komt van verre; water wordt in booten aangevoerd van het omstreeks
40 mijlen noordwaarts gelegen Pisagua, en verkocht voor den prijs
van 9 realen (4 shill., 6 pence) per vat van achttien gallons. [299]
Ik kocht een wijnflesch vol water voor drie pence. Evenzoo worden
brandhout, en natuurlijk ook alle voedingsmiddelen aangevoerd. In zulk
eene plaats kan men zeer weinig dieren onderhouden; zoo huurde ik den
volgenden morgen (13 Juli) met moeite, tegen den prijs van vier pond
sterling, twee muildieren en een gids om mij naar de salpeterwerken te
brengen, waarvan Iquique tegenwoordig bestaat. Van dit zout--in 1830
voor het eerst uitgevoerd--werd in één jaar tijds voor eene waarde van
honderdduizend pond sterling naar Frankrijk en Engeland gezonden. [300]
Het wordt voornamelijk gebruikt als meststof en voor de bereiding
van salpeterzuur, maar kan wegens zijne vervloeibaarheid niet voor
kruit dienen. Vroeger waren er twee uiterst rijke zilvermijnen in
dezen omtrek, die echter tegenwoordig zeer weinig opleveren.
Onze komst in het gezicht van het strand verwekte eenige vrees. Peru
was in een staat van regeeringloosheid; en daar elke partij eene
brandschatting geëischt had, verkeerde de arme stad Iquique in angst
en zorgen, denkende dat het kwade uur geslagen had. Maar het volk had
ook zijne inwendige troebelen; kort te voren hadden drie Fransche
timmerlieden in denzelfden nacht de twee kerken opengebroken, en
al het gouden en zilveren vaatwerk gestolen; doch later had een
der dieven bekend, en kreeg men het vaatwerk terug. De schuldigen
werden naar Arequipa opgezonden, de hoofdstad dezer provincie, die
omstreeks tweehonderd leagues ver ligt. De regeering aldaar achtte
het jammer zulke nuttige werklieden te straffen, die alle soorten
meubelen konden maken, en stelde hen daarom op vrije voeten. Terwijl
dit plaats had, werd in de kerken opnieuw ingebroken; maar ditmaal
kreeg men het vaatwerk niet terug. Hierover in hevige woede ontstoken,
en onder de leus, dat alléén ketters in staat waren "den almachtigen
God" zoo te plunderen, gingen de inwoners eenige Engelschen te lijf,
martelden hen en dreigden hen later te zullen doodschieten. Eindelijk
kwam het gezag tusschenbeide, en werd de rust hersteld.
[13 Juli.]
Des morgens vertrok ik naar de salpeterwerken, een afstand van veertien
leagues. Nadat wij het steile kustgebergte langs een zigzagvormig
zandspoor bestegen hadden, kwamen weldra de mijnen van Guantajaya
en Santa Rosa in 't gezicht. Deze twee dorpjes liggen vlak bij de
ingangen der mijnen; en daar zij bovendien op bergen zijn gebouwd,
hadden zij een nog onnatuurlijker en zwaarmoediger aanzien dan de
stad Iquique. Wij bereikten de salpeterwerken eerst na zonsondergang,
na den geheelen dag door een heuvelachtig land te hebben gereden,
dat eene volslagen woestenij was. De weg was bezaaid met de beenderen
en verdroogde huiden der vele lastdieren, die hier van vermoeienis
en uitputting waren bezweken. Behalve de Vultur (Cathartes) aura of
Zwartkoppige Urubu, die op lijken aast, zag ik geen enkelen vogel,
viervoetig of kruipend dier, zelfs geen enkel insect. Ter hoogte
van omstreeks 2000 voet op het kustgebergte, waar de wolken meestal
