Daar wij in dit gedeelte van het ravijn weinig belangrijks vonden,

richtten wij onze schreden weder naar het huis van Don Benito, waar

ik twee dagen bleef, en hout en schelpdieren verzamelde. Groote

versteende boomstammen, die in een conglomeraat begraven lagen,

werden in buitengewoon aantal gevonden. Ik mat er een, die vijftien

voet in omtrek was. Hoe verwonderlijk toch, dat elke molecule houtstof

in dezen grooten cilinder zoo volkomen door kiezel is verdreven en

vervangen, dat alle vezels en poriën bewaard zijn gebleven! Deze

boomen bloeiden ongeveer in het tijdperk van de Lagere Witte Kalk

(Lower White Chalk) in Engeland, en behoorden alle tot het geslacht

der dennen. Het was vermakelijk de inwoners over de schelpdieren,

die ik verzamelde, in bijna dezelfde woorden te hooren spreken, als

men eene eeuw geleden in Europa deed, namelijk: of zij al dan niet zoo

"door de natuur" geschapen waren. Mijn geologisch onderzoek van het

land wekte in 't algemeen heel wat verwondering onder de Chileenen;

en lang duurde het eer zij overtuigd konden worden, dat ik niet op

mijnen kwam jacht maken. Dit was somtijds lastig. Toen ontdekte ik,

dat de beste manier om het doel van mijn werk te verklaren was, hun

te vragen hoe het toch kwam, dat zij zelven niet nieuwsgierig waren

naar aardbevingen en vulkanen; waarom sommige bronnen heet en andere

koud waren; waarom er in Chili bergen waren, en in La Plata zelfs geen

heuvel. Deze eenvoudige vragen stelden de meesten terstond tevreden

en brachten hen tot zwijgen; maar sommigen dachten (evenals eene

eeuw geleden enkele lieden in Engeland), dat al zulke onderzoekingen

ijdel en goddeloos waren, en dat het geheel voldoende was te weten,

dat God de bergen zoo gemaakt had.

Onlangs was een bevel uitgevaardigd om alle losloopende honden af te

maken; en zoo zagen wij er velen dood op den weg liggen. Dit bevel

was een gevolg van het groot aantal gevallen van dolheid, waarbij

vele personen door honden gebeten en gestorven waren. Watervrees of

hondswoede heeft verscheidene malen in deze vallei geheerscht. Het is

merkwaardig, dat zulk eene zonderlinge en vreeselijke ziekte van tijd

tot tijd op dezelfde afgelegen plek verschijnt. Men heeft opgemerkt,

dat ook in Engeland sommige dorpen veel meer aan deze bezoeking

blootstaan, dan andere. Dr. Unanuè zegt, dat zij in Midden-Amerika

uitbrak, en langzaam zuidwaarts trok. In 1807 bereikte zij Arequipa,

waar, naar men zegt, sommige personen die niet gebeten waren werden

aangetast, evenals eenige negers, die van een aan watervrees

gestorven jongen os gegeten hadden. Te Ica stierven 42 menschen

aldus een ellendigen dood. De ziekte kwam tusschen de twaalf en

negentig dagen na den beet op; en in al de gevallen dat zij optrad,

volgde de dood onveranderlijk vijf dagen later. Na 1808 volgde een

lang tijdperk zonder ziektegevallen. Bij onderzoek vernam ik, dat

op Van Diemensland, of in Australië geen watervrees bekend was; en

Burchell zegt, dat hij gedurende zijn vijfjarig verblijf aan de Kaap

de Goede Hoop er nooit van gehoord heeft. Webster beweert, dat op de

Azoren nooit watervrees is voorgekomen, en hetzelfde wordt gezegd van

Mauritius en Sint Helena. [292] Voor zulk eene vreemde ziekte zou men

mogelijk eenige opheldering kunnen vinden door de omstandigheden na

te gaan, waaronder zij in verwijderde klimaten ontstaat; want het is

onwaarschijnlijk, dat een reeds gebeten hond naar deze verre landen

overgebracht zou zijn.

