Met zeer veel belangstelling vond ik, 85 voet hoog op het terras,

eenige stukjes katoendraad, gevlochten bies, en den knop van een

Indiaansch-hoornen stok: alles bedolven tusschen de schelpen en

velerlei afval, dat uit zee was aangespoeld. Ik vergeleek deze

overblijfsels met andere van dien aard, welke uit de Huacas of oude

Indiaansche grafheuvels waren opgedolven, en vond dat zij er eender

uitzagen. Bij Bellavista, op het vasteland tegenover San Lorenzo,

ligt eene uitgestrekte, effen en ongeveer honderd voet hooge vlakte,

waarvan het benedengedeelte bestaat uit afwisselende lagen zand en

onzuivere klei, benevens wat grint; terwijl de oppervlakte drie tot

zes voet diep uit een roodachtig leem bestaat, met hier en daar enkele

zeeschelpen, en verder talrijke kleine stukken grof rood aardewerk,

welke op sommige plaatsen menigvuldiger zijn dan op andere. Eerst

was ik geneigd te gelooven, dat deze bovenbedding wegens hare groote

uitgestrektheid en effen oppervlakte onder de zee moest afgezet zijn;

maar later vond ik eene plek, waar bleek, dat zij op een kunstvloer

van ronde steenen lag. Het komt mij daarom hoogst waarschijnlijk

voor, dat er in een tijd toen het land op lager peil stond, eene

vlakte was, zeer gelijkend op die welke thans Callao omringt en,

door een strand van grof grint beschermd, slechts zeer weinig boven

den zeespiegel gerezen is. Ik stel mij voor, dat op deze vlakte met

hare onderliggende roode-kleibeddingen de Indianen hunne aarden potten

maakten; voorts, dat de zee gedurende eene hevige aardbeving over het

strand sloeg en de vlakte in een tijdelijk meer veranderde, zooals

in 1713 en 1746 rondom Callao gebeurde. Het water zou dan modder

hebben afgezet, waarin stukken steengoed uit de pannenbakkerijen,

die op sommige plekken talrijker waren dan op andere, vermengd met

zeeschelpen. Deze bedding met haar fossiel aardewerk ligt op ongeveer

dezelfde hoogte als de schelpen op het benedenterras van San Lorenzo,

waarin de katoendraden en andere overblijfselen begraven lagen. Uit

dit feit mogen wij met zekerheid besluiten, dat er in het Indiaansche

tijdvak der geschiedenis van het menschdom eene rijzing is geweest van

meer dan 85 voet, zooals wij boven zeiden, want van die rijzing is een

klein deel verloren gegaan, omdat de kust sedert de vervaardiging der

oude kaarten gedaald is. Ofschoon de rijzing te Valparaiso in de 220

jaren vóór ons bezoek niet meer dan 19 voet kan hebben bedragen, is

daar echter na 1817 eene deels onmerkbare, en gedurende de aardbeving

van 1822 deels plotselinge rijzing geweest van tien of elf voet. De

ouderdom van het Indiaansche ras alhier--te oordeelen naar de 85-voet

hooge rijzing van het land sedert de overblijfsels bedolven werden--is

des te merkwaardiger, wijl de Macrauchenia (de uitgestorven dieren,

wier geraamten in de Pampas van Zuid-Amerika gevonden worden) nog

leefde op de kust van Patagonië, toen het land daar ongeveer evenveel

voeten lager stond; maar wijl de kust van Patagonië op eenigen afstand

van de Cordilleras ligt, is de rijzing daar mogelijk langzamer geweest

dan hier. Te Bahia Blanca heeft de rijzing slechts één voet bedragen,

sedert de talrijke reusachtige viervoetige dieren er begraven werden;

en zooals algemeen wordt aangenomen, bestond de mensch nog niet toen

deze uitgestorven dieren leefden. Misschien staat echter de rijzing

van dat gedeelte der Patagonische kust in geen enkel verband tot de

Cordilleras, maar eerder tot eene reeks oude vulkanische gesteenten

in Oost Banda, zoodat zij oneindig langzamer geschied kan zijn dan

op de kusten van Peru. Het is intusschen wel duidelijk, dat al deze

bespiegelingen vaag moeten zijn; want wie zal durven zeggen, dat er

niet verscheidene perioden van daling zijn geweest, zich inschakelend

tusschen de rijzende bewegingen? Weten wij niet met zekerheid, dat

er langs de geheele kust van Patagonië in de rijzende werking der

opstuwende krachten vele en langdurige tijdperken van rust geweest

moeten zijn? [306]

HOOFDSTUK XVII.

