vogels op Bourbon met uitzondering van de flamingo's en de ganzen,
in 1571/72 zoo buitengewoon tam waren, dat men hen met de hand
kon vangen, of met een stok naar welgevallen dooden. Verder zegt
Carmichael, [328] dat de eenige twee landvogels op Tristan da Cunha
in den Atlantischen Oceaan (ten Westen van de Kaap de Goede Hoop),
nl. een lijster en een vlasvink, zoo tam waren, dat zij zich met
een handnet lieten vangen. Uit deze verschillende feiten meen ik te
mogen afleiden: ten eerste, dat de wildheid van vogels ten opzichte
van den mensch een bijzonder instinct is, dat tegen hem gericht, en
niet afhankelijk is van een algemeenen graad van voorzichtigheid uit
vrees voor andere bronnen van gevaar; ten tweede, dat die wildheid
door vogels op zichzelven, ook dan als men hen fel vervolgt,
niet spoedig wordt verkregen, doch na eene reeks van opvolgende
geslachten erfelijk wordt. Bij tamme dieren zijn wij gewoon te zien,
dat nieuwe geestelijke eigenschappen of instincten erfelijk worden
verkregen of gemaakt; bij dieren in den natuurstaat zal het echter
steeds zeer moeilijk zijn, gevallen van erfelijk verkregen kennis te
ontdekken. Wat de wildheid aangaat van vogels tegenover den mensch,
deze laat zich niet anders verklaren dan als erfelijke gewoonte. In
Engeland is het aantal jonge vogels, die in een jaar tijds door den
mensch worden vervolgd, betrekkelijk klein: toch zijn bijna allen,
zelfs nestvogels, bang voor hem; daarentegen zijn op de Galápagos-
en de Falklands-Eilanden talrijke individuën door den mensch vervolgd
en gekweld, zonder dat de vogels eene heilzame vrees voor hem hebben
geleerd. Uit deze feiten mogen wij afleiden, welke verwoesting het
invoeren van een nieuw roofdier in een land moet teweegbrengen,
voordat de instincten der inheemsche bewoners zich aan de list of de
kracht van den vreemdeling hebben aangepast.
HOOFDSTUK XVIII.
TAHITI (OF TAÏTI) EN NIEUW-ZEELAND.
[20 October 1835.]
Toen de opmeting van de Galápagos-Eilanden was afgeloopen, zetten
wij koers naar Tahiti en begonnen onzen langen tocht van 3200
mijlen. Binnen enkele dagen zeilden wij uit het donkere en bewolkte
zeegebied, dat zich des winters tot ver van de Zuidamerikaansche
kust uitstrekt, en hadden toen bij heldere en onbewolkte lucht eene
aangename reis, met eene snelheid van 150 tot 160 mijlen daags voor
een stijven passaatwind. In dit meer centrale gedeelte van den Stillen
Oceaan is de temperatuur hooger dan bij de Amerikaansche kust. Nacht
en dag wisselde de thermometer in de achterkajuit tusschen 80° en 83°,
hetgeen een zeer aangenaam gevoel verwekt; maar één of twee graden
hooger wordt de temperatuur drukkend. Wij voeren door den Lagen of
Gevaarlijken Archipel, [329] en zagen verscheidene van die hoogst
eigenaardige ringvormige koraalbanken, welke even boven den rand
van het water uitsteken en Lagunen-eilanden genoemd zijn. Het lange,
schitterend witte strand is met een groenen plantenzoom bedekt, die,
waarheen men ook ziet, in de verte snel versmalt en onder den horizon
verdwijnt. Van den top van den mast kan men een uitgestrekte, stille
watervlakte binnen den ring zien. Deze lange, holle koraaleilanden
staan in geen verhouding tot den uitgestrekten oceaan, waaruit zij zich
steil verheffen; en het schijnt verwonderlijk, dat zulke zwakke banken
door de machtige en rusteloos beukende golven van dien grooten en ten
onrechte "De Stille" genoemden Oceaan niet reeds lang zijn weggespoeld.
