naderen. Zij bevond zich op een afstand van drie tot vier mijlen,
en vertoonde eene effen oppervlakte. Maar nauwelijks bereikte zij
het strand, of zij rukte boomen en hutten weg, en rolde voort met
onweerstaanbare kracht. Aan het hoofd der baai spatte zij uiteen in
eene ontzagwekkende lijn van witte brekers, die tot eene hoogte van 23
voet boven het hoogste springtij stegen. Hare kracht moet ontzettend
zijn geweest, want bij het Fort werd een kanon met zijn affuit, dat op
een gewicht van 4 tons (4064 kilo) werd geschat, 15 voet binnenwaarts
verschoven. Een schoener werd opgelicht, en 200 yards van het strand
tusschen de puinhoopen geworpen. De eerste golf werd door twee
andere gevolgd, die bij haren terugkeer eene menigte overblijfsels
van drijvende voorwerpen medevoerden. In een deel der baai werd een
schip hoog en droog op het strand gezet, toen afgebracht, weêr op het
strand gezet, en nogmaals afgebracht. In een ander gedeelte werden twee
groote schepen, die dicht bij elkander voor anker lagen, rondgedraaid,
en werden hunne kabels driemaal om elkaar gewonden. Niettegenstaande
hun ankergrond hier 36 voet diep was, zaten zij eenige minuten lang aan
den grond. De vloedgolf moet zich overigens langzaam bewogen hebben,
want de inwoners van Talcahuano hadden den tijd om de heuvels achter
de stad op te loopen, terwijl eenige zeelieden het ruime sop kozen,
vertrouwende dat hunne boot veilig over de deining heen zou komen,
zoo zij deze vóór hare breking in stortzeeën konden bereiken. Eene
oude vrouw klom ijlings met een knaapje van vier of vijf jaren in eene
boot; doch er was niemand om hen weg te roeien. Dientengevolge werd
de boot tegen een anker geslingerd en in tweeën geslagen; de oude
vrouw verdronk, maar het kind werd eenige uren later, hangend aan
het wrak der boot, opgevischt. Groote plassen zout water stonden nog
tusschen het puin der huizen, en te midden daarvan zag men kinderen,
bezig booten te maken van oude tafels en stoelen, even gelukkig
spelen als hunne ouders ongelukkig waren. Het trof mij echter in
hooge mate, alle lieden veel vroolijker en bedrijviger te zien,
dan men verwacht zou hebben. Zeer terecht werd opgemerkt, dat, nu
de verwoesting algemeen was, geen enkel individu lager stond dan een
ander, of zijne vrienden van koud egoïsme--dat grievendste gevolg van
het verlies van rijkdom--kon beschuldigen. Rouse woonde met een groot
aantal dakloozen, die hij welwillend onder zijne bescherming nam,
gedurende de eerste week in een tuin onder eenige appelboomen. Eerst
waren deze menschen even vroolijk, alsof zij aan een picnic zaten;
doch later veroorzaakte de hevige regen veel neerslachtigheid, want
zij waren geheel zonder beschutting.
In het uitnemende verslag van kapitein Fitz-Roy over de aardbeving
wordt gezegd, dat er in de baai twee uitbarstingen werden gezien:
eene in den vorm van eene rookkolom, en eene tweede, die op het
waterspuiten van een grooten walvisch geleek. Ook scheen het water
overal in beroering, alsof het kookte, werd "zwart, en dampte een
hoogst onaangenamen zwavelreuk uit." Deze laatste verschijnselen
werden ook waargenomen in de Baai van Valparaiso gedurende de
aardbeving in 1822. [259] Ik onderstel, dat deze uitdampingen hare
verklaring vinden in het loswerken van de modder op den bodem der
zee, welke veel rottende organische stoffen bevat. In de Baai van
Callao bespeurde ik op zekeren dag bij stil weder, dat, toen het
schip zijn kabel over den bodem sleepte, eene rij bellen den koers
van het vaartuig aanwees. De lagere klassen in Talcahuano dachten,
dat de aardbeving veroorzaakt werd door eene oude Indiaansche vrouw,
die twee jaren geleden uit wraak voor eene beleediging den vulkaan
Antuco verstopt had. Dit onnoozele geloof is hierom eigenaardig,
wijl het aantoont, dat de ervaring het volk had leeren opmerken,
dat er verband bestaat tusschen de onderdrukte werking der vulkanen
en het beven van den grond. Op het punt waar hun begrip omtrent
