De Peuquenes overgetrokken zijnde, daalden wij af in een bergland,

tusschen de twee hoofdketens gelegen, en sloegen hier onze

nachtverblijven op. Wij waren nu in de Republiek Mendoza. De hoogte

was waarschijnlijk niet onder de 11000 voet, en de plantengroei

bij gevolg uiterst schraal. De wortel eener kleine armzalige plant

diende als brandstof, maar gaf een ellendig vuur, terwijl de wind

doordringend koud was. Daar ik door de inspanning van den dag zeer

vermoeid was, maakte ik mijn bed zoo spoedig mogelijk op, en ging

slapen, omstreeks middernacht zag ik de lucht eensklaps betrekken. Ik

wekte den arriero om te weten of er ook gevaar voor slecht weer was;

doch hij zeide, dat er zonder donder en bliksem geen kans op een

hevigen sneeuwstorm was. Wie tusschen de twee ketens in door slecht

weer wordt overvallen, verkeert in levensgevaar en heeft groote

moeite er aan te ontkomen. Caldcleugh, die op denzelfden dag der

maand den overtocht deed, werd daar eenigen tijd door een hevigen

sneeuwval opgehouden. Casuchas [278] of vluchthuizen, zooals in den

Uspallata-pas, zijn in dezen pas niet gebouwd, en daarom wordt de

Portillo gedurende den herfst weinig bezocht. Ik wil hier opmerken,

dat er in de hoofdketen van de Cordilleras nooit regen valt; want

des zomers is de lucht onbewolkt, en des winters komen alleen

sneeuwstormen voor.

Op de plek, waar wij sliepen, kookte het water wegens de geringere

luchtdrukking noodzakelijk bij lagere temperatuur dan in eene minder

hooge streek het geval is. Het verschijnsel was hier het omgekeerde

van dat bij den Pot van Papin. [279] Bij gevolg waren de aardappelen,

na eenige uren in het kokende water te hebben gelegen, bijna even hard

als ooit. De pot werd den ganschen nacht op het vuur gelaten, het water

den volgenden morgen opnieuw aan den kook gebracht, maar de aardappelen

werden niet gaar. Ik ontdekte dit, omdat ik mijne twee metgezellen de

zaak hoorde bespreken; zij waren eenvoudig tot het besluit gekomen "dat

die vervloekte pot (een nieuwe) geen aardappelen verkoos te koken."

[22 Maart.]

Nadat wij ons ontbijt zonder aardappelen gegeten hadden, trokken wij

over de tusschenliggende vlakte naar den voet der Portillo-keten. In

het midden van den zomer wordt hier vee gebracht om te grazen;

maar nu waren alle dieren weggehaald, en zelfs de guanaco's waren

vertrokken, wel wetende, dat zij in een val zouden geraken, zoo

zij hier door een sneeuwstorm werden verrast. Wij hadden een fraai

uitzicht op eene groep bergen, Tupungato geheeten, die geheel met een

onafgebroken sneeuwlaag bedekt waren; in het midden er van vertoonde

zich eene blauwe plek, ongetwijfeld een gletscher, die in deze bergen

een zeldzaam verschijnsel is. Nu begon eene moeilijke en langdurige

beklimming, evenals die van de Peuquenes. Rechts en links verrezen

steile, kegelvormige heuvels van rood graniet, en in de valleien

lagen verscheidene breede velden van eeuwige sneeuw. Deze bevroren

massa's waren, tijdens het ontdooien, op sommige plaatsen in pieken of

zuilen veranderd, [280] die wegens hare hoogte en geringen onderlingen

afstand den muildieren het overtrekken moeilijk maakten. Op een van

deze ijskolommen stond een bevroren paard, als op een voetstuk, maar

met de achterpooten recht omhoog. Ik vermoed, dat het dier met het

hoofd omlaag in een gat is gevallen toen de sneeuw nog versch lag,

en dat de dooi later de omringende hoopen heeft verwijderd.

