aan de fauna dezer eilanden het treffendste kenmerk verleent. De
soorten zijn niet talrijk, maar het getal individuën van elke soort is
buitengewoon groot. Men vindt er: eene kleine hagedis, die tot eene
Zuidamerikaansche familie behoort; twee soorten (en waarschijnlijk
meer) Amblyrhynchus--eene familie, die tot de Galápagos-Eilanden
beperkt is; en talrijke individuën van eene slang, die, zooals Bibron
mij bericht, dezelfde is als Psammophis Teminckii uit Chili. [317] Van
zeeschildpadden (Cheloniidae) zijn er, geloof ik, meer dan ééne soort;
en straks zullen wij zien, dat er twee of drie soorten of rassen van
landschildpadden (Chersidae) zijn. Dat er geen padden (Bufonidae) en
kikvorschen (Ranidae) waren, verwonderde mij, aangezien de gematigde
temperatuur en de vochtige bovenbosschen zoozeer voor hen geschikt
schenen. Ik herinnerde mij de opmerking, door Bory St.-Vincent gedaan,
nl. dat er op geen der vulkanische eilanden in de oceanen een individu
dezer onderorde (Phaneroglossa) gevonden wordt. [318] Voor zoover ik
in verschillende werken kon nagaan, schijnt dit voor den geheelen
Stillen Oceaan te gelden, en zelfs voor de groote eilanden van den
Sandwich-Archipel. Mauritius vormt schijnbaar eene uitzondering,
want ik vond er de Rana Mascariensis in overvloed. Volgens zeggen
bewoont deze kikvorsch thans de Sechellen, Madagascar en Bourbon;
daarentegen verklaart Du Bois in zijn "Voyage" in het jaar 1669, dat
er op Bourbon geen kruipende dieren waren, uitgezonderd schildpadden;
en de Officier du Roi verzekert, dat er vóór 1768 vergeefsche pogingen
zijn gedaan, om kikvorschen op Mauritius in te voeren, vermoedelijk
om als voedsel te dienen; zoodat wel betwijfeld mag worden of deze
kikvorsch een oorspronkelijke bewoner van genoemde eilanden is. Het
ontbreken van de kikvorschen-familie op de eilanden der groote oceanen
is des te merkwaardiger, om de tegenstelling daarvan met de hagedissen
(Lacertidae), [319] die op de meeste kleinere eilanden wemelen. Zou dit
verschil niet hieraan zijn toe te schrijven, dat de door kalkschalen
beschermde eieren van hagedissen gemakkelijker door zout water vervoerd
konden worden, dan het slijmige broedsel van kikvorschen?
Eerst zal ik de gewoonten van de schildpad beschrijven (Testudo nigra,
vroeger genoemd Indica), waarvan ik al dikwijls gesproken heb. Naar ik
geloof, worden deze dieren op alle eilanden van den archipel gevonden,
of stellig op de meeste, waar zij zich bij voorkeur in de hooge
vochtige gedeelten ophouden, maar ook in de lagere en droge streken
leven. Reeds heb ik door het cijfer, dat er op één dag gevangen
wordt, aangetoond hoe bijzonder talrijk zij moeten zijn. Sommige
bereiken eene reusachtige grootte. Lawson, Engelschman van geboorte en
onder-gouverneur der kolonie, vertelde ons, dat hij er verscheidene
gezien had, zoo groot, dat zes of acht man noodig waren om ze van
den grond te lichten, en dat sommige tweehonderd pond vleesch hadden
opgeleverd. De oude mannetjes zijn het grootst, terwijl de wijfjes maar
zelden die grootte bereiken. Het mannetje laat zich door de grootere
lengte van zijn staart gemakkelijk van het wijfje onderscheiden. De
schildpadden, die eilanden bewonen waar geen water is, of die zich in
de lagere en droge gedeelten der anderen ophouden, leven hoofdzakelijk
van de sappige cactus. Zij die de hoogere en vochtige streken bewonen,
eten de bladeren van verschillende boomen, eene zure en wrange soort
bes (guayavita genaamd), alsmede een lichtgroen vezelig mos (Usnera
plicata), dat in vlechten van de takken der boomen hangt.