oorzaak en gevolg faalde, moest de tooverij worden toegepast: en dit
was het afsluiten van de vulkaanopening. In het bijzondere geval van
deze aardbeving was zoodanig bijgeloof des te merkwaardiger, omdat,
volgens kapitein Fitz-Roy, de onderstelling gegrond is, dat de Antuco
in 't geheel niet bij het verschijnsel betrokken was. [260]
De stad Concepcion was in den gewonen Spaanschen trant gebouwd,
d.w.z. alle straten kruisten elkander rechthoekig: de eene groep liep
in de richting zuidwest ten westen, en de andere groep noordwest ten
noorden. In de eerste richting stonden de muren ongetwijfeld beter
dan in de tweede, want verreweg het meeste metselwerk werd naar het
noordoosten geworpen. Beide omstandigheden stemmen volkomen overeen
met het algemeen gevoelen, dat de golvingen uit het zuidwesten zijn
gekomen--uit welke streek van den horizon ook de onderaardsche geluiden
werden gehoord; want het is duidelijk, dat de muren, loopend in de
richting zuidwest-noordoost en dus met hunne kanten gekeerd naar het
punt van waar de golvingen kwamen, veel minder kans zouden hebben
te vallen dan die muren, loopende in de richting noordwest-zuidoost,
die op hetzelfde oogenblik over hunne gansche lengte uit de verticaal
werden geworpen, omdat de golvingen die uit het zuidwesten kwamen,
bij het doorgaan onder de fundeeringen, in noordwest en zuidoost
golven moesten worden ontbonden. Men kan dit toelichten, wanneer
men boeken op hun kant op een karpet plaatst, en dan op de manier,
door Mitchell [261] aangegeven, de golvingen van eene aardbeving
nabootst. Men zal dan zien, dat die boeken meer of minder schielijk
vallen, naar gelang hunne richting meer of minder samenvalt met die
welke loodrecht staat op de richting der golven. Ofschoon niet alle,
strekten de spleten in den grond zich over 't geheel uit in eene
richting noordwest-zuidoost, en kwamen dus overeen met de golflijnen
of lijnen van grootste buiging. Gelet op al deze omstandigheden,
die duidelijk op het zuidwesten wijzen als de streek waarin het
hoofdbrandpunt van storing gelegen was, is het een feit van veel
belang, dat het eiland Santa Maria, hetwelk in dien hoek lag, gedurende
de algemeene landrijzing tot eene hoogte steeg bijna driemaal zoo
groot als die van eenig ander deel der kust.
Van den ongelijken weerstand, dien de muren naar gelang van hunne
richting boden, gaf de kathedraal een sprekend voorbeeld. De zijde,
die naar het noordoosten was gekeerd, vertoonde eene grooten puinhoop,
en te midden daarvan staken deurkozijnen en stapels timmerhout omhoog,
als wrakhout in een stroom. Sommige brokken metselwerk bezaten
groote afmetingen, en waren tot ver op het vlakke kerkplein gerold,
evenals stukken rots aan den voet van een hoogen berg. De zijmuren
(loopende in eene richting zuidwest-noordoost) waren, hoewel deerlijk
gescheurd, blijven staan; maar de groote stutten, welke er loodrecht
tegen stonden (en dus evenwijdig aan het frontvlak der gevallen
muren), waren in vele gevallen, als met een beitel, glad afgestoken
en op den grond geslingerd. Eenige vierkante ornamenten op den top
van dezelfde muren waren door de aardbeving in een diagonalen stand
geplaatst. Een dergelijk feit werd waargenomen na eene aardbeving te
Valparaiso, in Calabrië en op andere plaatsen, waaronder ook eenige
Grieksche tempels. [262] Oppervlakkig beschouwd schijnt deze draaiende
verplaatsing te wijzen op eene wervelende beweging onder elk punt dat
dezen stand aanneemt; maar dit is in hooge mate onwaarschijnlijk. Zou
zij niet een gevolg hiervan zijn, dat elke steen neiging heeft
zich in een bijzonderen stand met betrekking tot de trillingslijn
te plaatsen--ongeveer op de manier van spelden op een vel papier,
dat geschud wordt? In 't algemeen gesproken, stonden deuringangen of
vensters veel beter dan andere deelen der gebouwen. Niettemin werd
een arm oud man, die lam was en de gewoonte had om bij kleine schokken
naar een deuringang te kruipen, bij deze gelegenheden verpletterd.
