Tot besluit van de zoölogie dezer eilanden, vermeld ik, dat alle

vijftien hier door mij verzamelde zeevisschen nieuwe soorten zijn,

behoorende tot twaalf geslachten, die alle zeer verspreid zijn, met

uitzondering van Prionotus, waarvan de vier voorheen bekende soorten

aan den oostkant van Amerika leven. Van landschelpdieren verzamelde ik

zestien soorten (en twee bepaalde variëteiten), die, behalve een op

Tahiti gevonden Helix, alle aan dezen archipel eigen zijn; een enkel

zoetwaterschelpdier (Paludina) dat ik hier vond, komt ook op Tahiti

en Van Diemensland voor. Vóór onze reis verzamelde Mr. Cuming hier

negentig soorten zeeschelpdieren, onder welk cijfer niet begrepen zijn

verscheidene, nog niet nader onderzochte soorten van Trochus, Turbo,

Monodonta en Nassa. Hij is zoo vriendelijk geweest mij de volgende

gewichtige uitkomsten mede te deelen. Van de negentig schelpdieren

zijn niet minder dan zeven en veertig elders onbekend--een verrassend

feit, zoo men in aanmerking neemt, hoe ver zeeschelpdieren in den

regel verspreid zijn. Van de 43 in andere deelen der wereld gevonden

soorten bewonen 25 de westkust van Amerika, en daaronder laten zich

acht als variëteiten onderscheiden; de overige 18 (waaronder ééne

variëteit) werden door Cuming in den Lagen Archipel, en sommige ook

op de Philippijnen gevonden. Dit feit: dat schelpdieren van eilanden

midden in den Stillen Oceaan hier voorkomen, verdient opmerking,

aangezien geen enkel zeeschelpdier, naar men weet, gemeen is aan de

eilanden van dien Oceaan en de westkust van Amerika. Het zeeoppervlak,

dat zich van noord tot zuid langs de westkust uitstrekt, scheidt

twee geheel verschillende gebieden van schelpdieren; maar op de

Galápagos-Eilanden vinden wij een centrum, waar vele nieuwe vormen

geschapen zijn, en waarheen deze twee groote schelpdieren-gebieden vele

nederzetters hebben uitgezonden. Ook heeft het Amerikaansche gebied

hier soorten vertegenwoordigd; want er is eene Galápagische soort

van het geslacht Monoceros, dat alleen op de westkust van Amerika

wordt gevonden; ook zijn er Galápagische soorten van de geslachten

Fissurella en Cancellaria, die op de westkust inheemsch zijn, maar

(zooals Cuming mij berichtte) niet op de eilanden midden in den Oceaan

gevonden worden. Aan den anderen kant zijn er Galápagische soorten

van de geslachten Oniscia en Stylifer, die voorkomen in West-Indië

en in de Chineesche en Indische Zeeën, maar noch op de westkust van

Amerika, noch midden in den Stillen Oceaan gevonden worden. Ik wil

hieraan toevoegen, dat Cuming en Hinds na vergelijking van omstreeks

2000 schelpdieren van de oost- en westkusten van Amerika, slechts één

schelpdier vonden, dat aan beide kusten gemeen was, nl. Purpura patula,

die zoowel West-Indië, als de kust van Panama en de Galápagos-Eilanden

bewoont. Wij hebben dus in dit deel van de wereld drie groote gebieden

van zeeschelpdieren, die, ofschoon bijzonder dicht bij elkander gelegen

(slechts gescheiden door lange noord- en zuidwaarts loopende land-

of zee-oppervlakken), onderling geheel verschillen.