De schildpad houdt veel van water, dat zij in groote hoeveelheden
drinkt, en wentelt zich gaarne in de modder. Daar alleen de grootere
eilanden bronnen bezitten, en deze altijd op aanzienlijke hoogte in
de middengedeelten liggen, zijn de schildpadden die de lagere streken
bewonen, genoodzaakt een grooten weg af te leggen, wanneer zij dorst
hebben. Dientengevolge loopen breede en goed gebaande paden in alle
richtingen van de bronnen naar de zeekust; en door deze te volgen,
ontdekten de Spanjaarden het eerst de plaatsen waar water te vinden
was. Toen ik op het eiland Chatham landde, kon ik maar niet begrijpen,
welk dier zulke stelselmatige en goed gekozen paden had aangelegd. Het
was een merkwaardig schouwspel deze kolossale dieren zich in twee
groepen bij de bronnen te zien verdringen: de eene groep met gestrekte
halzen gretig voorwaarts dringend, terwijl de andere, na haar bekomst
te hebben gedronken, terugkeerde. Als de schildpad aan de bron komt,
steekt zij, zonder zich om de toeschouwers te bekommeren, haar kop
tot over de oogen in het water, en zwelgt gretig mondenvol--ongeveer
tien in de minuut. De bewoners zeggen, dat elk dier drie of vier
dagen in de nabijheid van het water blijft, en dan naar het lagere
gedeelte terugkeert; maar hunne opgaven betreffende het aantal dezer
bezoeken loopen zeer uiteen. Waarschijnlijk regelt het dier die naar
den aard van het verbruikte voedsel. Het is intusschen een feit,
dat schildpadden zelfs op deze eilanden kunnen leven, waar geen ander
water is, dan hetgeen er op enkele regenachtige dagen in het jaar valt.
Naar ik meen, is het eene uitgemaakte zaak, dat de blaas van den
kikvorsen als reservoir dient van het vocht, dat het dier voor zijn
leven noodig heeft; dit schijnt ook met de schildpad het geval te
wezen. Eenigen tijd na een bezoek aan de bronnen is haar pisblaas
door vloeistof gezwollen, die, naar men zegt, langzamerhand in volume
afneemt, en minder zuiver wordt. Bewoners, die op hunne tochten in de
lagere streken door dorst overvallen worden, maken dikwijls van deze
omstandigheid gebruik, en drinken den inhoud der blaas, wanneer zij
vol is. Ik zag een doode schildpad, bij wie de vloeistof volkomen
helder, en alleen wat bitter van smaak was. Maar altijd drinken de
bewoners eerst het water uit het pericardium, [320] dat als best
wordt beschreven.
Als de schildpadden zich met opzet naar een zeker punt begeven,
trekken zij dag en nacht, en bereiken het doel harer reis veel vroeger,
dan men zou verwachten. Door vooraf gemerkte dieren in het oog te
houden, zijn de bewoners tot de ontdekking gekomen, dat zij in twee
of drie dagen een afstand van omtrent acht mijlen afleggen. Ik sloeg
eene groote schildpad gade, die elke tien minuten 60 yards aflegde:
dat is 360 yards [321] in het uur, of vier mijlen daags--na aftrek
van een korten poos om onderweg te eten. Gedurende den broeitijd,
als het mannetje en wijfje bij elkander zijn, laat het mannetje een
schor gebrul of geloei hooren, dat, naar men zegt, meer dan honderd
yards ver gehoord kan worden. Het wijfje verheft nooit hare stem, en
het mannetje alléén in deze tijden; men weet dus, bij het hooren van
dit geluid, dat beiden te zamen zijn. Tijdens ons bezoek (October)
waren zij aan het eieren leggen. Is de grond zandig, dan legt het
wijfje de eieren bij elkander, en bedekt hen met zand; maar is de grond
steenachtig, dan laat zij hen zonder onderscheid vallen in elk gat,
dat zij ontmoet. Bynoe vond er zeven in eene spleet. Het ei is wit en
bolvormig; ik mat er een van 7 3/8 inches in omtrek--derhalve grooter
dan een kippenei. Nauwelijks zijn de jonge schildpadden uitgebroed,
of zij worden in menigte eene prooi van den aasetenden buizerd. De
ouden schijnen meestal ten gevolge van ongelukken te sterven,
bijv. door het vallen in een afgrond; althans, verscheidene bewoners
verzekerden mij, dat zij nooit eene doode schildpad gezien hadden,
die niet op noodlottige wijze gestorven was.
