reizen was verrukkelijk. In de bewoonde gedeelten kochten wij wat
brandhout, huurden weiland voor de beesten, en kampeerden bij hen
in een hoek van hetzelfde veld. In den ijzeren pot, dien wij bij
ons hadden, kookten wij ons avondeten, nuttigden dit onder een
onbewolkten hemel, en kenden geen zorg. Mijne metgezellen waren:
Mariano Gonzales, die mij reeds vroeger in Chili als gids had gediend,
en een arriero (muildierendrijver) met zijne tien muildieren en
eene madrina (petemoeder). Laatstgenoemde is een hoogst gewichtig
personage: namelijk eene oude, bezadigde merrie met een belletje
aan den nek, die, waar zij gaat, door de muildieren als gehoorzame
kinderen gevolgd wordt. De liefde van deze dieren voor hunne madrinas
bespaart tallooze moeilijkheden. Zoo er verscheidene groote troepen
tegelijktijdig in hetzelfde veld grazen, behoeven de arrieros des
morgens hunne madrinas alleen wat ter zijde te voeren en hare bellen
te laten klinken: en al waren er dan ook twee- of driehonderd muilen
bijeen, toch kent elk onmiddellijk de bel van zijne eigene madrina,
en komt naar haar toe. Het is bijna onmogelijk een oud muildier
te verliezen; want zoo het verscheidene uren lang met geweld wordt
achtergehouden, zal het, evenals een hond, met zijn fijnen reuk het
spoor zijner makkers of liever van de madrina volgen, aan wie het,
zooals de arriero beweert, de meeste liefde toedraagt. Deze neiging
is echter niet van individueelen aard; want ik geloof geen ongelijk
te hebben als ik zeg, dat elk dier met een bel aan voor madrina kan
dienen. Elk muildier draagt op een effen weg een last van 416 pounds
(meer dan 29 stone); [270] maar in eene bergachtige streek 100 pounds
minder. Het is merkwaardig, dat deze dieren met hunne fijne, schrale
ledematen, zonder evenredige spierontwikkeling, zulk een grooten
last kunnen dragen. Het muildier schijnt mij altijd een hoogst
wonderlijk dier toe. Dat een basterd of speelsoort meer verstand,
geheugen, halsstarrigheid, neiging tot het vereenigingsleven,
volhardingsvermogen bij spierarbeid, en ook een langer leven bezit
dan een zijner ouders, schijnt aan te duiden, dat de kunst hier de
natuur heeft overtroffen. Van onze tien dieren waren zes bestemd voor
rijden, en vier voor het dragen van lasten, waarin allen elkander
afwisselden. Wij hadden eene flinke hoeveelheid voedsel meegenomen
voor het geval, dat wij ingesneeuwd werden, omreden het seizoen voor
een tocht over den Portillo-pas eenigszins verstreken was.
[19 Maart.]