Toen wij bijna op den top van de Portillo waren, werden wij in eene

dalende wolk van kleine ijsnaaldjes gehuld. Dit was zeer jammer, daar

het den ganschen dag duurde, en ons uitzicht geheel belemmerde. De pas

ontleent haren naam "Portillo" (bijpoort of doorloop voor voetgangers)

aan eene smalle kloof of overweg op den hoogsten kam, waarover de

weg leidt. Van dit punt kan men op een helderen dag die uitgestrekte

vlakten zien, welke zich onafgebroken tot den Atlantischen Oceaan

uitstrekken. Wij daalden tot de bovenste grens van plantengroei, en

vonden een goed nachtverblijf onder beschutting van eenige groote

rotsblokken. Hier ontmoetten wij eenige voorbijgangers, die ons

verlangend naar de gesteldheid van den weg vroegen. Kort nadat het

donker was dreven de wolken eensklaps weg, en de uitwerking daarvan

was bepaald tooverachtig. De hooge bergen, blinkend in den vollen

maneschijn, schenen aan alle zijden boven ons te hangen, als bevonden

wij ons in eene diepe rotskloof. Hetzelfde verrassende effect zag

ik op zekeren morgen, heel in de vroegte. Nauwelijks waren de wolken

weggedreven, of het begon hard te vriezen; maar wijl er geen wind was,

sliepen wij overheerlijk.

De meerdere helderheid van maan en sterren op deze hoogte, ten

gevolge van de zooveel grootere doorschijnendheid der lucht, was

zeer opmerkelijk. Reizigers, die ondervonden hebben hoe moeilijk het

is om hoogten en afstanden te schatten te midden van hooge bergen,

schrijven dit in 't algemeen toe aan het ontbreken van voorwerpen ter

vergelijking. Mij komt het voor, dat het evenzeer is toe te schrijven

aan de doorschijnendheid der lucht, die voorwerpen op verschillende

afstanden vermengt, als ook gedeeltelijk aan de nieuwigheid, dat eene

kleine inspanning een ongewonen graad van vermoeidheid ten gevolge

heeft. Hier is de gewoonte dus in strijd met het getuigenis onzer

zinnen. Ik ben overtuigd, dat deze ongewone helderheid een eigenaardig

karakter aan het landschap verleent, doordien alle voorwerpen

nagenoeg in één vlak vereenigd schijnen, evenals in eene teekening

of panorama. Vermoedelijk is die doorschijnendheid toe te schrijven

aan den gelijkmatigen en hoogen graad van atmospherische droogte. Die

droogte bleek spoedig uit het krimpen van houtwerk (gelijk ik spoedig

ontdekte aan de moeite, die ik met mijn geologischen hamer had);

uit het buitengewoon hard worden van voedingsmiddelen, zooals brood

en suiker, en uit het goed blijven van de huid en vleeschdeelen der

beesten, die onderweg gestorven waren. Aan dezelfde oorzaak moeten

wij het zonderlinge verschijnsel toeschrijven, dat zoo gemakkelijk

electriciteit wordt opgewekt. Mijn flanellen vest straalde, wanneer

het in donker werd gewreven, als ware het met phosphorus gewasschen;

elk haar op den rug van een hond knetterde; zelfs de linnen lakens

en de lederen zadelriemen schoten vonken, als men ze in handen nam.

[23 Maart.]

De daling aan de oostzijde van de Cordilleras is veel korter of

steiler dan aan den kant van den Stillen Oceaan: met andere woorden,

de bergen verrijzen rechtstandiger uit de vlakten dan uit het hoogland

van Chili. Eene effene en schitterend witte wolkenzee strekte zich

onder onze voeten uit, en onttrok de gelijkmatig vlakke Pampas aan

ons oog. Spoedig gingen wij deze wolkenlaag binnen, en kwamen er

dien dag niet uit. Omstreeks den middag bereikten wij Los Arenales;

en daar hier weiland voor de dieren en struiken voor brandhout werden

gevonden, hielden wij stil om te overnachten. Wij waren hier bij de

bovenste grens der struikgewassen, en de hoogte bedroeg, naar gissing,

tusschen de zeven en achtduizend voet.