Des nachts kwam een vreemdeling aan het huis van Don Benito, en vroeg

verlof om te slapen. Hij zeide, dat hij verdwaald was en zeventien

dagen lang door het gebergte had gezworven. Uit Huasco vertrokken,

en aan het reizen in de Cordilleras gewoon, verwachtte hij geen

moeilijkheden te ondervinden als hij het spoor naar Copiapó volgde;

doch spoedig geraakte hij in een doolhof van bergen verdwaald,

waar hij niet uit kon komen. Eenige van zijne muildieren waren in

afgronden gevallen, en hij had in groote verlegenheid verkeerd. De

hoofdoorzaak van zijn tegenspoed was, dat hij niet wist waar hij in

het laagland water zou vinden, zoodat hij genoodzaakt werd den zoom

der centrale keten te volgen.

Wij daalden weêr de vallei af, en bereikten op 22 Juni de stad

Copiapó. Het ondereinde der vallei is breed, en vormt eene fraaie

vlakte evenals de Quillota-vallei. De stad beslaat eene aanzienlijke

oppervlakte, doordien elk huis een tuin bezit; maar zij is ongezellig,

zonder gerief, en de woningen zijn armoedig gemeubeld. Elk, die

er komt, schijnt slechts één doel te hebben, nl. fortuin te maken,

en dan zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Alle bewoners zijn meer

of minder rechtstreeks bij de mijnen betrokken; en mijnen en ertsen

zijn de eenige onderwerpen van gesprek. Behoeften van allerlei aard

zijn uiterst duur, wijl de afstand van de stad tot de haven achttien

leagues bedraagt, [293] en een landvoertuig zeer kostbaar is. Eene

kip kost vijf of zes shillings; vleesch is bijna even duur als in

Engeland; brandhout, of liever takken worden twee of drie dagreizen

ver op ezels uit de Cordilleras gehaald, en het weiden van dieren kost

één shilling daags. Dit alles is voor Zuid-Amerika buitensporig duur.

[26 Juni.]

Ik huurde een gids en acht muildieren, om mij langs een anderen weg

dan op den vorigen tocht naar de Cordilleras te brengen. Daar het

land volkomen woest was, namen wij anderhalve vracht gerst mede,

vermengd met gehakt stroo. Omstreeks twee leagues boven de stad

ontspringt eene breede vallei, genaamd El Despoblado (De Onbewoonde),

uit die, waardoor wij gekomen waren. Hoewel eene vallei van de grootste

afmetingen, die rechtstreeks naar een pas over de Cordilleras leidt,

is zij geheel droog, behalve misschien gedurende enkele dagen in een

zeer regenachtigen zomer. Bijna geen enkel ravijn doorsneed de zijden

der afbrokkelende bergen, en de met grof keizand gevulde bodem der

hoofdvallei was effen en bijna vlak. Geen stroom van eenige beteekenis

kon ooit over deze grintbedding gevloeid hebben; want ware dit het

geval geweest, dan zou stellig, evenals in alle zuidelijke valleien,

een groot door klippen begrensd kanaal gevormd zijn. Weinig twijfel ik

er aan, of deze vallei werd bij de langzame rijzing van het land, door

de golven der zee in den toestand gelaten, waarin wij haar nu zien,

evenals het geval was met eenige valleien in Peru, waarvan de reizigers

melding maken. Op eene plek, waar in de Despoblado een ravijn uitmondde

(dat in bijna elke andere keten eene groote vallei genoemd zou zijn),

merkte ik op, dat hare bedding, ofschoon alleen uit zand en grint

bestaande, hooger was dan die van het zijravijn. Een riviertje of zelfs

eene beek zou zich in den loop van een uur een doorweg hebben gegraven;

