Den volgenden dag staken wij de vlakte over, en volgden den loop

van denzelfden grooten bergstroom, die voorbij Luxan vloeit. Hier

was die stroom een wild bruisende, geheel ondoorwaadbare vloed, die

breeder scheen dan in het laagland, evenals met het riviertje van Villa

Vicencio het geval was. Op den avond van den volgenden dag bereikten

wij de Rio de las Vacas, die beschouwd wordt als de slechtste stroom

in de Pampas, wat het oversteken betreft. Daar al deze rivieren een

snellen en korten loop hebben, en door het smelten der sneeuw gevormd

zijn, brengt het uur van den dag een aanzienlijk verschil mede in hun

volume. Des avonds is de stroom modderig en gezwollen; maar tegen het

aanbreken van den dag wordt hij klaarder en veel minder onstuimig. Wij

vonden, dat dit ook met de Rio de las Vacas het geval was, en staken

haar des morgens met geringe moeite over.

Tot dusverre was het landschap zeer weinig belangrijk, vergeleken met

dat van den Portillo-pas. Men kan weinig zien van hetgeen er ligt

aan gene zijde van de kale rotswanden der groote vlakke vallei,

waardoor de weg tot aan den hoogsten top voert. De vallei en de

ontzaglijke rotsachtige bergen zijn uiterst dor: gedurende de twee

vorige nachten hadden de arme muildieren letterlijk niets te eten,

want behalve enkele harsachtige struiken, is er bijna geen plant

te zien. In den loop van dezen dag trokken wij over eenige van

de slechtste passen in de Cordilleras; doch het daaraan verbonden

gevaar wordt zeer overdreven. Men zeide mij, dat ik duizelig zou

geworden zijn, indien ik er te voet had trachten over te gaan, en

dat er geen ruimte was om af te stijgen; maar ik zag geen enkele

plek, waar men niet ruggelings had over kunnen loopen, of aan beide

zijden van zijn muildier stijgen. Van een der slechtste passen (las

Animas--de Zielen), dien ik was overgetrokken, vernam ik eerst een

dag later, dat hij een van de gevaarlijkste was. Ongetwijfeld zijn er

vele punten, waar de ruiter, bij eene struikeling van het muildier,

in een diepen afgrond zou worden geslingerd; doch hiervoor bestaat

weinig kans. Van de laderas of wegen, die elk jaar over de stapels

gevallen rotspuin opnieuw worden aangelegd, durf ik zeggen, dat zij

in de lente zeer slecht zijn; maar blijkens hetgeen ik zag, geloof

ik, dat het werkelijke gevaar nul is. Met gepakte muildieren is het

geval eenigszins anders, doordien de pakken zoo ver uitsteken, dat

de beesten, als zij toevallig tegen elkander of tegen eene rotspunt

loopen, hun evenwicht verliezen en in den afgrond worden geworpen. Bij

het oversteken van rivieren kan ik wel gelooven, dat de moeilijkheid

soms zeer groot is; in dit jaargetijde was er weinig last, maar in

den zomer moeten zij zeer gevaarlijk zijn. Volgens de beschrijving

van Sir F. Head kan ik mij zeer goed de verschillende uitdrukkingen

verklaren van hen, die zulk een bergstroom zijn overgestoken, of

bezig zijn het te doen. Ik heb nooit gehoord, dat een mensch verdronk,

maar met gepakte muildieren gebeurt het vaak. De arriero zegt u, dat

gij uw muildier de beste richting moet wijzen, en het dan zijn gang

moet laten gaan; het gepakte muildier neemt zijne richting slecht,

en is dikwijls verloren.

[4 April.]

Van de Rio de las Vacas tot de Puente del Inca is eene halve

dagreis. Daar er weiland voor de muildieren was, en een geologisch

terrein voor mij, sloegen wij hier onze nachtkwartieren op. Als men

van eene natuurlijke Brug (Puente) hoort, stelt men zich een diep

en smal ravijn voor, waarover schrijlings een geweldig rotsblok is

gevallen, of een grooten boog die als een grotgewelf is uitgehold. In

plaats daarvan bestaat de Puenta del Inca uit een korst van gelaagde

keisteenen, die door de bezinksels der naburige heete bronnen zijn

samengemetseld. Het schijnt, dat de stroom aan den eenen kant een

kanaal heeft uitgegraven, waarbij eene overhangende rots ontstond, die

zich vereenigde met de aarde en steenen welke van de tegenoverstaande

klip vielen. De schuine verbinding, die in zoodanig geval zou ontstaan,

was inderdaad aan één kant zeer duidelijk merkbaar. De Inca-brug is

geenszins de groote koningen waardig, naar wien zij genoemd is.