in dezen tijd van het jaar hangen, groeiden enkele cactussen in
de rotsspleten, en was het losse zand met eene mosplant bedekt,
die geheel vrij aan de oppervlakte lag. Deze plant behoort tot het
geslacht Cladonia, en gelijkt eenigszins op het rendiermos (Lichen
rangiferinus). Op sommige plaatsen was zij in voldoende hoeveelheid
vereenigd, dat het zand, van verre gezien, er eene matgele kleur
door kreeg. Dieper het land in, zag ik op den langen rit van veertien
leagues slechts één ander plantaardig product, namelijk eene uiterst
kleine, gele mosplant, welke op de beenderen der doode muildieren
groeide. Ofschoon dit de eerste ware woestijn was, die ik ooit gezien
had, maakte zij geen sterken indruk op mij: wat ik geloof hieraan te
moeten toeschrijven, dat ik op mijn rit noordwaarts, van af Valparaiso
over Coquimbo naar Copiapó, langzamerhand aan zulke tooneelen gewoon
was geraakt. Het land bood een merkwaardigen aanblik, doordien het
bedekt was met eene dikke korst van gewoon zout, en van een gelaagd
zouthoudend alluvium, dat gedurende de langzame rijzing van het land
boven den zeespiegel schijnt afgezet te zijn. Het zout heeft eene witte
kleur, is zeer hard en dicht, en treedt, met veel gips verbonden, op
in gladgespoelde klompjes, die uit het samenklevende zand steken. In
voorkomen geleek deze bovenkorst zeer veel op een land, dat onder
sneeuw heeft gelegen, en waarop de laatste groezelige plekjes nog
niet ontdooid zijn. Het bestaan dezer korst van eene oplosbare stof
over de geheele oppervlakte van het land bewijst, hoe buitengewoon
droog het klimaat gedurende eene lange tijdruimte geweest moet zijn.
Des nachts sliep ik in het huis van den eigenaar van een der
salpetermijnen. Het land is hier even onvruchtbaar als bij de kust,
maar door het graven van putten kan men water krijgen, dat eenigszins
brak en bitter van smaak is. Daar er bijna geen regen valt, is het
water blijkbaar niet hiervan afkomstig, want in dat geval moest
het zoo zout als pekel zijn, omdat de geheele omtrek met eene korst
van verschillende zoutachtige stoffen bedekt is. Wij moeten daaruit
besluiten, dat, hoewel de Cordilleras vele mijlen ver liggen, het
water van daar af onder den grond is doorgezijpeld. In die richting
liggen enkele dorpjes, waar de inwoners, in 't bezit van wat meer
water, eenig land kunnen besproeien en hooi verbouwen, waarmee zij
de ezels en muildieren voeden, die bij het salpetervervoer gebruikt
worden. Het natronsalpeter werd nu tot aan het schip verkocht voor
veertien shillings de honderd pond; de hoofdonkosten komen op het
vervoer er van naar de zeekust. De mijn bestaat uit eene harde,
tusschen twee en drie voet dikke laag van het salpeterzure zout,
vermengd met wat zwavelzure soda (Na2SO4) en zeer veel steenzout
(NaCl). Het ligt dicht bij de oppervlakte, en volgt over eene lengte
van honderd vijftig mijlen den rand eener groote dalkom of vlakte,
die, naar hare grenzen te oordeelen, blijkbaar eens een meer moet
zijn geweest, of, wat waarschijnlijker is, een landwaarts in zich
uitstrekkende zeearm, gelijk uit de aanwezigheid van jodiumzouten in
de zouthoudende laag zou mogen worden afgeleid.
[19 Juli.]