Zeer trof mij het in 't oog vallend verschil tusschen den plantengroei

dezer oostelijke valleien en die aan den kant van Chili; toch zijn

zoowel het klimaat als de soort van grond ongeveer dezelfden, terwijl

het lengte-verschil zeer gering is. Dezelfde opmerking geldt voor de

viervoetige dieren, en in geringere mate voor vogels en insecten. Als

voorbeeld kan ik de muizen noemen, waarvan ik dertien soorten vond

aan de kusten van den Atlantischen, en vijf aan den Stillen Oceaan;

en hiervan zijn geen twee dezelfden. Eene uitzondering daarop maken al

die soorten, welke gewoonlijk, of nu en dan, hooge bergen bezoeken,

alsmede sommige vogels, die zelfs tot in de Straat van Magelhaen

voorkomen. Dit feit is in volkomen overeenstemming met de geologische

geschiedenis der Andes; want sedert de tegenwoordige dierenrassen op

aarde verschenen, heeft deze bergketen als groote scheidsmuur gediend;

zoodat wij, behalve in de onderstelling dat dezelfde soorten op twee

verschillende plaatsen zijn geschapen, niet mogen verwachten eene

nauwere overeenkomst te zullen vinden tusschen de organische wezens aan

de overzijden der Andes, dan op de tegenovergelegen kusten der twee

oceanen. In beide gevallen moeten wij niet mederekenen die soorten,

welke in staat zijn geweest over den scheidsmuur, hetzij van vast

gesteente of zout water, heen te komen. [281]

Zeer vele planten en dieren waren geheel dezelfden als, of ten

nauwste verwant aan die van Patagonië. Men vindt hier het aguti,

de bizcacha, drie soorten van armadillen, den struisvogel, zekere

soorten van patrijzen en andere vogels, die nooit in Chili worden

gezien, maar de kenmerkende dierentypen zijn in de woestijnvlakten

van Patagonië. Ook vindt men veelal dezelfde (in de oogen van iemand,

die geen plantkundige is) weinig ontwikkelde doornstruiken, verdorde

grassen en dwergplanten. Zelfs de zwarte, langzaam kruipende kevers

gelijken zeer op elkander; en ik geloof, dat, bij streng onderzoek,

sommigen geheel denzelfden zijn. Steeds heeft het mij gespeten,

dat wij onherroepelijk gedwongen waren de opvaring van de rivier

Santa Cruz op te geven, voordat wij de bergen bereikten, daar ik

altijd de stille hoop had, eene groote verandering in den toon van

het landschap te zullen bespeuren; doch nu ben ik overtuigd, dat dit

alléén zou gebeurd zijn, indien wij over de vlakten van Patagonië

eene bergbeklimming ondernomen hadden.

[24 Maart.]

Vroeg in den morgen beklom ik een berg aan eene der zijden van het

dal, en verlustigde mij in een ruim vergezicht over de Pampas. Dit was

een schouwspel, waarnaar ik steeds met belangstelling had uitgezien;