[15 November.]
Bij het aanbreken van den dag kwam Tahiti in zicht. Dit eiland moet bij
elken reiziger in de Stille Zuidzee blijvende klassieke herinneringen
achterlaten. Van verre was de aanblik niet aantrekkelijk. De welige
plantengroei van het lagere gedeelte was nog niet zichtbaar; en
toen de wolken wegdreven, vertoonden zich de ruwste en steilste
bergtoppen tot bij het midden van het eiland. Zoodra wij in de baai
Matavai ankerden, werden wij door kano's omringd. Het was dien dag
voor ons Zondag, maar voor Tahiti Maandag; in het omgekeerde geval
zouden wij geen enkel bezoek hebben gekregen, daar het bevel om op
rustdag geen enkele kano te water te laten streng wordt opgevolgd. Na
het middageten gingen wij aan wal om al het genot te smaken, dat de
eerste indrukken van een nieuw land bij den mensch verwekken--vooral
nu dit land het bekoorlijke Tahiti was. Een drom van mannen, vrouwen
en kinderen stond op het gedenkwaardige Point Venus geschaard, om
ons met lachende, vroolijke gezichten te ontvangen, en vergezelde ons
naar het huis van Mr. Wilson, den zendeling van het district, die ons
onderweg te gemoet kwam en op zeer vriendelijke wijze ontving. Nadat
wij eene korte poos in zijn huis gezeten hadden, scheidden wij om
eene rondwandeling te doen, maar keerden des avonds er heen terug.
Het land, dat voor cultuur geschikt is, vormt bijna overal niet
veel meer dan eene strook lage alluviale grond, die zich om den
voet der bergen ophoopt en door eene koraalbank, welke de geheele
kustlijn omringd, tegen het geweld der zee beschermd is. Binnen het
rif bevindt zich eene uitgestrekte, stille watervlakte evenals een
meer, waar de kano's der inboorlingen veilig kunnen laveeren en waar
de schepen ankeren. Het laagland, dat tot den oever van koraalzand
reikt, is met de schoonste producten uit de tusschenkeerkringsstreken
bedekt. Te midden van banaan-, oranje-, brood- en kokosboomen zijn
open plekken, waar yam- of broodwortels (Dioscorea), suikerriet en
pijnappels worden gekweekt. Zelfs het kreupelhout is een ingevoerde
vruchtboom, nl. de guajavaboom, die om zijn overvloed even schadelijk
is geworden als onkruid. In Brazilië heb ik dikwijls de afwisseling
in schoonheid bewonderd, welke de banaan-, palm- en oranjeboomen
in hunne tegenstellingen te zien geven; en dan hebben wij hier nog
den broodboom, kenbaar aan zijn groot, glanzig en diep gevingerd
blad. Bewonderenswaardig is de aanblik van geheele boschjes, uit
een boom bestaande, die forsch als een Engelsche eik zijne takken
uitstrekt, beladen met groote en uiterst voedzame vruchten. Hoe zelden
ook het genoegen, waarmee wij een voorwerp zien, kan worden afgemeten
naar het nut dat het biedt, toch laat zich in 't geval van deze schoone
bosschen het gevoel van bewondering ongetwijfeld voor een groot deel
verklaren uit het besef van hunne groote vruchtbaarheid. Eene reeks
van kleine slingerpaden leidden in de koele schaduw der omgeving
naar de hier en daar verspreide huizen, waar de bewoners ons overal
opgeruimd en met de meeste gastvrijheid ontvingen.