[5 April.]

Wij hadden een langen dagrit noodig, om van de Puente del Inca,

over de centrale keten, naar de Ojos del Agua te komen, die bij de

laagste casucha aan den kant van Chili liggen. Deze casuchas zijn

kleine ronde torens, met trappen aan de buitenzijde om den vloer

te bereiken, die wegens de sneeuwhoopen eenige voeten boven den

grond is aangebracht. Zij zijn acht in getal, en werden onder het

Spaansche gouvernement des winters goed van leeftocht voorzien,

terwijl elke koerier een looper op de torens had. Nu dienen zij

alleen tot kerkerholen. Wegens hare eenigszins hooge ligging, passen

zij niet kwaad bij deze woeste en eenzame omgeving. De zigzagvormige

beklimming van de Cumbre, [283] of Waterscheiding, was zeer steil en

vermoeiend; volgens Pentland bedraagt de hoogte 12.454 voet. Nergens

leidde de weg over eeuwige sneeuw, ofschoon er aan beide kanten

hoopjes lagen. Op den top was de wind snerpend koud; toch kon ik niet

nalaten eenige minuten stil te houden, om telkens weer de kleur van

den hemel en de prachtige doorschijnende lucht te bewonderen. Het

was een indrukwekkend schouwspel. In het westen vertoonde zich eene

fraaie, dicht opeengedrongen groep van bergen, door diepe ravijnen

gescheiden. Meestal valt er vóór dezen tijd van het jaar wat sneeuw:

en het is zelfs gebeurd, dat de Cordilleras omstreeks dezen tijd

geheel waren afgesloten. Maar wij troffen het zeer gelukkig. Nacht en

dag was de lucht onbewolkt, uitgenomen enkele ronde klompjes damp,

die over de hoogste toppen dreven. Dikwijls heb ik deze wolkjes in

de lucht gezien, wijzende de plek waar de Cordilleras lagen, als de

ver verwijderde bergen achter den horizon verborgen waren.

[6 April.]

Des morgens ontdekten wij, dat een dief een onzer muildieren benevens

de bel van de madrina gestolen had. Wij reden daarom slechts twee of

drie mijlen dieper de vallei in, en bleven daar den volgenden dag, in

de hoop het muildier te zullen terugvinden, dat, volgens het oordeel

van den arriero, ergens in een ravijn verborgen was. Het landschap had

in dit gedeelte een Chileensch karakter aangenomen. De onderzijden

der bergen, welke dun begroeid zijn met den bleeken, altijd-groenen

Quillay-boom, en met den grooten kandelabervormigen cactus, [284]

zijn stellig meer te bewonderen dan de kale oostelijke valleien;

maar met de bewondering, door sommige reizigers aan den dag gelegd,

kon ik niet geheel instemmen. Ik vermoed, dat de prettige stemming,

waarin men verkeert, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het

vooruitzicht van een flink vuur en een goed avondeten, nadat men aan

de koude streken van het hooggebergte ontkomen is, en ik ben overtuigd,

dat anderen deze gevoelens van harte met mij deelen.

[8 April.]

Wij verlieten de Aconcagua-vallei, waardoor wij waren afgedaald, en

bereikten des avonds eene hut nabij de Villa della Santa Rosa. De

vruchtbare vlakte bood een verrukkelijken aanblik. Daar de herfst

reeds ver gevorderd was, vielen de bladeren van vele fruitboomen af;

en van de arbeiders waren sommige bezig met het drogen van vijgen

en perziken op de daken hunner hutten, terwijl andere de druiven uit

de wijngaarden verzamelden. Het was een opwekkend tafereel; maar ik

miste die plechtige en ernstige stilte, welke den herfst in Engeland

terecht als den avond des jaars kenmerkt. Op den 10den bereikten wij

Santiago, waar mij door Caldcleugh eene zeer vriendelijke en gastvrije

ontvangst werd bereid. Mijn uitstapje kostte mij slechts 24 dagen;

en nooit had ik in een even langen tijd zooveel genoten. Enkele dagen

later keerde ik naar de woning van Corfield in Valparaiso terug.

HOOFDSTUK XVI.

NOORD-CHILI EN PERU.

[27 April.]