Ik gaf mij veel moeite om de insecten te verzamelen; maar nooit zag

ik een land, Vuurland uitgezonderd, zoo arm op dit gebied, als deze

archipel. Zelfs in de vochtige bovenstreek vond ik er zeer weinige; en

deze waren--met uitzondering van enkele kleine Diptera en Hymenoptera

[325] van zeer alledaagsche vormen. Zooals ik reeds opmerkte,

zijn de insecten voor een tropisch gewest van te geringe grootte

en ook te donker van kleur. Van kevers verzamelde ik 25 soorten

(niet medegerekend een Dermestes en Corynetes, die door schepen

overal worden ingevoerd); hiervan behooren twee tot de Harpalidae,

twee tot de Hydrophilidae, negen tot drie families van Heteromera,

terwijl de twaalf overige tot even zooveel verschillende families

behooren. Dit verschijnsel, nl., dat insecten (en ik kan er bijvoegen,

planten) in streken waar zij schaarsch zijn tot vele verschillende

families behooren, is, geloof ik, zeer algemeen. Waterhouse, die

eene beschrijving van de insecten in dezen archipel in 't licht heeft

gegeven, [326] en aan wien ik de bovenstaande bijzonderheden te danken

heb, meldt mij, dat er verscheidene nieuwe geslachten zijn, en dat

van de niet nieuwe één of twee in Amerika, de overige echter over de

geheele wereld verspreid zijn. Met uitzondering van een houtetenden

Apate, en één of waarschijnlijk twee waterkevers van het Amerikaansche

vasteland, schijnen alle soorten nieuw te wezen.

De flora van dezen Archipel is al even belangwekkend als zijne

fauna. Binnenkort zal Dr. J. Hooker in de "Linnaean Transactions" een

volledig verslag van de flora doen verschijnen, en het is aan hem, dat

ik de volgende bijzonderheden verschuldigd ben. Voor zoover tot nu toe

bekend is, zijn er 185 soorten phanerogamische, en 40 kryptogamische

planten, te zamen uitmakende 225 soorten, waarvan ik zoo gelukkig was

193 soorten thuis te brengen. Onder de phanerogamische soorten zijn

100 nieuwe, die waarschijnlijk tot dezen archipel beperkt zijn. Hooker

meent dat onder de planten, niet tot deze 100 behoorende, minstens tien

ingevoerde species zijn; en deze zijn gevonden op het eiland Charles

in de nabijheid van den bebouwden grond. Het komt mij verwonderlijk

voor, dat er niet meer Amerikaansche species langs natuurlijken weg

zijn ingevoerd, in aanmerking genomen, dat de afstand tot het vasteland

slechts 500 tot 600 mijlen bedraagt, en er (volgens Collnet op blz. 58

van zijn "Voyage") dikwijls drijfhout, bamboes, riet en de noten

van een palmboom naar de zuidoostelijke stranden worden gespoeld. De

verhouding van 100 nieuwe op de 185 soorten phanerogamische planten

(of 175, zoo men het ingevoerde onkruid niet medetelt), is, volgens

mijn idee, voldoende om den Galápagos-Archipel tot een afzonderlijk

botanisch district te maken, hoewel deze flora lang zoo eigenaardig

niet is als die van St.-Helena, of, naar Dr. Hooker mij bericht,

als die van Juan Fernandez. De eigenaardigheid der Galápagische

flora blijkt het best bij sommige families; zoo zijn er 21 soorten

Compositae, waarvan 20 eigen zijn aan dezen archipel, en die behooren

tot 12 geslachten, van welke niet minder dan tien tot deze eilanden

beperkt blijven! Hooker meldt mij, dat de flora een onmiskenbaar

Westamerikaansch type bezit; ook kan hij er geen verband in ontdekken

met de flora van den Stillen Oceaan. Deze gevolgtrekking, gevoegd bij

hetgeen omtrent de fauna gezegd is, leidt tot het volgende besluit:

indien wij uitzonderen de 18 zeeschelpdieren, het eene zoetwater-,

en een landschelpdier, die blijkbaar als kolonisten uit de eilanden

midden in den Stillen Oceaan hierheen zijn gekomen: eindelijk de

eene species van de ondergroep Cactornis, die van het eiland Bow in

den Lagen Archipel is ingevoerd en tot de Galápagische groep vinken

behoort, dan zien wij, dat deze archipel, ofschoon in den Stillen

Oceaan gelegen, in zoölogischen zoowel als in botanischen zin deel

uitmaakt van Amerika.