maar blijkbaar waren geheele tijdperken voorbijgegaan, zonder dat

zulk een riviertje dit zijravijn bespoeld had. Het was belangwekkend

het geheele bespoelingsmechanisme (indien zulk een woord gebruikt mag

worden) tot in de kleinste bijzonderheden compleet te zien, doch zonder

eenig teeken van werking. Ieder zal hebben opgemerkt hoe modderbanken,

door het dalend getij achtergelaten, in het klein een land met bergen

en dalen nabootsen; hier hebben wij het oorspronkelijke model in steen,

zooals het gevormd werd bij de rijzing van het vasteland, gedurende

de eeuwenlange terugvloeiing der zee, in plaats van gedurende het

ebben en wassen der getijen. Indien eene regenbui op de drooggelegde

modderbank valt, verdiept zij de reeds gevormde ondiepe uithollingen;

en hetzelfde geschiedt door den regen, eeuw aan eeuw, op de bank van

steen en aarde, die wij "vastland" noemen.

Toen het donker was reden wij voort, totdat wij een zijravijn bereikten

met eene kleine put of wel, Agua amarga (Bitter water) geheeten. Het

water verdiende dien naam, want het was niet alleen zoutachtig,

maar ook bedorven en bitter, zoodat wij er geen thee of maté van

durfden koken. Ik onderstel, dat de afstand van de rivier de Copiapó

tot deze plek minstens 25 of 30 Engelsche mijlen bedroeg; over die

gansche ruimte was geen enkele druppel water, en het land verdiende

den naam van "woestijn" ten volle. Toch kwamen wij ongeveer halfweg,

bij Punta Gorda, voorbij eenige Indiaansche ruïnen; meer nog--recht

voor den ingang van sommige in de Despoblado uitmondende valleien

bespeurde ik twee stapels steenen, die eenigszins zijwaarts gelegen,

zóó waren gericht, dat zij op de ingangen dezer kleine valleien

wezen. Mijne metgezellen wisten hier niets van, en beantwoordden

mijne vragen slechts met hun onveranderlijk: "quien sabe!"

Indiaansche puinhoopen ontdekte ik in verscheidene gedeelten van

de Cordilleras; de meest volledige, die ik zag, waren de Ruinas

de Tambillos in den Uspallata-pas. Deze bestonden uit kleine

vierkante kamers, die op slordige wijze hier en daar in groepen

waren samengehoopt. Sommige deuren stonden nog overeind, en werden

gevormd door een overdwarschen platten steen van slechts drie voet

hoogte. Ulloa heeft op de lage deuren bij de oude Peruaansche woningen

opmerkzaam gemaakt. In volledigen vorm moeten deze ruïnen in staat

zijn geweest een groot aantal personen te bevatten. De overlevering

zegt, dat zij dienden als rustpunten voor de Incas op hunne tochten

over de bergen. Sporen van Indiaansche woningen zijn op vele andere

plaatsen ontdekt, waar het niet waarschijnlijk lijkt, dat zij

alleen tot rustpunten dienden, maar waar toch het land even volkomen

ongeschikt is voor elke soort van cultuur, als bij de Tambillos, bij

de Inca-brug, of in den Portillo-pas; op al welke plaatsen ik ruïnen

zag. In het ravijn Jajuel, bij Aconcagua, waar geen pas is, hoorde ik

spreken van puinhoopen van huizen, die op eene groote hoogte lagen,

waar het buitengewoon koud en onvruchtbaar is. Eerst verbeeldde ik mij,

dat deze gebouwen schuilplaatsen waren geweest, door de Indianen bij de

eerste komst der Spanjaarden gebouwd; doch later ben ik gaan gelooven,

dat er vermoedelijk eene geringe klimaatverandering heeft plaats gehad.