Ik maakte mij op voor eene reis naar Coquimbo, en vandaar over Huasco

naar Copiapó, waar kapitein Fitz-Roy het vriendelijke aanbod deed, mij

aan boord van de Beagle te nemen. De afstand in rechte lijn langs het

strand noordwaarts is slechts 420 mijlen; doch mijne manier van reizen

maakte den tocht zeer lang. Ik kocht vier paarden en twee muildieren,

waarvan de laatsten om den anderen dag de pakkage droegen. De zes

dieren te zamen kostten slechts 25 pond sterling, en te Copiapó

verkocht ik hen weer voor drie en twintig. Wij reisden op dezelfde

ongedwongen manier als te voren, kookten zelf ons maal, en sliepen

in de open lucht. Toen wij naar de Vigno del Mar reden, wierp ik

een afscheidsblik op Valparaiso, en bewonderde haar schilderachtig

aanzien. Voor geologische onderzoekingen deed ik een tocht van den

grooten weg naar den voet der Klok van Quillota, en met dit doel

trokken wij door een alluviaal district, dat rijk aan goud was, naar de

buurtschap Limache, waar wij sliepen. Het goudwasschen onderhoudt de

bewoners van een aantal hutten, die langs de oevers van elk riviertje

verspreid zijn; maar gelijk alle personen met onzekere verdiensten,

zijn zij verkwistend van aard, en bijgevolg arm.

[28 April.]

In den namiddag bereikten wij eene hut aan den voet van den

Klok-berg. De bewoners waren vrijgoedbezitters, hetgeen in Chili niet

veel voorkomt. Zij leefden van de voortbrengselen van een tuin en

een klein veld, doch waren zeer arm. Er is hier zooveel gebrek aan

kapitaal, dat de menschen genoodzaakt zijn hun nog te velde staand

koren te verkoopen, om het noodige te koopen voor het volgende

jaar. Dientengevolge was tarwe in het district, waar zij groeide,

duurder dan te Valparaiso, waar de afnemers wonen. Den volgenden dag

bereikten wij weer den grooten weg naar Coquimbo. Gedurende den nacht

viel er een zeer fijne regen, en dit waren de eerste druppels sinds

den hevigen regen van 11 en 12 September des vorigen jaars, die mij

in de Baden van Cauquenes gevangen hield. De tusschentijd bedroeg

zeven en eene halve maand; maar dit jaar was de regen in Chili iets

later dan gewoonlijk. Prachtig was de aanblik der verwijderde Andes,

die nu met eene dikke sneeuwlaag bedekt waren.

[2 Mei.]

Voortdurend volgde de weg de kust, op geen grooten afstand van de

zee. De weinige boomen en struiken, die in Midden-Chili voorkomen,

namen snel in aantal af, en werden vervangen door eene hooge plant, die

eenigszins op eene Yucca of Amerikaansche Adamsnaald geleek. Ofschoon

op kleine schaal, vertoonde het land met zijne steile, lage rotstoppen,

die uit de kleine vlakten of dalkommen verrezen, eene eigenaardig

gebroken en onregelmatige oppervlakte. Dergelijke vormen zouden ook

de oneffen kust en de bodem der naburige zee vertoonen, wanneer zij

in land veranderd werden; en zonder twijfel had zulk eene verandering

plaats gehad in het gedeelte, waarover wij reden.

[3 Mei.]

Onze tocht leidde van Quilimari naar Conchalee. Het land werd meer

en meer onvruchtbaar. In de valleien was nauwelijks water genoeg voor

bevloeiing, en het tusschenliggende land was zóó dor, dat er zelfs geen

geiten konden grazen. In de lente schiet, na de wintervlagen, snel eene

dunne graslaag op, en kan het vee uit de Cordilleras worden gedreven

om hier voor korten tijd te grazen. Het is merkwaardig te zien hoe

de gras- en andere plantenzaden, als door eene aangenomen gewoonte,

zich schikken naar de hoeveelheid regen, welke op verschillende

deelen dezer kust valt. Eéne bui te Copiapó, ver noordwaarts, heeft

op den plantengroei eene even groote uitwerking als twee te Huasco,

en als drie of vier in dit district. Een winter te Valparaiso,

zoo droog dat aan het weiland ernstige schade wierd toegebracht,

zou te Huasco een overvloed voortbrengen, die daar ten zeerste

ongewoon is. In noordelijke richting schijnt de hoeveelheid regen

niet in juiste verhouding tot de breedte af te nemen. Te Conchalee,

dat slechts 67 mijlen benoorden Valparaiso ligt, wordt de regen niet

vóór het einde van Mei verwacht, terwijl te Valparaiso meestal reeds

vroeg in April wat valt. Ook is de jaarlijksche hoeveelheid klein in

verhouding tot het vergevorderde seizoen, waarin de regen begint.