Zoo dit kenmerk alleen was toe te schrijven aan immigranten uit

Amerika, zou er weinig merkwaardigs in steken; maar wat ons treft

is, dat eene groote meerderheid van al de landdieren, en meer dan

de helft der phanerogamische planten inheemsche voortbrengselen

zijn. Het was hoogst verrassend omringd te zijn door nieuwe vogels,

nieuwe reptiliën, nieuwe schelpdieren, nieuwe insecten en nieuwe

planten--en toch door tallooze kleine bijzonderheden in lichaamsbouw,

zelfs door het stemgeluid en gevederte der vogels een helder beeld voor

oogen te zien van de vlakten in de gematigde streken van Patagonië,

of van de heete droge woestijnen in Noord-Chili. Waarom--zoo vroeg

ik mij af--werden op deze kleine plekjes land, die ongetwijfeld in

een jong geologisch tijdperk door den oceaan bedekt zijn geweest;

die uit basaltlava zijn gevormd en dus in geologisch karakter van

het Amerikaansche vasteland verschillen; die bovendien een bijzonder

klimaat bezitten... waarom werden de oorspronkelijke bewoners hier naar

Amerikaansche typen geschapen en bewerktuigd, terwijl zij, wil ik er

bijvoegen, zoowel in soort als in aantal zich anders verhouden dan die

op het vasteland, en dus ook in wisselwerking verschillen? Ofschoon

de Kaap-Verdische Eilanden waarschijnlijk in alle physische opzichten

veel meer op de Galápagos-Eilanden gelijken, dan deze laatsten op de

kust van Amerika, zijn de inheemsche bewoners dezer beide archipels

geheel verschillend; die van de Kaap-Verdische Eilanden dragen den

stempel van Afrika, terwijl de bewoners van den Galápagos Archipel

dien van Amerika bezitten.

Tot nu toe heb ik niet gesproken van eene bijzonderheid in de

natuurlijke geschiedenis van dezen archipel, die op verre na de

merkwaardigste is: nl. deze, dat de verschillende eilanden in

aanzienlijke verhouding door verschillende groepen wezens bewoond

zijn. Het eerst werd mijne aandacht op dit feit gevestigd door den

vice-gouverneur Lawson, die verklaarde, dat de schildpadden op de

verschillende eilanden afwijkingen vertoonden, en dat hij van ieder

individu met zekerheid kon zeggen van welk eiland het afkomstig

was. Ik sloeg eenigen tijd niet voldoende acht op deze verklaring,

en had de verzamelingen van twee der eilanden reeds gedeeltelijk

vermengd. Nooit was de gedachte in mij opgekomen, dat eilanden,

omstreeks 50 of 60 mijlen van elkander verwijderd, en waarvan de meeste

over en weer zichtbaar waren; die uit volkomen hetzelfde gesteente

bestonden, hetzelfde klimaat deelden en ongeveer gelijke hoogte hadden,

verschillende bewoners zouden hebben; doch spoedig zullen wij zien,

dat dit inderdaad het geval is. Het is het lot van de meeste reizigers,

dat zij uit eene plaats moeten vertrekken, zoodra zij hare eigenlijke

merkwaardigheden beginnen te ontdekken. Maar ik moet misschien dankbaar

zijn, dat ik voldoende gegevens verkreeg, om dit hoogst belangwekkende

feit in de verspreiding van organische wezens met bewijzen te staven.

