Ik besteedde eenige dagen aan het onderzoeken van de trapvormige

grintterrassen, die het eerst door kapitein B. Hall zijn opgemerkt,

en volgens de meening van Charles Lyell, gedurende de trapswijze

verhooging van het land door de zee zijn gevormd. Dit is zeker de

juiste verklaring, want ik vond talrijke schelpen van bestaande

diersoorten op deze terrassen. Vijf smalle, zacht glooiende,

strookvormige terrassen verrijzen achter elkander, die daar waar

zij het best zijn ontwikkeld, uit keizand bestaan; zij liggen met

den voorkant naar de baai, en strekken zich aan weerszijden van de

vallei uit. Te Huasco, noordelijk van Coquimbo, openbaart zich dit

verschijnsel op eene veel grootere schaal, zoodat zelfs enkele inwoners

er verbaasd van staan. De terrassen, waarvan in sommige gedeelten zes,

maar in 't algemeen slechts vijf voorkomen, zijn daar veel breeder,

en kunnen als vlakten worden bestempeld; zij strekken zich tot

zeven en dertig mijlen van de kust uit. Deze trapvormige terrassen

of strooken komen veel overeen met die in de Santa-Cruz-vallei, en

met de groote terrassen langs de geheele kust van Patagonië, behalve

dat zij op kleinere schaal zijn. Ongetwijfeld zijn zij gevormd door

eene terugtrekkende beweging der zee, gepaard met of veroorzaakt door

eene trapswijze, door lange tijdperken van rust afgebroken rijzing

van het vasteland.

Schelpen van vele bestaande soorten liggen niet alleen aan de

oppervlakte der terrassen bij Coquimbo (op eene hoogte van 250

voet), maar ook begraven in een brokkelig kalkhoudend gesteente,

dat op sommige plaatsen tusschen de twintig en dertig voet dik is,

bij geringe uitgestrektheid. Deze quartaire lagen liggen op eene

oude tertiaire formatie, welker ingesloten schelpdieren naar het

schijnt alle zijn uitgestorven. Ofschoon ik zoowel aan den kant van

den Stillen, als van den Atlantischen Oceaan vele honderden mijlen

kustland onderzocht had, vond ik geen geregelde lagen met ingesloten

zeeschelpen van nieuwe soorten, behalve op deze plek en nog op enkele

punten noordwaarts langs den weg naar Huasco. Dit feit schijnt mij

hoogst merkwaardig toe; want de verklaring, die de geologen er in

't algemeen van geven, wanneer gelaagde fossielenhoudende afzettingen

uit een of ander tijdperk in een district ontbreken--namelijk: dat de

oppervlakte destijds als droog land bestond, is hier niet toepasselijk,

omreden de aan de oppervlakte verspreide en in los zand of pootaarde

ingesloten schelpen ons leeren, dat kort geleden het land duizenden

mijlen ver langs beide kusten onder zee heeft gelegen. De verklaring is

ongetwijfeld te zoeken in het feit, dat het geheele zuidelijke gedeelte

van het werelddeel sinds geruimen tijd langzaam rijzende is geweest,

en dat dus alle in ondiep water langs het strand afgezette stof spoedig

omhoog gebracht, en langzaam blootgesteld moet zijn geweest aan de

sloopende werking der vloedgolven. Alleen in betrekkelijk ondiep

water kunnen de meeste bewerktuigde zee-wezens tieren; en het is wel

duidelijk, dat zich in zulk water onmogelijk lagen van eenigszins

groote dikte kunnen ophoopen. Om aan te toonen welke verbazende kracht

de sloopende werking der vloedgolven bezit, behoeven wij slechts te

wijzen op de hooge klippen langs de tegenwoordige kust van Patagonië,

en op de steilten of oude zeeklippen, die aan dezelfde kustlijn op

verschillende hoogten, de eene boven de andere liggen.