[4 Mei.]

Daar wij op den kustweg niets belangrijks vonden, gingen wij landwaarts

in naar het mijndistrict in de vallei van Illapel. Deze vallei is,

evenals alle andere in Chili, vlak, breed en zeer vruchtbaar; zij

wordt aan beide zijden begrensd òf door klippen van gelaagd grof

keizand, òf door kale rotsachtige bergen. Boven de rechte lijn van

het hoogste besproeiingskanaal is alles donkerbruin als op een

straatweg, terwijl alles daaronder helder kopergroen is door de

velden met alfarfa (eene soort klaver). Wij reden verder naar Los

Hornos, een ander mijndistrict, waar de hoogste berg doorzeefd was

met gaten, evenals een groot mierennest. De Chileensche mijnwerkers

zijn in hunne leefwijze een bijzonder slag van menschen. Wanneer zij,

na weken lang op de eenzaamste en naargeestigste plaatsen te hebben

gewoond, op feestdagen naar de dorpen afdalen, is er geen uitspanning

of buitensporigheid, waaraan zij niet deelnemen. Soms verdienen zij

een flink loon, maar trachten dit zoo spoedig mogelijk te verkwisten,

evenals zeelieden hun premiegeld. Zij drinken onmatig, koopen overvloed

van kleeren, en keeren na enkele dagen zonder een penny op zak naar

hunne ellendige verblijven terug, om daar nog harder dan lastdieren te

werken. Deze onbedachtzaamheid is blijkbaar, evenals bij zeelieden,

het gevolg van eene gelijksoortige leefwijze. Voor hun dagelijksch

voedsel wordt gezorgd, en zoo gewennen zij zich niet aan spaarzaamheid;

bovendien hebben zij de middelen om aan de verleiding toe te geven,

zoodra die in hunne macht is. In Corwallis en eenige andere districten

van Engeland, waar het stelsel wordt gevolgd om een gedeelte van eene

gang te verkoopen, zijn de mijnwerkers daarentegen een bijzonder

schrander en oppassend slag van menschen, omdat zij verplicht zijn

voor zichzelven te handelen en te denken.

De kleeding van den Chileenschen mijnwerker is eigenaardig en

eenigszins schilderachtig. Hij draagt een zeer lang hemd van

donkerkleurige baai met lederen voorschoot, die beiden door een

lichtkleurigen gordel om zijn middel zijn bevestigd. Zijn broek is

zeer wijd, en zijne kleine scharlakenroode muts sluit strak om het

hoofd. Wij ontmoetten een troep van deze mijnwerkers in groot costuum,

die het lijk van een hunner makkers gingen begraven. Zij liepen in

een zeer snellen pas, terwijl vier mannen het lijk droegen. Als het

eene viertal ongeveer 200 yards geloopen had zoo hard als zij konden,

werd het afgelost door vier anderen, die eerst te paard vooruit

waren gerend. Zoo gingen zij voort, elkander door woeste kreten

aanmoedigende. Het geheele schouwspel vormde eene allerzonderlingste

begrafenis.

Wij vervolgden in eene zigzaglijn onzen tocht naar het noorden,

met nu en dan een dag oponthoud voor geologische onderzoekingen. Het

land was zoo dun bevolkt, en het spoor was zoo onduidelijk, dat wij

dikwijls moeite hadden onzen weg te vinden. Op den 12den Mei vertoefde

ik bij eenige mijnen. Het erts alhier wordt niet als bijzonder goed

beschouwd; maar wegens den overvloed er van onderstelde men, dat de

mijn voor 30000 of 40000 dollars (d.i. 6000 of 8000 pond sterling)