Dezen dag reden wij naar het laatste, en dus hoogst gelegen huis
van de vallei. Het aantal bewoners werd schaarsch; toch was het
land op plaatsen, waar het water kon worden heengevoerd, nog zeer
vruchtbaar. Alle hoofdvalleien in de Cordilleras bezitten dit kenmerk,
dat zij aan beide zijden worden omzoomd door een ruw gelaagd, en
meestal zeer dik terras van keien en zand. Blijkbaar is er een tijd
geweest, dat deze terrassen zich dwars over de valleien uitstrekten
en vereenigd waren. Dit vermoeden wordt bevestigd in Noord-Chili,
waar geen stroomen zijn, en waar men de dalbodems op de genoemde wijze
gelijkmatig gevuld ziet. Over deze randterrassen leiden meestal de
wegen; want hunne oppervlakten zijn effen, en met eene zeer geringe
stijging volgen zij den loop der valleien. Vandaar dat zij ook
gemakkelijk door irrigatie worden bebouwd. Men kan hen vervolgen tot
eene hoogte van 7000 of 9000 voet, waar zij zich eindelijk tusschen
de onregelmatige hoopen rotspuin verliezen. Aan het ondereinde of
den ingang der valleien gaan zij geleidelijk over in die door land
ingesloten (ook uit keien gevormde) vlakten aan den voet der hoofdketen
van de Andes, welke ik in een vroeger hoofdstuk als kenmerkend voor
het Chileensche landschap heb beschreven, en die daar ongetwijfeld
ontstonden in een tijd, toen de zee in Chili doordrong, gelijk zij het
nu in de zuidelijke kusten doet. Geen enkel feit in de geologie van
Zuid-Amerika boezemde mij meer belang in, dan deze terrassen van grof
gelaagde keien. In samenstelling gelijken zij volkomen op de stof,
die de stroomen in elke vallei zouden afzetten, indien zij door de
eene of andere oorzaak--zooals het vloeien in een meer of zeearm--in
hun loop belemmerd werden; maar in plaats van stof af te zetten,
zijn de stroomen nu voortdurend bezig met het afknagen van het vaste
gesteente en van deze alluviale aanslibbingen over de geheele lengte
van elke hoofd- en zijvallei. Het is niet mogelijk hier de redenen op
te noemen; maar ik ben overtuigd, dat die kei- of grofkiezel-terrassen
gedurende de trapsgewijze rijzing der Cordilleras werden opgehoopt door
de stroomen, die bij opvolgende peilstanden hun rotspuin aanslibden op
de strandhoofden van lange smalle zeearmen--eerst hoog in de valleien,
toen lager en lager naar het ondereinde, terwijl het land gestadig en
langzaam rees. Indien dit zoo is (en ik kan er niet aan twijfelen),
dan is de groote en gebroken keten van de Cordilleras niet--zooals
de geologen tot voor korten tijd algemeen dachten, en zooals nu nog
de gewone meening is--plotseling omhooggeworpen, maar langzaam in
haar geheel opgeheven, op dezelfde gestadige manier als de kusten
van de Atlantische en Stille Oceanen in jongere tijdperken. Eene
menigte feiten in de structuur van de Cordilleras vinden door deze
beschouwing eene eenvoudige verklaring.
De rivieren, die door deze valleien vloeien, moesten eerder
bergstroomen worden genoemd. Hare helling is zeer groot, en het water
heeft de kleur van modder. Het geraas, dat de Maypu maakte terwijl
zij over de groote ronde brokken schoot, geleek op het bruisen
der zee. Tusschen het geweld van het stroomende water, was het
ratelende geluid der over elkander schurende steenen zeer duidelijk
hoorbaar--zelfs op een afstand. Dag en nacht kan men dit ratelende
geluid langs den geheelen loop van den stroom hooren. Voor den geoloog
lag er iets welsprekends in dien klank. Die duizenden en duizenden
steenen, welke rammelend tegen elkander het doffe en eentonige geluid
verwekten, spoedden zich allen in ééne richting. Zij deden denken aan
den tijd, waarin elke voorbij snellende minuut onherroepelijk in de
eeuwigheid verzinkt! Voor deze steenen is de oceaan hunne eeuwigheid;
en elke toon in die wilde muziek sprak mij van een stap, dien zij
nader tot hunne bestemming deden.
Het is voor den menschelijken geest onmogelijk, anders dan door een
langzaam verloop, eene werking te begrijpen, welke is voortgebracht
door eene zoo dikwijls herhaalde oorzaak, dat het noemen van het
herhalings-cijfer al geen duidelijker begrip van de zaak geeft dan
de wilde, die naar de haren op zijn hoofd wijst. Zoo dikwijls als ik
modder-, zand- en kiezellagen tot eene dikte van vele duizenden voeten
opgehoopt zag, voelde ik mij geneigd uit te roepen, dat oorzaken,
als de vermalende werking der tegenwoordige rivieren en tegenwoordige
strandvloeden, nooit zulke massa's konden hebben voortgebracht. Maar
aan den anderen kant: als ik luisterde naar het ratelende geluid dezer
stroomen: als ik mij voor den geest riep, dat geheele dierengeslachten
van de aardoppervlakte verdwenen zijn gedurende dat lange tijdvak,
waarin deze steenen dag en nacht met hetzelfde geluid in hunnen loop
zijn voortgeschuifeld--dan heb ik bij mijzelf gedacht: welke berg,
welk vastland kan zulk eene slooping weerstaan?
