uitgenomen tusschen enkele zuidelijke stammen. Ik hoorde eene
eigenaardige anecdote vertellen van een voorval, dat eenigen tijd
geleden in het zuiden plaats had. Een zendeling bezocht een opperhoofd,
die zijn stam ten oorlog rustte: de musketten waren schoon en gepoetst,
en de munitie lag gereed. Nadat hij lang over het nuttelooze van den
oorlog had gesproken, en gewezen op de geringe beleediging, die hem
had uitgelokt, was het opperhoofd zeer in zijn besluit geschokt en
scheen te aarzelen; maar eindelijk viel het hem in, dat een zijner
vaatjes kruit in slechten staat verkeerde, en niet lang meer goed
zou blijven. Dit werd als een onwederlegbaar bewijs aangevoerd voor
de noodzakelijkheid om den oorlog onmiddellijk te verklaren: immers,
men mocht er niet aan denken zooveel goed kruit te laten bederven! En
dit argument gaf den doorslag. De zendelingen vertelden mij, dat bij
Shongi--het opperhoofd dat Engeland bezocht--de zucht naar oorlog de
eenige en bestendige drijfveer was van al zijne handelingen. De stam,
waarvan hij het voornaamste hoofd was, werd eens door een anderen
stam aan de Thames-rivier veelvuldig lastig gevallen. Alle mannen
van Shongi's stam zwoeren daarop een duren eed, dat als hun knapen
volwassen en krachtig genoeg zouden zijn, zij deze beleedigingen nimmer
zouden vergeten noch vergeven. Het gestand doen van dien eed schijnt
de hoofdreden te zijn geweest, waarom Shongi naar Engeland ging; en
eenmaal hier, was het zijn eenig doel. Geschenken werden alléén op
prijs gesteld, wanneer zij in wapenen konden worden omgezet; van de
kunsten boezemden alleen zoodanige hem belang in, die op het maken
van wapenen betrekking hadden. Te Sydney ontmoette Shongi door een
zonderling toeval het vijandig opperhoofd van de Thames-rivier ten
huize van den heer Marsden. Hunne houding over en weer was beleefd,
maar Shongi vertelde hem, dat hij nooit zou ophouden zijn land te
beoorlogen, als hij op Nieuw-Zeeland terug was. De uitdaging werd
aangenomen, en na zijn terugkeer volvoerde Shongi zijne bedreiging
tot de laatste letter. De stam aan de Thames-rivier werd geheel
overhoop geworpen, en het hoofd zelf, tot wien de uitdaging gericht
was, gedood. Hoewel Shongi zulke diepgewortelde gevoelens van haat
en wraak koesterde, wordt hij beschreven als iemand, die eene goede
inborst bezat.
Des avonds ging ik met kapitein Fitz-Roy en een der zendelingen,
den heer Baker, een bezoek brengen aan Kororadika. Wij wandelden het
dorp door, en zagen en praten met verscheidene lieden, zoo mannen,
vrouwen als kinderen. Den Nieuw-Zeelander ziende, vergelijkt men
hem terecht met den Tahitiër, want beiden behooren tot dezelfde
menschen-species. [335] De vergelijking valt echter zeer ten nadeele
van den Nieuw-Zeelander uit. Deze moge al wat meer energie bezitten,
in alle andere opzichten is zijne hoedanigheid van eene veel lagere
orde. Een enkele blik op hunne gelaatsuitdrukking overtuigt ons,
dat de een een wilde, de ander een beschaafd mensch is. Op geheel
Nieuw-Zeeland zou men te vergeefs een man zoeken met het gelaat en
voorkomen van het oude Tahitische stamhoofd Utamme. Ongetwijfeld
geeft de buitengewone manier, waarop hier het tatoueeren geschiedt,
eene ongewone uitdrukking aan hun gezicht. De samengestelde doch
symmetrische figuren, die het geheele gezicht bedekken, verbijsteren en
misleiden een ongeoefend oog, terwijl bovendien de diepe insnijdingen,
door verstoring van het spel der peripherische spieren, waarschijnlijk
eene uitdrukking van stroeve onbeweeglijkheid voortbrengen. Maar
behalve dit, vertoont het oog eene flikkering, die niets anders
dan list en wreedheid kan beteekenen. Hunne lichamen zijn groot en
forsch, doch in fraaiheid van vormen niet te vergelijken bij die der
arbeidersklassen op Tahiti.