zou worden verkocht. Trots deze onderstelling, werd zij door eene

Engelsche Maatschappij gekocht voor één ons goud, of drie pond acht

shillings. Het erts bestaat uit gele pyrieten, die, zooals ik reeds

opmerkte, vóór de komst der Engelschen geacht werden geen koperdeeltjes

te bevatten. Op bijna even groote winstgevende schaal als in het

bovengenoemde geval, werden hoopen vulkanische asch gekocht, die rijk

was aan kleine korrels zuiver koper; maar ondanks deze voordeelen,

hebben de mijnmaatschappijen, naar men weet, ontzaglijke sommen geld

verloren. De dwaasheid van de meeste commissarissen en aandeelhouders

grensde aan verblinding: soms werden duizend pond sterling 's jaars

uitgegeven om Chileensche autoriteiten te onderhouden; men hield

er bibliotheken op na met keurig gebonden geologische boeken; liet

mijnwerkers komen voor bijzondere metalen, zooals tin, die in Chili

niet gevonden worden; verbond zich om de mijnwerkers van melk te

voorzien op plaatsen, waar geen koeien waren; bestelde machinerieën,

waar zij toch niet gebruikt konden worden--in 't kort, men nam honderd

maatregelen, die getuigden van onze dwaasheid en den inwoners nog

heden stof tot vermaak geven. Toch valt er niet aan te twijfelen,

of hetzelfde kapitaal, mits wel besteed, zou ontzaglijke winsten uit

deze mijnen hebben geput; al wat men noodig had, was een betrouwbaar

man van zaken, een practisch mijnwerker en essayeur.

Kapitein Head heeft de verbazende vracht beschreven, die de Apiri

[285]--ware lastdieren--uit de diepste mijnen naar boven brengen. Ik

beken, dat ik het cijfer overdreven achtte, zoodat ik blijde was in de

gelegenheid te zijn een dezer vrachten te wegen, die ik op goed geluk

in handen nam. Ofschoon ik er recht boven stond, vereischte het groote

inspanning haar van den grond te lichten. Op de weegschaal gezet,

bleek zij 197 pounds (ruim 89 1/3 kilo) zwaar te zijn. De arbeider had

dezen last 80 yards (ruim 73,1 met.) omhoog gedragen, gedeeltelijk

langs een steilen opgang, maar grootendeels langs trappalen,

welke in eene zigzaglijn in de schacht zijn geplaatst. Volgens de

algemeene verordening, mag de arbeider onderweg niet stoppen om adem

te scheppen, behalve wanneer de mijn 600 voet diep is. De gemiddelde

last wordt op iets meer dan 200 pounds (ruim 90,7 kilo) geschat;

en men heeft mij verzekerd, dat er eens, bij wijze van proefneming,

een van 300 pounds (circa 136,1 kilo) uit de diepste mijn naar boven

was gebracht! Tijdens mijn bezoek droegen de apiri den gewonen last

twaalfmaal daags omhoog, dat is: 2400 pounds (1088,6 kilo) uit eene

diepte van 80 yards, en waren in de tusschentijden bezig met het

uithakken en breken van ertsen.

Ongelukken uitgezonderd, zijn deze mannen gezond en oogenschijnlijk

opgeruimd. Zeer gespierd is hun lichaam niet. Zij eten slechts

eenmaal in de week vleesch, nooit meer, en dan alléén het harde

droge charqui. Ofschoon wetende, dat de arbeid vrijwillig was, kwam

toch het gemoed in opstand bij het zien van den jammerlijken staat,

waarin zij de mijnopening bereikten: het lichaam voorover gebogen, de

armen op de treden geleund, de beenen gekromd; met trillende spieren,

gezwollen neusvleugels, de mondhoeken diep naar achteren gezonken;

met aangezicht en borst badende in het zweet, en diep beklemden

ademtocht. Telkens als zij ademhalen, uiten zij een doordringenden

kreet, die eindigt in een diep maar schril keelgeluid, evenals een

fluittoon. Zoo waggelden zij naar den ertsstapel, ledigden hier hun

carpacho, wischten na twee of drie secunden, als zij weer op adem

kwamen, het zweet van hun voorhoofd, en daalden schijnbaar geheel

opgefrischt weer in den mijn af. Mij dunkt, dit is een merkwaardig

voorbeeld van de groote hoeveelheid arbeid, die de mensch kan verduren,

blijkbaar door geen andere oorzaak dan de gewoonte.

Toen ik des avonds met den mayordomo dezer mijnen (nog een jongen

man) sprak over het aantal vreemdelingen, die nu over het geheele

land verspreid zijn, vertelde hij mij uit den tijd, toen hij--niet

lang geleden--te Coquimbo schoolging, zich te herinneren, dat de

jongens vrijaf kregen, om den kapitein van een Engelsch schip te

zien, die naar de stad werd geleid om den gouverneur te spreken. Hij

gelooft, dat niets in staat zou zijn geweest de schooljongens (hijzelf

medegerekend) over te halen, om dicht bij den Engelschman te komen;

zoo diep had de meening bij hen post gevat, dat de aanraking met zulk

een persoon ketterij, besmetting en het kwade zou aanbrengen. Ten

huidigen dage vertelt men van de wreede daden der boekaniers, [286]