Zooals ik reeds zeide, verklaren de bewoners, dat zij de schildpadden

van de verschillende eilanden kunnen onderscheiden, en dat deze niet

alleen in grootte, maar ook in andere kenmerken verschillen. Kapitein

Porter heeft die van het eiland Charles, en van het meest naburige

eiland Hood, beschreven als bedekt met een schild, dat van voren dik en

opwaarts is gebogen evenals een Spaansch zadel, terwijl de schildpadden

van het eiland James, ronder, zwarter, en na koking beter van smaak

zijn. [327] Daarenboven meldt Bibron mij, dat hij twee schildpadden van

de Galápagos-Eilanden gezien heeft, die hij voor twee verschillende

species hield; maar van welke eilanden zij waren, wist hij niet. De

door mij van drie eilanden medegebrachte exemplaren waren jong; en

dit is waarschijnlijk de reden, waarom Gray noch ik er soortelijke

verschillen in konden ontdekken. Ik heb opgemerkt, dat de Amblyrhynchus

cristatus op het eiland Albemarle grooter was dan elders; en Bibron

deelt mij mede, dat hij twee verschillende landhagedissen van dit

geslacht gezien heeft; zoodat de verschillende eilanden waarschijnlijk

hunne plaatsvervangende rassen of soorten hebben, zoowel van den

Amblyrhynchus als van de schildpad. Het eerste dat in hooge mate mijne

aandacht trok, was, dat ik bij onderlinge vergelijking van de talrijke

door mij en vele andere personen aan boord geschoten exemplaren van

de spotlijsters, tot mijne verwondering ontdekte, dat alle van het

eiland Charles afkomstigen tot ééne species (Mimus trifasciatus)

behoorden; die van het eiland Albemarle alle tot M. Parvulus; en die

van de eilanden James en Chatham (waartusschen twee andere eilanden

als verbindingschakels gelegen zijn) alle tot M. melanotis. Deze twee

laatste soorten zijn naverwant, en zouden door sommige vogelkundigen

alleen voor goed gekenmerkte rassen of variëteiten worden gehouden;

doch Mimus trifasciatus is zeer verschillend. Ongelukkig waren de

meeste exemplaren van de familie der vinken dooreengeraakt; maar

ik heb gegronde reden om aan te nemen, dat sommige soorten van de

ondergroep Geospiza zich tot afzonderlijke eilanden bepalen. Indien de

verschillende eilanden hunne vertegenwoordigers hebben van Geospiza,

kan dit ter verklaring dienen van het ongewoon groot aantal soorten van

deze ondergroep in dezen betrekkelijk kleinen archipel; en de volmaakte

geometrische grootte-opvolging hunner bekken zou dan waarschijnlijk

een gevolg zijn van hun aantal. In dezen archipel werden gevonden twee

soorten van de ondergroep Cactornis, en twee van Camarhynchus; het

bleek nu, dat de talrijke, door vier verzamelaars op het eiland James

geschoten exemplaren dezer beide ondergroepen, alle behoorden tot ééne

soort van elk, terwijl de talrijke op de eilanden Chatham of Charles

geschoten exemplaren (want de beide collectiën waren reeds vermengd)

alle tot de twee andere species behoorden. Wij kunnen er dus bijna

zeker van zijn, dat deze eilanden hunne plaatsvervangende species

dezer twee ondergroepen bezitten. Bij landschelpdieren schijnt deze

verspreidingswet niet door te gaan. Waterhouse merkt op, dat onder

de exemplaren mijner zeer kleine verzameling insecten, welke een

etiket van de plaats van herkomst droegen, zich geen enkel bevond,

dat aan twee van de eilanden gemeen was.

Wenden wij ons nu tot de flora, dan zullen wij onder de inheemsche

planten der verschillende eilanden wonderlijke verschillen

ontmoeten. De uitkomsten in bijgaande tabel dank ik alle aan de

vertrouwbare opgaven van mijn vriend Dr. J. Hooker. Vooraf zij gezegd,

dat ik op de verschillende eilanden alle planten in bloeienden staat

verzamelde, en mijne collecties gelukkig gescheiden hield. Intusschen

zal men wel doen de betrekkelijke cijfers niet al te zeer te

vertrouwen, daar de kleine, door eenige andere natuuronderzoekers

medegebrachte verzamelingen, duidelijk bewijzen, dat de flora van dezen

archipel nog veel onderzoek vereischt, alhoewel zij de resultaten

ten deele bevestigen. Bovendien zijn de Leguminosae slechts bij

benadering uitgecijferd:

Aantal Aantal Aantal Aantal soorten, die

soorten in soorten, die soorten tot den Galápagos-

Naam van Totaal andere tot den tot het archipel beperkt

het Eiland. aantal deelen der Galápagos- eene zijn, doch op meer

soorten. wereld archipel eiland dan één eiland ge-

gevonden. beperkt beperkt. vonden worden.

zijn.

James 71 33 38 30 8

Albemarle 46 18 26 22 4

Chatham 32 16 16 12 4

Charles 68 39 29 21 8

(of 29, na

aftrek van

de waar-

schijnlijk

ingevoerde

planten).