De oude onderliggende tertiaire formatie te Coquimbo schijnt ongeveer

van gelijken ouderdom te zijn, als verschillende afzettingen op de kust

van Chili (waarvan die te Navidad de voornaamste is), en als de groote

Patagonische formatie. Zoowel te Navidad (Prov. Antofagasta) als in

Patagonië blijkt, dat sinds den tijd toen de daar begraven schelpdieren

leefden, [287] het land verscheidene voeten onder zee gezonken, en

vervolgens weer gerezen is. Terecht mag men vragen, hoe het komt,

dat, ofschoon aan weerszijden van het vasteland geen uitgestrekte

afzettingen met ingesloten versteeningen bewaard zijn, noch uit het

Quartaire Tijdvak, noch uit eene periode tusschen de quartaire en de

oude tertiaire formaties, er toch in deze oude tertiaire formatie

sedimentaire stof met ingesloten versteende overblijfsels, afgezet

en bewaard is op verschillende punten in noordelijke en zuidelijke

richtingen, over eene uitgestrektheid van 1100 mijlen aan de stranden

van den Stillen en minstens 1350 mijlen aan die van den Atlantischen

Oceaan, en bovendien van 700 mijlen in oost-westelijke richting

door het breedste gedeelte van het vasteland. Ik geloof, dat de

verklaring niet moeilijk, en misschien op ongeveer gelijksoortige, in

andere hoeken van de wereld waargenomen feiten toepasselijk is. Het

buitengewone denudatie-vermogen, dat de zee bezit en hetwelk door

tallooze feiten bewezen wordt, in aanmerking genomen, is het niet

waarschijnlijk, dat eene uit zee geheven sedimentaire afzetting de

werking der golven zóó kon doorstaan, dat ze in voldoende hoeveelheid

bewaard bleef om tot een ver tijdperk te duren--tenzij die afzetting

oorspronkelijk eene groote uitgestrektheid en eene aanzienlijke dikte

bezat. Nu is het onmogelijk, dat op een betrekkelijk ondiepen bodem,

die voor de meeste levende wezens de eenige gunstige is, eene dikke

en vèrstrekkende sedimentaire laag kon worden uitgespreid, tenzij

die bodem zonk om de achtereenvolgende lagen op te nemen. Dit schijnt

werkelijk omstreeks hetzelfde tijdperk in Zuid-Patagonië en Chili te

hebben plaats gehad, hoewel deze streken duizend mijlen van elkander

liggen. Derhalve, indien langdurige, ongeveer tegelijktijdig plaats

hebbende zinkende bewegingen in 't algemeen een uitgestrekt gebied

omvatten--zooals ik op grond van mijn onderzoek van de koraalriffen

der groote oceanen zeer geneigd ben te gelooven: of indien--wanneer

wij ons overzicht tot Zuid-Amerika bepalen--de dalende bewegingen even

omvangrijk zijn geweest als de rijzende, waardoor in hetzelfde tijdperk

van levende schelpdieren de stranden van Peru, Chili, Vuurland,

Patagonië en La Plata omhoog zijn geheven--dan kunnen wij zien, dat

tegelijktijdig op ver verwijderde punten de omstandigheden gunstig

zouden geweest zijn voor de vorming van uitgestrekte fossielenhoudende

afzettingen van aanzienlijke dikte; en zulke afzettingen zouden

bijgevolg eene goede kans hebben gehad, om de sloopende en knagende

werking van achtereenvolgende strandvloeden te weerstaan, en tot een

later komend tijdperk te duren.

[21 Mei.]