In dit gedeelte der vallei waren de bergen aan weerszijden van 3000
tot 6000 of 8000 voeten hoog, met afgeronde omtrekken en steile, kale
hellingen. De algemeene kleur van het gesteente was dof purperachtig,
en zijne laagswijze structuur zeer duidelijk waarneembaar. Zoo al niet
schoon, was toch het landschap merkwaardig en grootsch. In den loop van
den dag ontmoetten wij verscheidene kudden vee, die door mannen uit de
hoogere valleien in de Cordilleras naar omlaag werden gedreven. Dit
teeken van den naderenden winter verhaastte onze schreden, meer dan
voor geologische waarnemingen wel wenschelijk is. Het huis, waarin
wij sliepen, lag aan den voet van een berg, op welks top zich de
San-Pedro-de-Nolasko-mijnen bevinden. Sir F. Head verwondert zich, dat
er mijnen ontdekt zijn geworden op zulke buitengewone plaatsen als de
schrale top van den berg San Pedro de Nolasko. Toch laat die ontdekking
zich zeer goed verklaren. In de eerste plaats zijn metaaladeren in deze
streek meestal harder dan de omringende lagen, zoodat zij gedurende
de allengs voortgaande slijting der bergen buiten de oppervlakte van
den grond steken. Ten tweede heeft bijna elk arbeider, vooral in de
noordelijke gedeelten van Chili, eenig verstand van het voorkomen van
ertsen. In de groote mijnprovinciën Coquimbo en Copiapó is brandhout
zoo schaarsch, dat er op ieder bergje en in elk dal naar gezocht wordt;
en door dit zoeken zijn bijna al de rijkste mijnen in die streek
ontdekt. Chagnarcillo, waaruit in den loop van weinige jaren voor
eene waarde van vele honderdduizenden ponden zilver te voorschijn is
gebracht, werd ontdekt door een man, die een steen naar zijn beladen
ezel wilde werpen. In de meening, dat hij zeer zwaar was, raapte hij
den steen op, en ontdekte, dat deze grootendeels uit zuiver zilver
bestond. Niet ver van de plek stond de ader recht overeind, als eene
wig van metaal. Ook wandelen de mijnwerkers dikwijls op Zondagen met
een breekijzer over de bergen. In het zuidelijk deel van Chili zijn
de ontdekkers gewoonlijk mannen, die vee in de Cordilleras drijven,
en elk ravijn bezoeken waar eenig weiland te vinden is.
[20 Maart.]
Naarmate wij hooger in de vallei kwamen, werd de plantengroei, met
uitzondering van enkele fraaie Alpen-bloemen, uiterst schaarsch;
en van viervoetige dieren, vogels of insecten kon er nauwelijks een
worden ontdekt. De hooge bergen, waarvan de toppen enkele plekjes
sneeuw vertoonden, stonden goed van elkander gescheiden, terwijl de
tusschenliggende dalen gevuld waren met alluviale lagen van ontzaglijke
dikte. Het berglandschap van de Andes bevatte eenige bijzonderheden,
welke mij om hare tegenstelling met de andere mij bekende bergketens
bovenal troffen. Die bijzonderheden waren: de vlakke zoomen aan
weerszijden van de valleien, welke randen zich dikwijls tot smalle
vlakten verbreedden; de heldere kleuren, voornamelijk rood en purper,
der volkomen naakte en steile heuvels van porfier; de indrukwekkende
en onafgebroken steenaderen, welke het voorkomen hadden van muren; de
duidelijke afscheiding der lagen, die, daar waar zij bijna verticaal
stonden, de schilderachtige en ruwe middentoppen vormden, doch bij
geringere helling de groote bergenmassa aan de grenzen der keten
samenstelden; en eindelijk, de rechte kegelvormige stapels fijn
en helderkleurig rotspuin, die onder een steilen hoek van den voet
der bergen af, soms tot eene hoogte van meer dan 2000 voet langs de
wanden opliepen.