Wij zien in deze tabel het inderdaad wonderlijke feit, dat van

de 38 Galápagische planten op het eiland James, nl. die welke in

geen ander deel der wereld gevonden worden, dertig uitsluitend

tot dit eiland beperkt blijven; terwijl van de 26 oorspronkelijke

Galápagische planten op het eiland Albemarle, twee en twintig tot dit

eene eiland beperkt zijn, en dus slechts vier--naar men tot heden

weet--op de andere eilanden van den archipel groeien. Dergelijke

verrassende uitkomsten leveren ook de planten op de eilanden Chatham

en Charles. Door het geven van eenige voorbeelden zullen wij dit

feit wellicht nog meer in 't oog doen springen. Zoo is Scalesia,

een merkwaardig, boomwordend geslacht der Compositae, tot dezen

archipel beperkt; het bevat zes soorten: één voorkomend op Chatham,

één op Albemarle, één op Charles, twee op James, terwijl de zesde

op een der drie laatste eilanden thuis behoort, men weet echter niet

op welk. Geen dezer zes soorten groeit op twee eilanden tegelijk. Een

tweede voorbeeld levert Euphorbia, een wijd en zijd verspreid geslacht,

dat hier acht soorten heeft, waarvan zeven tot den archipel beperkt

zijn, en geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Acalypha en

Borreria--beiden wereldgeslachten, hebben respectievelijk zes en zeven

soorten, waarvan, met uitzondering van ééne tot Borreria behoorende,

geen enkele op twee eilanden tegelijk voorkomt. Vooral de species

der Compositae zijn plaatselijk beperkt; en Dr. Hooker heeft mij

verscheidene andere hoogst verrasende voorbeelden getoond van het

verschil in soorten op de verschillende eilanden. Hij merkt op, dat

deze verspreidingswet niet alleen geldt voor de tot dezen archipel

beperkte geslachten, maar ook voor die welke in andere hoeken der

wereld verspreid zijn. Evenzoo hebben wij gezien, dat de verschillende

eilanden hunne eigene soorten hebben van het wereldgeslacht der

schildpadden, en van het wijd verspreide Amerikaansche geslacht der

spotlijsters, alsook van twee der Galápagische ondergroepen van vinken;

en bijna zeker van het Galápagische geslacht Amblyrhynchus.

De verspreiding der bewoners van dezen archipel zou lang zoo wonderlijk

niet zijn, indien, bijvoorbeeld, het eene eiland een spotlijster,

en een tweede eiland een ander, geheel daarvan verschillend geslacht

bezat; zoo het eene eiland zijn geslacht hagedissen had, en een

tweede eiland een ander, verschillend geslacht, of in 't geheel

geen; of indien de verschillende eilanden niet door plaatsvervangende

species van dezelfde plantengeslachten werden bewoond, maar door geheel

verschillende geslachten--zooals dat in zekeren zin werkelijk het geval

is; want, om een voorbeeld te noemen, een groote bessendragende boom

op het eiland James heeft geen plaatsvervangende species op het eiland

Charles. Maar juist de omstandigheid, dat vele eilanden hunne eigen

soort schildpad hebben, hun eigen spotlijster, hunne vinken en talrijke

planten, terwijl die soorten dezelfde algemeene leefwijzen hebben,

overeenkomstige districten bewonen, en in de natuurlijke huishouding

van dezen archipel klaarblijkelijk dezelfde plaats innemen--deze is

het, welke mij met verwondering vervult. Men mag aannemen, dat eenige

plaatsvervangende soorten--althans wat de schildpad en sommige vogels

betreft--later zullen blijken goed gekenmerkte rassen te zijn; maar

voor den wijsgeerigen natuuronderzoeker zou dit al even belangwekkend

wezen. Ik heb gezegd, dat de meeste eilanden over en weer zichtbaar

zijn, en voeg er aan toe, dat het eiland Charles 50 mijlen van het

naaste punt van Chatham, en 33 mijlen van het naaste punt van Albemarle

verwijderd is. Chatham ligt 60 mijlen van het naaste punt van James;

