der bananen en volgde den oever verder opwaarts. Mijne wandeling
was echter spoedig ten einde, doordien ik aan een waterval kwam
van 2-300 voet hoogte; en boven dezen was er nog een. Ik noem al
die watervallen in dezen enkelen bergstroom, om in 't algemeen een
denkbeeld te geven van de helling van het land. Het scheen of er op
dit afgelegen plekje waar het water viel, zich nooit een zuchtje van
den wind had doen gevoelen. De dunne randen der groote banaanbladeren,
vochtig van den dauw, waren ongeschonden in plaats van in duizend
reepjes te zijn gespleten, zooals anders meest het geval is. Van onze
verheven standplaats, bijna zwevend tegen de helling van den berg,
hadden wij vluchtige kijkjes op de naburige vallei in de diepte,
en hoog daarboven verrezen de kruinen der centrale bergen, die tot
op 60° van het zenith reikten en den westelijken hemel half in het
duister hulden.
Voordat wij ons te slapen legden, viel de oudste Otaheiter op de
knieën, en zeide met gesloten oogen een lang gebed op in zijne
moedertaal. Hij bad zooals een goed christen doen zou, met gepasten
eerbied en onbevreesd dat hij zich door teekenen van vroomheid
belachelijk zou maken. Gedurende den maaltijd zou geen der mannen
voedsel aanraken, zonder vooraf een kort gebed op te zeggen. Reizigers,
die denken dat een Tahitiër alléén bidt wanneer de oogen van den
zendeling op hem gericht zijn, hadden dien nacht maar eens met ons
op den berg moeten slapen. Voordat de morgen aanbrak, viel er eene
hevige regenbui; maar het goede dak van banaanbladeren hield ons droog.
[19 November.]
Toen de dag aanbrak deden mijne vrienden hun morgengebed en maakten,
op dezelfde wijze als den vorigen avond, een uitstekend ontbijt
voor ons gereed. Zij zelven aten er ruimschoots van; en inderdaad
moet ik bekennen, dat ik nog nooit een mensch zooveel heb zien
eten. Vermoedelijk zijn hunne bijzonder ruime magen een gevolg hiervan,
dat een groot deel van hunne spijs uit vruchten en groenten bestaat,
die in een gegeven volume een betrekkelijk klein quantum voedsel
bevatten. Naar ik later vernam, was ik onbewust de oorzaak, dat
mijne gidsen eene van hunne eigen wetten en besluiten overtraden. Ik
had nl. eene flesch met spiritualiën bij mij, waarvan zij niet
weigeren konden iets te gebruiken; maar telkens als zij een teugje
dronken, legden zij hunne vingers op den mond en prevelden het woord:
"Zendeling." Ofschoon het gebruik van den kawastruik belet was, werd
vóór omstreeks twee jaren door den invoer van spiritualiën dronkenschap
zeer algemeen. De zendelingen bewogen toen enkele goedgezinde mannen,
die zagen dat hun land snel in zijn verderf liep, om te zamen een
"Matigheidsgenootschap" op te richten. Hetzij uit overtuiging of uit
schaamte, lieten alle hoofden en de koningin zelve zich eindelijk tot
aansluiting bij dat genootschap bewegen. Onmiddellijk werd eene wet
uitgevaardigd, dat geen spiritualiën op het eiland mochten worden
ingevoerd, en dat de kooper en verkooper van het verboden artikel
met boete zou worden gestraft. Eene merkwaardig rechtvaardige daad
was, dat men een zekeren tijd toestond om den aanwezigen voorraad
te verkoopen, voordat de wet in werking trad. Maar toen dit plaats
had, werd er een algemeen onderzoek ingesteld, waarbij zelfs de
huizen der zendelingen niet verschoond bleven, en werd al de "ava"
(zooals de inboorlingen alle brandende geestrijke dranken noemen)
op den grond gestort. Denkt men aan de gevolgen der onmatigheid op
de inboorlingen zoowel van Noord- als Zuid-Amerika, dan zal men,
denk ik, toegeven dat ieder die het wèl meent met Tahiti, geen gewone
mate van dankbaarheid aan de zendelingen verschuldigd is. Zoolang het
kleine eiland St.-Helena onder het bestuur der Oost-Indische Compagnie
stond, mochten spiritualiën om het groote nadeel, dat zij veroorzaakt
hadden, niet worden ingevoerd; maar uit de Kaap de Goede Hoop werd
wijn geleverd. Het is een treffend en niet zeer streelend feit,
dat in hetzelfde jaar toen spiritualiën verkocht mochten worden op
St.-Helena, het gebruik daarvan op Tahiti bij volkswil werd afgeschaft.