Ik vertrok in gezelschap van Don José Edwards naar de zilvermijn

Arqueros, en ging van daar de Coquimbo-vallei in. Na een tocht door

eene bergachtige streek, bereikten wij tegen het vallen van den

avond de aan Mr. Edwards toebehoorende mijnen. Hier genoot ik mijne

nachtrust door eene oorzaak, die in Engeland niet ten volle gewaardeerd

zal worden, namelijk door de afwezigheid van vlooien. De kamers

in Coquimbo wemelen er van; maar hier, op eene hoogte van slechts

drie of vierduizend voet, kunnen zij niet leven. Het kan moeilijk de

geringe temperatuursverlaging zijn, die deze lastige insecten hier

verdelgt, zoodat hier eene andere oorzaak moet bestaan. De mijnen

verkeeren thans in slechten staat, hoewel zij vroeger ongeveer 2000

gewichtsponden per jaar aan zilver opleverden. Men heeft beweerd,

dat iemand met eene kopermijn winnen moet, dat iemand met eene

zilvermijn winnen kan, doch met goud verliezen moet. Dit is niet

waar: alle groote fortuinen in Chili zijn verkregen door mijnen

van de meer kostbare metalen. [288] Korten tijd geleden keerde een

Engelsch geneesheer uit Copiapó naar Engeland terug, met medeneming

van de winsten op een aandeel in eene zilvermijn, ten bedrage van

ongeveer 24000 pond sterling. Ongetwijfeld is eene met zorg beheerde

kopermijn een veilig spel, terwijl het andere dobbelspel, of liever

een lot in de loterij is. De eigenaren verliezen groote hoeveelheden

rijke ertsen, want ondanks alle voorzorgen, zijn diefstallen niet

te voorkomen. Ik hoorde vertellen van een heer, die met een ander de

weddenschap aanging, dat een van zijne arbeiders hem voor zijne oogen

zou bestelen. Wanneer het erts uit de mijn is gehaald, wordt het in

stukken gebroken, en de waardelooze steen ter zijde geworpen. Een

paar mijnwerkers, die hiermede bezig waren, namen, als bij toeval,

op hetzelfde oogenblik twee stukken weg, en riepen toen voor de grap:

"Laat ons zien welk het verst rolt!"

De eigenaar, die er bij stond, wedde met zijn vriend om een sigaar

op den afloop van dezen worp. Des avonds nam de mijnwerker, die

nauwkeurig de plek had onthouden, waar de steen tusschen het puin was

blijven liggen, het stuk op, bracht het naar zijn meester, en zeide,

terwijl hij hem een kostbaar stuk zilvererts toonde:

"Dit is de steen, waarop u een sigaar won, omdat hij zoo ver gerold

was."

[23 Mei.]

Wij daalden af in de vruchtbare Coquimbo-vallei, en volgden die

totdat wij eene hacienda bereikten, die aan een bloedverwant van

Don José behoorde. Hier bleven wij tot den volgenden dag. Ik reed

toen eene dagreis verder om te onderzoeken wat er waar was van

eenige beweerde versteende schelpen en boonen; doch het bleek, dat

deze laatsten eenvoudig kleine kwartssteenen waren. Wij reden door

verscheidene dorpjes te midden van de fraai bebouwde vallei, en het

geheele landschap bood een zeer prachtigen aanblik. Dat wij hier bij de

hoofdketen van de Cordilleras waren, bleek uit de hooge bergjes in het

rond. In alle gedeelten van Noord-Chili brengen de vruchtboomen meer

ooft voort op eene aanmerkelijke hoogte in de nabijheid der Andes,

dan in de lagere landstreek. De vijgen en druiven van dit district

zijn om hare uitmuntende qualiteit beroemd, en worden over eene groote

uitgestrektheid gekweekt. Deze vallei is misschien de vruchtbaarste

benoorden Quillota, en bevat, naar ik meen, 25000 inwoners, Coquimbo

medegerekend. Den volgenden dag keerde ik naar de hacienda terug,

en van daar met Don José naar Coquimbo.

[2 Juni.]

Wij begaven ons op weg naar de Huasco-vallei, en volgden daartoe den

kustweg, die voor iets minder eenzaam werd gehouden dan de andere. Onze

eerste dagrit was naar een eenzaam gelegen huis, Yerba Buena geheeten,

waar gras voor onze paarden was. De bui, die, zooals boven gezegd

is, veertien dagen geleden gevallen was, reikte slechts tot ongeveer

halfweg Huasco; zoodat het zeer zwak getinte groen, dat wij op het

eerste gedeelte onzer dagreis zagen, spoedig geheel verdween. Zelfs

daar waar het groen 't helderst was, herinnerde het toch op onvoldoende

wijze aan het frissche gras en de ontluikende lentebloemen van andere

landen. Wanneer men door deze dorre streken reist, voelt men zich

als een gevangene, die op eene doodsche binnenplaats is opgesloten,

eenige groen verlangt te zien en frissche lucht te ademen.