Niets beviel mij zoozeer als de aard der bewoners. Er ligt een zekere
zachtheid in de uitdrukking van hun gezicht, dat elke gedachte
aan vermeende wildheid terstond verdrijft, terwijl eene zekere
schranderheid toont, dat zij in beschaving vooruitgaan. Lieden
uit de volksklasse zijn onder het werk op het bovenlijf geheel
naakt; en het is bij zulke gelegenheden, dat men de Tahitiërs
op hun voordeeligst ziet. Zij zijn zeer groot, breedgeschouderd,
sterk en goed geëvenredigd. Men heeft opgemerkt, dat een Europeaan
spoedig zoozeer aan eene donkere huid gewent, dat hij die aangenamer
en natuurlijker vindt dan zijne eigene kleur. Een blanke, die zich
naast een Tahitiër baadde, was evenals eene plant welke een tuinman
kunstmatig heeft gebleekt, vergeleken met eene fraaie donkergroene, die
krachtig in het open veld bloeit. De meeste mannen zijn getatoueerd,
en de versieringen volgen de bochten van het lichaam zoo regelmatig,
dat het een hoogst bevalligen indruk maakt. Een gewoon patroon,
met afwisselende détails en eenigszins op de kroon van een palmboom
gelijkend, ontspringt uit de middellijn van den rug en kronkelt zich
sierlijk naar wederzijden. Misschien is de gelijkenis denkbeeldig, maar
ik vond, dat het lichaam van een aldus getatoueerden man op den stam
van een sierboom geleek, waarom zich eene fraaie slingerplant windt.
Vele oudere personen hadden de voeten met kleine figuren bedekt,
zoo geteekend, dat zij op eene zoogenaamde broos (tooneelschoeisel)
geleken; maar deze mode is gedeeltelijk verouderd en door andere
opgevolgd. Hier moet elk zich houden aan de heerschende mode uit
zijne jeugd, ofschoon die verre van onveranderlijk is. Bij een oud
man staat deze dus voor altijd op zijn lichaam gestempeld, en kan hij
zich nooit het air geven van een jongen modegek. De vrouwen zijn op
dezelfde manier getatoueerd als de mannen, en wel zeer algemeen aan
hare vingers. Eene ongepaste mode, nl. om het haar boven op het hoofd
in een cirkelvorm weg te scheren, zoodat er slechts een buitenste
krans overblijft, is nu bijna algemeen. De zendelingen hebben het volk
pogen over te halen deze gewoonte te veranderen; maar het is mode,
en dit woord is op Tahiti voldoende, evenals te Parijs. Zeer was ik
teleurgesteld door het persoonlijk uiterlijk der vrouwen, die in elk
opzicht ver onder de mannen staan. Een aardig gebruik is, om achter
op het hoofd of door een klein gaatje in de ooren eene scharlakenroode
bloem te dragen. Ook dragen zij een krans van gevlochten kokosbladeren
ter beschutting van de oogen. De vrouwen schijnen nog meer behoefte
te hebben aan eene verandering in mode dan de mannen.
Bijna alle inboorlingen verstaan wat Engelsch, d.w.z. zij kennen de
namen van gewone voorwerpen; en met behulp hiervan, alsmede door
teekens, kon een gebrekkig soort van gesprek worden gevoerd. Toen
wij des avonds naar de boot terugkeerden, hield een aardig tooneel,
waarvan wij getuige waren, ons staande. Een aantal kinderen speelden op
het strand en hadden vreugdevuren ontstoken, die de stille zee en de
boomen in het rond verlichtten, terwijl andere, in kringen geschaard,
Tahitische liederen zongen. Wij naderden het troepje en gingen in het
zand zitten. De liedjes waren geïmproviseerd en zinspeelden, geloof ik,
op onze komst; een klein meisje zong een regel, dien de anderen bij
gedeelten herhaalden, zoodat er een zeer aardig koor ontstond. Het
geheele tooneel herinnerde ons op ondubbelzinnige wijze, dat wij aan
het strand zaten van een eiland in de wijdberoemde Zuidzee.
[17 November.]