maar tusschen deze liggen twee andere, welke niet door mij bezocht

werden. Het eiland James ligt slechts 10 mijlen van het naaste punt van

Albemarle; maar de beide punten waar de verzamelingen gehouden werden,

liggen 32 mijlen van elkander. Ik herhaal, dat noch de aard van den

bodem, noch de hoogte van het land, of het klimaat: noch het algemeen

karakter der samenwonende wezens (en bijgevolg hunne natuurlijke

wisselwerkingen) op de verschillende eilanden veel uiteenloopen. Zoo

er al een merkbaar klimatologisch verschil bestaat, dan moet dit zijn

tusschen de groep eilanden boven den wind (nl. Charles en Chatham),

en die onder den wind; maar een overeenkomstig verschil schijnt niet

te bestaan in de producten dezer twee helften van den archipel.

Het eenige licht, dat ik op dit merkwaardig onderscheid in de

bewoners der verschillende eilanden kan werpen, is, dat zeer sterke,

in westelijke en west-noordwestelijke richting loopende zeestroomen

de zuidelijke eilanden van de noordelijke moeten scheiden, althans

wat het vervoer van individuën over zee betreft. Inderdaad werd

tusschen deze noordelijke eilanden een sterke noordwestelijke

stroom waargenomen, die de eilanden James en Albemarle scherp van

elkander moet scheiden. Daar de archipel in zeer ruime mate vrij

van stormen is, zouden vogels, insecten noch lichtere zaden van het

eene eiland naar het andere kunnen waaien. Ten slotte is het hoogst

onwaarschijnlijk, dat de eilanden ooit verbonden waren, èn wegens de

groote diepte van den oceaan die hen scheidt, èn wegens hun blijkbaar

vulkanischen oorsprong in een geologisch jong verleden. Deze laatste

omstandigheid is van veel gewichtiger beteekenis, dan elke andere,

wat de geographische verspreiding der bewoners aangaat.

Werpen wij thans een blik op bovengenoemde feiten, dan staat men

verbaasd over de hoeveelheid scheppingskracht--indien wij zulk eene

uitdrukking mogen bezigen--welke op deze kleine, kale en rotsachtige

eilanden ontwikkeld is: doch meer nog over hare verschillende en

toch overeenkomstige werkingen op zulke nabijgelegen punten. Ik heb

gezegd, dat men de Galápagos-Eilanden een wachter zou kunnen noemen,

die aan Amerika, als planeet beschouwd, verbonden is; maar eerder zou

men ze eene groep wachters kunnen noemen, die physisch gelijkvormig,

organisch verschillend, toch nauw aan elkander verwant zijn; en allen

weer in duidelijke, hoewel veel mindere mate verwant aan het groote

vastland van Amerika.

Ik zal mijne beschrijving van de natuurlijke geschiedenis dezer

eilanden besluiten met eenige mededeelingen over de ongewone tamheid

der vogels.