[3 Juni.]

Van Yerba Buena naar Carrizal. Gedurende het eerste gedeelte van den

dag trokken wij door eene bergachtige steenwildernis, en daarna over

eene uitgestrekte, diepzandige vlakte, waarop gebroken zeeschelpen

verspreid lagen. Er was zeer weinig water, en dat weinige nog

zoutachtig; het geheele land, van de kust tot aan de Cordilleras,

is eene onbewoonde woestijn. Slechts van één levend dier zag ik

overvloedige sporen, namelijk de schelpen van een Bulinus, die in

buitengewoon groot aantal op de droogste plekken bijeen waren. In de

lente schiet een nederig plantje enkele blaadjes uit, en daarmee voeden

zich de slakken. Daar men dezen alleen zeer vroeg in den morgen ziet,

als de grond wat vochtig is van den dauw, gelooven de Huascos dat

zij daaruit worden geteeld. Op andere plaatsen heb ik waargenomen,

dat bijzonder droge en onvruchtbare streken buitengewoon gunstig zijn

voor landschelpdieren, mits de bodem kalkhoudend is. Te Carrizal vonden

wij enkele hutten, eenig brak water, en een spoor van cultuur: maar

slechts met moeite kochten wij wat koren en stroo voor onze paarden.

[4 Juni.]

Van Carrizal naar Sauze. Wij reden verder over verlaten vlakten,

bewoond door groote kudden guanaco's. Ook trokken wij door de

Chagnaralvallei. Ofschoon deze de vruchtbaarste is tusschen Huasco

en Coquimbo, is zij zeer smal en brengt zoo weinig gras voort,

dat wij niets voor onze paarden konden koopen. Te Sauze vonden wij

een zeer beleefden ouden heer, die het oppertoezicht had over een

kopersmeltoven. Als eene bijzondere gunst stond hij mij toe voor hoogen

prijs een armvol morsig stroo te koopen; en dit was al wat de arme

paarden na eene lange dagreis voor hun avondeten kregen. Tegenwoordig

zijn in Chili zeer weinig smeltovens in werking: men vindt het

voordeeliger het erts naar Swansea (Wallis) te verschepen, omdat het

brandhout hier zoo uiterst schaarsch en de Chileensche methode van

ertsbewerking zoo ongeschikt is. Den volgenden dag trokken wij over

eenige bergen naar Freyrina in de Huasco-vallei. Met elken dag dat

wij verder noordwaarts reden, werd de plantengroei schaarscher; zelfs

de groote kandelabervormige cactus (Cereus atacamensis) was hier door

eene andere en veel kleinere plant vervangen. Zoowel in Noord-Chili als

in Peru hangt gedurende de wintermaanden eene eenvormige wolkbank op

geen groote hoogte boven den Stillen Oceaan. Van de bergen hadden wij

een zeer verrassend gezicht op dit schitterend witte luchtveld, dat

vertakkingen uitzond naar de valleien, en eilanden en voorgebergten

vormde op dezelfde manier als de zee in den Chonos-Archipel en in

Vuurland.

Wij bleven twee dagen te Freyrina. In de Huasco-vallei liggen vier

kleine steden; maar de haven, welke den ingang vormt, is eene geheel

verlaten plek, zonder water in de onmiddellijke nabijheid. Vijf

leagues verder ligt Freyrina, een lang, uitgebouwd dorp met knappe

witgepleisterde huizen. Weer tien leagues verder ligt Ballena, en

daarachter Huasco Alto--een tuinbouwdorp, dat vermaard is om zijne

gedroogde vruchten. Op een helderen dag is het gezicht op de vallei

zeer schoon; de rechte doorgang eindigt bij de ver verwijderde,

besneeuwde Cordilleras, en aan weerszijden ontwaart men tallooze

dwarsketens, zich oplossend in een zilverwitten nevel. Eigenaardig zijn

de talrijke evenwijdige en trapvormige terrassen op den voorgrond;