DE GALÁPAGOS-ARCHIPEL.

[15 September 1835.]

Deze archipel bestaat uit tien hoofdeilanden, waarvan vijf de anderen

aanmerkelijk in grootte overtreffen, en ligt onder den evenaar,

op een afstand van vijf- tot zeshonderd mijlen van de Amerikaansche

kust. Zij zijn allen uit vulkanische gesteenten gevormd, want enkele

stukken graniet van eene eigenaardige, door de hitte gewijzigde

kristallijnen structuur, kunnen nauwelijks als eene uitzondering

worden beschouwd. Sommige kegels of kraters, die zich op de grootere

eilanden verheffen, zijn verbazend groot en bezitten eene hoogte

van 3000 tot 4000 voet. Hunne hellingen zijn bezaaid met tallooze

kleinere openingen. Bijna zonder aarzelen durf ik zeggen, dat er in den

geheelen archipel minstens 2000 kraters zijn. Deze bestaan òf uit lava

en slakken, òf uit fijn gelaagde, zandsteenachtige tuf. [307] Kraters

van laatstgenoemde soort, waarvan de meesten een fraaien symmetrischen

vorm bezitten, hebben hun ontstaan te danken aan uitbarstingen van

vulkanische modder zonder lava. Het is een opmerkelijk feit, dat

bij alle 28 tufsteen-kraters die onderzocht werden, de zuidelijke

hellingen òf veel lager dan de andere zijden, òf geheel vernield

en gesloopt waren. Daar al deze kraters klaarblijkelijk in zee zijn

gevormd, en de door den passaatwind voortgezweepte golven benevens de

deining uit volle zee hare krachten hier op de zuidelijke kusten van

al deze eilanden samentrekken, laat die zonderlinge overeenstemming

in den gebroken vorm der uit de zachte en buigzame tuf samengestelde

kraters, zich gemakkelijk verklaren.

Zoo men bedenkt, dat deze eilanden onmiddellijk onder den evenaar

liggen, dan is het klimaat verre van buitengewoon heet. Dit schijnt

in hoofdzaak een gevolg van de bijzonder lage temperatuur van het

omgevende water, hetwelk door den grooten Zuidpool-stroom hierheen

wordt gevoerd. Eene korte poos uitgezonderd, regent het hier zeer

weinig en dan nog ongeregeld; maar de wolken hangen meestal laag. Dit

heeft ten gevolge, dat, terwijl de lagere gedeelten der eilanden

zeer dor zijn, de bovengedeelten ter hoogte van een duizend voet, en

daarboven, een vochtig klimaat met een rijken en weligen plantengroei

bezitten. Vooral is dit het geval aan de windzijden der eilanden, welke

de vochtdeelen uit den dampkring het eerst ontvangen en verdichten.

Op den morgen van den 17den landden wij op het eiland Chatham, [308]