In dit noordelijke gedeelte van Chili, zegt men, zijn oude Indiaansche

huizen in de Cordilleras bijzonder talrijk. Bij het graven tusschen

de puinhoopen worden niet zelden lapjes wollen stoffen, kostbare

metalen werktuigen en hoopjes Indiaansch koren ontdekt. Eens gaf

men mij een pijlpunt, van agaat gemaakt, en geheel van denzelfden

vorm als nu in Vuurland wordt gebruikt. Ik weet, dat de Peruaansche

Indianen nu menigmaal de hoogste en guurste plaatsen bewonen; maar

te Copiapó werd mij door lieden, die hun leven met reizen in de Andes

hadden doorgebracht, verzekerd, dat er zeer vele (muchisimas) gebouwen

gevonden werden op plaatsen zoo hoog, dat zij bijna tot de sneeuwgrens

reiken, en op punten waar geen passen zijn; waar het land volstrekt

niets voortbrengt, en wat nog merkwaardiger is: waar geen water

is. Niettemin zijn de landlieden (ofschoon met het geval zeer verlegen)

wegens het voorkomen der huizen van meening, dat de Indianen hen als

woonplaatsen moeten gebruikt hebben. Te Punta Gorda, in deze vallei,

bestonden de overblijfsels uit zeven of acht vierkante kleine kamers,

van een dergelijken vorm als die te Tambillos, doch voornamelijk van

modder gebouwd en zoo stevig, dat de hedendaagsche bewoners, hetzij

hier of (volgens Ulloa) in Peru, ze niet kunnen namaken. Zij stonden

op de meest zichtbare en onbeschermde plek, in de kom der breede,

vlakke vallei. Water was er niet binnen een kring van minstens drie

of vier leagues, en dan nog in zeer geringe hoeveelheid en slecht;

de grond was volkomen onvruchtbaar; zelfs zocht ik te vergeefs een

mosplantje op de rotsen. Tegenwoordig kan eene mijn, die het voordeel

heeft met lastdieren te werken, bijna niet met winst geëxploiteerd

worden, tenzij zij zeer rijk is. En zulk een oord kozen de Indianen

voorheen tot woonplaats! Indien er nu elk jaar twee of drie regenbuien

vielen, in plaats van ééne zooals sinds vele jaren het geval is,

zou in deze groote vallei waarschijnlijk een beekje worden gevormd;

en door bevloeiing (eene kunst, welke de Indianen voorheen zoo goed

verstonden) zou de grond dan gemakkelijk vruchtbaar genoeg worden

gemaakt, om enkele gezinnen te voeden.

Ik heb overtuigende bewijzen, dat dit deel van het vasteland van

Zuid-Amerika sedert het tijdvak der levende schelpdieren, bij de

kust minstens 400 tot 500 voet, en in sommige gedeelten 1000 tot

1300 voet gerezen is; dieper landwaarts in is de rijzing mogelijk nog

grooter geweest. Daar het buitengewoon dorre karakter van het klimaat

blijkbaar een gevolg is van de hoogte der Cordilleras, kunnen wij er

bijna zeker van zijn, dat de dampkring vóór de laatste rijzing niet

zoo geheel van vocht beroofd was, als nu het geval is; en daar de

rijzing trapswijze is geschied, zou ook het klimaat aldus veranderd

zijn. Volgens deze meening--eene klimaatverandering sedert de gebouwen

bewoond werden--moeten de ruïnen een zeer hoogen ouderdom hebben. Dat

zij zoo lang bewaard konden blijven, acht ik onder het klimaat van

Chili niet zoo moeilijk. Volgens dit begrip moeten wij ook aannemen

(en dit is wellicht moeilijker), dat de mensch sinds een onmetelijk

langen tijd Zuid-Amerika bewoond heeft, daar eene klimaatverandering

ten gevolge van de landrijzing een uiterst langzaam verloop moet

hebben gehad. Te Valparaiso is de rijzing in de laatste 220 jaren

iets minder dan 19 voet geweest; te Lima is eene zeekust gedurende de

Indiaansche periode van het Quartaire of Anthropozoïsche Tijdvak van

80 tot 90 voet gerezen; maar zulke kleine wijzigingen konden weinig

bij machte zijn de vocht-aanbrengende luchtstroomen van richting te

doen veranderen. Inmiddels heeft Dr. Lund in de holen van Brazilië

menschengeraamten ontdekt, waarvan het uiterlijk hem tot de meening

bracht, dat het Indiaansche ras sedert een lang tijdsverloop in

Zuid-Amerika bestaan heeft. [294]