Deze dag staat in het logboek genoteerd als Dinsdag 17 November,
in plaats van Maandag den 16den, ten gevolge van onze tot dusver
voorspoedige jacht op de zon. Vóór het ontbijt werd het schip door
eene flotielje kano's omsingeld; en toen de inboorlingen verlof
kregen aan boord te komen, bedroeg hun aantal waarschijnlijk niet
minder dan 200. Ieder was van oordeel, dat het moeilijk zou geweest
zijn er evenveel van een ander volk bijeen te krijgen, die zoo weinig
last veroorzaakten. Elk bood iets te koop aan, waarbij schelpen het
hoofdartikel vormden. De Tahitiërs begrijpen nu de waarde van het geld
ten volle, en verkiezen het boven oude kleêren of andere artikelen,
doch zijn verlegen met de verschillende munten van Engelsche en
Spaansche stempels, en vertrouwen het zilver niet geheel voordat het
tegen dollars is ingewisseld. Enkele hoofden hebben groote sommen
geld bijeengebracht. Niet lang geleden bood een hunner 800 dollars
(ongeveer 160 pond sterling) voor een klein schip, en dikwijls koopen
zij walvischbooten en paarden voor den prijs van 50 tot 100 dollars.
Na het ontbijt ging ik aan wal, en beklom de naastbijzijnde steilte
tot eene hoogte van 2-3000 voet. De buitenste bergen zijn glad en
kegelvormig, maar steil; en de oude vulkanische gesteenten, waaruit
zij bestaan, worden doorsneden van vele diepe ravijnen, die uit de
ongenaakbare bergachtige gedeelten van het midden van het eiland naar
de kust loopen. Na de smalle, lage en vruchtbare, doch onbewoonde
landstreek te zijn doorgetrokken, volgde ik een effen steilen bergkam
tusschen twee diepe ravijnen. Eigenaardig was hier de plantengroei,
bijna geheel uit kleine dwergvarens bestaande, die hooger op met
grof gras vermengd was en niet heel veel verschilde van die, welke
men op sommige bergen in Wallis ontmoet. Eene dergelijke vegetatie,
zoo dicht boven den boomgaard van tropische gewassen op de kust,
was zeer verrassend. Op het hoogste punt, dat ik bereikte, verschenen
weder boomen. De laagste der drie betrekkelijk rijke plantenzonen dankt
hare vochtigheid, en dus hare vruchtbaarheid, aan hare vlakke ligging;
want daar zij zich nauwelijks boven den zeespiegel verheft, vloeit
het water uit het hoogere land langzaam af. De tusschenzone reikt
niet, zooals de bovenste, in een vochtigen en bewolkten dampkring,
en blijft daardoor onvruchtbaar. De bosschen in de bovenste zone
bestaan uit zeer fraaie boomvarens, die de kokosnoot van de kust
vervangen. Toch moet men zich niet voorstellen, dat deze bosschen
maar eenigszins de wouden van Brazilië in pracht evenaren. Men kan
trouwens niet verwachten, dat het groot aantal voortbrengselen,
waardoor een vasteland zich kenmerkt, op een eiland voorkomt.
Van het hoogste punt, dat ik bereikte, had men van verre een goed
uitzicht op het eiland Eimeo, dat onder dezelfde souvereiniteit staat
als Tahiti. Boven de hooge en spitse toppen stapelden zich witte
wolkgevaarten, die een eiland vormden aan den blauwen hemel, zooals
Eimeo zelf in den blauwen oceaan. Met uitzondering van eene kleine
doorvaart, is het eiland geheel door een koraalrif omringd. Van verre
was daarvan slechts eene smalle, doch scherp begrensde, schitterend
witte streep zichtbaar, waar de golven het eerst de koraalbank
troffen. Steil verrezen de bergen uit het kristallen watervlak der
lagune, die binnen deze smalle witte streep besloten is, terwijl
daarbuiten de deinende waters van den oceaan eene donkere kleur
bezaten. De aanblik was treffend, en kon passend bij eene omlijste
teekening vergeleken worden, waarvan de golven de lijst, de stille
lagune het papier, en het eiland zelf de teekening voorstellen. Toen ik
des avonds den berg afdaalde, ontmoette ik een man, dien ik met eene
kleine gift verblijd had, en die nu eenige heete gebraden bananen,
een pijnappel en kokosnoten medebracht. Ik ken niets heerlijkers,
als men eene lange wandeling in de brandende zon heeft gedaan, dan
de melk eener jonge kokosnoot. Pijnappels zijn hier zoo overvloedig,
dat de menschen hen even kwistig eten als wij onze rapen. Zij hebben
een voortreffelijken smaak--misschien zelfs beter dan die in Engeland
worden gebruikt; en dit acht ik den hoogsten lof, dien men eene vrucht
kan toezwaaien. Voordat wij aan land gingen, vertolkte de heer Wilson
voor mij aan den Otaheiter, die mij zulk eene attentie bewezen had,
dat ik hem en nog iemand noodig had om mij op een kort uitstapje in
het gebergte te vergezellen.