Ik heb niet getracht eene uitvoerige beschrijving te geven van het
voorkomen van Concepcion zelf, want ik gevoel, dat het volstrekt
onmogelijk is de gemengde gewaarwordingen te schetsen, die ik daar
ondervond. Verscheidene officieren bezochten de stad vóór mij; maar
hunne sterkst gekleurde woorden waren onmachtig om een juist denkbeeld
te geven van dat tooneel van verwoesting. Het is bitter en ontmoedigend
in eene enkele minuut het werk te zien vernietigen, dat den mensch
zooveel tijd en arbeid heeft gekost! Toch verdween het medelijden met
de inwoners bijna terstond, om plaats te maken voor de verwondering,
dat men in een oogenblik tijds een toestand zag geboren worden, dien
men alléén aan een langdurig tijdperk van verval meende te kunnen
toeschrijven. Naar mijne overtuiging, hebben wij sedert ons vertrek
uit Engeland geen schouwspel gezien, dat zulk een diepen indruk maakte.
Men beweert, dat bij bijna elke groote aardbeving het naburige
water der zee in hevige beroering geraakt. Zooals in het geval van
Concepcion, schijnt de storing in 't algemeen van tweederlei aard te
zijn geweest: ten eerste vloeit het water, op het oogenblik van den
schok, gestadig en in een hooge golf tegen het strand op, en gaat dan
kalm terug; ten tweede vloeit al het zeewater, eenigen tijd daarna,
van de kust weg, en keert dan in golven van onweerstaanbare kracht
terug. De eerste beweging schijnt een rechtstreeksch gevolg te zijn
van de ongelijke werkingen, die de aardbeving op een vast en vloeibaar
lichaam uitoefent, zoodat hunne betrekkelijke hoogten zwak gestoord
worden; maar het tweede geval is een veel gewichtiger verschijnsel. Het
staat vast, dat bij de meeste aardbevingen, en in 't bijzonder bij die
op de westkust van Amerika, de eerste groote beweging van het water
eene teruggaande is. Eenige schrijvers hebben dit trachten te verklaren
door aan te nemen, dat het water zijn peil behoudt, terwijl het land
omhoog golft; maar dicht bij het land--zelfs bij eene eenigszins
steile kust--zou het water stellig aan de beweging van den bodem
deelnemen. Daarenboven betoogt Ch. Lyell, dat dergelijke bewegingen
der zee hebben plaats gehad op eilanden, ver van de hoofdlijn van
storing gelegen--zooals gedurende deze aardbeving het geval was met
Juan Fernandez, en met het eiland Madeira tijdens de vreeselijke
ramp te Lissabon in 1755. Ofschoon het vraagstuk zeer ingewikkeld is,
onderstel ik, dat iedere golf, hoe ook ontstaan, eerst het water van
het strand aftrekt, waarop zij bij hare nadering breekt. Hetzelfde
heb ik ook waargenomen bij de golfjes, die de schepraderen van eene
stoomboot voortbrengen. Het is opmerkelijk, dat, terwijl Talcahuano en
Callao (bij Lima), die beiden gelegen zijn aan het hoofd van groote
ondiepe baaien, bij elke hevige aardbeving van vloedgolven hebben te
lijden gehad--Valparaiso, dat dicht bij den kant van zeer diep water
ligt, nooit overstroomd is geworden, ofschoon het zoo dikwijls door de
geweldigste schokken geteisterd werd. Uit het feit, dat de vloedgolf
niet onmiddellijk op de aardbeving volgt, maar somtijds eerst na eene
tusschenruimte van een half uur: en ook omdat veraf gelegen eilanden
op gelijke wijze worden getroffen als de kusten nabij het brandpunt
van storing--schijnt het, dat de golf zich het eerst in volle zee
verheft; en daar die verschijnselen algemeen voorkomen, moet er ook
eene algemeene oorzaak voor bestaan. Ik vermoed, dat wij de lijn,
waar de minder gestoorde waters van den diepen oceaan samentreffen met
het water dichter bij de kust, hetwelk aan de bewegingen van het land
heeft deelgenomen--moeten beschouwen als de plaats, waar de vloedgolf
het eerst is ontstaan. Ook schijnt de golf grooter of kleiner zijn,
naar gelang van de uitgestrektheid van het ondiepe water, dat met
den bodem waarop het stond, in beroering geraakte.