Toen ik te Lima was, besprak ik dit onderwerp met den civiel-ingenieur

Gill, die veel van het binnenland gezien had. [295] Hij vertelde mij,

dat de onderstelling aangaande eene klimaatverandering somtijds bij

hem was opgekomen; maar dat hij dacht, dat het grootste deel van het

land, hetwelk nu ongeschikt voor cultuur doch met Indiaansche ruïnen

bedekt is, tot dezen staat was vervallen, doordien waterleidingen, die

de Indianen voorheen op zulk eene grootsche schaal hadden aangelegd,

door verwaarloozing en onderaardsche bewegingen beschadigd waren

geworden. Ik wil hier opmerken, dat de Peruanen werkelijk hunne

bewateringstroomen door tunnels leidden, die zij door harde steenen

bergen groeven. Mr. Gill vertelde mij, dat hij ambtshalve geroepen was

er een te onderzoeken; de tunnel was laag, smal, gebogen en ongelijk

van breedte, maar bezat eene zeer aanzienlijke lengte. Is het niet

hoogst verwonderlijk, dat menschen zulke werken hebben ondernomen,

zonder het gebruik van ijzer of kruit? Ook vertelde Gill mij een

zeer belangwekkend en, voorzoover ik weet, geheel ongeëvenaard geval,

dat eene onderaardsche storing de waterafvoer van een land gewijzigd

had. Op reis van Casma naar Huarez (niet ver van Lima) vond hij eene

vlakte, bedekt met puinhoopen, maar niet geheel onvruchtbaar. Dicht

daarbij was de droge bedding eener belangrijke rivier, waardoor het

bevloeiingswater voorheen was aangevoerd. Uiterlijk vertoonde het

rivierbed alle kenteekenen, dat de stroom hier vóór enkele jaren

gevloeid had; op sommige plaatsen waren zand- en keisteenlagen

gespreid; elders was het vaste gesteente tot een breed kanaal

uitgehold, dat op ééne plek omstreeks 40 yards breed en 8 voet diep

was. Het is wel duidelijk, dat iemand, die een stroomloop opwaarts

volgt, altijd onder eene meer of minder groote helling zal stijgen. Men

kan zich dus de verwondering van Gill voorstellen, toen hij de bedding

dezer oude rivier opgaande, plotseling ontdekte, dat hij eene hoogte

afging. Hij onderstelde, dat deze dalende glooiing een loodrechten val

had van omtrent 40 of 50 voet. Hier hebben wij dus een ondubbelzinnig

bewijs, dat schrijlings over eene oude stroombedding een rif of

rotskam omhoog is geheven. Van af het oogenblik, dat het rivierbed

aldus gewelfd werd, moest het water noodzakelijk wegvloeien en zich

een nieuw kanaal graven. Maar tegelijk moest ook de naburige vlakte

haar vruchtbaar makenden stroom verliezen, en eene woestijn worden.

[27 Juni.]

Vroeg in den morgen gingen wij op weg, en bereikten tegen den middag

het ravijn van Paypote, waarin eene zeer kleine beek stroomt, en

waar eenige plantengroei is, o.a. zelfs enkele algarroba-boomen

(eene soort van mimosa). [296] Doordien men hier brandhout had,

was er voorheen eene smeltoven gebouwd; en werkelijk vonden wij een

kluizenaar, die deze oven bewaakte, en geen andere bezigheid had,

dan op guanaco's te jagen. Des nachts vroor het sterk; maar wijl wij

overvloedig hout voor ons vuur hadden, sliepen wij warm.

[28 Juni.]