en vooral van een, die het beeld der Maagd Maria wegnam, en een jaar

later terugkeerde om dat van den H. Jozef te halen, zeggende, dat

het jammer zou zijn indien de maagd geen echtgenoot had. Ook hoorde

ik vertellen van eene oude dame, die bij een diner te Coquimbo de

opmerking maakte hoe verbazend vreemd het was, dat zij het moest

beleven, met een Engelschman in dezelfde kamer te eten; want zij

herinnerde zich uit hare meisjesjaren, dat bij twee gelegenheden,

op het bloote geroep van: "Los Ingleses!" (De Engelschen), alle

menschen naar het gebergte waren gevlucht, met medeneming van hunne

kostbaarheden, zooveel zij dragen konden.

[14 Mei.]

Wij bereikten Coquimbo, waar wij enkele dagen bleven. De eenige

merkwaardigheid der stad is hare buitengewone kalmte. Men zegt, dat

zij zes tot acht duizend inwoners kan bevatten. Op den morgen van den

17den viel er een zachte regen--de eerste van dit jaar--die ongeveer

vijf uren duurde. De pachters, die bij de zeekust (waar de dampkring

het vochtigst is) koren verbouwen, zouden van deze bui partij trekken,

om den grond te beploegen; na eene tweede bui zouden zij zaaien;

en mocht er eene derde komen, dan zouden zij in de lente een goeden

oogst hebben. Belangrijk was het de uitwerking dezer onbeduidende

hoeveelheid vocht te zien. Twaalf uren later scheen de grond even

droog als te voren; maar na verloop van tien dagen hadden alle heuvels

eene zwak groene kleur ten gevolge van het gras, dat hier en daar in

haarfijne vezels van een inch lang verspreid was. Vóór deze bui was

de geheele oppervlakte zoo kaal als een straatweg.

Des avonds aten kapitein Fitz-Roy en ik bij Edwards, een Engelsch

inwoner die om zijne gastvrijheid aan alle bezoekers van Coquimbo

wel bekend is, toen eene hevige aardbeving plaats had. Ik hoorde

het voorafgaande gerommel; maar door het geschreeuw der dames, het

geloop der dienstboden, en de drukte waarmede verscheidene heeren

naar den uitgang snelden, kon ik de beweging niet onderscheiden. Ook

na den schok schreeuwden eenige vrouwen het uit van angst; en een der

heeren zeide, dat hij den geheelen nacht niet zou kunnen slapen, of

zoo hij al sliep, het dan alleen zou zijn om van instortende huizen

te droomen. De vader van dezen persoon had te Talcahuano have en

goed verloren, en in 1822 was hij zelf in Valparaiso ternauwernood

aan een instortend dak ontkomen. Hij vertelde een merkwaardig geval,

dat toen plaats had. Hij zat kaart te spelen, toen een Duitscher,

tot het gezelschap behoorende, opstond, zeggende, dat hij in deze

streken nooit in eene kamer met gesloten deur wilde zitten, omdat hij

te Copiapó zoodoende bijna het leven had verloren. Hij opende dus de

deur; en nauwelijks had hij dit gedaan, of hij schreeuwde luid:

"Daar komt er weer een!"

Op hetzelfde oogenblik voelde men den eersten schok der bekende

aardbeving. Het geheele gezelschap ontkwam. Het gevaar bij eene

aardbeving ligt niet in den tijd, die met het openen van eene deur

verloren gaat, maar in de kans, dat zij door de beweging der muren

beklemd raakt.

Men behoeft er zich niet zeer over te verwonderen, dat inboorlingen

en oude bewoners bij aardbevingen meestal zoo verschrikt zijn, hoewel

sommigen van hen om hunne groote tegenwoordigheid van geest bekend

staan. Ik geloof echter, dat deze overmaat van schrik gedeeltelijk is

toe te schrijven aan eene ongewoonte om hunne vrees te beheerschen,

daar zij zich over deze ontroering niet schamen. Inderdaad kunnen

de inboorlingen niet dulden, dat iemand onverschillig is. Ik hoorde

vertellen van twee Engelschen, die tijdens een hevigen schok in

de open lucht sliepen, maar wetende, dat er geen gevaar was, niet

opstonden. Verontwaardigd schreeuwden toen de inboorlingen:

"Kijk die ketters eens, zij staan zelfs niet van hun bed op!"

De Reis om de Wereld · 第 34 / 56 段