Na het ontbijt vervolgden wij onzen tocht. Daar mijn doel alléén was
iets van het middenlandschap te zien, keerden wij langs een ander pad,
dat naar de hoofdvallei beneden voerde, terug. Een eind weegs volgden
wij een hoogst ingewikkeld pad, dat spiraalvormig om de helling van den
berg liep, aan welks voet de vallei lag, en trokken in de minder steile
gedeelten door uitgestrekte boschjes wilde banaanboomen. Met hunne
naakte, getatoueerde lichamen en hunne met bloemen versierde hoofden,
zouden onze gidsen onder het duistere lommer dezer boschjes een fraai
type hebben gevormd van menschen, die een oerwoud bewonen. Bij onze
daling volgden wij eene reeks van uiterst smalle bergkammen, die over
groote afstanden zoo steil waren als een ladder, maar alle met planten
begroeid. Wat den tocht zoo vermoeiend maakte, was de buitengewone
zorg, waarmeê hier elke voetstap moest worden gewogen. Telkens als
ik van deze hooge, mesvormige bergkammen de oogen over het land liet
gaan, verwonderde ik mij over deze afgronden en ravijnen, en was
de indruk van dit smalle steunpunt uit bijna dezelfde, als hij voor
iemand in een luchtballon moet zijn. Bij deze daling behoefden wij
slechts eens de touwen te gebruiken, en wel op het punt, waar wij in
de hoofdvallei kwamen. Hier sliepen wij onder denzelfden rotswand, waar
wij den vorigen dag gegeten hadden; maar ofschoon de nacht helder was,
heerschte in de diepe, nauwe bergkloof eene ondoordringbare duisternis.
Voordat ik dit land zag, kon ik moeilijk twee feiten begrijpen,
waarvan Ellis melding maakt, nl., dat de overwonnen Otaheiters,
die na de moordende veldslagen in vroeger tijden in het leven
waren gebleven, met een handvol mannen eene geheele menigte konden
weerstaan. Inderdaad, ik erken, dat op de plek waar onze Otaheiter
den dooden boomstam tegen den rotswand zette, zes man met gemak eenige
duizenden konden afslaan. Ten tweede: dat er na de invoering van het
christendom wilde Otaheiters in de bergen leefden, wier schuilhoeken
aan de meer beschaafde bewoners onbekend waren.
[20 November.]
Vroeg in den morgen gingen wij op weg en bereikten des middags Matavai,
nadat wij onderweg een grooten troep knappe, sterk gebouwde mannen
waren tegengekomen, die wilde bananen gingen zoeken. Ik bevond, dat
het schip wegens de moeite om water in te nemen zich naar de haven
van Papawa had begeven, en wandelde nu terstond daarheen. Deze haven
is eene zeer aardige plek; de kreek is omringd door klippen, en het
water is er zoo effen als in een meer, terwijl de bebouwde grond met
zijne schoone voortbrengselen, waartusschen hier en daar eene hut ligt,
tot dicht bij den waterkant reikt.
Op grond van de verschillende verhalen, die ik vóór mijn bezoek aan
deze eilanden gelezen had, was ik zeer verlangend mij door eigen
waarneming een oordeel te vormen over de zedelijke gesteldheid
der bewoners, ofschoon, zooals vanzelf spreekt, dit oordeel zeer
oppervlakkig moest zijn. Ten allen tijde hangen de eerste indrukken
zeer veel af van onze vooraf verkregen begrippen. Mijne begrippen waren
ontleend aan de Polynesian Researches van Ellis, een bewonderenswaardig
en hoogst belangwekkend boek, maar dat natuurlijk alles uit een
gunstig oogpunt beziet; dan uit Beechey's Reis, en eindelijk uit het
werk van Kotzebue, dat sterk tegen het geheele zendelingenstelsel
gekant is. Hij, die deze drie verhalen vergelijkt, zal, denk ik,
een vrij nauwkeurig begrip krijgen van den tegenwoordigen toestand op
Tahiti. Een mijner indrukken, dien ik aan de twee laatste autoriteiten
ontleende, was beslist onjuist, nl. dat de Otaheiters een neerslachtig
ras waren geworden, dat bevreesd was voor de zendelingen. Van het
laatste zag ik geen spoor, tenzij dat vrees en eerbied onder denzelfden
naam mogen doorgaan. In plaats dat misnoegdheid hun gewone stemming
is, geloof ik, dat men in Europa moeilijk half zooveel opgeruimde
en tevreden gezichten bijeen zou kunnen brengen. Heftig vaart men
uit tegen het verbod van fluit en dans, als dwaas en verkeerd; en de
meer dan presbyteriaansche manier van rustdagvieren beschouwt men in
een dergelijk licht. Ik wil echter den schijn niet aannemen over deze
punten eene meening te voeren, in strijd met personen, die evenveel
jaren, als ik dagen, op het eiland gewoond hebben.