De bewoners gelooven, dat deze dieren stokdoof zijn; en werkelijk
hooren zij niet, dat iemand dicht achter hen loopt. Telkens
wanneer ik een van deze groote monsters op hare rustige wandeling
inhaalde, vermaakte het mij ze, op het oogenblik dat ik voorbijging,
plotseling kop en pooten te zien intrekken, en onder het uiten van
een scherp gesis met een zwaren plof als dood op den grond te zien
vallen. Dikwijls ging ik op haren rug zitten, en gaf haar dan een
paar tikken op het achterdeel van het schild--waarna zij opstonden en
voortwandelden. Het kostte mij echter veel moeite mijn evenwicht te
bewaren. Het vleesch van dit dier wordt veel gegeten, zoowel versch
als gezouten; en uit het vet wordt eene klare olie bereid. Als eene
schildpad gevangen is, geeft men haar eene insnijding in de huid nabij
den staart, om zoo in het lichaam te zien, of er eene dikke vetlaag
onder het rugschild ligt. Is dit niet het geval, dan laat men het
dier los, dat, zoo beweert men, spoedig van deze zonderlinge operatie
geneest. Om zich van de schildpadden meester te maken, is het niet
genoeg, dat men ze ondersteboven keert, zooals men de zeeschildpadden
doet; want dikwijls gelukt het haar weer op de pooten te komen.
Er kan weinig twijfel bestaan, of deze schildpad is eene
oorspronkelijke bewoonster van de Galápagos-Eilanden, want men vindt
haar op alle, of bijna alle eilanden, zelfs op eenige van de kleinere,
waar geen water is; en dit had moeilijk het geval kunnen zijn in een
zoo weinig bezochten archipel, indien zij eene ingevoerde species
was. Bovendien vonden de oude boekaniers deze schildpad zelfs in nog
grooter aantal dan nu; terwijl ook Wood en Rogers in 1708 vermeldden,
dat de Spanjaarden geloofden, dat zij op geen andere plek in dit
werelddeel gevonden werd. Tegenwoordig is zij veel verspreid,
maar het is de vraag of zij ook op andere plaatsen oorspronkelijk
is. De beenderen van eene schildpad, welke op Mauritius nevens die
van den uitgestorven Dodo gevonden zijn, heeft men algemeen voor
overblijfselen van deze schildpad gehouden. Indien dit juist was,
zou zij daar stellig van den aanvang af geleefd hebben; maar Bibron
meldt mij, dat zij volgens zijne meening eene andere species was,
gelijk met de thans op dit eiland levende zeker het geval is.
Van den Amblyrhynchus--een merkwaardig geslacht hagedissen, dat
zich tot dezen archipel bepaalt--bestaan twee soorten, die, wat den
algemeenen vorm betreft, op elkander gelijken: de eene is eene land-,
en de andere eene waterspecies. Van laatstgenoemde soort, A. cristatus,
zijn de kenmerken het eerst in 't licht gesteld door Bell, die uit den
korten, breeden kop en sterke, even lange klauwen terecht opmaakte,
dat hare leefwijze zeer eigenaardig moest zijn, en verschillend van
die harer naaste verwante, de Iguana of kamhagedis. [322] Zij komt op
alle eilanden van den archipel bijzonder veel voor, leeft uitsluitend
op de rotsachtige zeekusten, en wordt nooit verder op het strand
gevonden, dan tien yards: althans ik heb het nooit gezien. Het is
een schepsel met een afzichtelijk voorkomen, vuil zwart van kleur,
dom, en traag in zijne bewegingen. De gewone lengte van een volwassen
individu bedraagt één yard; maar sommige zijn zelfs vier voet lang,
terwijl opgemerkt zij, dat die op het eiland Albemarle grooter
schijnen te worden dan elders. Een groote Amblyrhynchus woog twintig
pond. Hunne staarten zijn zijdelings afgeplat, en al de vier pooten
gedeeltelijk van zwemvliezen voorzien. Soms ziet men hen op honderd
yards afstand van het strand rondzwemmen; en kapitein Collnett zegt
in zijne reisbeschrijving, dat zij "in scholen naar zee gaan om
te visschen, zich op de rotsen in de zon koesteren, en alligators
in 't klein genoemd zouden kunnen worden." Vermoedelijk leven zij
echter niet van visch. In het water zijnde, zwemt deze hagedis zeer
gemakkelijk en vlug door eene slangvormige beweging van het lichaam
en den afgeplatten staart, terwijl de pooten onbeweeglijk en aan
weerszijden dicht naar het lijf zijn opgetrokken. Een matroos aan boord
had een zwaar gewicht aan het lichaam van een Amblyrhynchus bevestigd,
en daarna het dier in zee geworpen, denkende het op die wijs te dooden;
maar toen hij een uur later het touw ophaalde, roerde het dier zich nog
lustig. Zijne ledematen en sterke klauwen zijn voortreffelijk geschikt
om over de hobbelige en gespleten lavakorst te klauteren, die overal
de kust bedekt. Zoo kan men dikwijls een troep van zes of zeven dezer
afzichtelijke kruipende dieren enkele voeten boven de branding op de
zwarte rotsen zien liggen, waar zij zich in de zon koesteren.
