen nadat het land zooveel
maanden lang met naakte geraamten is bedekt geweest. Ook dit is
waar; maar onze zintuigen krijgen zoodoende een prikkelend, opwekkend
verlangen naar het verrukkelijke lentegroen, dat de oogen van hen die
in de keerkringen leven en zich het jaar lang aan de schitterende,
kleurenrijke voortbrengselen dezer gloeiende gewesten verzadigen,
nooit kunnen smaken. Met uitzondering van eenige blauwe-gomboomen
(Eucalyptus globubus) bereiken de meeste boomen geen aanzienlijke
grootte; maar zij zijn lang, vrij recht en staan goed gescheiden. De
schors van eenige Eucalypti valt jaarlijks af, of hangt in lange doode
reepen, die in den wind heen en weer slingeren, en aan de bosschen een
doodsch en slordig aanzien geven. Ik kan mij in alle opzichten geen
grootere tegenstelling denken, dan tusschen de wouden van Valdivia
of Chiloë, en de bosschen van Australië.
Bij zonsondergang ging een troep van een twintigtal zwarte inboorlingen
voorbij, die allen op hunne gewone manier een bundel speren of
andere wapenen droegen. Door een jongen aanvoerder een shilling
te geven, kon ik hen gemakkelijk laten stilstaan, en wierpen zij
hunne speren om mij te vermaken. Allen waren gedeeltelijk gekleed,
en verscheidenen konden wat Engelsch spreken. Hun uiterlijk was
opgeruimd en aangenaam, en zij schenen op verre na niet zulke geheel
verbasterde wezens, als doorgaans wordt voorgesteld. In hunne eigen
kunsten zijn zij te bewonderen. Eene muts, welke op 30 yards afstand
was opgehangen, doorboorden zij met eene speer, die door den werpstok
werd weggeslingerd met de snelheid waarmede een geoefend schutter een
pijl uit zijn boog drijft. De wonderlijkste schranderheid leggen zij
aan den dag wanneer zij het spoor van menschen of dieren zoeken, en
ik hoorde verscheidene opmerkingen van hen vertellen, die blijk gaven
van ongewone scherpzinnigheid. Maar den grond ontginnen, of huizen
bouwen en gezeten lieden worden, willen zij niet; zelfs willen zij
zich de moeite niet geven eene kudde schapen te hoeden, die aan hunne
zorg is toevertrouwd. Over het geheel schijnen zij mij maar enkele
sporten hooger op de beschavingsladder te staan dan de Vuurlanders.
Het is zeer zonderling, zoo te midden van een beschaafd volk een
troep onschadelijke wilden te zien rondloopen, die niet weten waar
zij des nachts zullen slapen, en hun kost verdienen met jagen in de
bosschen. Naarmate de blanken voortdrongen, hebben zij zich over het
land verspreid, dat aan verschillende stammen toebehoorde; en ofschoon
deze zoodoende allen door eenzelfde volk werden ingesloten, hebben
zij hunne oude gewoonte om soms elkander te beoorlogen, behouden. In
een gevecht, dat onlangs plaats had, kozen beide partijen--zeer
zonderling--het midden van het dorp Bathurst tot slagveld. Dit had
voor de verslagene partij het voordeel, dat de weggeloopen krijgslieden
een toevlucht zochten in de hutten.
Het getal inboorlingen neemt snel af. Op mijn geheelen rit zag ik,
behalve een paar jongens die door Engelschen werden opgebracht,
nog slechts één enkelen troep. Zonder twijfel moet deze afname
gedeeltelijk worden toegeschreven aan den invoer van spiritualiën,
aan Europeesche ziekten (waarvan zelfs de meer goedaardige, zooals
mazelen, zeer verderfelijk blijken), [343] en aan het trapsgewijze
uitsterven van wild. Men zegt, dat een aantal van hunne kinderen op
zeer jongen leeftijd aan de gevolgen van hun zwervend leven bezwijken;
en daar de moeite om aan voedsel te komen grooter wordt, moeten ook
hunne zwervende gewoonten toenemen. Zonder openlijk den hongerdood
te sterven, wordt hier de bevolking dus op bijzonder snelle wijze
ondermijnd, vergeleken met wat in beschaafde landen gebeurt, waar
de vader, ofschoon door overmatigen arbeid zich zelf benadeelende,
zijn nakroost niet uitroeit.