Zoowel zij zelven als hunne huizen zijn onzindelijk, vuil en walgelijk;
het denkbeeld om lichaam of kleêren te wasschen schijnt nooit in hun
hoofd op te komen. Ik zag een opperhoofd, die een hemd droeg, zwart
van de korsten vuil, en die op mijne vraag hoe dit zoo morsig was,
verwonderd antwoordde:
"Ziet gij dan niet, dat het een oud hemd is?"
Enkele mannen dragen hemden; maar de gewone kleeding bestaat uit
een of twee groote wollen dekens, die meestal zwart zien van het
vuil en op zeer ongemakkelijke, lompe manier over de schouders zijn
geworpen. Enkele voorname hoofden hebben eene passende kleeding van
Engelsche stoffen, die echter alleen bij hooge gelegenheden worden
gedragen.
[23 December.]
Op eene plaats, genaamd Waimate, die omstreeks 15 mijlen van de
Eilanden-Baai en halverwegen tusschen de oost- en westkusten ligt,
hebben de zendelingen eenig land gekocht, met het doel dit te
bebouwen. Het was daar dat ik een bezoek ging brengen bij den heer
W. Williams, die mij op mijn verzoek hiertoe had uitgenoodigd en bij
wien ik geïntroduceerd was. Bushby, de Britsche resident, bood aan
mij in zijne boot mede te nemen door eene kreek, waar ik een fraaien
waterval zou zien, en welke tevens mijne wandeling zou bekorten. Ook
verschafte hij mij een gids. Op zijne vraag aan een naburig hoofd
om mij een geschikt man aan te wijzen, bood het hoofd zich zelf aan;
maar zoo groot was zijne onwetendheid omtrent de waarde van het geld,
dat hij eerst vroeg hoeveel pond ik hem zou geven, en later met
twee dollars tevreden was. Toen ik het hoofd een zeer klein pak liet
zien, dat ik wilde laten dragen, moest hij met alle geweld een slaaf
nemen. Deze trotsche neigingen beginnen nu te slijten; maar vroeger zou
een hoofdpersoon liever zijn gestorven, dan de vernedering ondergaan
ook zelfs den kleinsten last te dragen. Mijn metgezel, voorheen een
groot krijgsoverste, was een vlug, bedrijvig man met een geheel
getatoueerd gezicht en eene vuile deken tot kleeding. Hij scheen
met Bushby op zeer goeden voet te staan, ofschoon zij dikwijls samen
getwist hadden. Bushby deed mij de opmerking, dat op oogenblikken,
als deze inboorlingen het meest snoeven, eene kleine dosis kalme
spotternij hun menigmaal het zwijgen oplegt. Zoo was dit opperhoofd
eens bij hem gekomen en had op snoevenden toon gezegd:
"Een groot opperhoofd, een beroemd man en mijn vriend is bij mij op
bezoek gekomen. Gij moet hem wat goeds te eten geven, fraaie geschenken
aanbieden, enz..."
Bushby had hem zijne redevoering laten uitspreken en toen op kalmen
toon geantwoord:
"Wat zou uw slaaf dan anders voor u doen?"
Met een zeer grappig gebaar had de man toen zijne opsnijderij gestaakt.