Wij ankerden in de Baai van Callao, de zeehaven van Lima, dat de
hoofdstad van Peru is. Hier bleven wij zes weken; maar wegens
de troebelen op staatkundig gebied, zag ik zeer weinig van het
land. Tijdens den geheelen duur van ons bezoek was het klimaat op verre
na zoo aangenaam niet, als meestal wordt voorgesteld. Eene donkere,
zware wolkbank hing onafgebroken boven het land, zoodat ik gedurende
de eerste zestien dagen slechts eens de Cordilleras achter Lima in
't oog kreeg. De aanblik dezer bergen, zooals ik hen door openingen in
de wolken in verdiepingen boven elkander zag, was zeer grootsch. Het
is bijna spreekwoordelijk, dat in het lagere gedeelte van Peru nooit
regen valt. Toch kan dit moeilijk juist zijn, want bijna elken dag
van ons bezoek hing er een dikke, natte mist, wel in staat om de
straten modderig en de kleêren vochtig te maken. Het volk belieft dit
Peruaanschen dauw te noemen! Dat er niet heel veel regen valt, is zeer
zeker; want de huizen zijn slechts met platte daken van geharde modder
gedekt; en op den havendam waren scheepsladingen tarwe opgestapeld,
die zoo weken lang zonder eenige beschutting werden gelaten.
Ik kan niet zeggen, dat het zeer weinige wat ik van Peru zag, mij
beviel; doch men beweert, dat het klimaat des zomers veel aangenamer
is. In alle jaargetijden lijden zoowel inwoners als vreemdelingen
aan hevige aanvallen van koorts. Deze ziekte komt voor langs de
geheele Peruaansche kust, maar is in het binnenland onbekend. De
ziekte-aanvallen, die door smetstof ontstaan, zijn altijd hoogst
geheimzinnig van aard. Het is zóó moeilijk uit het voorkomen van een
land te beoordeelen of het al dan niet gezond is, dat, zoo men iemand
gezegd had binnen de keerkringen een oord te kiezen, hetwelk voor de
gezondheid gunstig leek, hij zeer waarschijnlijk deze kust genoemd zou
hebben. De vlakte, welke het gebied van Callao omgeeft, is spaarzaam
met grof gras bedekt; en op sommige punten zijn enkele, ofschoon
zeer kleine plassen stilstaand water. Naar alle waarschijnlijkheid
ontstaat daaruit de smetstof; want de stad Arica verkeerde in dezelfde
omstandigheden, en door het droogleggen van enkele kleine plassen werd
hare gezondheidstoestand zeer verbeterd. Miasma ontstaat niet altijd
door den invloed van een heet klimaat op een weligen plantengroei; want
vele gedeelten van Brazilië, zelfs die waar een krachtige plantengroei
gepaard gaat met moerassen, zijn veel gezonder dan deze onvruchtbare
kust van Peru. De dichtste wouden in eene gematigde luchtstreek,
zooals op het eiland Chiloë, schijnen op den gezondheidstoestand der
lucht niet den minsten invloed te hebben.
Het eiland St.-Jago van de Kaap-Verdische Eilanden is een ander sterk
sprekend voorbeeld van een land, dat naar ieders verwachting uitermate
gezond moest zijn, maar zeer het tegendeel daarvan is. Bij den aanvang
van dit boek heb ik gezegd, dat de kale en open vlakten gedurende
eenige weken na het regenseizoen een lichten plantengroei bezitten,
die onmiddellijk verwelkt en verdroogt; in dezen tijd schijnt de lucht
geheel vergiftigd te worden, want dikwijls hebben zoowel inboorlingen
als vreemdelingen van hevige koortsen te lijden. Daarentegen is
de Galápagos-Archipel, in den Stillen Oceaan met een dergelijken,
periodiek aan hetzelfde plantengroei-proces onderworpen bodem, volmaakt
gezond. Humboldt heeft opgemerkt, dat in de heete luchtstreek "de
kleinste moerassen het gevaarlijkst zijn, wanneer zij, zooals te Vera
Cruz en Carthagena, omringd zijn door een dorren zandgrond, die de
temperatuur der omringende lucht doet stijgen." [301] Op de kust van
Peru is de temperatuur echter niet bijzonder hoog, en zijn misschien
daardoor de intermitteerende koortsen niet van de boosaardigste