doch ik werd teleurgesteld. Bij den eersten aanblik geleek het veel

op een vergezicht over den oceaan; maar in de noordelijke gedeelten

lieten zich weldra vele onregelmatigheden ontdekken. Het meest trof

mij de aanblik der rivieren, die door spiegeling van de opgaande zon,

als zilveren draden schitterden tot waar zij zich in de onmetelijke

verte verloren. Des middags daalden wij af in de vallei, en bereikten

eene hut, waar een officier en drie soldaten op post stonden voor

het nazien van de paspoorten. Een dezer mannen was een volbloed

Pampas-Indiaan, en werd veel gebruikt voor hetzelfde doel als een

bloedhond, om menschen op te sporen, die te voet of te paard heimelijk

voorbij den post trachtten te geraken. Eenige jaren geleden poogde een

voorbijganger aan de nasporing te ontsnappen, door een langen omweg

over een naburigen berg te maken; maar deze Indiaan had toevallig

zijn spoor ontdekt, en volgde dit den geheelen dag over droge en zeer

steenachtige heuvels, totdat hij eindelijk zijne prooi inhaalde, die

in een hollen weg verborgen zat. Hier hoorden wij, dat de zilveren

wolken, die wij van uit de heldere streek in het hooggebergte hadden

bewonderd, zich in stroomen regen hadden ontlast. Voorbij de hut werd

de vallei gaandeweg vlakker, en werden de bergjes louter verweerde

heuvels, vergeleken met de reuzen achter ons; eindelijk breidde zij

zich uit tot eene zacht glooiende kiezelvlakte, die met lage boomen

en struiken bedekt was. Deze glooiing, hoewel op het oog smal, moet

ongeveer tien mijlen breed zijn tot waar zij overgaat in de schijnbaar

doode, vlakke Pampas. Wij trokken voorbij de Estancia van Chaquaio, het

eenige huis in dezen omtrek, hielden bij zonsondergang op het eerste

het beste aangename plekje halt, en sloegen hier ons nachtleger op.

[25 Maart.]

Gedurende den nacht viel er een zware dauw--een verschijnsel, dat wij

in de Cordilleras niet hadden waargenomen; en toen ik den volgenden

morgen de zon zag opgaan achter een horizon, zoo effen als die van den

oceaan, werd ik aan de Pampas van Buenos Aires herinnerd. De weg liep

eenigen tijd vlak oostwaarts door een laag moeras, kwam vervolgens

uit in eene droge vlakte, en boog toen noordwaarts naar Mendoza. De

afstand bedraagt twee zeer lange dagreizen. Onze eerste dagreis was

bepaald op 14 leagues naar Estacado, en de tweede op 17 naar Luxan,

bij Mendoza. De geheele weg loopt over eene effen, eenzame vlakte,

waarop niet meer dan twee of drie huizen staan. Bedenk daarbij,

dat de zon buitengewoon fel scheen, dan wordt het duidelijk waarom

de rit alle aantrekkelijkheid miste. Op dezen langen weg is zeer

weinig water; en op onze tweede dagreis vonden wij slechts één

kleinen poel. Het weinige water, dat van de bergen vloeit, wordt

door den drogen en poreuzen bodem spoedig opgezogen; en zoo kwam

het, dat wij geen enkelen stroom passeerden, ofschoon wij slechts

tien of vijftien mijlen van de buitenste keten der Cordilleras af

waren. Op vele gedeelten was de grond met eene zoutkorst bedekt, en

vonden wij hier dezelfde zoutlustige planten, die bij Bahia Blanca

voorkomen. Het landschap bezit een gelijkvormig karakter vanaf de

Straat van Magelhaen langs de geheele oostkust van Patagonië tot aan

de Rio Colorado; en dezelfde soort van streek schijnt zich in eene

bochtige lijn van deze rivier af landwaarts in uit te strekken tot San

Luis, en misschien noordelijker nog. Oostelijk van deze kromme lijn

ligt de kom der betrekkelijk vochtige en groene vlakten van Buenos

Aires. De onvruchtbare vlakten van Mendoza en Patagonië bestaan uit

eene laag kiezelsteenen, die door de golven der zee glad afgespoeld en

opgehoopt zijn; terwijl de met distels, klaver en gras bedekte Pampas

gevormd zijn door de modder der oude delta van de Rio de la Plata.

Na onze vermoeiende tweedaagsche reis zagen wij met welgevallen van

verre de rijen wilgen en populieren, die om het dorp en de rivier

Luxan groeiden. Kort vóór onze komst in de plaats bespeurden wij in

zuidelijke richting eene donkere, roodachtig bruine wolk van zeer

onregelmatigen vorm. Eerst hielden wij die voor den rook van een

grooten veldbrand, maar spoedig ontdekten wij, dat het een zwerm

sprinkhanen was. Zij vlogen in noordelijke richting; en geholpen door

eene zwakke bries, haalden zij ons met de snelheid van tien of vijftien

mijlen in het uur in. De hoofdzwerm scheen zich uit te strekken

van eene hoogte van twintig tot twee of drieduizend voeten boven den

grond. Het geluid hunner vleugels was als het "rollen van strijdwagens

door vele rennende paarden voortbewogen:" of juister, zou ik zeggen,

als het gieren van eene stevige bries door het want van een schip. Door

de voorhoede gezien, geleek de lucht op eene teekening in aqua-tinta;