Eenigen tijd geleden had de heer Bushby een veel ernstiger aanval te
doorstaan. Een opperhoofd poogde met zijn troep midden in den nacht in
zijn huis te dringen; en toen dit niet zoo gemakkelijk ging, openden
zij een levendig geweervuur. Bushby werd licht gewond; maar eindelijk
moest de troep wijken. Kort daarna ontdekte men wie de aanvaller was,
en had eene algemeene samenkomst der hoofden plaats om het geval te
bespreken. De Nieuw-Zeelanders beschouwden het als zeer misdadig,
op grond dat de aanval bij nacht was geschied en Bushby ziek te bed
lag. Zeer tot hunne eer, gold deze laatste omstandigheid algemeen als
reden om Bushby in bescherming te nemen. En zoo besloten de hoofden,
het land van den aanvaller ten bate van den koning van Engeland
verbeurd te verklaren. Deze krasse handelwijze, om een opperhoofd,
een gelijke, zóó te vervolgen en te straffen, was echter geheel zonder
voorbeeld. Bovendien verloor de aanvaller de aanspraak op de achting
zijner gelijken; en dit werd door de Engelschen als van meer gewicht
beschouwd dan de verbeurdverklaring van zijn land.
Op het oogenblik dat de boot van wal stak, stapte er een tweede
opperhoofd in, die alleen voor zijn pleizier de kreek eens op en neer
wilde varen. Nooit zag ik een terugstootender en woester uitdrukking
dan op het gezicht van dezen man. Onmiddellijk trof het mij, dat ik
ergens zijn evenbeeld gezien had, en eindelijk herinnerde ik mij dat
dit was op een der teekeningen van Retzsch bij Schiller's ballade
"Fridolin", waar twee mannen Robert in het brandende open fornuis
duwen. [336] Het woeste opperhoofd geleek op den man, die zijn arm
op Robert's borst legt. De gelaatsuitdrukking sprak hier waarheid:
dit opperhoofd was een bekend moordenaar geweest, en was een berucht
lafaard bovendien. Op het punt, waar de boot landde, vergezelde Bushby
mij een kort eind den weg op. Ik kon toen niet nalaten de koele
onbeschaamdheid te bewonderen, waarmede de oude grijze booswicht,
die in de boot bleef liggen, Bushby naschreeuwde:
"Blijf niet te lang weg; het zou mij vervelen hier te moeten wachten."
Wij begonnen nu onze wandeling. De weg liep langs een goed gebaand pad,
aan weerszijden begroeid met het hooge varenkruid, dat het geheele land
bedekt. Nadat wij eenige mijlen hadden geloopen, kwamen wij aan een
landelijk dorpje, uit enkele hutten bestaande en omringd door eenige
plekjes grond, waarop aardappelen waren gepoot. Het invoeren van den
aardappel is voor het eiland van het wezenlijkste nut geweest, en hij
wordt thans veel meer gegeten dan de inlandsche gewassen. Nieuw-Zeeland
bezit een groot natuurlijk voorrecht, namelijk, dat de inwoners er
nooit van honger zullen sterven. Het geheele land vloeit over van
het meer genoemde varenkruid; en de wortels van deze plant, ofschoon
niet smakelijk, bevatten toch veel voedsel. Een inboorling kan altijd
hiervan leven, en heeft bovendien een overvloed van schaaldieren op
elk gedeelte der zeekust. [337] De dorpen zijn voornamelijk kenbaar
aan de platte vloeren of daken, welke op vier palen tien of twaalf
voet hoog boven den grond zijn opgericht, en als veilige bewaarplaats
voor de veldvoortbrengselen dienen.