soort. In alle ongezonde landen loopt men het grootste gevaar door
op het strand te slapen. Is dit te wijten aan de gesteldheid van het
lichaam gedurende den slaap, of aan eene grootere hoeveelheid smetstof
op zulke tijden? Het schijnt een feit te wezen, dat zij die aan boord
van een schip blijven, ook al ligt dit op slechts korten afstand van
de kust voor anker, in 't algemeen minder lijden, dan zij die op het
strand zijn. Daarentegen heb ik een merkwaardig geval gehoord, dat er
koorts uitbrak onder de bemanning van een oorlogsschip op ongeveer
honderd mijlen van de Afrikaansche kust, op denzelfden tijd toen te
Sierra Leone een van de gevreesde sterfte-perioden begon. [302]
Sedert de onafhankelijkheidsverklaring [303] heeft geen Staat in
Zuid-Amerika meer van anarchie te lijden gehad, dan Peru. Tijdens
ons bezoek streden vier aanvoerders gewapenderhand om de oppermacht
in de regeering. Kreeg een hunner voor eenigen tijd veel macht, dan
spanden de anderen tegen hem samen; maar nauwelijks behaalden dezen de
overwinning, of zij werden elkander weer vijandig. Den volgenden dag,
op het Jaarfeest der Onafhankelijkheid, werd eene hoogmis gevierd,
waarbij de president het sacrament gebruikte. Nu had onder het Te
Deum laudamus het ongehoorde feit plaats, dat elk regiment in stede
van de Peruaansche vlag, eene zwarte vlag waarop een doodshoofd
stond, ontplooide. Denk u eene regeering, waaronder bij zulk eene
plechtige gelegenheid bevel kan worden gegeven tot eene vertooning,
welke op zoo sprekende wijze getuigde van hunne vastbeslotenheid om
zich dood te vechten! Deze staat van zaken heerschte op een voor
mij zeer ongelukkigen tijd, daar ik verhinderd werd uitstapjes te
doen ver buiten de grenzen der stad. Het kale eiland San Lorenzo,
dat de haven vormt, was bijna de eenige plek waar men veilig kon
rondloopen. Het bovendeel, ter hoogte van ongeveer 1000 voet,
ligt gedurende dit jaargetijde (des winters) beneden de onderste
wolkengrens; en dientengevolge bedekt een rijkdom van kryptogamen,
benevens enkele bloemen den top. Op de heuvels bij Lima, waar de grond
slechts weinig hooger is, vindt men dien bedekt met een tapijt van
mos en bedden prachtige gele leliën, Amancaes geheeten. Dit wijst
op een veel hoogeren graad van vochtigheid, dan er heerscht op een
gelijke hoogte te Iquique. Verder noordwaarts boven Lima wordt het
klimaat vochtiger, totdat wij aan de oevers van Guayaquil (Ecuador),
bijna onder den evenaar, de weligst begroeide wouden vinden. Volgens
de beschrijving, echter, geschiedt deze overgang van de onvruchtbare
Peruaansche kust tot dit vruchtbare land eenigszins plotseling op de
breedte van Kaap Blanco, twee graden ten zuiden van Guayaquil.
Callao is eene morsige, slecht gebouwde, kleine zeehaven. Zoowel
hier, als te Lima, vertoonden de inwoners alle denkbare tinten
van vermenging tusschen Europeesch, Neger en Indiaansch bloed. Zij
schijnen een verbasterd, verloopen slag van menschen. De lucht is
vervuld met kwade geuren, en die eigenaardige reuk, welke in bijna
iedere stad binnen de keerkringen kan worden waargenomen, was hier
zeer sterk. Het fort, dat het langdurige beleg van Lord Cochrane
doorstond, [304] heeft een indrukwekkend voorkomen. Maar tijdens ons
verblijf verkocht de president de koperen kanonnen, en begon enkele
gedeelten te ontmantelen. Als reden daarvan werd opgegeven, dat hij
geen officier had, dien hij het bevel over zulk een gewichtigen post
kon toevertrouwen. Persoonlijk had hij alle redenen om zoo te denken,
daar hij het presidentschap had verworven door muiterij te plegen
terwijl hij commandant was van dezelfde vesting! Na ons vertrek uit
Zuid-Amerika kreeg hij zijne straf op de gewone manier: door eerst
te worden overwonnen, toen gevangen genomen, en eindelijk onthoofd.