maar de hoofdzwerm was ondoordringbaar voor het oog. Zij waren echter

niet zoo dicht opeengepakt, of zij konden nog een stok ontwijken, die

heen en weder werd gezwaaid. Toen zij neerstreken, waren zij talrijker

dan de bladeren des velds, en veranderde de groene kleur hiervan in

eene roodachtige; maar nauwelijks op den grond, of de insecten vlogen

in alle richtingen heen en weer. Sprinkhanen zijn in dit land niet

zeldzaam; reeds waren in dit seizoen verscheidene zwermen uit het

zuiden gekomen, waar zij, zooals in alle andere werelddeelen schijnt

te gebeuren, in de woestijnen worden uitgebroed. Te vergeefs poogden

de arme hutbewoners door het ontsteken van vuren, door geschreeuw en

het zwaaien van takken den aanval te keeren. Deze sprinkhanensoort

gelijkt zeer veel op den vermaarden Gryllus migratorius uit het Oosten,

en is wellicht dezelfde.

Wij staken de Luxan over--eene rivier van aanzienlijke grootte,

hoewel haar loop naar de zeekust zeer onvolkomen bekend is; zelfs is

het twijfelachtig of zij niet in haar loop over de vlakte verdampt en

spoorloos verdwijnt. Daarna sliepen wij in het dorp Luxan, een plaatsje

door tuinen omgeven, dat vijf leagues ten zuiden van de hoofdstad ligt

en het zuidelijkste bebouwde district is in de provincie Mendoza. Des

nachts doorstond ik een aanval (want een zachteren naam verdient het

niet) van de Benchuca, eene soort Reduvius, de groote zwarte weegluis

van de Pampas. Het is een uiterst walgelijk gevoel, als die weeke,

ongevleugelde insecten van ongeveer een inch lengte over ons lichaam

kruipen. Vóór het zuigen zijn zij zeer dun, maar later worden zij

rond en gezwollen door het bloed, zoodat het dan gemakkelijk is ze

te dooden. Een die ik ving te Iquique (want men vindt ze in Chili en

Peru), was zeer bloeddorstig. Op eene tafel geplaatst, stak het vinnige

insect, wanneer men het een vinger voorhield, onmiddellijk zijn zuiger

uit, deed, ofschoon er menschen om heen stonden, een aanval en begon,

als men het liet begaan, bloed te zuigen. De wond veroorzaakte geen

pijn. Het was merkwaardig zijn lichaam gade te slaan, terwijl het

bezig was te zuigen; want eerst zoo plat als een wafel, werd het in

minder dan tien minuten bolrond. Van dit eene maal, dat de benchuca

aan een der officieren te danken had, bleef zij vier maanden lang vet;

maar reeds na 14 dagen stond zij kant en klaar om opnieuw te zuigen.

[27 Maart.]

Wij reden verder naar Mendoza. Het land was uitstekend bebouwd, en

kwam overeen met Chili. Deze buurtschap is beroemd om haar fruit; en

het dient erkend, dat deze bloeiende wijngaarden, en boomgaarden met

vijge-, perzik- en olijfboomen door niets evenaard konden worden. Wij

kochten watermeloenen, tweemaal zoo groot als een menschenhoofd,

heerlijk koel en goed van smaak, voor een halve penny het stuk; en

een halven kruiwagen vol perziken voor de waarde van drie pence. Het

bebouwde en ompaalde gedeelte dezer provincie is zeer klein, en niet

veel grooter dan dat tusschen Luxan en de hoofdstad, hetwelk wij waren

doorgetrokken. Evenals in Chili, dankt het land zijne vruchtbaarheid

geheel aan kunstmatige bevloeiing; en het is inderdaad verrassend

als men ziet hoe buitengewoon vruchtbaar eene kale vlakte daardoor

gemaakt wordt.