Dicht bij eene der hutten gekomen, zag ik tot mijn groot genoegen de
eigenaardige plichtpleging van het wrijven, of, gelijk men het noemen
moest, het drukken der neuzen in haar waren vorm. Terstond bij onze
nadering begonnen de vrouwen iets met zeer klagende stem te prevelen,
gingen toen op hare hurken zitten en hielden de gezichten op. Mijn
metgezel ging achtereenvolgens voor ze staan, plaatste den kant van
zijn neus rechthoekig op den haren en begon te drukken. Dit duurde niet
langer dan een hartelijke handdruk bij ons; en evenals wij bij het
handschudden de kracht van den druk veranderen, zoo doen ook zij met
den neus. Gedurende het drukken uitten zij een zacht tevreden geknor,
dat zeer veel overeenkwam met het geluid dat twee varkens maken, die
hunne gezichten tegen elkander wrijven. Ik merkte op, dat de slaaf of
mindere zijn neus drukte tegen elk dien hij ontmoette, onverschillig
vóór of na zijn meester, het opperhoofd. Ofschoon bij deze wilden het
hoofd volstrekte macht heeft over leven en dood, bestaat tusschen hen
geen enkel spoor van plichtpleging. Burchell heeft hetzelfde opgemerkt
bij de ruwe Bechuanen in Zuid-Afrika. Waar de beschaving een zekeren
trap heeft bereikt, ontstaan weldra samengestelde wellevendheidsvormen
tusschen de verschillende klassen der samenleving. Zoo waren, bijv.,
op Tahiti alle inwoners verplicht zich in tegenwoordigheid des konings
tot aan het midden te ontblooten.
Toen de plichtpleging van het neusdrukken tusschen alle aanwezigen naar
behooren was afgeloopen, gingen wij in een kring voor een der hutten
zitten, en bleven daar een half uur. Alle hutten hebben nagenoeg
dezelfde vorm en afmetingen, en komen in vuilheid en onreinheid
met elkander overeen. Zij gelijken op een koestal, waarvan het eene
einde open is, maar hebben dicht bij den ingang een tusschenmuur met
een vierkant gat er in, dat toegang geeft tot eene kleine donkere
kamer. In deze kamer bergen de bewoners al hun eigendom, en bij koud
weder slapen zij er in; maar zij eten en brengen hun tijd door in het
open voorgedeelte. Toen mijne gidsen hunne pijpen uitgerookt hadden,
vervolgden wij onze wandeling. Het pad leidde door dezelfde golvende
landstreek, die weer overal met varenkruid bedekt was. Aan onze
rechterhand vloeide eene kronkelende rivier, waarvan de oevers met
boomen waren beplant; en hier en daar op de heuvels vertoonde zich
eene strook bosch. In weerwil van de groene kleur, had het geheele
landschap een eenigszins mistroostigen aanblik. Het gezicht van zooveel
varenkruid maakte onwillekeurig den indruk van onvruchtbaarheid,
hetgeen echter niet juist is: want waar het varenkruid zoo dicht
en hoog groeit (het reikt tot aan de borst), wordt het land door
akkerbouw vruchtbaar. Sommige bewoners denken, dat dit uitgestrekte,
open land vroeger geheel met wouden bedekt was, die later door vuur
zijn verwoest. Naar men zegt, worden bij gravingen op de kaalste
plekken dikwijls stukken hars gevonden, welke uit den kauri-pijnboom
(Agathis australis) vloeit. [338] De inboorlingen hadden blijkbaar
gegronde reden om het land te ontbosschen, want het varenkruid
(Pteris esculenta), dat vroeger het voornaamste voedingsmiddel was,
bloeit alleen in de open, boschvrije gedeelten. [339] De bijna totale
afwezigheid van gemengde grassoorten--zulk een merkwaardig kenmerk
in de flora van dit eiland--laat zich wellicht hierdoor verklaren,
dat het land voorheen met woudboomen bedekt is geweest.
De grond is vulkanisch; op verscheidene plaatsen gingen wij over
slakkenvormige lava's, en op vele naburige bergen kon men duidelijk
kraters onderscheiden. Ofschoon het landschap nergens schoon, en
alleen nu en dan aardig is, genoot ik van mijne wandeling en zou dit
nog meer gedaan hebben, indien mijn metgezel, het opperhoofd, niet zoo
bijzonder spraakzaam was geweest. Ik kende slechts drie woorden van
zijne taal: "goed", "slecht" en "ja"; en daarmede beantwoordde ik al
zijne opmerkingen, zonder natuurlijk een enkel woord te verstaan van
wat hij zeide. Maar dit was voldoende: ik was een goed "toehoorder",
een "aangenaam" persoon, en daarom hield hij niet op met praten.