dat, evenals de andere, een vlakronden omtrek heeft, hier en daar

afgebroken door lage, verspreid staande heuvels--de overblijfsels van

vroegere kraters. Niets kon minder aantrekkelijk zijn dan de eerste

aanblik van dit eiland. Men stelle zich voor eene woest golvende

oppervlakte van zwarte basaltlava, die in de wildste stroomen heeft

gevloeid, doorsneden van groote scheuren, en overal bedekt met een

kwijnend, verschroeid kreupelhout, dat weinig teekenen van leven

vertoont. Door de middagzon verwarmd, verwekte die droge, geblakerde

oppervlakte een gevoel van drukkende hitte in de lucht, evenals die

van een kachel; ik verbeeldde mij zelfs, dat de struiken branderig

roken. Ofschoon ik al mijn best deed zooveel planten te verzamelen

als mogelijk was, kon ik er maar weinige bijeenbrengen; en die kleine

kruiden zagen er zoo armzalig uit, dat zij beter bij eene arctische

dan bij eene equatoriale flora gepast zouden hebben. Op eenigen

afstand gezien, schijnt het kreupelhout even bladerloos als onze

boomen in den winter; en het duurde eenigen tijd voor ik ontdekte,

dat niet alleen bijna elke plant nu geheel in blad stond, maar dat

de meesten ook in bloei stonden. De meest voorkomende struik behoort

tot de Euphorbiaceae, [309] terwijl eene acacia en een groote, vreemd

uitziende cactus de eenige boomen zijn, die eenige schaduw geven. Men

zegt, dat na het seizoen der hevige regens de eilanden er korten tijd

gedeeltelijk groen uitzien. Het vulkanische eiland Fernando Noronha,

dat in vele opzichten in bijna gelijke omstandigheden verkeert, is

de eenige andere plek waar ik een plantengroei gezien heb, geheel

gelijk aan die der Galápagos-Eilanden.

De Beagle zeilde het eiland Chatham (of Chatam) om, en liet in

onderscheidene baaien het anker vallen. Een nacht sliep ik op

het strand van het eiland op eene plek, waar groote afgeknotte

kraterkegels in bijzonder groot aantal voorkwamen; van eene kleine

verhevenheid telde ik er zestig, allen met meer of minder volkomen

krateropeningen aan den top. De meesten bestonden alleen uit een ring

van roode, aan elkander gebakken sintels of slakken, terwijl hunne

hoogte boven de lava-vlakte niet meer dan vijftig tot honderd voet

bedroeg. Geen enkele was in den laatsten tijd in werking geweest. De

geheele oppervlakte van dit deel van het eiland schijnt, evenals eene

zeef, van de onderaardsche dampen doorstoomd te zijn. Hier en daar is

de lava, toen zij nog week was, tot groote bobbels opgeblazen; elders

zijn de toppen van op dergelijke wijze gevormde holten ingestort,

waardoor ringvormige putten met steile kanten ontstonden. Wegens

den regelmatigen vorm dien vele kraters bezitten, geven zij het

landschap een kunstmatig voorkomen, dat mij levendig aan het deel

van Staffordshire herinnerde, waar de meeste groote ijzergieterijen

zijn. Daags daarop was het gloeiend heet, en het klauteren over

de ruwe oppervlakte en door de verwarmde struiken zeer afmattend;

gelukkig werd ik door het vreemde cyclopische landschap ruimschoots

voor de inspanning beloond. Op mijne rondwandeling ontmoette ik twee

groote schildpadden, die elk minstens 200 pond moeten gewogen hebben;

de eene was bezig een stuk van een cactus te eten, keek mij strak

aan zoodra ik haar naderde, en liep toen weg; de andere liet een

scherp gesis hooren, en trok haar kop in. Deze reusachtige reptiliën

te midden van de zwarte lava, de bladerlooze heesters en hooge cacti,

verplaatsten mij in gedachten naar een tijdperk vóór den zondvloed. De

enkele donkerkleurige vogels in deze ongerepte natuur stoorden zich

aan mij niet meer dan aan de groote schildpadden.

De Beagle zeilde verder naar het eiland Charles. De Galápagos-archipel

is lang bezocht geworden--eerst door de boekaniers, en later door

walvischvaarders; maar pas in de laatste zes jaren heeft zich

eene kleine kolonie op dit eiland gevestigd. Het aantal inwoners

bedraagt twee tot driehonderd [310]--zijnde bijna allen kleurlingen,

die om politieke misdrijven uit de Republiek Ecuador, waarvan

Quito de hoofdstad is, verbannen zijn. De kolonie ligt omstreeks

4 1/2 mijl landwaarts in, op eene hoogte van waarschijnlijk 1000

voet. Op het eerste gedeelte van den weg trokken wij door bladerlooze

kreupelbosschen, evenals op het eiland Chatham. Hooger op werden de

bosschen gaandeweg groener; en nauwelijks bereikten wij het hoogste

punt van het eiland, of eene heerlijke, zuidelijke koelte woei

ons tegemoet, terwijl eene groene en welige plantenwereld ons oog

verkwikte. In deze bovenstreek is overvloed van grof gras en varens;