Wij bleven den volgenden dag in Mendoza. De voorspoed van deze

stad is in de laatste jaren zeer gedaald. De inwoners zeggen: "Zij

is goed om er te wonen, maar zeer slecht om rijk te worden." De

lagere standen hebben de luierende, zorgelooze manieren van de

Gauchos der Pampas, en hunne kleeding, hun zadeltuig en leefwijzen

zijn nagenoeg dezelfden. In mijn oog had de stad een geesteloos,

verlaten aanzien. Noch de geroemde alameda, [282] noch de aanleg

der stad zijn te vergelijken met die van Santiago; maar voor hen,

die van Buenos Aires komende, pas hun tocht door de eentonige Pampas

hebben volbracht, moeten de tuinen en boomgaarden een verrukkelijken

aanblik opleveren. Van de inwoners sprekende, zegt Sir. F. Head: "Zij

eten hun middagmaal, gaan slapen omdat het zoo heet is... eilieve,

kunnen zij wel beter doen?" Ik ben het geheel met den zegsman eens:

het gelukkig lot der Mendozinos is: eten, slapen en luieren.

[29 Maart.]

Wij gingen op weg om over den noordelijk van Mendoza gelegen

Uspallata-pas naar Chili terug te keeren. Onze weg liep door

een uitgestrekt en zeer dor gebied, dat 15 leagues lang was. De

bodem was op sommige plaatsen geheel kaal, op andere met tallooze

dwergcactussen bedekt, die met geduchte stekels waren gewapend

en door de inwoners "kleine leeuwen" werden genoemd. Ook waren er

enkele lage struiken. Ofschoon de vlakte bijna 3000 voet boven de zee

ligt, brandde de zon zeer fel; en deze hitte, gevoegd bij de wolken

ontastbaar stof, maakten den tocht buitengewoon vermoeiend. Onze weg

liep dezen dag bijna evenwijdig met de Cordilleras, doch naderde die

langzamerhand. Vóór zonsondergang reden wij eene der breede valleien

of liever dalbochten in, welke in de vlakte uitmonden, en die zich

spoedig vernauwde tot een ravijn, waarin iets hooger op de villa

Vicencio ligt. Daar wij den ganschen dag gereden hadden zonder een

druppel water, waren wij en ook onze muildieren zeer dorstig, en keken

dus verlangend uit naar den stroom, die door deze vallei naar het dal

vloeit. Het was eigenaardig te zien, hoe het water langzamerhand voor

den dag kwam: op de vlakte was de bedding geheel droog; gaandeweg

werd zij iets vochtiger, en toen verschenen plasjes water, die zich

weldra vereenigden, totdat zich eindelijk bij de villa Vicencio een

aardig riviertje vertoonde.

[30 Maart.]