Deze tamheid is aan alle landsoorten eigen, nl. aan de spotlijsters,

de vinken, winterkoninkjes, tyran-vliegenvangers, de duif en den

aasbuizerd. Al deze vogels kwamen dikwijls dicht genoeg bij, dat

men hen met een rietje kon dooden, en somtijds vangen met eene muts

of hoed, wat ik zelf heb pogen te doen. Een geweer is hier geheel

overbodig; want met den loop sloeg ik een havik van een boomtak

af. Op zekeren dag streek een spotlijster op den rand van een uit

het pantser eener schildpad vervaardigden waternap, dien ik in de

hand hield, en begon heel bedaard het water op te slurpen. Hij liet

toe, dat ik hem van den grond hief, terwijl hij op den nap zat. Ook

trachtte ik dikwijls deze vogels bij de beenen te grijpen, wat mij op

zeer weinig na gelukte. Voorheen schijnen de vogels nog tammer geweest

te zijn dan nu. Cowley zegt in zijne beschrijving van het jaar 1684,

"dat de tortelduiven zoo tam waren, dat zij dikwijls op onze hoeden en

wapens neerstreken, zoodat wij hen levend konden vangen. Zij vreesden

den mensch niet, voordat een van ons gezelschap op hen vuurde, ten

gevolge waarvan zij schuwer werden." Ook Dampier verhaalt in hetzelfde

jaar, dat iemand op zijne morgenwandeling zes of zeven dozijn van

deze duiven kon dooden. Hoewel zij nu nog zeer tam zijn, strijken zij

toch niet op iemands wapenen neer, en laten zich ook niet meer in zoo

groot aantal dooden. Het is verwonderlijk, dat zij niet wilder zijn

geworden; want in de laatste 150 jaren zijn deze eilanden dikwijls

door boekaniers en walvischvaarders bezocht, terwijl de zeelieden,

als zij door de bosschen loopen om schildpadden te zoeken, er altijd

een wreed vermaak in scheppen de vogeltjes dood te slaan.

Ofschoon tegenwoordig nog meer vervolgd dan vroeger, worden deze vogels

niet spoedig wild. Op het eiland Charles, dat bij mijn bezoek ongeveer

zes jaren gekoloniseerd was, zag ik een knaap bij eene bron zitten met

een rietje in de hand, waarmede hij de duiven en vinken doodde als

zij kwamen drinken. Hij had er reeds een hoopje bijeen, en vertelde

dat deze vogels voor zijn maal moesten dienen, en dat hij altijd bij

deze bron ging zitten voor hetzelfde doel. Daaruit zou dan blijken,

dat de vogels van dezen archipel, nog niet wetende dat de mensch een

gevaarlijker dier is dan de schildpad of de Amblyrhynchus, geen acht

op hen slaan, op dezelfde manier als schuwe vogels, bijv. eksters,

in Engeland geen acht slaan op de koeien en paarden, die in onze

velden grazen.

De Falklands-Eilanden leveren een tweede voorbeeld van dergelijke

tamme vogels, die men daar vindt. De ongewone tamheid van den

kleinen Opetiorhynchus is door Pernety, Lesson en andere reizigers

opgemerkt. Deze eigenschap behoort echter niet alleen aan dezen vogel:

de Polyborus, de snip, de ganzen in het hoog- en laagland, de lijster,

de vlasvink, en zelfs eenige echte haviken zijn alle meer of minder

tam. Als de vogels zoo tam zijn in eene streek, waar vossen, haviken

en uilen voorkomen, mogen wij daaruit besluiten, dat de afwezigheid

van alle roofdieren op de Galápagos-Eilanden niet de oorzaak is van

hunne tamheid hier. De hooglandsche ganzen op de Falklands-Eilanden

bewijzen door de voorzichtigheid, die zij bij het bouwen van hare

nesten op de eilandjes in acht nemen, dat zij het gevaar van de vossen

kennen; maar dit maakt hen toch niet schuw voor den mensch. Deze

tamheid der vogels--vooral van het watergevogelte--vormt eene

scherpe tegenstelling met de eigenschappen van dezelfde species in

Vuurland, waar zij eeuwen lang door de wilde inboorlingen vervolgd

zijn geworden. Op de Falklands-Eilanden kan de jager op één dag soms

meer hooglandsche ganzen dooden, dan hij mee naar huis kan nemen;

terwijl het in Vuurland bijna even moeilijk is er eene te dooden,

als in Engeland het schieten van de gewone wilde gans.

In den tijd van Pernety (1763) schijnen daar alle vogels veel tammer

geweest te zijn dan nu; hij zegt, dat de Opetiorhynchus bijna op zijn

vinger ging zitten, en dat hij met een stokje er tien in een half uur

doodde. Destijds moeten de vogels bijna even tam zijn geweest als nu

op de Galápagos-Eilanden. Op deze laatsten schijnen zij langzamer

voorzichtigheid geleerd te hebben, dan op de Falklands-Eilanden,

waar zij betrekkelijk gelegenheid hadden om ervaring op te doen;

want behalve talrijke bezoeken van schepen, zijn deze eilanden in dat

tijdsverloop bij tusschenpoozen gekoloniseerd geweest. Volgens het

verhaal van Pernety was het vroeger, toen alle vogels zoo tam waren,

zelfs onmogelijk den zwarthalzigen zwaan te dooden--een trekvogel,

die waarschijnlijk zijne in andere landen geleerde wijsheid daarheen

overbracht.

De Reis om de Wereld · 第 40 / 56 段