Behalve deze vele zichtbare oorzaken van ondergang, schijnt er in
't algemeen eene meer geheimzinnige kracht in 't spel te zijn. Waar
de Europeaan zijne schreden zet, schijnt de dood den inboorling
te vervolgen. Hetzij wij het oog wenden naar de wijde vlakten van
Noord- en Zuid-Amerika, naar Polynesië, de Kaap de Goede Hoop of naar
Australië, overal vinden wij denzelfden uitslag. En het is niet alleen
de blanke, die dus als verdelger optreedt: de Polynesiër van Maleischen
oorsprong heeft in sommige gedeelten van den Oostindischen Archipel
evenzoo den donkerkleurigen inboorling voor zich uitgedreven. De
menschenrassen schijnen op elkander te werken in gelijken zin als
velerlei diersoorten, nl. zoo, dat het sterkere steeds het zwakkere
uitroeit. Het was treurig, toen wij op Nieuw-Zeeland de fiere,
kloeke inboorlingen hoorden zeggen, dat zij wel wisten dat hun land
gedoemd was aan hunne kinderen te ontvallen. [344] Ieder heeft gehoord
van de onverklaarbare vermindering der bevolking op het schoone en
gezonde eiland Tahiti sedert den tijd van Cook's reizen, hoewel wij
in dit geval hadden mogen verwachten, dat zij zou zijn toegenomen:
want kindermoord, die hier vroeger in zoo buitengewone mate woedde,
heeft opgehouden: losbandigheid is afgenomen, en de moordende oorlogen
zijn nu minder talrijk.
--De Eerw. I. Williams zegt in zijn belangwekkend werk, [345] dat het
eerste verkeer tusschen inboorlingen en Europeanen "steeds vergezeld
gaat van het uitbreken van koortsen, rooden loop of eene andere ziekte,
die tal van menschen wegsleept." Verder zegt hij: "Het is inderdaad
een feit, hetwelk niet betwist kan worden, dat de meeste ziekten, die
gedurende mijn verblijf op de eilanden gewoed hebben, door schepen
daar zijn ingevoerd; [346] en wat dit feit merkwaardig maakt is,
dat onder de bemanning van het schip, hetwelk deze verderfelijke
lading binnenbracht, geen spoor van ziekte bekend was." Dit verhaal
is niet zoo heel buitengewoon als op het eerste gehoor wel lijkt;
want verscheidene gevallen zijn bekend dat de boosaardigste koortsen
zijn uitgebroken, hoewel de personen, die er de oorzaak van waren,
onaangetast bleven. In de eerste regeeringsjaren van George III
(1738-1820) werd een gevangene, die in een kerker opgesloten was,
door vier konstabels in een rijtuig voor den magistraat gebracht;
en ofschoon de man zelf niet ziek was, stierven de vier konstabels
aan eene soort van rotkoorts, maar zonder dat de besmetting zich
aan anderen meedeelde. Uit deze feiten zou men bijna afleiden, dat
de dampen die door sommige personen eenigen tijd worden uitgestraald,
voor anderen na inademing giftig zijn: en dit wellicht nog meer, als de
personen tot verschillend ras behooren. Hoe geheimzinnig dit geval ook
schijne, is het toch niet wonderlijker dan het feit, dat het lichaam
van een mensch, onmiddellijk na den dood en voordat het bederf is
ingetreden, dikwijls zulke giftige of doodelijke eigenschappen bezit,
dat de prik alleen met een instrument hetwelk bij de opening van het
lijk gebruikt is, noodlottig blijkt.
[17 Januari.]
Vroeg in den morgen staken wij in eene veerboot over de
Nepean. Ofschoon de rivier op deze plek breed en diep was, bevatte
zij een zeer klein volume stroomend water. Aan de overzijde trokken
wij door een laag stuk land en bereikten toen de helling der Blauwe
Bergen. De beklimming daarvan is niet moeilijk, doordien de weg met
veel zorg in de glooiing van eene zandsteenklip is uitgehouwen. Op
den top strekt zich eene bijna effen vlakte uit, die naar het westen
onmerkbaar stijgt en eindelijk eene hoogte bereikt van meer dan 3000
voet. Zulk een wijdsche titel als "Blauwe Bergen", alsmede hunne
werkelijke hoogte deden mij verwachten eene kloeke bergketen te zullen
zien, welke het land doorsneed; maar in plaats hiervan--slechts eene
hellende vlakte, die een onaanzienlijk front vormt bij het laagland aan
de kust. Van deze eerste glooiing was het gezicht op het uitgestrekte
boschland in het oosten verrassend, en de rondom staande boomen waren
kloek en rijzig. Doch is men eenmaal op het zandsteenen bergvlak,
dan wordt het landschap uiterst eentonig; elke kant van den weg is
met schrale boomen der nooit ontbrekende Eucalyptus-familie begroeid,
en met uitzondering van twee of drie kleine herbergen, zijn er geen
huizen of ontgonnen landerijen. Daarenboven is de weg eenzaam; wat
men nog het meest ziet, zijn ossewagens, volgeladen met balen wol.