Het merkwaardigste gevolg van deze aardbeving was de bestendige rijzing
van het land. Misschien zou het veel juister zijn deze rijzing als de
oorzaak er van te noemen. Ofschoon er geen twijfel kan zijn, dat het
land om de Baai van Concepcion twee of drie voet omhoog werd geheven,
dient toch te worden opgemerkt, dat ik, wegens de omstandigheid dat de
golf de oude lijnen van eb- en vloedwerking op de glooiende zandige
kusten had uitgewischt, geen bewijs voor dit feit kon ontdekken,
behalve in het eenstemmige getuigenis der bewoners, dat eene kleine
rotsachtige diepte, welke nu blootligt, vroeger met water bedekt
was. Op het eiland Santa Maria (dat ongeveer 30 mijlen ver ligt) was
de rijzing grooter; op één gedeelte vond kapitein Fitz-Roy, tien voet
boven hoogwaterpeil, banken met verrotte mosselschelpdieren, welke nog
aan de rotsen vastzaten, terwijl de bewoners vroeger bij doodtij naar
deze schelpdieren gedoken hadden. De rijzing van deze landstreek is
van bijzonder belang, wijl zij het tooneel is geweest van verscheidene
andere hevige aardbevingen, en wegens het groote aantal zeeschelpen,
die op eene hoogte van stellig 600 en, naar ik meen, zelfs 1000
voet over het land verspreid liggen. Zooals ik heb opgemerkt, zijn
dergelijke schelpen te Valparaiso gevonden op eene hoogte van 1300
voet. Er valt bijna niet aan te twijfelen, dat deze groote rijzing
een gevolg is geweest van achtereenvolgende kleine (periodieke)
rijzingen, zooals die, welke de aardbeving van dit jaar vergezelde
of veroorzaakte, alsmede van eene onmerkbare langzame (seculaire)
rijzing, die stellig op sommige gedeelten dezer kust in gang is.
Het eiland Juan Fernandez, 360 mijlen ten noordwesten van Concepcion,
werd op het tijdstip van den grooten schok op 20 Februari hevig
geschud, zoodat de boomen tegen elkander sloegen, en dicht bij het
strand een onderzeesche vulkaan in werking kwam. Deze feiten zijn
merkwaardig, omdat dit eiland ook tijdens de aardbeving op 24 Mei 1751
heviger werd geteisterd, dan andere plaatsen op gelijken afstand van
Concepcion, [263] zoodat zij op eene onderaardsche verbinding tusschen
deze twee punten schijnen te wijzen. Chiloë, ongeveer 340 mijlen ten
zuiden van dezelfde stad, schijnt aan sterkere schokken blootgesteld
te zijn geweest, dan het tusschenliggende district Valdivia, waar
de vulkaan Villarica in 't geheel niet in werking kwam, terwijl in
de Cordilleras tegenover Chiloë twee vulkanen op hetzelfde oogenblik
een hevige uitbarsting hadden. Deze twee vulkanen, en enkele naburige
andere, bleven langen tijd werkzaam, en kwamen tien maanden later
door eene aardbeving te Concepcion opnieuw tot uitbarsting. [264]
Eenige mannen, die bij den voet van een dezer vulkanen bezig waren
hout te hakken, bespeurden den schok van den 20sten Februari niet,
ofschoon het geheele omliggende district toen in trilling was. Hier
zien wij dus een geval, dat eene uitbarsting eene aardbeving verzwakt
en daarvoor in de plaats treedt, zooals volgens het bijgeloof der
lagere klassen ook te Concepcion geschied zou zijn, indien de vulkaan
Antuco niet door tooverij verstopt was geworden. Twee jaren en negen
maanden later (7 November 1837) werden Valdivia en Chiloë nogmaals en
heviger geteisterd dan op 20 Februari 1835, waarbij een eiland in den
Chonos-archipel (het eiland Lemus) eene blijvende rijzing van meer dan
acht voet onderging. Het zal den lezer een beter begrip geven van het
uitgestrekte gebied dezer verschijnselen, zoo wij aannemen (evenals
in het geval van de gletschers), dat zij op overeenkomstige afstanden
in Europa hebben plaats gehad. In dat geval zou het land vanaf de
Noordzee tot de Middellandsche Zee hevig geschokt zijn geworden, en
zouden op hetzelfde tijdstip een groot deel van Engelands oostkust,
benevens eenige afgelegen eilanden blijvend zijn omhoog geheven. Op
de kust van Holland zou eene reeks vulkanen in werking zijn gekomen,
en bij de noordpunt van Ierland zou eene uitbarsting op den bodem
der zee hebben plaats gehad. Eindelijk zouden de oude kraters van
Auvergne (Chaîne des Puys of des Monts Dômes, Le Plomp du Cantal en
Les Monts-Dore) donkere rookkolommen hebben omhoog geworpen, en langen
tijd in hevige werking zijn gebleven. Drie en dertig maanden later
zou Frankrijk vanaf zijne centrale hoogvlakte tot aan het Engelsche
Kanaal opnieuw door eene aardbeving verwoest zijn geworden, en zou
een eiland in de Middellandsche Zee blijvend gerezen zijn.