Over het geheel schijnen mij de zedelijkheid en godsdienst der bewoners
hoogst lofwaardig toe. Velen zijn er, die nog scherper dan Kotzebue
zoowel de zendelingen en hun stelsel aanvallen, als de gevolgen
daardoor teweeg gebracht. Zij, die zoo spreken, vergelijken nooit
den tegenwoordigen toestand van het eiland met dien van slechts 20
jaren vroeger, noch met dien van het hedendaagsche Europa, maar meten
hem af naar den hoogen maatstaf van evangelische volmaaktheid. Zij
verwachten, dat de zendelingen zullen uitvoeren wat de Apostelen
zelven niet vermochten. Voor zoover de zedelijkheid van een volk
bij dezen hoogen maatstaf te kort komt, werpt men een blaam op den
zendeling, in plaats van hem te prijzen voor hetgeen hij heeft tot
stand gebracht. Men vergeet, of wil niet bedenken, dat menschenoffers
en de macht eener afgodspriesterschap; een stelsel van verdorvenheid,
dat nergens ter wereld zijne wederga vond; ook kindermoord als een
gevolg van dit stelsel, en bloedige oorlogen waarin de overwinnaars
vrouwen noch kinderen spaarden--dat al deze gruwelen hebben opgehouden
te bestaan, en dat oneerlijkheid, onmatigheid en losbandigheid door
de invoering van het christendom aanmerkelijk zijn verminderd. Dat
een reiziger deze dingen vergeet, getuigt van grove ondankbaarheid,
want mocht hij ooit gevaar loopen op eene onbekende kust schipbreuk
te lijden, dan zal hij met de meeste vroomheid bidden, dat het woord
van den zendeling ook daarheen worde overgebracht.
Op het punt van zedelijkheid maakt vrouwendeugd, zooals dikwijls gezegd
is, de meeste uitzonderingen. Maar voordat men haar te streng berispt,
zal het goed zijn zich de tooneelen duidelijk voor den geest te roepen,
door Kapitein Cook en Banks beschreven, waarin de grootmoeders en
moeders van het tegenwoordige ras eene rol speelden. Zij, die het
strengst zijn, dienden in 't oog te houden, hoezeer de zedelijkheid
der vrouwen in Europa afhangt van het stelsel, dat moeders vroegtijdig
tegenover hare dochters in acht nemen, en hoeveel daarvan in elk
bijzonder geval aan de voorschriften van den godsdienst te danken
is. Maar het is nutteloos met zulke praters te redetwisten! Ik geloof
dat zij, teleurgesteld door de ontdekking dat de losbandigheid niet
meer zoo ruim baan heeft als vroeger, geen achting willen hebben
voor eene zedelijkheid, die zij niet in praktijk wenschen te brengen,
noch voor een godsdienst, dien zij onderschatten, zoo niet verachten.
[Zondag, 22 November.]
De haven van Papéite (of Papeete), waar de koningin verblijf houdt,
kan als de hoofdstad van Tahiti beschouwd worden; ook is zij de
zetel der regeering en het brandpunt van scheepvaart. Kapitein
Fitz-Roy, vergezeld van eenige personen, ging hier dezen dag eene
godsdienstoefening bijwonen, eerst in de Tahitische taal, en vervolgens
in het Engelsch. Pritchard, het hoofd der zendelingen, nam den dienst
waar. De kapel bestond uit eene groote, luchtige, houten loods,
die overvol was met zindelijke, nette menschen van elken leeftijd en
beide seksen. In de mate van aandacht, die de toehoorders schenen te
hebben, werd ik eenigszins teleurgesteld; maar ik geloof, dat dit
kwam door mijne te hoog gespannen verwachtingen. In allen gevalle
waren die houding en stemming naar het uiterlijk geheel dezelfden als
in eene Engelsche kerk op het platteland. Het zingen van de psalmen
was bepaald zeer aangenaam; maar de taal van den preekstoel, ofschoon
vloeiend gesproken, klonk niet mooi; en een voortdurend herhalen van
woorden, als: tata ta, mata mai, maakte haar eentonig. Na afloop van
den Engelschen dienst, keerde een deel van ons gezelschap te voet
naar Matavai terug. Het was eene aangename wandeling, nu eens langs
het zeestrand, dan weer onder het lommer der talrijke fraaie boomen.