Zoowel in Vuurland als in de Andes merkte ik herhaaldelijk op,
dat waar het gesteente gedurende het grootste deel van het jaar met
sneeuw bedekt was, het op zeer buitengewone wijs in kleine hoekige
stukken was gesplinterd. Scoresby [271] heeft hetzelfde feit op
Spitsbergen waargenomen. De zaak schijnt mij eenigszins duister;
want het gedeelte van een berg, dat door een sneeuwmantel wordt
beschut, moet minder aan herhaalde en groote temperatuurswisselingen
onderhevig zijn, dan elk ander gedeelte. Soms heb ik gedacht, dat
de aarde en steenbrokken aan de oppervlakte misschien minder snel
werden verwijderd door langzaam doorzijgend sneeuwwater, [272] dan
door regen, en dat dus de schijnbaar snellere verweering van het
vaste gesteente onder de sneeuw bedriegelijk was. Wat ook de reden
zij, de hoeveelheid afbrokkelend gesteente op de Cordilleras is
zeer groot. In de lente glijden somtijds groote hoopen van dit puin
de bergen af, overdekken de sneeuw die in de dalen is samengewaaid,
en vormen zoo natuurlijke huizen van ijs. Wij reden over zoo'n huis,
dat op eene hoogte lag ver onder de grens van eeuwige sneeuw.
Tegen het vallen van den avond bereikten wij eene eigenaardige
komvormige vlakte, La Valle del Yeso (De Gips-Vallei) geheeten. Zij
was met eenig droog weiland bedekt, waarop wij tot ons genoegen eene
kudde vee zagen grazen, te midden van de omringende steenwoestijnen. De
vallei ontleent haar naam aan eene groote, naar schatting minstens
2000 voet dikke laag van wit gips, dat op sommige plaatsen geheel
zuiver is. Wij sliepen bij een troepje mannen, wier werk het was om
deze stof, die bij de wijnbereiding gebruikt wordt, op muildieren
te laden. Vroeg in den morgen van den 21sten gingen wij op weg, en
volgden weer den loop der rivier, die hier zeer klein was geworden,
totdat wij aan den voet van den machtigen bergrug kwamen, die de
wateren der Stille en Atlantische Oceanen gescheiden houdt. De
weg, tot dusver goed, en voortdurend doch zeer langzaam stijgende,
veranderde nu in een steil zigzagvormig pad over den grooten rotswand
op de grensscheiding tusschen de republieken Chili en Mendoza.