en de ingesloten groene dalstrook met hare wilgenstruiken vormt eene

schrille tegenstelling met de kale bergen aan beide kanten. Dat

het land in den omtrek uiterst dor was, zal men licht begrijpen,

zoo men weet dat er in de laatste dertien maanden geen regen was

gevallen. De bewoners hoorden met den grootsten naijver, dat het

te Coquimbo geregend had, maar hoopten, op het voorkomen der lucht

afgaande, op een goeden uitslag. Veertien dagen later werd deze hoop

verwezenlijkt. Ik was toen te Copiapó, en daar sprak het volk met

dezelfde jaloezie van den overvloedigen regen te Huasco. Na twee of

drie zeer droge jaren, als in al dien tijd misschien niet meer dan

ééne bui valt, volgt meestal een regenachtig jaar; en dit doet nog

meer schade dan de droogte. De rivieren zwellen, en bedekken de smalle

strooken gronds--de eenige die voor cultuur geschikt zijn--met grint

en zand. Ook doen de vloeden schade aan de bevloeiingskanalen. Drie

jaren geleden is op deze wijze groote verwoesting aangericht.

[8 Juni.]

Wij reden door tot Ballena, een plaatsje, dat zijn naam ontleent aan

Ballenagh in Ierland, de geboorteplaats der familie O'Higgins, die

onder het Spaansche gouvernement presidenten en generaals in Chili

telde. Daar het rotsachtige gebergte aan weerszijden achter wolken

verscholen was, gaven de terrasvormige vlakten aan de vallei een

voorkomen, als dat der Santa-Cruz-vallei in Patagonië. Na een dag

toevens te Ballena, vertrok ik den 10den Juni naar het bovendeel

der Copiapó-vallei. Wij reden den geheelen dag door eene streek,

die weder zoo onbelangrijk was, dat ik het moede word de bijnamen

"dor" en "onvruchtbaar" te herhalen. In het gewone spraakgebruik

zijn deze woorden evenwel betrekkelijk; ik heb hen altijd toegepast

op de vlakten van Patagonië, die nog op doornstruiken en eenige

bosjes gras kunnen roemen--hetgeen beslist vruchtbaar mag heeten,

vergeleken met Noord-Chili; en hier is weer geen plek van 200 yards

oppervlakte, waar niet bij zorgvuldig onderzoek een struikje, een

cactus of korstmos valt te ontdekken, terwijl er sluimerende zaden

in den grond gereed liggen, om in den eerstkomenden regenachtigen

winter op te schieten. In Peru, echter, komen op uitgestrekte deelen

van het land werkelijke woestijnen voor. Des avonds bereikten wij eene

vallei, waarin een vochtig stroombed werd gevonden; wij volgden dit en

kwamen eindelijk aan vrij goed water. Des nachts vloeit de stroom, ten

gevolge van de minder snelle verdamping en opzuiging door den grond,

ongeveer een mijl dieper dalwaarts, dan over dag. Wijl er takken voor

brandhout in overvloed waren, was het eene goede plek voor ons om te

bivouakeeren; maar voor de arme dieren was er geen hapje eten.

[11 Juni.]

Wij reden twaalf uren lang zonder te rusten, totdat wij eene oude

smeltoven bereikten, waar brandhout en water werden gevonden; maar

onze paarden, die op eene voormalige binnenplaats gestald werden,

hadden weder niets te eten. De weg was bergachtig, en leverde

door de verscheidenheid van kleuren der kale bergen, verrassende

vergezichten op. Het was bijna jammer de zon voortdurend boven zulk

een onvruchtbaar land te zien schijnen; zulk een stralende hemel had

groene velden en fraaie tuinen moeten verlichten. Den volgenden dag

bereikten wij de Copiapó-vallei. Dit verheugde mij van harte, want de

geheele tocht was een voortdurende bron van verdriet. Onaangenaam was

het, terwijl wij bezig waren ons avondeten te gebruiken, de paarden

aan de palen te hooren knagen, waaraan zij waren vastgebonden, en

niets te kunnen doen om hun honger te stillen. Toch waren de dieren

schijnbaar volmaakt gezond, en niemand zou gezegd hebben, dat zij in

de laatste vijf en vijftig uren niets gegeten hadden.