De eenzame hut, welke den indrukwekkenden naam Villa Vicencio draagt,

wordt door elken reiziger vermeld, die de Andes is overgetrokken. Ik

bleef hier twee opvolgende dagen en bezocht ook eenige naburige

mijnen. De geologie van het omliggende land is zeer merkwaardig. De

Uspallata-keten is van de hoofd-Cordilleras gescheiden door eene lange,

smalle vlakte of kom, evenals die in Chili (welke zoo vaak genoemd

zijn), maar hooger, daar zij 6000 voet boven de zee ligt. Deze keten

heeft bijna dezelfde geographische ligging met betrekking tot de

Cordilleras, als de reusachtige Portillo, maar is van geheel anderen

oorsprong. Zij bestaat uit verschillende onderzeesche lava-soorten,

die afwisselen met vulkanische zandsteenen en andere merkwaardige

sedimentaire afzetsels; het geheel komt zeer na overeen met sommige

tertiaire lagen aan de stranden van den Stillen Oceaan. Wegens die

gelijkenis verwachtte ik fossiel hout te zullen vinden, waardoor

deze formaties zich meestal kenmerken. Ik werd in ruime mate tevreden

gesteld. In het middengedeelte der keten bespeurde ik op eene naakte

helling, ter hoogte van ongeveer 17000 voet, eenige sneeuwwitte

uitstekende kolommen. Deze waren versteende boomen, waarvan elf

verkiezeld, en dertig tot veertig in grof gekristalliseerd wit

kalkspaat veranderd waren. Zij waren plotseling afgebroken, zoodat

de overgebleven stompen enkele voeten boven den grond uitstaken. De

stammen maten elk van drie tot vijf voeten in omtrek, en stonden op

geringen afstand van elkander, maar vormden te zamen ééne groep. Robert

Brown is zoo vriendelijk geweest het hout te onderzoeken, en zegt dat

het tot het geslacht der dennen behoort, omreden het de kenmerken

draagt van de familie der Araucaria's of Andesdennen, maar dat het

eenige merkwaardige verwantschapspunten met betrekking tot den iep

bezit. De vulkanische zandsteen, waarin de boomen waren begraven en

uit welks lagere gedeelten zij ontsproten moesten zijn, heeft zich

achtereenvolgens in dunne lagen om de stammen opgehoopt, en de steen

heeft nog den indruk der schors bewaard.

Er was weinig geologische kennis noodig ter vertolking van de

wonderbare geschiedenis, welke dit landschap onmiddellijk voor oogen

stelde, hoewel ik beken, dat ik in 't eerst zoozeer verbaasd was,

dat ik het klaarste bewijs nauwelijks kon gelooven. Ik zag de plek,

waar in een lang vervlogen tijd eenige fraaie boomen hunne takken

wuifden aan de stranden van den Atlantischen Oceaan, toen deze Zee--nu

700 mijlen teruggevloeid--tot aan den voet der Andes reikte. Ik zag,

dat die boomen waren ontsproten uit een vulkanischen grond, die boven

den zeespiegel was geheven, en dat dit droge land met zijn rijzig

geboomte daarna was weggezonken in de diepten van den Oceaan. In deze

diepten werd het vroeger droge land bedekt met sedimentaire lagen,

en dezen weer met ontzaglijke stroomen onderzeesche lava, waarvan

één zelfs eene dikte van 1000 voet bereikte; en vijfmaal waren die

stroomen van gesmolten gesteenten, door waterbezinksels afgewisseld,

over den zeebodem verspreid. De oceaan, waarin zulke dikke beddingen

ontstonden, moet ontzettend diep geweest zijn. Maar wederom kwamen

de onderaardsche krachten in werking; en nu zag ik den bodem van dien

oceaan eene bergketen vormen van meer dan 7000 voet hoogte. Nòg waren

die vijandige machten, welke altijd bezig zijn de oppervlakte van het

land te sloopen, niet tot rust gekomen: de groote lava-beddingen waren

doorsneden geworden van breede valleien, en de nu versteende boomen

blootgelegd door uitspoeling van den vulkanischen, thans evenzeer

versteenden bodem, waaruit zij eenmaal, groenend en bloeiend, hunne

rijzige toppen hadden omhoog geheven. Nu is dit alles eene volslagen

woestenij, want zelfs het mos kan zich niet hechten aan de steenen

rompen van voormalige boomen. Hoe reusachtig en bijna onbegrijpelijk

zulke veranderingen ook moeten schijnen, hebben zij toch allen plaats

gehad in een tijdperk, dat jong is, vergeleken met de geschiedenis

der Cordilleras zelve; en deze bergketen is beslist nieuw, vergeleken

met vele fossielen-bevattende lagen in Europa en Amerika!

[1 April.]

Wij trokken over de Uspallata-keten, en sliepen des nachts in het

tolhuis--de eenige bewoonde plek op de vlakte. Kort voordat wij de

bergen verlieten, zagen wij een zeer buitengewoon schouwspel: roode,

purpere, groene en zuiver witte sedimentaire gesteenten, afwisselende

met zwarte lava's, waren door porfier-kegels in allerlei kleuren,

van donkerbruin tot het helderste lila, opgebroken en in de grootste

wanorde dooreengeworpen. Ik zag thans voor het eerst een schouwspel,

dat werkelijk geleek op die fraaie doorsneden, welke de geologen van

het binnenste der aarde maken.

De Reis om de Wereld · 第 33 / 56 段