Omstreeks twee jaren geleden was een klein schip onder Engelsche vlag
door eenige bewoners der Lage Eilanden geplunderd, die toen onder
de heerschappij der koningin van Tahiti stonden. Algemeen geloofde
men, dat de bedrijvers tot deze daad waren aangespoord door eenige
onbezonnen wetten, welke hare majesteit had uitgevaardigd. De eisch tot
schadeloosstelling van den kant der Britsche regeering werd ingewilligd
en eene som van bijna 3000 dollar werd aangeboden, te betalen op
1 September 1835. De Commodore te Lima gelastte kapitein Fitz-Roy
onderzoek naar deze schuld te doen, en bij niet-betaling voldoening te
eischen. Overeenkomstig dien last verzocht de kapitein om een onderhoud
met koningin Pomaré, die later zulk eene vermaardheid kreeg door de
slechte behandeling, welke zij van de Franschen ondervond. Wat toen
plaats had, zal ik, sedert kapitein Fitz-Roy zijn belangrijk rapport
uitbracht, niet pogen te beschrijven. Het geld scheen niet betaald te
zijn, misschien omdat de aangevoerde redenen wat dubbelzinnig waren;
maar overigens kan ik niet genoeg onze algemeene verbazing uitdrukken
over den fijnen tact, de gezonde taal, de gematigdheid, openhartigheid
en snelle beslissing, die allerwege aan den dag werden gelegd. Ik
geloof, dat wij allen de bijeenkomst verlieten met een geheel anderen
dunk omtrent de Tahitiërs, dan wij bij onze binnenkomst hadden. De
hoofden en het volk besloten in te schrijven en zoo het tekort aan te
vullen. Toen kapitein Fitz-Roy opmerkte, dat het hard voor hen was
wegens de misdaden van andere eilanders hun persoonlijk eigendom op
te offeren, antwoordden zij, dat zij hem dankbaar waren voor zijne
opmerking, maar dat Pomaré hunne koningin was, en zij besloten hadden
haar in deze moeilijke aangelegenheid te helpen. Dit besluit en de
snelle uitvoering er van--want den volgenden morgen vroeg werd er
eene inschrijving geopend--voltooiden op volmaakte wijze dit zeer
merkwaardig geval van loyauteit en fijnen tact.
Nadat de voornaamste bespreking was afgeloopen, maakten verscheidene
hoofden van de gelegenheid gebruik om kapitein Fitz-Roy een aantal
schrandere vragen te doen over internationale gebruiken en wetten, die
betrekking hadden op het behandelen van schepen en vreemdelingen. Voor
sommige punten werd de wet, na genomen besluit, op staanden voet
mondeling uitgevaardigd. Dit Tahitische parlement duurde verscheidene
uren, en toen het geëindigd was, noodigde kapitein Fitz-Roy koningin
Pomaré tot een bezoek aan de Beagle.
[25 November.]
Des avonds werden vier booten afgezonden, om hare majesteit in te
halen. Het schip was in vlaggetooi, en bij hare komst aan boord zat de
bemanning in de raas. Zij werd door de meeste hoofden vergezeld. Allen
gedroegen zich zeer netjes, vroegen om niets, en schenen met de
geschenken van kapitein Fitz-Roy zeer verblijd. De koningin is eene
groote, plompe vrouw, zonder eenige schoonheid, bevalligheid of
waardigheid. Zij heeft slechts één koninklijke eigenschap, nl., dat
de uitdrukking van haar gezicht, die eenigszins knorrig of gemelijk
is, onder alle omstandigheden volmaakt strak blijft. Onze vuurpijlen
werden het meest bewonderd; en na elke ontploffing kon men van het
donkere strand rondom de baai een geluid "o! o!" hooren. Maar ook het
gezang der matrozen werd zeer bewonderd, en een van de onstuimigste
liederen trok zoozeer de aandacht der koningin, dat zij opmerkte dat
dit stellig geen psalm kon zijn! Het koninklijk gezelschap keerde
eerst na middernacht naar het strand terug.