Ik zal hier eene korte schets geven van de geologische gesteldheid
der verschillende evenwijdige bergreeksen, die de Cordilleras
vormen. Van deze reeksen zijn twee aanmerkelijk hooger dan de
anderen: namelijk aan den kant van Chili, de Peuquenes-keten,
die op het punt, waar de pas haar kruist, 3927 Met. hoog is; en
aan den kant van Mendoza, de Portillo-keten, die 4060 Met. hoog
is. De lagere ruggen der Peuquenes-keten en van de verschillende
groote reeksen westelijk daarvan, bestaan uit eene reusachtige,
vele duizenden voeten dikke ophooping van porfier-gesteenten, die
als onderzeesche lava's, afgewisseld door hoekige en ronde brokken
van dezelfde gesteenten, uit kraters op den bodem van voorwereldlijke
zeeën omhoog zijn geworpen. Deze afwisselende gesteenten zijn in de
centrale gedeelten bedekt met eene dikke laag van rooden zandsteen,
conglomeraat en kalkhoudend leemschiefer, verbonden met en overgaande
in reusachtige gipslagen. In de bovenlagen komen vrij veel schelpdieren
voor, die ongeveer behooren tot de periode der Lagere Witte Kalk in
Europa. [273] Het is eene oude geschiedenis, maar daarom niet minder
verwonderlijk, van schelpdieren te hooren spreken, die weleer over
den bodem der zee kropen, en nu bijna 14000 voet boven haren spiegel
liggen! De onderste beddingen in deze groote ophooping van lagen zijn
door de werking (contactmetamorphose) van eruptieve steenmassa's,
uit een eigenaardig wit soda-graniet bestaande, verzet, verglaasd,
gekristalliseerd en bijna samengesmolten. [274]
De andere hoofdketen, nam. de Portillo-keten, is geheel anders gevormd,
en bestaat hoofdzakelijk uit hooge, naakte toppen van een rood kali- of
potasch-graniet, die ver omlaag aan de westelijke helling bedekt zijn
met een zandsteen, welke door de vroegere hitte in een kwartsgesteente
is omgezet. Op het kwarts rusten beddingen van een conglomeraat, ter
dikte van verscheidene duizenden voeten, die door het roode graniet
zijn opgeheven en onder een hoek van 45° naar de Peuquenes-keten zijn
gericht. Tot mijne verwondering zag ik, dat dit conglomeraat bestond:
deels uit rolsteenen, afkomstig van de gesteenten der Peuquenes-keten
met hunne fossiele schelpdieren, en deels uit rood potasch-graniet,
gelijk aan dat van de Portillo-keten. Daaruit moeten wij besluiten,
dat de Peuquenes- en Portillo-ketens beiden gedeeltelijk opgeheven en
aan verweering en slooping waren blootgesteld, toen het conglomeraat
zich vormde; maar wijl de beddingen van het conglomeraat door het roode
Portillo-graniet tot eene inclinatie van 45° zijn omhoog geworpen,
en de onderliggende zandsteen door ditzelfde graniet verglaasd
is, kunnen wij zeker zijn, dat de indringing van het graniet
en de opheffing der reeds gedeeltelijk gevormde Portillo-keten,
grootendeels plaats hadden na de ophooping van het conglomeraat,
en lang na de rijzing der Peuquenes-keten. De Portillo--de hoogste
keten in dit deel van de Cordilleras--is dus niet zoo oud als
de minder hooge Peuquenes-keten. Een hellende lavastroom aan den
oostelijken voet van de Portillo zou als bewijs kunnen dienen, dat
de groote hoogte van die keten gedeeltelijk is toe te schrijven aan
rijzingen van nog latere dagteekening. Wat haar vroegste ontstaan
betreft, zoo schijnt het roode graniet te zijn ingedrongen door
de lijn van zwaksten weerstand eener oude, voorbestaande keten van
wit graniet en mica-schiefer. Men mag aannemen, dat in de meeste,
wellicht in alle gedeelten van de Cordilleras elke keten gevormd is
door herhaalde opheffingen en inschuivingen van eruptief gesteente;
en dat de verschillende evenwijdige ketenen van verschillenden
ouderdom zijn. Alleen zóó kunnen wij tijd winnen, noodig en voldoende
om den werkelijk verbazenden omvang der slooping te verklaren, die
deze hooge ofschoon, in vergelijking met de meeste andere ketens,
nog jonge bergen ondergaan hebben.