maar boomvarens ontbreken. Nergens zag ik een vertegenwoordiger van

de familie der palmen: wat des te zonderlinger is, omdat het 360

mijlen noordwaarts gelegen Kokos-eiland zijn naam ontleent aan den

overvloed van kokosnoten. De huizen zijn ongeregeld over eene vlakke

ruimte verspreid, die met Spaansche bataten [311] en bananen bebouwd

is. Men zal zich niet licht kunnen voorstellen, hoe aangenaam het ons

was, na zulk een lang verblijf op den verdroogden bodem van Peru en

Noord-Chili, eindelijk eens zwarte modder te zien. Hoewel de bewoners

over armoede klagen, vinden zij toch zonder veel moeite hun middel van

bestaan. In de bosschen zijn tal van wilde zwijnen en geiten; maar het

voornaamste dierlijk voedsel leveren hier de schildpadden. Ofschoon het

aantal dezer dieren natuurlijk zeer verminderd is, rekenen de bewoners

toch, dat twee dagen jagens hun voedsel genoeg verschaft voor de vijf

overige dagen der week. Men zegt, dat enkele schepen er vroeger tot

700 hebben medegenomen, en dat de bemanning van een fregat eenige jaren

geleden twee honderd schildpadden op één dag naar het strand voerde.

[29 September.]

Wij zeilden de zuidwestpunt van het eiland Albemarle om, en kwamen den

volgenden dag tusschen dit en het eiland Narborough in bijna windstil

water. Beide eilanden zijn bedekt met ontzaglijke stroomen zwarte,

kale lava, die òf over de randen der groote kraters is gevloeid,

evenals pek over den rand van een pot waarin het overkookte, òf uit

kleine openingen op de hellingen is gespoten. Bij hunne nederdaling

hebben de stroomen zich over mijlen oppervlakte langs de zeekust

verspreid. Met zekerheid weet men, dat zoowel op Albemarle als

Narborough uitbarstingen hebben plaats gehad; en op eerstgenoemd

eiland zagen wij uit den top van een der groote kraters een kleine

rookkolom omhoog dwarrelen. Des avonds ankerden wij in Bank's Cove

op het eiland Albemarle, waar ik den volgenden morgen aan land ging,

om eene wandeling te doen. Ten zuiden van den gebroken tufkrater

waarin de Beagle voor anker lag, verrees een andere van fraaien,

symmetrischen, elliptischen vorm. Op den bodem van dezen krater, die

over de grootste as der ellips bijna eene mijl lang en omstreeks 500

voet diep was, lag een ondiep meer, met een zeer kleinen krater in den

vorm van een eilandje in het midden. Het was dien dag brandend heet;

en daar het blauwe meer er zoo klaar uitzag, ijlde ik, verstikt van

het stof, de sintelige helling af, tastte gretig naar het water--doch

vond dit tot mijn groote spijt zoo zout als pekel.

De rotsen op de kust wemelden van groote, drie tot vier voet lange,

zwarte hagedissen, terwijl op de heuvels nog eene leelijke, geelachtig

bruine soort algemeen voorkwam. Van deze laatste soort zagen wij

er vele: sommigen gingen ons traag uit den weg, anderen kropen in

hare holen. Straks zal ik de gewoonten dezer beide kruipende dieren

uitvoeriger beschrijven. Dit geheele noordelijke gedeelte van Albemarle

is ellendig dor.

[8 October.]

Wij kwamen aan het eiland James. Evenals het eiland Charles, ontleent

ook dit sedert lang zijn naam aan Engelsche koningen in de lijn der

Stuarts. Bynoe, de schrijver zelf en onze bedienden werden hier voor

eene week met levensmiddelen en eene tent achtergelaten, terwijl de

Beagle water ging halen. Wij vonden hier een troepje Spanjaarden,

die van het eiland Charles waren gezonden om visch te drogen en

schildpaddenvleesch te zouten. Ongeveer zes mijlen het land in, en op

eene hoogte van bijna 2000 voet was eene hut gebouwd, bewoond door

twee mannen, wier bezigheid bestond in het vangen van schildpadden,

terwijl de anderen aan de kust vischten. Ik bracht dezen lieden

tweemaal een bezoek, en sliep er een nacht. Evenals op de andere

eilanden, was het lagere deel met bijna bladerlooze struiken bedekt;