[18 November.]
Des morgens vroeg ging ik aan land, met eenige levensmiddelen in een
tasch bij mij, en twee wollen dekens voor de gidsen en mijzelven. Deze
werden aan de uiteinden van een langen stok gebonden, dien mijne gidsen
vervolgens beurt om beurt op de schouders droegen. De inboorlingen
zijn er aan gewoon een aan beide einden met 50 pond bezwaarden stok
aldus een geheelen dag lang te dragen. Ik zeide mijn gidsen, dat zij
zich van voedsel en kleêren moesten voorzien; maar zij antwoordden,
dat er voedsel genoeg in het gebergte was, en dat, wat kleêren betrof,
zij aan hunne huid genoeg hadden. Onze tocht leidde door de vallei van
Tia-auru, waardoor eene rivier vloeit, die bij Point Venus in zee valt;
zij is een van de hoofdrivieren op het eiland, en ontspringt aan den
voet der hoogste centrale toppen, die zich tot omstreeks 7000 voet
verheffen. Het geheele eiland is zoo bergachtig, dat de eenige weg
om tot het binnenland door te dringen is, de valleien te volgen. In
't eerst voerde onze weg door bosschen, die de rivier aan weerszijden
begrenzen; en de kijkjes op de centrale toppen, die als door eene laan
met hier en daar een wuivenden kokosboom aan den kant zichtbaar werden,
waren uiterst schilderachtig. Weldra begon de vallei smaller te worden,
en werden de hellingen hooger en steiler. Na eene wandeling van drie
tot vier uren, vonden wij dat het ravijn bijna niet breeder was dan de
bedding van den stroom zelve. Aan den eenen kant waren de wanden bijna
loodrecht; maar wegens de zachte structuur der vulkanische lagen,
groeiden boomen en velerlei planten uit elken vooruitspringenden
rand. Deze wanden waren ongetwijfeld eenige duizenden voeten hoog
en vormden, over het geheel genomen, eene bergkloof zoo prachtig
als ik nooit te voren gezien had. Omstreeks den middag stond de zon
loodrecht boven het ravijn, en de lucht, die koel en vochtig was,
werd nu brandend heet. In de schaduw eener vooruitspringende rots,
aan den voet van een zuilvormig gestolden lavawand aten wij ons
middagmaal. Mijne gidsen hadden zich al een schotel kleine visch
en zoetwater-garnalen verschaft. Zij hadden een netje bij zich, dat
om een hoepel was gespannen, doken hiermeê op diepe plaatsen en in
maalstroomen te water, volgden als otters met open oogen den visch
in hoeken en gaten, en vingen hem.
Te water hebben de Tahitiërs de vlugheid van tweeslachtige
dieren. Ellis verhaalt eene anecdote, die bewijst hoezeer zij zich in
dit element thuis gevoelen. Toen in het jaar 1817 een paard, dat voor
Pomaré [330] bestemd was, van boord werd geheschen, brak de strop,
en viel het dier te water. Onmiddellijk sprongen de inboorlingen
over boord en wendden, al schreeuwend, vruchtelooze pogingen aan
om te helpen, zoodat het dier bijna verdronken was. Maar nauwelijks
bereikten zij het strand, of de geheele bevolking nam de vlucht en
trachtte zich voor het "varken dat een mensch draagt"--gelijk zij
het paard noemden--te verbergen.