Van verscheidenen opende ik de maag, en vond deze sterk gezwollen
door inliggende stukjes zeewier (Ulvae)--een dunbladerig wijdvertakt
gewas van eene lichtgroene of donkerroode kleur. [323] Ik herinner
mij niet dit zeewier in noemenswaardige hoeveelheid op de vloedrotsen
te hebben gezien, en heb reden te gelooven, dat het op den bodem der
zee groeit, op eenigen afstand van de kust. Is dit het geval, dan
verklaart het zich, waarom deze dieren nu en dan naar zee gaan. De
maag bevatte niets dan zeewier. Wel vond Bynoe er een stuk van eene
krab in; maar deze kon er toevallig in zijn gekomen, op dezelfde
manier als ik in den buik van eene schildpad eene rups tusschen eenig
groen heb zien liggen. Evenals bij andere plantenetende dieren,
waren de ingewanden ruim. De aard van het voedsel dezer hagedis,
zoowel als de bouw van haren staart en voeten, en het feit, dat men
haar vrijwillig naar zee heeft zien zwemmen, bewijzen afdoende hare
leefwijze van waterdier; toch openbaart zich hier eene zonderlinge
tegenstrijdigheid, namelijk, dat zij niet in het water zal gaan,
als men haar plaagt of schrik aanjaagt. Zoo kan men ze gemakkelijk
naar een punt boven zee drijven, waar zij zich eerder bij den staart
zullen laten grijpen, dan in het water springen. Van bijten schijnen
zij volstrekt geen begrip te hebben; maar worden zij veel geplaagd,
dan spuiten zij uit elk neusgat een druppel vloeistof. Ik wierp er
eene verscheidene malen zoover ik kon in een diepen plas, die door het
getij was achtergelaten; maar telkens keerde zij linea recta terug
naar de plek waar ik stond. Zij zwom zeer sierlijk en vlug bij den
bodem van den plas, en krabbelde nu en dan met hare voeten over den
hobbeligen grond. Als zij bijna den kant bereikt had, maar nog onder
water was, poogde zij zich in de boschjes zeewier te verbergen, of
liep eene spleet binnen; en nauwelijks achtte zij het gevaar voorbij,
of zij kroop over de droge rotsen naar buiten, en maakte zich zoo snel
mogelijk uit de voeten. Dikwijls ving ik deze zelfde door haar naar
een punt te drijven, waar dan niets haar kon bewegen in het water
te gaan, ondanks hare volkomen bedrevenheid in duiken en zwemmen;
en telkens als ik haar daarin wierp, keerde zij op de genoemde wijze
terug. Wellicht laat dit eigenaardige staaltje van oogenschijnlijke
domheid zich verklaren door het feit, dat dit dier geen enkelen
vijand op het strand heeft, terwijl het in zee menigmaal een prooi
wordt van de talrijke haaien. Gedreven door een diep geworteld en
erfelijk instinct, dat het strand zijn veiligheidsoord is bij wat er
ook gebeure, zoekt het dan waarschijnlijk hier zijne toevlucht.
Tijdens een bezoek (in October) zag ik zeer weinig kleine individuën
van deze species, en ik geloof geen enkel, dat jonger was dan een
jaar. Daar het mij hierom waarschijnlijk voorkwam, dat de broeitijd
toen nog niet begonnen was, vroeg ik aan verscheidene bewoners, of zij
wisten wanneer de hagedis hare eieren legde, en kreeg ten antwoord
dat zij van hare voortplanting niets wisten, ofschoon de eieren van
de landspecies hun wel bekend waren. Neemt men in aanmerking, dat
deze species zoo algemeen is, dan is dit feit niet weinig merkwaardig.