maar de boomen waren hier hooger, en vele ervan bereikten twee voet,

sommige zelfs twee voet negen inches in middellijn. De door de

wolken vochtig gehouden bovenstreek bezit eene groene en bloeiende

flora. Zoo vochtig was de grond, dat ik groote velden zag, bedekt met

een grof cypergras, waarin talrijke zeer kleine riethoenen leefden

en broedden. Gedurende ons verblijf in deze bovenstreek, leefden wij

geheel van schildpaddenvleesch. Het borstschild met het vleesch er

aan gebraden (zooals de Gauchos hun carne con cuero), smaakt zeer

goed, terwijl de jonge schildpadden eene uitmuntende soep leveren;

maar anders laat de smaak van het vleesch mij onverschillig.

Op zekeren dag vergezelden wij een troepje Spanjaarden in hun

walvischvaartuig naar eene salina, of meer waaruit zout gehaald

wordt. Aan land gekomen, hadden wij eene zeer vermoeiende wandeling

over een jong hobbelig lavaveld, waarop zich een tufkrater verhief,

die bijna geheel door de lava omringd was en op welks bodem de salina

lag. Het water was slechts drie of vier inches diep, en dreef op eene

laag van fraai gekristalliseerd, wit zout. Daar het meer cirkelvormig

en omringd was met een krans van lichtgroene, sappige planten:

wijl verder de bijna loodrechte kraterwanden met bosch waren bedekt,

bood dit tafereel een schilderachtigen en verrassenden aanblik. Enkele

jaren geleden vermoordden de matrozen van een zeilschip hun kapitein op

deze stille plek; en nu vonden wij zijn schedel tusschen de struiken.

In de week dat wij hier vertoefden, was de lucht meestal onbewolkt;

en ging de passaatwind een uur liggen, dan werd het drukkend heet. Op

twee dagen wees de thermometer in de tent eenige uren lang 93°, maar

in de open lucht, in wind en zon slechts 85°. Het zand was buitengewoon

heet; plaatsten wij den thermometer in wat bruinkleurig zand, dan rees

hij onmiddellijk tot 137°; en hoeveel hij nog meer gerezen zou zijn,

weet ik niet, want de verdeeling raakte niet verder. Het zwarte zand

voelde veel heeter aan, zoodat het wandelen daarover, zelfs met dikke

laarzen aan, hoogst onaangenaam was.

De natuurlijke historie dezer eilanden is bij uitstek merkwaardig,

en verdient zeer de aandacht. De meeste organische voortbrengselen

zijn oorspronkelijke scheppingen, die nergens worden weêrgevonden;

toch vertoonen alle eene duidelijke verwantschap tot die van Amerika,

niettegenstaande zij door een open zeearm van 500 tot 600 mijlen

breedte van dat vasteland gescheiden zijn. De Archipel is een wereldje

op zichzelf, of liever een tot Amerika behoorende wachter, die enkele

verdwaalde kolonisten uit de hoofdplaneet Amerika opnam, en het

algemeene kenmerk verkreeg van hare inheemsche voortbrengselen. De

geringe grootte dezer eilanden in aanmerking genomen, staan wij nog

meer verbaasd over het aantal oorspronkelijke wezens in verband met

hunne beperkte ruimte; want hier, waar wij elke hoogte met een krater

gedekt zien, waar de grenzen van de meeste lavastroomen nog onduidelijk

zijn, dringt zich de meening aan ons op, dat in een geologisch jong

verleden de oceaan zich overal op deze plaatsen uitstrekte. Zoo

schijnen wij dan, in ruimte en tijd, eene schrede nader te komen

tot dat groote feit--het belangrijkste van alle mysteriën: de eerste

verschijning van nieuwe wezens op deze aarde.