Iets hooger in de vallei verdeelde de rivier zich in drie kleine
stroomen. De twee noordelijke waren onbruikbaar door eene reeks
watervallen, die van den rotsachtigen top van den hoogsten berg omlaag
stortten; en ofschoon ook de derde naar allen schijn ontoegankelijk
was, besloten wij toch hem te volgen. De wanden der vallei waren
hier bijna loodrecht; maar zooals dikwijls met gelaagde gesteenten
het geval is, bevatten die wanden smalle vooruitstekende richels of
randen, welke dicht begroeid waren met wilde bananen, lelie-achtige
planten (Liliaceae) en andere fraaie keerkringsgewassen. Op hunne
klimtochten langs deze rotsranden, met het doel vruchten te zoeken,
hadden de Otaheiters een pad ontdekt, waarlangs de geheele steilte
kon worden beklommen. De eerste beklimming van uit de vallei was zeer
gevaarlijk, daar wij met behulp van touwen, die wij bij ons hadden,
een steilhellend naakt rotsvlak over moesten. Hoe iemand ontdekte, dat
deze hoogst gevaarlijke plek het eenige punt was, waar de zijde van
den berg beklommen kon worden, is mij een raadsel. Daarna liepen wij
voorzichtig langs een der randen, tot waar wij een van de drie stroomen
bereikten. Deze rand vormde een vlak terras, waarboven een prachtige
waterval van eenige honderden voeten hoogte omlaag stortte, terwijl
daaronder een tweede hooge waterval in den hoofdstroom der vallei
beneden viel. Van deze koele en belommerde plek maakten wij een omweg,
ten einde den overhangenden waterval te vermijden, en volgden, als te
voren, kleine vooruitspringende richels, waar het gevaar van omlaag
te storten door den dichten plantengroei gedeeltelijk werd opgeheven.
Op het punt waar wij van den eenen richel op een anderen moesten
overgaan, stond een loodrechte rotswand, die den weg versperde. Een
der Tahitiërs, een kranige sterke kerel, zette een boomstam tegen
deze rots, klom er tegen op en bereikte vervolgens, door spleten als
steunpunten te gebruiken, den top. Hier bevestigde hij de touwen aan
eene vooruitstekende punt, liet ze toen zakken om onzen hond en bagage
op te trekken, en daarna klommen wij zelven naar boven. Ter zijde van
den rand, waarop de doode boom geplaatst was, had de afgrond zeker eene
diepte van 5-600 voet; en zoo de overhangende varens en leliën dien
niet gedeeltelijk aan het oog hadden onttrokken, zou ik duizelig zijn
geworden, en had niets mij kunnen bewegen het gevaar te trotseeren. Wij
klommen verder: nu eens langs richels, dan over mesvormige bergkammen,
met diepe ravijnen aan weerszijden. In de Cordilleras heb ik bergen
gezien op veel grootere schaal, maar die in steilte volstrekt niet
te vergelijken waren met deze. Des avonds bereikten wij eene kleine
vlakke plek aan de oevers van denzelfden stroom, dien wij voortdurend
gevolgd waren, en die in eene reeks van watervallen uit het gebergte
daalt. Hier sloegen wij ons nachtkwartier op. Aan beide zijden van
het ravijn stonden groote groepen bergbanaanboomen, beladen met rijpe
vruchten. Vele van deze planten hadden eene hoogte van 20 tot 25
voet, bij een omtrek van 3 tot 4 voet. Met reepen schors in plaats
van touwen, met bamboesstengels als daksparren, en het groote blad
van den banaan als dak bouwden de Tahitiërs in enkele minuten een
uitstekend huis, en maakten van droge bladeren een zacht bed.