Wij gaan nu over tot de landspecies (Amblyrhynchus Demarlii),
met ronden staart en teenen zonder zwemvliezen. In plaats dat
deze hagedis, evenals de andere, op alle eilanden gevonden wordt,
bepaalt zij zich tot het middengedeelte van den archipel, en wel tot
de eilanden Albemarle, James, Barrington en Indefatigable. Zuidelijk,
op de eilanden Charles, Hood en Chatham, alsmede noordelijk op Tower,
Bindloes en Abingdon zag ik er nooit eene, en hoorde er ook niet
van. Het schijnt dat zij in het midden van den archipel ontstaan is,
en zich van daar slechts tot op zekeren afstand verspreidde. Eenige
dezer hagedissen bewonen de hooge en vochtige gedeelten der eilanden,
maar veel talrijker zijn zij in de lagere en dordere districten bij
de kust. Ik kan geen overtuigender bewijs van hare talrijkheid geven,
dan door te zeggen, dat wij bij onze komst op het eiland James voor
het opslaan van onze eenige tent eene poos lang geen plek konden
vinden, die niet met hare holen ondermijnd was. Evenals hare zusters,
de zeehagedissen, zijn zij leelijke dieren, oranjegeel op de buikzijde
en bruinachtig rood op den rug. Door haren stompen gelaatshoek hebben
zij een bijzonder dom uiterlijk. Misschien zijn zij in 't algemeen
iets kleiner dan de andere species: toch wogen velen van haar nog
tusschen tien en vijftien pond. In hare bewegingen zijn zij traag en
half verstijfd. Zoo men ze niet plaagt, kruipen zij langzaam rond,
terwijl staart en buik over den grond slepen. Dikwijls staan zij een
of twee minuten te sluimeren, met de oogen dicht en de achterpooten
op den verschroeiden grond gestrekt.
Zij wonen in holen, die zij somtijds tusschen stukken lava graven,
doch meer algemeen op vlakke schollen van de zachte, zandsteenachtige
tuf. De holen schijnen niet zeer diep te wezen, en dringen onder
een kleinen hoek in den grond, zoodat tot groot verdriet van den
vermoeiden wandelaar, die over deze hagedissengangen loopt, de grond
telkens onder zijne voeten wegzakt. Als het dier zijn hol maakt, werkt
het beurtelings met beide kanten van zijn lichaam. De eene voorpoot
graaft eene korte poos den grond uit, en werpt het graafsel naar den
achterpoot, die gereed staat het buiten de opening van het hol te
brengen. Is die kant van het lichaam vermoeid, dan neemt de andere het
werk over, en zoo vervolgens. Ik sloeg er langen tijd een gade, totdat
haar lichaam half begraven was, trad toen nader en trok haar bij den
staart. Dit scheen haar zeer te verwonderen, want spoedig kroop zij
naar buiten om te zien wat er aan de hand was, en keek mij strak in
het gezicht, als wilde zij zeggen: "Waarom trekt ge aan mijn staart?"
Zij zoeken bij dag haar voedsel, en verwijderen zich niet ver
van hare holen. Worden zij opgeschrikt, dan snellen zij er in de
plompste houding heen. Behalve wanneer zij eene hoogte afloopen,
kunnen zij zich niet zeer vlug bewegen, wat een gevolg schijnt van den
zijwaartschen stand harer pooten. Vreesachtig zijn zij in 't geheel
niet; als zij iemand opmerkzaam gadeslaan, krullen zij haren staart,
richten zich op de voorpooten omhoog, en trachten door eene snelle,
verticale, knikkende beweging met het hoofd eene dreigende houding
aan te nemen. Maar in werkelijkheid zijn zij niet gevaarlijk; men
behoeft slechts even op den grond te stampen, en hare staarten gaan
omlaag, terwijl zij zoo snel zij kunnen wegschuifelen. Dikwijls heb
ik kleine vliegenetende hagedissen op volkomen dezelfde manier met
het hoofd zien knikken, als zij het een of ander gadesloegen; maar om
welke reden, weet ik volstrekt niet. Als men dezen Amblyrhynchus met
een stok tegenhoudt en plaagt, zal hij er woedend in bijten; maar ik
greep er velen bij den staart, zonder dat zij mij ooit trachten te
bijten. Worden er twee op den grond bij elkander gezet, dan zullen
zij aan 't vechten gaan en elkander tot bloedens toe bijten.