Ik had een introductie-brief aan Mr. Bingley, die mij in de Hacienda

del Potrero Seco zeer vriendelijk ontving. Dit landgoed is tusschen de

twintig en dertig mijlen lang, doch zeer smal, daar het slechts twee

velden breed is--aan elken rivierkant één. In sommige gedeelten heeft

het landgoed geen breedte, d.w.z., het land kan niet bevloeid worden,

en is dus even waardeloos, als de omringende steenwoestijn. De geringe

hoeveelheid land, over de geheele lengte der vallei in cultuur, is niet

zoozeer een gevolg van terreinoneffenheden en dus van ongeschiktheid

voor bevloeiing, als van den geringen watervoorraad. Dit jaar was de

rivier geweldig gezwollen: hier, hoog in de vallei, reikte zij tot

aan den buik van een paard, was omtrent vijftien yards breed en bezat

eene snelle strooming; meer dalwaarts wordt zij steeds kleiner, en

verdwijnt meestal geheel, gelijk eens dertig jaren achtereen gebeurd

was, zoodat er geen druppel in zee viel. De inwoners verbeiden een

storm over de Andes met veel belangstelling, daar een flinke sneeuwval

hen voor het volgend jaar van water voorziet. In het laagland heeft dit

oneindig grootere gevolgen dan regen. Regen is, zoo dikwijls hij valt

(en dat is ongeveer eens in de twee of drie jaren), een groot voordeel,

omdat het vee en de muildieren dan eenigen tijd later wat gras op

de bergen kunnen vinden; maar zonder sneeuw op de Andes heerscht

er mismoedigheid door de geheele vallei. Drie gevallen zijn bekend,

dat bijna alle inwoners genoodzaakt zijn geweest naar het zuiden te

verhuizen. Dit jaar was er overvloedig water, en besproeide elk zijn

grond zooveel hij wilde; maar dikwijls is het noodig geweest soldaten

bij de sluizen te zetten, om te zorgen, dat elke boerderij eenige uren

per week slechts zooveel nam als toegestaan was. Naar men zegt, telt

de vallei 12000 zielen; doch hare opbrengst is slechts voldoende voor

drie maanden in 't jaar; de overige voorraad moet uit Valparaiso en het

zuiden worden gehaald. Vóór de ontdekking der beroemde zilvermijnen van

Chagnarcillo, verkeerde Copiapó in een toestand van snel verval; nu,

echter, is zij zeer welvarend, en de stad, die op 22 November 1822 door

eene aardbeving geheel verwoest werd, is weer opgebouwd geworden. [289]

De Copiapó-vallei, eenvoudig uit eene strook groen bestaande te midden

van eene woestijn, loopt in eene zeer zuidelijke richting, en heeft

tot aan haar oorsprong in de Cordilleras eene aanzienlijke lengte. De

Huasco- en Copiapó-valleien kunnen beiden beschouwd worden als lange,

smalle eilanden, die in plaats van door zoutwater, door steenwoestijnen

van het overig deel van Chili gescheiden zijn. Benoorden dezen, ligt

eene andere, zeer onvruchtbare vallei, Paposo genaamd, die ongeveer

200 zielen bevat; en daarna begint de werkelijke Woestijn van Atacama,

die een veel geduchteren slagboom vormt dan de onstuimigste oceaan. Na

enkele dagen toevens te Potrero Seco, ging ik de vallei in naar het

huis van Don Benito Cruz, aan wien ik een introductie-brief had,

en die mij hoogst gastvrij ontving. Men kan inderdaad niet genoeg

de vriendelijkheid roemen, waarmede reizigers in bijna alle deelen

van Zuid-Amerika ontvangen worden. Den volgenden dag huurde ik eenige

muilezels, om mij door het Jolquera-ravijn naar de centrale Cordilleras

te brengen. Den tweeden dag scheen de lucht een sneeuwstorm of regen

te voorspellen; en toen wij te bed lagen, voelden wij een lichten

schok van aardbeving.