Wij vervolgden onzen langzaam stijgenden tocht door de vallei,

die nu in een ravijn veranderde. Gedurende den dag zagen wij

verscheidene guanaco's, alsmede het spoor van de Vicugna, eene na aan

de eersten verwante soort. Laatstgenoemd dier is in zijne leefwijze een

voortreffelijk bewoner van hooge bergstreken; zelden daalt het onder

de grens van eeuwige sneeuw, en houdt zich dus in een nog hooger en

onvruchtbaarder gebied op, dan het guanaco. Het eenige dier, dat wij

verder in vrij groot aantal zagen, was een kleine vos; ik onderstel

dat deze laatste op muizen en andere kleine knaagdieren jacht maakt,

die in groot aantal op zeer woeste plaatsen leven, zoolang er nog een

spoor van plantengroei is. In Patagonië wemelt het van deze kleine

dieren, zelfs op de grenzen der salinas, waar nooit een druppel water

te vinden is, behalve dauw. Na de hagedissen, schijnen muizen het

best in staat te zijn op de kleinste en droogste plekken der aarde

voedsel te vinden--zelfs op eilandjes midden in de groote oceanen.

Aan beide zijden vertoonde het landschap eene troostelooze

verlatenheid, welke in het licht der heldere, onbewolkte lucht

scherp en tastbaar uitkwam. Voor een poos maakt zulk een landschap

een grootschen indruk; maar deze kan niet duren, en dan wordt het

onbelangwekkend. Wij bivouakeerden aan den voet der primera linea of

eerste linie van waterscheiding. Aan den oostkant vloeien de stroomen

echter niet naar den Atlantischen Oceaan, doch naar eene hoogvlakte,

in welker midden eene groote salina of zoutmeer ligt, en vormen

zoo op eene hoogte van misschien tien duizend voet eene Kaspische

Zee in 't klein. Op de plek, waar wij sliepen, lagen eenige groote

sneeuwvelden, die echter niet het geheele jaar duren. In deze hooge

streken gehoorzamen de winden aan zeer regelmatige wetten; elken dag

waait eene frissche koelte uit de vallei opwaarts, en des avonds--een

uur of twee na zonsondergang--daalt de lucht uit de koude bovenstreken

als door een trechter omlaag. Dezen nacht woei er eene stijve bries,

en moest de temperatuur ver onder het vriespunt geweest zijn, daar het

water in onze kan spoedig één blok ijs werd. Tegen zulk eene lucht

schenen kleêren geen beschutting te bieden, want ik leed zeer veel

koude, zoodat ik niet kon slapen en des morgens geheel verstijfd en

verkleumd opstond.

Verder zuidwaarts in de Cordilleras komen sommige lieden door

sneeuwstormen om het leven; hier bezwijkt men door eene andere

oorzaak. Toen mijn gids een jongen van 14 jaren was, trok hij met

een gezelschap in de maand Mei de Cordilleras over. In de centrale

gedeelten gekomen, stak een hevige storm op, zoodat de mannen met

moeite op hunne muildieren konden blijven, terwijl de steenen over den

grond vlogen. De lucht was onbewolkt, en er viel geen vlokje sneeuw;

maar de temperatuur was laag. Waarschijnlijk heeft de thermometer niet

heel veel graden onder het nulpunt gestaan; toch moet de uitwerking op

hunne lichamen, door de kleeding slecht beschut, evenredig geweest zijn

aan de snelheid van den kouden luchtstroom. De storm duurde ruim een

dag lang; de mannen voelden hunne krachten afnemen, en de muildieren

wilden niet verder. De broeder van mijn gids poogde terug te keeren,

maar kwam om het leven; en twee jaren later vond men zijn lijk dicht

bij den weg naast zijn muildier liggen, met den teugel nog in zijne

hand. Twee andere mannen van den troep verloren vingers en teenen;

en van de tweehonderd muildieren en dertig koeien brachten slechts

veertien er het leven af. Vele jaren geleden is een groot gezelschap

vermoedelijk door eene dergelijke oorzaak omgekomen; maar hunne

lijken zijn tot heden niet gevonden. Eene onbewolkte lucht, gepaard

met lage temperatuur en een hevigen storm vormen een verschijnsel,

dat, naar ik denk, wel in alle werelddeelen als een ongewoon feit

zal worden beschouwd.