Onder de landzoogdieren is er slechts één, dat als inheemsch moet

worden beschouwd, namelijk eene soort muis (Mus Galapagoensis), die,

voor zoover ik kon nagaan, tot het eiland Chatham (het oostelijkste

van den archipel) beperkt is. Naar Waterhouse mij bericht, behoort zij

tot eene aan Amerika eigen afdeeling der muizenfamilie. Op het eiland

James leeft eene rat, die zoozeer van de gewone soort verschilt, dat

Waterhouse haar noemt en beschrijft; maar wijl zij tot de in de Oude

Wereld levende afdeeling der familie behoort, en het gemelde eiland

in de laatste 150 jaren herhaaldelijk door schepen is bezocht, kan ik

er nauwelijks aan twijfelen, dat deze rat slechts eene variëteit is,

voortgebracht door een nieuw en eigenaardig klimaat, door voedsel en

bodem, aan welker vereenigde invloeden zij heeft blootgestaan. Hoewel

niemand het recht heeft zonder stellige feiten natuurphilosophische

bespiegelingen te maken, moet men toch--zelfs ten aanzien van de muis

op het eiland Chatham--in 't oog houden, dat zij wellicht eene uit

Amerika hier ingevoerde soort is: welk vermoeden iets nader wordt

bevestigd door het feit, dat ik in een der minst bezochte gedeelten

van de Pampas eene levende inlandsche muis heb gezien onder het dak

van eene pas gebouwde hut. Men mag daaruit afleiden, dat deze niet

onwaarschijnlijk in een schip is meegekomen. Dergelijke feiten zijn

door Dr. Richardson in Noord-Amerika waargenomen. [312]

Van de landvogels verzamelde ik 26 soorten, die aan dezen archipel

eigen zijn, en nergens anders gevonden worden--behalve een

leeuwerikachtige vink uit Noord-Amerika (Dolichonyx oryzivorus),

die op het vasteland aldaar tot 54° breedte voorkomt, en meestal

moerassen bewoont. [313] De 25 andere vogels zijn: Ten eerste, een

havik, die in lichaamsbouw merkwaardig het midden houdt tusschen

een buizerd en de Amerikaansche groep der aasetende Polybori, met

welke laatste vogels hij in elke gewoonte en zelfs in stemgeluid

zeer na overeenkomt. Ten tweede, twee uilen, vertegenwoordigende

de kortoorige en witte sluieruilen (Strix flammea) van Europa. Ten

derde, een winterkoninkje, drie tyran-vliegenvangers (waaronder twee

soorten Pyrocephalus, welke sommige vogelkundigen, òf beide òf een

van beide slechts als variëteiten beschouwen), en eene duif. Al deze

vijf komen overeen met Amerikaansche soorten, maar onderscheiden zich

er toch van. Ten vierde, eene zwaluw, die, ofschoon van de (Procne)

purpurea uit Noord- en Zuid-Amerika alleen hierin verschillend,

dat hij kleiner, schraler en iets donkerder van kleur is, door

Gould als eene andere species beschouwd wordt. Ten vijfde, drie

soorten van spotlijsters: een type, dat in hooge mate aan Amerika

eigen is. De overige landvogels--uitmakende dertien soorten, die

Gould in vier ondergroepen heeft verdeeld--bestaan in eene zeer

eigenaardige groep vinken, die in den vorm hunner snavels, korte

staarten, lichaamsbouw en gevederte aan elkander verwant zijn. Al

deze soorten zijn aan dezen archipel eigen; en hetzelfde geldt voor

de geheele groep, behalve ééne soort uit de onderfamilie Cactornis,

die onlangs van het eiland Bow in den Tuamotu- of Lagen Archipel is

meêgebracht. De twee soorten Cactornis of Cactusvogel kan men dikwijls

om de bloemen der groote cactusboomen zien vliegen; maar alle andere

soorten van deze groep vinken grazen, troepswijze vermengd, op den

drogen en onvruchtbaren grond der lagere gedeelten. Bij allen, of

althans bij het meerendeel zijn de mannetjes gitzwart, terwijl de

wijfjes misschien op ééne of twee uitzonderingen na bruin zijn. Het

zonderlingste feit is wel de regelmatige grootte-opvolging van de

bekken der verschillende soorten Geospiza: te beginnen met een zoo

groot als de bek van een kersebijter [314] tot dien van een beukvink,

[315] en (indien Gould gelijk heeft door zijne onderfamilie Certhidea

in de hoofdgroep op te nemen) zelfs tot dien van een zangvogel. Den

grootsten bek bij het geslacht Geospiza zien wij in Fig. 1, en den

kleinsten in Fig. 3; maar in plaats dat er slechts ééne tusschensoort

is met een bek zoo groot als in Fig. 2, zijn er niet minder dan

zes, wier bekken eene onmerkbare grootte-opvolging tusschen de in

Fig. 1 en 3 afgebeelden vertoonen. Den bek van de onderfamilie der

Certhidea zien wij in Fig. 4. Die van Cactornis gelijkt eenigszins

op een spreeuwenbek, en de bek der vierde ondergroep (Camarhynchus)