[26 November.]
Des avonds zetten wij, begunstigd door een zachte strandbries,
koers naar Nieuw-Zeeland; en toen de zon onderging, wierpen wij
een afscheidsblik op de bergen van Tahiti, het eiland, waaraan elk
reiziger zijn cijns van bewondering heeft betaald.
[19 December.]
Na eene reis van 23 dagen zagen wij des avonds Nieuw-Zeeland in de
verte liggen. Wij kunnen nu zeggen, dat wij den Stillen Oceaan bijna
zijn overgetrokken. Om de onmetelijke uitgestrektheid van deze zee te
begrijpen, moet men haar overzeilen. Op onze snelle vaart van eenige
weken achtereen zagen wij niets dan lucht, en den blauwen, diepen,
diepen oceaan! Zelfs binnen de archipels zijn de eilanden niets dan
stippen, die op grooten afstand van elkander liggen. Gewoon, als wij
zijn, aan kaarten op kleine schaal geteekend en waarop eilandenstippen,
schaduwen en namen zich verdringen, kunnen wij geen juist begrip
krijgen van de uiterst kleine verhouding, waarin het droge land staat
tot dit uitgestrekte watervlak. De meridiaan der tegenvoeters was
óók gepasseerd, zoodat wij van nu af de gelukkige gedachte omdroegen,
dat elke zeemijl verder er weer eene dichter bij Engeland was. Deze
tegenvoeters wekken oude herinneringen van kinderlijken twijfel en
verwondering bij ons op. Nog daags te voren keek ik verlangend naar
dien hemelcirkel uit, als het zekere baken van onze reis naar huis;
maar nu ik hem gevonden heb, beschouw ik al zulke rustpunten voor
's menschen verbeelding als schaduwen, die de reizende mensch toch
niet kan grijpen! Onlangs heeft een storm, die eenige dagen duurde,
ons ruimschoots stof tot nadenken gegeven over hetgeen ons op de lange
reis naar huis misschien te wachten staat, en zoo ernstig mogelijk
naar het einde er van doen verlangen.
[21 December.]
Vroeg in den morgen zeilden wij de Eilanden-Baai binnen, bleven eenige
uren bij de monding totdat wij windstil lagen, en bereikten niet vóór
den middag de ankerplaats. Het land is heuvelachtig, maar heeft eene
vlakke omgrenzing, en wordt bespoeld door talrijke zeearmen, die van
de baai uit diep in het land dringen. Van verre schijnt de oppervlakte
uit grof weiland te bestaan, maar in werkelijkheid is dit niet anders
dan varen. Op de meer verwijderde bergen, evenals in enkele gedeelten
der valleien, is eene groote oppervlakte boschland. De algemeene tint
van het landschap is niet bepaald heldergroen en gelijkt op die van
het land niet ver ten zuiden van Concepcion in Chili. Op vele punten
der baai liggen kleine dorpen met aardig uitziende vierkante huizen,
die zich tot dicht bij den waterkant uitstrekken. Drie walvischschepen
lagen voor anker, en nu en dan voer eene kano van de eene kust naar
de andere. Op deze uitzonderingen na, heerschte in den geheelen
omtrek eene buitengewone kalmte. Slechts een enkele kano voer ons op
zijde. Die stilte en de aanblik van het geheele landschap vormden eene
merkwaardige en niet zeer aangename tegenstelling met onze blijde en
luidruchtige verwelkoming op Tahiti.
Des namiddags gingen wij aan land en begaven ons naar eene der grootere
huizengroepen, die nauwelijks den naam van dorp verdiende. Zij
heet Pahia, is de verblijfplaats der zendelingen en bevat geen
andere inlandsche bewoners dan dienstpersoneel en arbeiders. In de
nabijheid der Eilanden-Baai bedroeg het getal Engelschen met inbegrip
van hunne gezinnen tusschen de 2 en 300. Alle landhuisjes, waarvan
vele witgepleisterd zijn en er zeer netjes uitzien, behooren aan de
Engelschen. De hutten der inboorlingen zijn zoo klein en armzalig,
dat men ze van verre nauwelijks kan onderscheiden. Te Pahia bood
het gezicht van de Engelsche bloemen in de tuinen vóór de huizen een
zeer aangenaam schouwspel: er waren rozen in verschillende soorten,
kamperfoelie, [331] jasmijnen, [332] en stammen, ja geheele hagen
met eglantieren. [333]
[22 December.]