De individuën, die de lagere streken bewonen--en deze zijn het
talrijkst--kunnen het geheele jaar door bijna geen druppel water
bekomen; zij eten echter veel van de sappige cactus, waarvan de
wind nu en dan takken afbreekt. Dikwijls wierp ik een groepje van
twee of drie een stuk toe; en het was vermakelijk te zien, hoe
gretig zij dit met den bek poogden te grijpen en er mee wegliepen,
evenals hongerige honden met een been. Zij eten zeer voorzichtig,
maar kauwen haar voedsel niet. Zelfs vogeltjes weten hoe onschadelijk
deze schepsels zijn. Eens zag ik een diksnaveligen vink pikken aan het
eene einde van een stuk cactus (waarin alle dieren van het laagland
veel smaak vinden), terwijl eene hagedis van het andere einde at;
en daarna huppelde het vogeltje met de grootste onverschilligheid
over den rug van het reptiel.
Bij velen opende ik de maag, en vond die gevuld met plantvezels
en bladen van verschillende boomen, vooral van eene acacia. In de
bovenstreek leven zij hoofdzakelijk van de zure en wrange bessen der
guayavita; en onder dezen boom heb ik den Amblyrhynchus Demarlii met
de groote schildpadden zien eten. Om de bladeren van de acacia meester
te worden, krabbelen zij tegen de lage, weinig ontwikkelde boomen op;
en zoo ziet men niet zelden een paar van deze dieren, verscheidene
voeten boven den grond op een tak gezeten, rustig knabbelen. Gekookt,
geven deze hagedissen een wit vleesch, dat voor lieden wier magen
vrij van alle vooroordeelen zijn, een gezocht voedsel is. Humboldt
heeft opgemerkt, dat alle hagedissen in het tusschenkeerkringsgebied
van Zuid-Amerika, die droge streken bewonen, voor smakelijke gerechten
worden gehouden. De inwoners vertellen, dat de in de hoogere, vochtige
streken levende hagedissen water drinken, maar dat de anderen daarvoor
niet uit het onvruchtbare laagland naar boven trekken, zooals de
schildpadden. Tijdens ons bezoek hadden de wijfjes talrijke, groote,
langwerpige eieren in het lichaam, die zij in hare holen leggen,
en door de inwoners als voedsel worden gezocht.
Zooals ik reeds gezegd heb, komen deze twee soorten Amblyrhynchus
in algemeenen lichaamsbouw en in vele gewoonten met elkander
overeen. Geen van beiden heeft die snelle beweging, zoo kenmerkend voor
de geslachten Lacerta en Iguana. Beiden zijn plantenetende dieren,
hoewel de soorten planten waarvan zij leven zeer verschillen. Bell
heeft het geslacht dezen naam gegeven om zijn stompen snuit; [324]
en werkelijk kan de vorm van den bek bijna met dien van de schildpad
worden vergeleken. De onderstelling ligt voor de hand, dat dit eene
aanpassing is aan hare zucht of drang om planten te eten. Dat men
een geslacht met zulke juiste kenmerken, waarvan zoowel eene zee-
als eene landspecies bestaat, tot zulk een klein gedeelte der wereld
beperkt ziet, is een zeer gewichtig feit. De waterspecies is op verre
na de belangrijkste, omdat zij de eenige levende hagedis is, die
van plantaardige zeevoortbrengselen leeft. Zooals ik in den beginne
opmerkte, zijn deze eilanden niet zoozeer merkwaardig om het aantal
soorten van kruipende dieren, als om dat der individuën. Denken
wij aan de goed gebaande, door de groote schildpadden aangelegde
paden; aan de menigte zeeschildpadden; aan de onderaardsche gangen
van den A. Demarlii, en de op de kustrotsen van elk eiland zich
koesterende groepen van den A. cristatus, dan moeten wij erkennen,
dat de plantenetende zoogdieren in geen enkel deel der wereld zoo
buitengewoon talrijk door de klasse der kruipende dieren vervangen
zijn, als in dezen archipel. Bij het hooren van dit feit, zal de
geoloog in gedachten waarschijnlijk teruggaan tot het Secundaire of
Mesozoïsche Tijdvak der Aardgeschiedenis, toen deels plantenetende,
deels vleeschetende hagedissen, die in grootte alleen met onze levende
walvisschen vergeleken konden worden--krioelden op het land zoowel als
in de zee. Het verdient daarom wel zijne aandacht, dat deze archipel,
in plaats van een vochtig klimaat en een weligen plantengroei te
bezitten, niet anders dan als uiterst dor kan worden beschouwd,
en voor een equatoriaal gewest een bijzonder gematigd klimaat bezit.