heeft wat van den papegaaivorm weg. Die verschillende overgangen

in bouw bij eene zoo kleine, nauw verwante vogelgroep, zouden ons

werkelijk in den waan kunnen brengen, dat uit een oorspronkelijk

klein aantal vogels ééne soort was uitgenomen en voor verschillende

doeleinden gewijzigd. Evenzoo zou men zich kunnen voorstellen,

dat hier oorspronkelijk een buizerd was ingevoerd, om de taak der

aasetende Polybori van het Amerikaansche vasteland te verrichten.

Van de steltloopers (Grallae) en watervogels kon ik slechts elf soorten

verzamelen, en daaronder zijn niet meer dan drie nieuwe, met inbegrip

van een wachtelkoning (Crex), die tot de vochtige toppen der eilanden

beperkt is. De zwervende leefwijze der zeemeeuwen in aanmerking

genomen, verwonderde het mij op deze eilanden eene species aan te

treffen, die, ofschoon verwant aan eene uit de zuidelijke gedeelten

van Zuid-Amerika, toch een bijzonder type vormt. Vergelijkt men de

veel grootere eigenaardigheid der landvogels--namelijk, dat 25 van de

26 nieuwe soorten of althans nieuwe rassen zijn--bij de steltloopers

en zwemvogels (Natatorii), dan is zulks in overeenstemming met de

grootere verspreiding dezer laatste families over alle deelen der

wereld. Later zullen wij deze wet: dat de waterorganismen (hetzij zee-

of zoetwatervormen) op een gegeven punt van den aardbol minder typisch

zijn dan de landorganismen derzelfde klassen, treffend bevestigd

zien bij de schelpdieren en in mindere mate bij de insecten van

dezen archipel.

Twee van de steltloopers zijn iets kleiner dan dezelfde species,

die van elders zijn ingevoerd; ook de zwaluw is kleiner, hoewel het

twijfelachtig is of deze al dan niet van haar analogon verschilt. De

twee uilen, de twee tyran-vliegenvangers (Pyrocephalus), en de duif

zijn eveneens kleiner dan de overeenkomstige maar afwijkende soorten,

waaraan zij het naast verwant zijn; daarentegen is de zeemeeuw

iets grooter. De twee uilen, de zwaluw, al de drie spotlijsters,

de duif in hare nevenkleuren (hoewel niet in haar geheele pluimage),

de Totanus en de zeemeeuw, zijn evenzoo donkerder gekleurd dan hunne

overeenkomstige species, en--wat in 't bijzonder de spotlijsters en

den Totanus betreft--donkerder dan elke andere species der beide

geslachten. Behalve een winterkoninkje (Troglódytes) met fraai

gele borst, en een tyran-vliegenvanger met scharlakenroode kuif en

borst, zijn geen van de vogels schitterend gekleurd, zooals men in

een equatoriaal gewest had mogen verwachten. Men zou dus allicht

vermoeden, dat dezelfde oorzaken, welke hier de nederzetters van

eene species kleiner maken, ook de meeste inheemsche soorten van den

Galápagos-archipel kleiner, en zeer dikwijls donkerder van kleur maken.

Alle planten hebben een armzalig, onkruidachtig voorkomen, en

ik zag geen enkele schoone bloem. Ook de insecten zijn klein van

stuk en donker gekleurd, terwijl, naar Waterhouse mij bericht, hun

uiterlijk in 't algemeen niets bezit, wat hem deed denken dat zij

uit de evenaars-zone afkomstig waren. [316] De vogels, planten en

insecten dragen een woestijnachtig karakter, en zijn niet schitterender

gekleurd dan die van Zuid-Patagonië. Wij mogen dus daaruit afleiden,

dat het gewone bonte koloriet der tusschenkeerkrings-organismen

niet in verband staat met de warmte of het licht dezer streken,

maar met eene andere oorzaak--wellicht deze, dat in 't algemeen de

levensvoorwaarden gunstig zijn.

De Reis om de Wereld · 第 38 / 56 段