Het verband tusschen aardbevingen en het weder is dikwijls betwist

geworden. Mij schijnt dit een punt van groot gewicht toe, dat weinig

begrepen wordt. Humboldt heeft de opmerking gedaan, dat iemand, die

lang in Nieuw-Andaluzië of Neder-Peru heeft gewoond, moeilijk zou

kunnen loochenen, dat er tusschen deze verschijnselen eenig verband

bestaat; maar elders schijnt hij zoodanig verband denkbeeldig te

achten. [290] Te Guayaquil, zegt men, wordt eene zware bui in het

droge jaargetijde onveranderlijk door eene aardbeving gevolgd. In

Noord-Chili is, wegens de groote zeldzaamheid van regen of zelfs

van regen voorspellend weder, de kans op toevallig samentreffen

zeer gering; toch zijn de inwoners ten stelligste overtuigd, dat

er tusschen den dampkringstoestand en het beven van den grond eenig

verband bestaat. Dit trof mij bijzonder, toen ik aan eenige lieden

te Copiapó vertelde, dat er te Coquimbo een hevige schok had plaats

gehad, en zij terstond daarop uitriepen:

"Hoe gelukkig, dan zal er dit jaar overvloed van gras zijn!"

Volgens hunne meening voorspelde eene aardbeving regen, even zeker

als regen overvloedig gras voorspelde. Dit kwam in zoover uit, dat

de regenbui, die, zooals ik gezegd heb, in tien dagen tijds een dun

laagje gras voortbracht, viel op den dag der aardbeving zelven. Op

andere tijden is er op aardbevingen regen gevolgd in een tijd van

het jaar, dat de regen een veel grooter wonder was dan de aardbeving

zelve; dit gebeurde te Valparaiso na den schok in November 1822,

en nogmaals in 1826; ook na dien te Tacna in September 1833. Men

moet aan het klimaat dezer streken eenigszins gewoon zijn om te

begrijpen, hoe uiterst onwaarschijnlijk het is, dat er in zulke

jaargetijden regen valt, behalve wanneer deze het gevolg is van

een natuurverschijnsel, dat met den gewonen gang van het weder in

hoegenaamd geen verband staat. In het geval van groote vulkanische

uitbarstingen, zooals die van de Coseguina in Januari 1835, toen er

stroomen regen vielen in een tijd van het jaar, welke daartoe zeer

ongewoon en "in Midden-Amerika bijna zonder voorbeeld" was--is het

niet moeilijk te begrijpen, dat wellicht de groote wolken damp en

asch het evenwicht in den dampkring gestoord kunnen hebben. Humboldt

strekt deze meening uit tot het geval van aardbevingen, die niet van

uitbarstingen vergezeld gaan; maar ik acht het bijna niet mogelijk,

dat de kleine hoeveelheid vluchtige zelfstandigheden en dampvormige

vloeistoffen, welke dan uit den gespleten grond ontwijken, zulke

merkwaardige werkingen kunnen voortbrengen. Veel waarschijnlijkheid

lijkt de meening te bezitten--het eerst door Scrope uitgesproken, [291]

dat bij lagen barometerstand en onder omstandigheden die werkelijk

regen kunnen doen verwachten, de verminderde dampkringsdrukking over

eene groote uitgestrektheid lands wel den juisten dag kan bepalen,

waarop de aarde, door inwendige krachten tot het uiterste gespannen,

moet wijken, barsten, en bij gevolg beven. Toch is het twijfelachtig,

in hoever dit denkbeeld de omstandigheid zal verklaren, dat er in

het droge jaargetijde verscheidene dagen lang stroomen regen zijn

gevallen na eene aardbeving, die niet van eene uitbarsting vergezeld

ging. Dergelijke gevallen schijnen op een inniger verband tusschen

de luchtstreken en de onderaardsche ruimten te wijzen.

De Reis om de Wereld · 第 35 / 56 段