Eindelijk bereikten wij Waimate. Na zooveel mijlen door een onbewoond
en onnut land te zijn getrokken, was de plotselinge verschijning
van eene Engelsche boerderij met hare goed bebouwde velden, die
daar als door toovenaarshand geplaatst was, eene uiterst aangename
verrassing. Daar de heer Williams niet thuis was, heette Davies mij in
zijne woning hartelijk welkom; en nadat ik hier met zijn gezin had thee
gedronken, deden wij eene wandeling om de boerderij. In Waimate zijn
drie groote huizen, waarin de zendelingen Williams, Davies en Clarke
wonen; en dicht daarbij staan de hutten der inlandsche arbeiders. Op
eene naburige helling stonden talrijke gerste- en tarwearen in vollen
bloei, en op een ander veld zag men aardappelen en klaver. Maar, al
wat ik zag, te beschrijven, is onmogelijk. Er waren groote moestuinen,
waarin alle vruchten en groenten, die Engeland zelf voortbrengt, en
bovendien vele uit een warmer klimaat. Ik noem slechts: asperges,
witte boonen, komkommers, rhabarber, appelen, peren, vijgen,
perziken, abrikozen, druiven, olijven, kruisbessen, aalbessen, hop,
brem voor palissadeeringen, en Engelsche eiken; ook zag ik vele soorten
bloemen. Rondom de boerderij waren vele stallen, eene dorschschuur met
haar wantoestel, eene grofsmederij, en op den grond ploegscharen met
ander gereedschap. Te midden van dit alles heerschte dat landelijke
gezelschapsleven van varkens en kippen, die genoeglijk bij elkander
lagen, evenals op elke boerderij in Engeland. Op eene afstand van een
paar honderd yards, ter plaatse waar het water van een beekje in een
vijver was afgedamd, stond een groote heusche watermolen.
Dit alles is zeer verrassend, zoo men bedenkt, dat hier vijf jaren
geleden niets anders dan varenkruid groeide. En wat meer zegt: al deze
verandering is geschied door inlandsche werklieden, door zendelingen
in de kunst onderwezen; de les van den zendeling is hier de staf van
den toovenaar. De huizen zijn gebouwd, de vensters ingezet, de velden
beploegd en zelfs de boomen geënt... door Nieuw-Zeelanders. Bij
den molen zagen wij een Nieuw-Zeelander, wit gepoederd met meel,
evenals zijn vakbroeder in Engeland. Toen ik dit geheele tooneel
aanschouwde, bewonderde ik het in gedachte. Die bewondering sproot
niet zoozeer voort uit het feit, dat alles mij levendig aan Engeland
herinnerde--want toen de avond daalde, deden ook de huiselijke
geluiden, de wuivende korenvelden, en het golvende land met zijn
geboomte in de verte, onwillekeurig aan het vaderland denken: ook
niet uit het zegevierende bewustzijn, nu ik zag wat Engelschen tot
stand konden brengen--maar veeleer uit de hooge verwachtingen, die
mij vervulden in den toekomstigen voorspoed van dit belangrijke eiland.
Verscheidene jonge mannen, die door de zendelingen uit de slavernij
waren afgekocht, werkten op de boerderij. Zij waren gekleed in
hemd, buis en broek, en zagen er fatsoenlijk uit. Te oordeelen
naar eene onbeduidende anecdote, die ik even wil vertellen, zou ik
hen voor eerlijke lieden houden. Op onze wandeling door de velden
kwam een jonge inlander naar Davies toe, en gaf hem een mes en
eene zwikboor, zeggende dat hij deze op den weg gevonden had, en
niet wist aan wien zij toebehoorden. Deze jonge mannen en knapen
schenen zeer vroolijk en opgeruimd. Des avonds zag ik een troepje
van hen cricket spelen; toen ik daarbij dacht aan den stuggen ernst,
waarvan de zendelingen beschuldigd worden, deed het mij genoegen te
zien, dat een hunner eigen zoons lustig aan het spel deelnam. Een
meer bepaalde en aangename verandering vertoonden de jonge vrouwen,
die als dienstboden binnenshuis werkten. Door haar helder, net en
gezond uiterlijk, evenals van de melkmeisjes in Engeland, vormden
zij eene gunstige tegenstelling met de vrouwen uit de morsige hutten
in Kororadika. De vrouwen der zendelingen hadden getracht haar van
het tatoueeren af te brengen; maar toen op zekeren dag een vermaard
"snijmeester" uit het zuiden kwam, zeiden de meisjes:
"Wij moesten toch eigenlijk een paar strepen op de lippen hebben;
want anders zullen onze lippen rimpelen als wij oud worden, en zullen
wij zoo erg leelijk worden."