Toen gingen zij vuur maken om ons avondeten te koken. Door een stok
met stompe punt krachtig heen en weer te wrijven in eene holte van een
anderen stok, als wilden zij de groef verdiepen, vatte het zaagsel
eindelijk vuur, en hadden zij licht. Voor dit doel gebruiken zij
alleen eene eigenaardige, witte en zeer lichte houtsoort (Hibiscus
tiliaceus)--dezelfde, die ook dient om stokken te maken voor het
dragen van lasten, en de drijvende loefbalken van hunne kano's. Het
vuur ontstond in enkele secunden; maar voor iemand, die de kunst niet
verstaat, vereischt het de grootste inspanning. Ik ondervond dit zelf,
en was er zeer trotsch op, dat het mij eindelijk gelukte het zaagsel
te doen ontbranden. De Gaucho in de Pampas volgt eene andere methode;
hij neemt een buigzamen stok van omstreeks 18 inches lengte, drukt
het eene einde tegen zijne borst, het andere spitse in eene holte,
die zich in een stuk hout bevindt, en draait dan snel het gebogen deel
rond, evenals een timmerman zijn centerboor. Toen de inboorlingen een
takkevuurtje gemaakt hadden, legden zij een twintigtal steenen ter
grootte van een cricketbal op het brandende hout, zoodat, toen ongeveer
tien minuten later de takjes verteerd waren, de steenen gloeiden. Van
te voren hadden zij stukjes ossevleesch, visch, rijpe en onrijpe
bananen, alsmede een aantal toppen van den wilden kalfsvoet (Arum)
in kleine bladstrooken gewikkeld. Deze groene pakjes werden nu in eene
laag tusschen twee lagen heete steenen gelegd, en alles te zamen met
aarde bedekt om geen rook of damp te laten ontsnappen. In ongeveer
een kwartier was het geheele maal allersmakelijkst gekookt. Nadat
de keur van groene pakjes op een dek van banaanbladeren was gelegd,
gebruikten wij ons landelijk maal en dronken uit eene kokosschaal
het koele water van den snelvlietenden stroom.
Niet zonder bewondering sloeg ik de planten in den omtrek gade. Aan
alle zijden banaanboomwouden, waarvan de vruchten bij hoopen op
den grond lagen te rotten, ofschoon zij in velerlei opzicht als
voedsel dienen. Tegenover ons lag een uitgestrekt en dicht begroeid
bosch van wild suikerriet, terwijl de rivier belommerd werd door
de donkergroene knoestige stammen van den vroeger om zijne sterke
bedwelmende eigenschappen zoozeer vermaarden kawa-struik (Ava). Ik
kauwde een stuk en vond, dat het een bijtenden, onaangenamen smaak had,
hetgeen mij terstond zou hebben doen besluiten de plant voor giftig
te verklaren. Dank zij den zendelingen, tiert deze plant nu alleen in
deze diepe ravijnen, onschadelijk voor elk. Dichtbij zag ik den wilden
kalfsvoet, waarvan de wortels, mits goed gekookt, een degelijk voedsel
vormen, terwijl de jonge bladeren beter zijn dan spinazie. Dan waren er
de wilde brood(yams-)wortel, en eene lelie-achtige plant, Ti genaamd,
welke hier in overvloed groeit en een zachten, bruinen, in vorm en
grootte op een dik blok hout gelijkenden wortel bezit. Laatstgenoemde
wortel diende ons als dessert, want hij is zoo zoet als stroop en heeft
een aangenamen smaak. Daarenboven waren er vele andere wilde vruchten,
en nuttige gewassen. Behalve het koele water, leverde de stroom ook
aal en rivierkreeft. Inderdaad, ik bewonderde dit landschap, toen ik
het vergeleek met een onbebouwd gewest in de gematigde streken, en
begreep den zin der woorden, dat de mensch--althans de wilde mensch
met zijne slechts ten deele ontwikkelde geestvermogens--het kind der
keerkringen is.