Des morgens ging ik uit wandelen, maar ontdekte spoedig, dat het land
zeer ontoegankelijk was. Alle heuvels zijn dicht begroeid met hooge
varens, benevens een lagen struik in den vorm van een cipres, en nog
zeer weinig grond is ontboscht of bebouwd. Ik beproefde het toen aan
het strand; maar hetzij ik rechts of links ging, overal werd mijne
wandeling spoedig door zoutwater-kreken en diepe beken gestuit. De
gemeenschap tusschen de bewoners van de verschillende deelen der baai
wordt (evenals op Chiloë) bijna geheel door booten onderhouden. Tot
mijne verwondering ontdekte ik, dat bijna elke heuvel, dien ik beklom,
in vroeger tijd meer of minder versterkt was geweest. In de toppen
waren trappen of achtereenvolgende terrassen gehouwen, en dikwijls
bleken zij door diepe loopgraven beschermd te zijn. Later ontdekte ik,
dat de voornaamste heuvels landwaarts in eveneens eene kunstmatige
omgrenzing vertoonden. Deze voormalige sterkten, door kapitein Cook
zoo dikwijls onder den naam van hippah's vermeld, noemt men Pah's,
waarbij het verschil in uitspraak alleen aan het voorvoegsel is toe
te schrijven.
Dat de Pah's vroeger veel gebruikt werden, bleek uit de stapels
weekdierschalen en de kuilen waarin men aardappels placht te bewaren,
zooals mij verteld werd. Daar op deze heuvels geen water was, konden
de verdedigers nooit een lang beleg doorstaan, maar alleen overhaaste
uitvallen doen om te plunderen, waartoe dan de achtereenvolgende
terrassen eene goede bescherming zullen geboden hebben. De algemeene
invoer van vuurwapenen heeft het geheele stelsel van oorlogvoeren
veranderd, en eene open ligging op den top van een heuvel is nu niet
alleen nutteloos, maar wat erger is, gevaarlijk. Bijgevolg worden
de Pah's tegenwoordig altijd op een vlak stuk gronds gebouwd. Zij
bestaan uit eene dubbele palissadeering van dikke, lange palen, in
eene zigzag-lijn opgesteld, zoodat elk deel van het terrein bestreken
kan worden. Binnen de palissadeering ligt een hoop opgeworpen aarde,
waarachter de verdedigers veilig kunnen uitrusten of hunne vuurwapenen
aanleggen. Soms loopen er lage, overwelfde gangen over den vlakken
grond naar de borstwering, waardoor de bezetting naar de palissadeering
kan kruipen, om den vijand te verkennen. Rev. W. Williams, die mij dit
verhaalde, voegde er bij, dat hij in een Pah stut- of steunwanden had
gevonden, die naar de binnen- of beschutte zijde van den aardheuvel
uitstaken. Op zijne vraag aan het opperhoofd naar het nut hiervan,
antwoordde deze, dat als eenige zijner manschappen vielen, hunne
makkers niet de lijken mochten zien, waardoor zij den moed zouden
verliezen. Deze Pah's worden door de Nieuw-Zeelanders als zeer
volmaakte verdedigingsmiddelen beschouwd, want de aanvallers zijn
nooit zoo goed georganiseerd, dat zij in gesloten gelederen naar
de palissadeering stormen, deze omhakken en een bres maken. Als een
stam ten oorlog gaat, kan het hoofd nooit den eenen troep hier en dan
anderen daar commandeeren, want ieder man vecht op de manier die hem
het beste bevalt; en om één voor één eene palissadeering te naderen,
die met vuurwapenen verdedigd wordt, schijnt den aanvallers terecht een
wisse dood toe. Ik denk niet, dat ergens ter wereld een krijgshaftiger
volk te vinden zal zijn, dan de Nieuw-Zeelanders. Hunne houding toen
zij voor het eerst een schip zagen (volgens het verhaal van kapitein
Cook) bewijst dit duidelijk; [334] en de handeling om hagelbuien van
steenen naar zulk een groot en vreemd gevaarte te werpen, alsmede
hunne uitdaging tot het scheepsvolk: "Komt aan land en wij zullen
u allen dooden en opeten," getuigen van ongewone driestheid. Deze
oorlogzuchtige geest blijkt ook uit vele hunner gewoonten en zelfs
uit de minste handelingen. Als een Nieuw-Zeelander geslagen wordt,
al is het ook uit gekheid, moet die slag worden teruggegeven; en
daarvan zag ik een voorbeeld tegenover een onzer officieren.