Wel geschiedt het tatoueeren niet meer zoo druk als vroeger; maar wijl
het een kenteeken is ter onderscheiding van hoofd en slaaf, zal het
waarschijnlijk lang in gebruik blijven. Hoezeer een gedachtensleur
gewoonte kan worden, bleek uit de verklaring der zendelingen, dat
zelfs in hunne oogen een glad gezicht alledaagsch scheen, en niet
zoo fraai als dat van een Nieuw-Zeelandschen gentleman.
Laat in den avond ging ik naar het huis van Williams, waar ik
overnachtte. Ik vond er een groot gezelschap kinderen, die voor
den Kerstdag waren bijeengekomen en nu allen aan eene tafel zaten
thee te drinken. Nooit zag ik een aardiger, opgeruimder troepje;
en dan te denken, dat dit midden in het land van kannibalisme, moord
en alle gruwelijke misdaden was! De hartelijkheid en het geluk, die
zoo duidelijk op de gezichten van het kleine volkje te lezen stonden,
schenen ook door de oudere personen der zending gevoeld te worden.
[24 December.]
Des morgens werden aan de geheele familie gebeden voorgelezen in de
landstaal, en na het ontbijt deed ik eene rondwandeling door de tuinen
en de boerderij. Het was een marktdag, als wanneer de inboorlingen der
omliggende gehuchten hunne aardappelen, maïs of varkens komen inruilen
tegen dekens, tabak en somtijds zeep, als de zendelingen hen daartoe
kunnen overreden. De oudste zoon van Davies, die eene eigen boerderij
bezit, is de zakenman op de markt. De kinderen der zendelingen, die
jong op het eiland kwamen, verstaan de taal beter dan hunne ouders,
en kunnen gemakkelijker iets van de inlanders gedaan krijgen.
Kort vóór den middag wandelden de heeren Williams en Davies met
mij naar een gedeelte van het naburige woud, om mij den vermaarden
Kauri-pijnboom te laten zien. Ik mat een dier prachtige boomen en vond,
dat hij een omtrek had van 31 voet boven de wortels. Dichtbij was een
andere, dien ik niet zag, van 33 voet; en men vertelde mij van een,
die niet minder dan 40 voet in omtrek was. Deze boomen zijn vermaard
om hunne gladde cylindervormige stammen, die eene hoogte bereiken
van zestig, en zelfs negentig voet met bijna dezelfde middellijn
en zonder een enkelen tak. De kroon van takken aan hun top staat in
geen enkele verhouding tot den stam, en ook de bladeren zijn klein in
vergelijking met de takken. Het woud bestaat hier bijna geheel uit
kauri's, waarvan de hoogste boomen met hunne evenwijdige zijden als
reusachtige houten zuilen voor den toeschouwer oprijzen. Het hout van
den kauri is het kostbaarste voortbrengsel van het eiland; ook zijpelt
er eene hoeveelheid hars uit den stam, die, voordat het gebruik er
van bekend was, tegen eene penny het pond verkocht werd. [340] Enkele
wouden op Nieuw-Zeeland moeten bijna geheel ondoordringbaar zijn. De
heer Matthews vertelde mij, dat een woud van slechts 34 mijlen in
doorsnede, hetwelk twee bewoonde districten scheidde, eerst onlangs
voor de eerste maal was doorgetrokken. Hij en een andere zendeling,
ieder met een troep van omstreeks 50 man, poogden een weg te banen;
maar dit kostte hun meer dan 14 dagen werk! In de bosschen zag ik zeer
weinig vogels. Wat dieren betreft, is het een hoogst merkwaardig feit,