[29 Juni.]

Opgewekt daalden wij de vallei af naar ons verblijf van den vorigen

nacht, en van daar tot dicht bij de Agua amarga. Op den eersten Juli

bereikten wij de Copiapó-vallei. Recht aangenaam was ons de geur

der bloeiende klaver, na die lucht zoo arm aan geuren in de droge,

onvruchtbare Despoblado-vallei. Terwijl ik in de stad was, hoorde ik

verscheidene inwoners spreken van een heuvel in den omtrek, dien zij

El Bramador, den Bruller of Bulker noemden. Ik sloeg destijds niet

voldoende acht op dit verhaal; maar voor zoover ik hen begreep, was de

heuvel met zand bedekt, en werd het geluid alleen dan voortgebracht,

als menschen bij het beklimmen het zand in beweging brachten. Dezelfde

feiten zijn, op het gezag van Seetzen en Ehrenberg, [297] uitvoerig

beschreven als de oorzaak der geluiden, welke vele reizigers op

den Berg Sinaï bij de Roode Zee gehoord hebben. Een der personen,

die ik sprak, had zelf het geluid gehoord, en beschreef dit als zeer

wonderlijk; beslist verklaarde hij, dat, als kon hij niet begrijpen

hoe het eigenlijk veroorzaakt werd, het afrollen van het zand langs

de helling er toch noodzakelijk mede in verband moest staan. Wanneer

een paard over droog en grof zand loopt, ontstaat een eigenaardig

knarsend geluid ten gevolge van de wrijving der deeltjes. Dit feit,

aan de meesten bekend, nam ik verscheidene keeren waar op mijne

tochten langs de kust van Brazilië.

Drie dagen later hoorde ik, dat de Beagle de Haven was binnengeloopen,

welke achttien leagues van de stad ligt. Langs de glooiing der

vallei is weinig land in cultuur; en die geheele uitgestrektheid

bevat slechts een schraal, borstelig gras, dat zelfs ezels met

moeite kunnen eten. Deze armoedige plantengroei is een gevolg van

de hoeveelheid zoutachtige stof, waarvan de bodem doortrokken is. De

Haven bestaat uit eene vereeniging van kleine armoedige hutten, aan

den voet eener dorre vlakte gelegen. Tegenwoordig, nu de rivier genoeg

water bevat om de zee te bereiken, hebben de bewoners het voordeel,

dat er binnen een afstand van anderhalve mijl zoet water is. Op het

strand lagen groote stapels koopwaren, en het plaatsje vormde een

tooneel van groote bedrijvigheid. Des avonds zeide ik mijn metgezel

Mariano Gonzales, met wien ik zoo vele mijlen in Chili gereden had,

vaarwel en riep hem een hartelijk "tot weêrziens" toe. Den volgenden

morgen zette de Beagle koers naar Iquique.

[12 Juli.]

Wij ankerden in de haven van Iquique op 20°12' Z.B. aan de kust van

Peru. De stad telt ongeveer 1000 inwoners, [298] en ligt in eene kleine

zandvlakte aan den voet van een grooten, 2000 voet hoogen rotswand,

die hier de kust vormt. De geheele streek is uiterst woest. Slechts

eens in zeer vele jaren valt er eene kleine regenbui; dientengevolge

zijn de ravijnen gevuld met puin, en de berghellingen zelfs tot eene

hoogte van duizend voet met stapels fijn wit zand bedekt. In dezen

tijd van het jaar hangt er eene zware wolkbank boven den oceaan, die

zich zelden boven den rotswand aan de kust verheft. Het aanzien der

stad was allertreurigst; de kleine haven met hare weinige schepen,

en een groepje armzalige huisjes schenen buiten alle verhouding tot

het overige landschap, en zonken er geheel in weg.

De Reis om de Wereld · 第 36 / 56 段