Eindelijk bewijzen de schelpen in de Peuquenes- of oudste keten,
dat zij, zooals boven is opgemerkt, 14000 voet gestegen is sedert
het bestaan eener formatie uit het Secondaire of Mesozoïsche Tijdvak,
die wij in Europa gewoon zijn als verre van oud te beschouwen. Doch
er is meer: de zee, waarin die schelpdieren leefden, had slechts eene
matige diepte; en nu kan men aantoonen, dat het gebied, thans door de
Cordilleras ingenomen, verscheidene duizenden voeten (in Noord-Chili
ongeveer 6000 voet) gezonken moet zijn, om aan die machtige groep van
onderzeesche lagen gelegenheid te geven zich op de bedding, waarin die
schelpdieren leefden, af te zetten. Het bewijs is hetzelfde als dat,
waardoor werd aangetoond, dat in een tijdperk, zeer lang nadat de
tertiaire schelpen der voormalige Patagonische Zee leefden, de bodem
dier zee verscheidene honderden voeten gedaald moet zijn, door eene
latere rijzing gevolgd. Dagelijks vindt de geoloog gelegenheid zich
te overtuigen, dat er niets--zelfs niet de wind--zoo wankelbaar en
onstandvastig is als het eigenlijk oppervlak onzer aardkorst.
Ik wil nog eene andere geologische opmerking doen. Ofschoon
de Portillo-keten hier hooger is dan de Peuquenes, hebben de
waterstroomen, die de tusschenliggende valleien bevloeien, zich een weg
er door gebaand. Hetzelfde feit, op grootere schaal, is waargenomen
in de oostelijke en hoogste keten der Boliviaansche Cordilleras,
waardoor de rivieren zich een weg banen, en dergelijke feiten zijn
ook in andere deelen van de wereld opgemerkt. In de onderstelling,
dat de Portillo-keten in lateren tijd en gaandeweg is opgeheven,
laat zich dit feit verklaren, want in dit geval zou eerst eene reeks
eilandjes verschijnen; en terwijl dezen werden omhoog geheven, zouden
de getijen steeds diepere en breedere kanalen daarin uithollen. Ten
huidigen dage zijn in de meest afgelegen zeeëngten op de kust van
Vuurland, de stroomingen in de dwarsgeulen, die de overlangsche
kanalen verbinden, zeer sterk, zoodat in een dier zijkanalen zelfs
een klein zeilschip om en om werd gedraaid.
Omstreeks den middag aanvaardden wij de moeilijke bestijging van de
Peuquenes-keten, en ondervonden toen voor de eerste maal eene kleine
belemmering in onze ademhaling. De muildieren wilden bij iedere
50 yards halt houden; en na enkele seconden rust begonnen de arme,
gewillige dieren den tocht opnieuw. De korte ademhaling ten gevolge
van den ijlen dampkring wordt door de Chileenen puna genoemd, [275]
en zij hebben de belachelijkste begrippen aangaande de oorzaak er
van. Sommigen zeggen: "al het water hier heeft puna;" anderen: "waar
sneeuw is, daar is puna;" en dit laatste is zonder twijfel waar. De
eenige gewaarwording, die ik ondervond, was eene lichte stramheid in
hoofd en borst, zooals men gevoelt als men snel uit eene warme kamer
in de ijskoude lucht komt. Maar zelfs hierin was eenige verbeelding;
want toen ik op den hoogsten bergrug fossiele schelpdieren vond,
vergat ik van blijdschap de puna geheel. Ongetwijfeld kostte het
loopen buitengewoon veel inspanning, en werd de ademhaling diep en
zwaar. Men zeide mij, dat vreemdelingen, die in Potosi (ongeveer
13000 voet boven de zee) verblijf houden, zelfs in een vol jaar tijds
niet geheel aan de lucht gewend raken. Alle inwoners raden uien tegen
puna aan. Daar dit gewas in Europa somtijds tegen borstkwalen wordt
aangewend, kan het mogelijk van wezenlijk nut zijn; wat mij betreft,
ik vond geen beter middel dan fossiele schelpdieren!