Op het midden van den dag voederden en drenkten wij onze paarden in
eene kleine herberg, The Weatherboard (De Loefzijde) genaamd. Het
land ligt hier 2800 voet boven de zee. Ongeveer anderhalve
mijl van deze plek heeft men een panorama, dat wel een kijk
waard is. Eene kleine vallei volgende, waardoor een nietig beekje
stroomt, ontwaart men plotseling tusschen het geboomte, dat den weg
begrenst, een onafzienbaren afgrond met eene diepte van misschien
1500 voet. Enkele schreden voortgaande, staat men aan den rand
eener geweldige steilte en ziet aan zijne voeten een uitgestrekten
landboezem of baai (want anders weet ik het niet te noemen), die
dicht met wouden bedekt is. Het oogpunt ligt als het ware aan den
top der baai, en rechts en links breidt zich eene klipreeks uit met
achtereenvolgende landtongen, evenals aan eene steile zeekust. Deze
klippen bestaan uit horizontale lagen van witachtigen zandsteen, en
zijn zoo volkomen loodrecht, dat men op vele plaatsen een steen, die
van den rand naar omlaag wordt geworpen, op de boomen in den afgrond
aan zijne voeten kan zien vallen. De klipreeks is zoo onafgebroken,
dat men (volgens zeggen) zestien mijlen om moet loopen, om den voet
van den waterval te bereiken, die door het bovengenoemde beekje
gevormd wordt. Omstreeks vijf mijlen ver tegenover ons liep eene
andere klipreeks, die de vallei dus geheel schijnt te omringen,
zoodat de naam van baai, aan deze grootsche amphitheatervormige
diepte gegeven, gerechtvaardigd is. Stellen wij ons voor, dat eene
bochtige haven met steile klipvormige oevers wordt drooggelegd, en
uit haar zandigen bodem een dicht woud opschiet, dan zullen wij een
begrip hebben van het voorkomen en den vorm van dezen landboezem. Dit
landschaps-type was voor mij geheel nieuw en buitengewoon prachtig.
Des avonds bereikten wij de Blackheath, waar de zandsteenen bergvlakte
eene hoogte heeft bereikt van 3400 voet, en met hetzelfde schrale
houtgewas bedekt is als te voren. Van den weg had men nu en dan
vluchtige kijkjes in eene diepe vallei van dezelfde soort als die ik
straks beschreef; maar wegens de steile en hooge wanden was de bodem
bijna nooit te zien. Blackheath is eene zeer geriefelijke herberg,
die door een ouden soldaat gedreven wordt, en die mij aan de kleine
herbergen in Noord-Wallis herinnerde.
[18 Januari.]
Zeer vroeg in den morgen wandelde ik omstreeks drie mijlen ver om
Govett's Leap te zien. Het landschap was hier van gelijken aard
als bij The Weatherboard, misschien zelfs nog indrukwekkender. Zoo
vroeg op den dag, was de baai gevuld met een ijlen blauwen mist, die,
hoewel in 't algemeen het uitzicht belemmerend, de diepte waarop het
woud zich onder onze voeten uitstrekte, nog scheen te vergrooten. Deze
valleien, die zoolang een onoverkomelijken hinderpaal vormden voor de
pogingen der ondernemendste kolonisten om het binnenland te bereiken,
zijn hoogst merkwaardig. Groote, armvormige baaien met verwijdingen
aan het boveneinde ontspringen dikwijls uit de hoofdvalleien,
en banen zich een weg door de zandsteenen hoogvlakte; daarentegen
steekt de hoogvlakte dikwijls landtongen uit in de valleien, zelfs
met afscheiding daarin van groote, eilandvormige berggevaarten. Om
in deze valleien af te dalen moet men somtijds 20 mijlen omloopen;
in andere zijn de landmeters eerst onlangs doorgedrongen, en is het
den kolonisten nog niet gelukt hun vee te laten weiden. Doch het
merkwaardigste kenmerk in haren bouw is wel, dat zij, ofschoon aan de
hoofdeinden verscheidene mijlen breed, naar de mondingen toe meestal
zoo versmallen, dat zij ontoegankelijk worden. De Landmeter-Generaal,
Sir T. Mitchell, poogde te vergeefs, eerst loopend en toen kruipend
tusschen de groote neergestorte zandsteenbrokken, door de keel heen
te dringen, welke de Grose-rivier met de Nepean verbindt; [347] toch
vormt de vallei der Grose, naar ik zag, in haar bovengedeelte eene
fraaie effen kom van eenige mijlen breed, die aan alle kanten door
klippen is omringd, welker toppen waarschijnlijk nergens onder 3000
voet boven den zeespiegel liggen. Ik besteeg een pad, deels gevormd
door de natuur en deels door den eigenaar van den grond, dat toegang
gaf tot de vallei van de Wolgan; wordt langs dit pad vee in de vallei
gedreven, dan kan het niet ontsnappen; want overal elders is dit dal
door loodrechte klippen omringd en versmalt, acht mijlen verder, van
eene gemiddelde breedte van eene halve mijl tot eene gewone kloof,
waar mensch noch dier door kan. Mitchell verhaalt, dat de groote
vallei der Cox-rivier met al hare vertakkingen ter plaatse waar deze
in de Nepean vloeit, samenkrimpt tot eene keel van 2200 yards wijdte
en ongeveer 1000 voet diepte. Andere dergelijke voorbeelden zouden
hieraan kunnen worden toegevoegd.