dat zulk een groot eiland--meer dan 700 mijlen lang en op vele plaatsen
90 mijlen breed [341]--met afwisselende gronden, een fraai klimaat,
en land van allerlei hoogten tot 14000 voet, geen enkel inheemsch
dier bezit, met uitzondering van eene kleine rat. De verschillende
soorten van het reusachtige vogelgeslacht Dinornis schijnen hier
de viervoetige zoogdieren te hebben vervangen, evenals nog heden de
kruipende dieren op de Galápagos-Eilanden. Men zegt, dat de gewone
Noorweegsche rat de Nieuw-Zeelandsche soort in den korten tijd van
twee jaren op het noordelijk einde van het eiland heeft uitgeroeid. Op
vele plaatsen bemerkte ik verscheidene soorten onkruid, die ik evenals
de ratten als mijn landgenooten moest erkennen; en aan een Fransch
schip komt de eer toe eene prei te hebben ingevoerd, die zich over
geheele districten heeft verspreid, en ongetwijfeld zeer lastig zal
blijken. Ook de gewone zuring (Rumex acetosa) is hier wijd en zijd
verspreid en zal, naar ik vrees, altijd ten bewijze strekken van de
schelmerij door een Engelschman gepleegd, die de zaden er van verkocht
voor die van de tabaksplant.
Van onze aangename wandeling in het huis teruggekeerd, at ik bij
den heer Williams, die mij vervolgens een paard leende om naar de
Eilanden-Baai terug te keeren. Met dankbaarheid voor de hartelijke
ontvangst en met gevoelens van eerbied voor hunne beschaafde,
nuttige en rechtschapen persoonlijkheden, nam ik van de zendelingen
afscheid. Ik geloof, dat men moeilijk een corps mannen zou vinden, die
beter dan zij voor de hooge roeping geschikt zijn, welke zij nastreven.
[Kerstdag.]
Nog enkele dagen, en het vierde jaar van onze afwezigheid uit Engeland
zal verstreken zijn. Onzen Eersten Kerstdag brachten wij door in
Plymouth; den tweeden in de St.-Maartens-Kreek bij Kaap Hoorn; den
derden te Port Desiré in Patagonië; den vierden voor anker in eene
afgelegen haven van het schiereiland Tres Montes; den vijfden hier;
en zoo de Voorzienigheid wil, zal de volgende in Engeland zijn. Wij
woonden eene godsdienstoefening bij in de kapel van Pahia, waar de
dienst gedeeltelijk in het Engelsch en gedeeltelijk in de landstaal
gehouden werd. Zoolang wij op Nieuw-Zeeland waren, hoorden wij van
geen nieuwe daden van kannibalisme. Wel vond Stoke op een eilandje bij
de ankerplaats verbrande menschenbeenderen om een vuurhaard verspreid
liggen; maar mogelijk lagen deze overblijfselen van een smakelijken
maaltijd er reeds verscheidene jaren. Het is waarschijnlijk, dat de
zedelijke geaardheid van het volk snel verbeteren zal. Bushby vertelde
eene aardige anecdote als staaltje van oprechtheid van althans enkele
personen, die het christendom belijden. Een zijner jongelieden, die
gewoon was aan de andere bedienden gebeden voor te lezen, verliet
hem. Toen hij eenige weken daarna des avonds laat langs een bijgebouw
ging, zag en hoorde hij een van zijne lieden den anderen, bij het
licht van het haardvuur, met moeite uit den bijbel voorlezen. Daarna
knielden zij en baden: en in hun gebed noemden zij de namen van Bushby,
zijn gezin en van de zendelingen, elk in zijn eigen district.
[26 December.]