Toen wij omstreeks halfweg op den berg waren, ontmoetten wij een
grooten troep van 70 beladen muildieren. Het was merkwaardig de
woeste kreten der drijvers te hooren, en den langen sleep van dieren
den berg te zien afdalen. Nu er niets in het rond was om dien troep
bij te vergelijken, dan de naakte bergen zelven, wat scheen hij ons
klein toe! Dicht bij den top was de wind, zooals meestal gebeurt,
onstuimig en buitengewoon koud. Aan elke zijde van de keten moesten
wij over breede velden van eeuwige sneeuw gaan, die nu spoedig door
eene versche laag zou worden bedekt. Toen wij den top bereikten
en omkeken, vertoonde zich een prachtig schouwspel. De verblindend
heldere lucht; de donkerblauwe hemel; de diepe valleien; de grillig
gebroken vormen der berggevaarten; de stapels rotspuin, sinds eeuwen
opgehoopt; de tegenstelling tusschen de helderkleurige gesteenten
en de stemmig getinte sneeuwbergen--dit alles smolt samen tot een
tafereel van onbeschrijfelijke schoonheid, zooals niemand zich kan
voorstellen. Enkele condors uitgezonderd, die om de hooge toppen
zweefden, leidden plant noch dier mijne aandacht af van deze grootsche,
doch onbezielde natuur. Ik gevoelde mij verrukt in deze eenzaamheid:
het was als sloeg ik een onweder gade, als hoorde ik daar in vol
orkest een koor van den Messias!
Op verscheidene sneeuwhoopen vond ik den Protococcus Nivalis of roode
sneeuw, zoo wel bekend uit de verhalen van Noorsche zeevaarders. Mijne
aandacht werd er op gevestigd, toen ik zag, dat de voetstappen der
muildieren eene bleekroode tint hadden, alsof hunne hoeven eenigszins
bloederig waren. Eerst meende ik dit te moeten toeschrijven aan stof,
dat van de omringende roode porfier-bergen was afgewaaid; want door
het vergrootings-vermogen der sneeuwkristallen geleken de groepen
dezer microscopische planten op grove stofdeelen. De sneeuw was alleen
dáár gekleurd, waar zij snel ontdooid of toevallig vertrapt was. Eene
kleine hoeveelheid, op papier gewreven, gaf eene flauwe rozeroode tint,
vermengd met een spoor van steenrood. Later schraapte ik iets van het
papier af, en vond dat dit schraapsel bestond uit groepen bolletjes
in kleurlooze kapsels, elk een duizendste inch in doorsnede.
Op den top der Peuquenes-keten is de wind, gelijk ik zoo even
opmerkte, meestal onstuimig en zeer koud; men zegt, dat hij geregeld
van de westzijde waait, of van den Stillen Oceaan. [276] Daar de
waarnemingen hoofdzakelijk in den zomer zijn gedaan, moet deze wind een
boven-keerstroom zijn. De Piek van Tenerife, die minder hoog is [277]
en op 28° N.B. ligt, ligt eveneens in een boven-keerstroom. Eerst
schijnt het eenigszins wonderlijk, dat de passaatwind langs de
noordelijke gedeelten van Chili en op de kust van Peru in zulk
eene zuidelijke richting waait, als hier het geval is; maar zoo wij
bedenken, dat het Andesgebergte, dat in eene noordelijk-zuidelijke
richting loopt, den lageren luchtstroom over zijne geheele diepte als
met een grooten dam onderschept, dan zien wij gemakkelijk in, dat de
passaatwind noordwaarts, langs de bergketen, naar de evenaarsstreken
moet worden getrokken, en dus een deel van die oostelijke beweging
moet verliezen, welke zij anders door de aswenteling der aarde zou
hebben bezeten. Te Mendoza, aan den oostelijken voet der Andes, is
het klimaat, gelijk men beweert, onderhevig aan lange windstilten
en aan herhaalde, ofschoon valsche voorteekenen van dreigende
regenvlagen. Hier kunnen wij ons voorstellen, dat de wind, als hij
uit het oosten komende door de bergketen wordt onderschept, stationair
wordt en onregelmatige bewegingen aanneemt.