Lima ligt op eene vlakte midden in eene vallei, die gedurende het
langzame wijken der zee gevormd is. Haar afstand tot Callao bedraagt
zeven mijlen, en hare hoogte boven deze plaats 500 voet; maar wijl de
glooiing zeer geleidelijk is, schijnt de weg volkomen horizontaal. Dit
verklaart waarom men, te Lima gekomen, moeilijk zelfs kan gelooven dat
men één honderd voet gestegen is. Humboldt heeft op dit eigenaardige,
bedriegelijke feit gewezen. Steile, kale heuvels verrijzen als eilanden
uit de vlakte, die door rechte modderbanken in groote, groene velden
is verdeeld. Met uitzondering van enkele wilgen, en hier en daar eene
groep banaan- en oranjeboomen, groeit op deze velden bijna geen enkele
boom. De stad Lima verkeert nu in een treurigen staat van verval;
de straten zijn bijna ongeplaveid, en in alle richtingen ontwaart men
hoopen vuil, waaruit de zwarte gallinazos, tam als kippen, stukken aas
oppikken. De huizen hebben in 't algemeen eene bovenverdieping, die om
de aardbevingen van gepleisterd houtwerk is gemaakt; maar eenige oude,
welke nu door verscheidene familiën bewoond worden, zijn verbazend
groot en zouden in hunne rijen van vertrekken met de fraaiste huizen
van elders kunnen wedijveren. Lima, de Stad der Koningen, moet weleer
eene weelderige stad geweest zijn. Het bijzonder groot aantal kerken
geeft haar, zelfs nog heden, een eigenaardig en treffend karakter,
vooral wanneer men dit alles van nabij ziet.
Op zekeren dag ging ik met eenige kooplieden in de onmiddellijke
nabijheid der stad op jacht. Onze vangst was zeer karig; maar
ik had gelegenheid de puinhoopen van een oud Indiaansch dorp te
zien, met zijn grafheuvel, evenals een natuurlijke heuvel, in het
midden. De overblijfsels der huizen, omheiningen, besproeiingskanalen
en grafheuvels, welke over deze vlakte verspreid liggen, laten niet
na den bezoeker een hoog denkbeeld te geven van de maatschappelijke
welvaart en de talrijkheid der oude bevolking. Let men op hun
aardewerk, wollen kleederen en sierlijk gevormd keukengereedschap van
het hardste gesteente; op hunne koperen werktuigen, versieringen van
edelgesteenten, hunne paleizen en waterleidingwerken--dan moet men
wel eerbied koesteren voor de verbazende vorderingen, door hen in
de beschavingskunsten gemaakt. De grafheuvels, Huacas genaamd, zijn
inderdaad verbazingwekkend, al schijnen zij ook op sommige plaatsen
natuurlijke heuvels te wezen, die afgestoken en vervormd zijn. Men
vindt hier nog eene andere en zeer verschillende soort van ruïnen,
welke eenige belangstelling verdienen, namelijk die van oud Callao,
dat door eene zeegolf die de groote aardbeving van 28 October 1746
vergezelde, overstroomd werd. [305] De verwoesting moet toen zelfs nog
grooter geweest zijn dan te Talcahuano. Hoopen grof keizand verbergen
bijna de fundamenten der muren, en groote stukken metselwerk schijnen
als kiezelsteenen door de golven rondgedraaid te zijn. Men heeft
beweerd, dat het land tijdens deze gedenkwaardige aardbeving zonk
(dat een deel der kust bij Callao in eene baai veranderde, zegt Lyell
duidelijk in zijne Principles of Geology); maar hiervan kon ik geen
bewijs ontdekken. Toch lijkt mij dit verre van onwaarschijnlijk;
want sedert de stichting der oude stad moet de kust zeker eenige
verandering ondergaan hebben, daar niemand, die bij zijn gezonde
verstand is, vrijwillig de smalle strook zand tot woonplaats zou
hebben gekozen, waarop nu de puinhoopen staan. Sedert onze reis,
is Tschudi door vergelijking van oude en nieuwe kaarten tot de
gevolgtrekking gekomen, dat de kust ten noorden en ten zuiden van
Lima zonder twijfel gezonken is.
Op het eiland San Lorenzo zijn zeer voldoende bewijzen van
landrijzing in het hedendaagsche tijdperk--wat natuurlijk niet in
strijd is met de meening, dat later eene kleine daling van den grond
heeft plaats gehad. De zijde van het eiland tegenover de Baai van
Callao is in drie onduidelijke terrassen uitgehold, waarvan het
onderste eene mijl ver bedekt is met eene bedding of laag, bijna
geheel uit schelpen bestaande, die tot 18 thans in de naburige
zee levende soorten behooren. De hoogte dezer bedding bedraagt 85
voet. Vele van deze schelpen zijn ver weggeteerd, en zien er veel
ouder en verweerder uit, dan die op 500 of 600 voet hoogte op de
kust van Chili. Zij zijn vergezeld van veel steenzout, een weinig
zwavelzure kalk (beiden vermoedelijk ontstaan door indroging en
verdamping van het zeeschuim, terwijl het land langzaam rees),
benevens zwavelzure soda en chloorcalcium (CaCl2). Zij rusten op
brokstukken van den onderliggenden zandsteen, en zijn eenige inches
dik met rotspuin bedekt. De hooger op dit terras liggende schelpen
bleken, bij onderzoek, af te schilferen en vielen tot een fijn poeder
uiteen. Eindelijk vond ik op een boventerras, ter hoogte van 170 voet,
alsmede op eenige aanmerkelijk hoogere punten, eene laag zoutachtig
poeder van volmaakt hetzelfde voorkomen, en betrekkelijk evenzoo
gelegen. Ik twijfel niet of deze bovenlaag vormde oorspronkelijk eene
bedding schelpen, evenals die op de 85 voet hooge klip; maar thans
bezit zij geen spoor meer van organische structuur. De heer Reeks heeft
het poeder voor mij onderzocht: het bestond uit sulphaten en chloriden
van calcium en natrium, met zeer geringe bijmengsels van koolzure
kalk. Het is bekend, dat groote hoeveelheden steenzout en koolzure
kalk, eenigen tijd vermengd zijnde, elkander gedeeltelijk ontleden,
wat echter met kleine opgeloste hoeveelheden niet gebeurt. Daar
de half vergane schelpen in de lagere gedeelten vergezeld zijn van
veel steenzout, benevens eenige van de zouthoudende stoffen die de
zoutachtige bovenlaag vormen; daar verder deze schelpen op merkwaardige
wijze verteerd en vervallen zijn, vermoed ik sterk, dat deze dubbele
ontleding hier heeft plaats gehad. In dat geval moeten de resulteerende
zouten zijn: koolzure soda en chloorcalcium, waarvan het laatste wèl,
het eerste niet aanwezig is. Dit leidt mij tot de onderstelling,
dat de koolzure soda door tot nu toe onverklaarbare werkingen in het
zwavelzure zout wordt omgezet. Het is duidelijk, dat de zoutlaag niet
bewaard had kunnen blijven in een land, waar nu en dan overvloedig
regen valt; maar tevens is juist deze omstandigheid--namelijk, dat het
steenzout niet is weggespoeld geworden--welke op het eerste gezicht
zoo uiterst gunstig lijkt voor het langdurige behoud van onbeschutte
schelpen, waarschijnlijk de zijdelingsche oorzaak geweest van hare
ontbinding en vroegtijdig verval.