Het gebied, waarover op den 20sten Februari de vulkanische stof werd
uitgeworpen, besloeg eene ruimte van 720 bij 400 Engelsche mijlen,
zoodat zich hier naar alle waarschijnlijkheid een onderaardsch
lavameer uitstrekte, aanmerkelijk grooter dan de oppervlakte der Zwarte
Zee. [265] Uit het nauwe en samengestelde verband, dat er gedurende
deze reeks van verschijnselen tusschen de opheffende en eruptieve
krachten bleek te bestaan, mogen wij met zekerheid besluiten, dat de
krachten welke langzaam en met kleine rukken vastelandsdeelen opheffen,
en die welke periodiek vulkanische stof uit open kraters werpen,
eene-en-dezelfde zijn. Om vele redenen geloof ik, dat de menigvuldige
aardbevingen op deze kustlijn worden teweeggebracht door het scheuren
der lagen, als een noodzakelijk gevolg van de spanning van het land
bij opheffing, en door het met geweld binnendringen [266] van gloeiend
magma of vloeibaar gesteente. Dit scheuren en binnendringen zouden bij
genoegzame herhaling (en wij weten, dat aardbevingen herhaaldelijk
dezelfde streken op dezelfde wijze teisteren) eindelijk eene lage
bergketen vormen. Een dergelijk proces schijnt met het rechtlijnige
eiland Santa Maria in gang te zijn. Ik geloof, dat het centrale
of as-gedeelte van een berg in zijne ontstaanswijze alleen hierin
van een lagen vulkaankegel verschilt, dat het gesmolten gesteente
bij herhaling naar binnen is geperst, in plaats van herhaaldelijk
naar buiten geworpen. Bovendien geloof ik, dat de structuur van
groote bergketenen--zooals die van de Cordilleras, waar de lagen
die de ingeperste kern van plutonische gesteenten bedekken, langs
verschillende evenwijdige en naburige heflijnen op haren kant zijn
gezet--onmogelijk kan worden verklaard, behalve in de onderstelling,
dat het kerngesteente herhaaldelijk werd ingespoten na tijdruimten,
lang genoeg om aan de bovengedeelten of vulspleten gelegenheid te geven
tot afkoeling en verharding. Want indien de lagen door één enkelen
schok in hare tegenwoordige, zeer steile, loodrechte en stomphoekige
standen waren geworpen, zouden de ingewanden der aarde naar buiten
zijn gestroomd; en in plaats dat men, zooals nu, de steile centrale
bergdeelen zou gevormd zien uit gesteente, dat onder hooge drukking
is vastgeworden, zouden op tallooze punten van elke heflijn stroomen
lava naar buiten zijn gevloeid. [267]
Dat groote bergketens, en bergen in 't algemeen, op de door
Darwin omschrevene wijze ontstaan zouden zijn, vindt heden
geen geloof meer. Ook niet de vroeger zoozeer bekende theorie
van Hutton, Playfair, A. von Humboldt, E. de Beaumont en L. von
Buch, volgens welke de bergen waren ontstaan door drukkrachten,
die in radiale richting van onderen naar boven werkten, en die
de uitbarsting van eruptieve gesteenten voor de oorzaak hield
van de opheffing en plooiïng der aardlagen tot bergen. Aan de
nieuwere onderzoekingen van Favre, Dana, Baltzer, maar vooral
van E. Suess en A. Heim [268] is het te danken, dat men eene
juistere en meer natuurlijke voorstelling van het proces der
bergvorming bezit. Volgens die theorie verdeelt men de bergen in:
1o. Erosie-gebergten, die door de knagende of wegvretende werking
van stroomend water op een oorspronkelijk tafelland gevormd werden;
2o. Vulkanische gebergten, ontstaan door gloeiend vloeibaar
gesteente, dat door eene spleet of opening (in ruimeren zin:
eene reeks van zulke openingen) uit het binnenste der aarde drong,
zich aan de randen der spleet ophoopte en afkoelde; 3o. Tektonische
gebergten, waartoe de meest voorkomende en reusachtigste bergen en
bergreeksen behooren. Daaronder verstaat men zulke, die gevormd
werden door bewegingen der aardkorst zelve (benedenwaartsche en
samenschuivende), ten gevolge van de afkoeling en daarmede in
verband staande contractie en verkleining onzer planeet.
(Noot v. d. Vert.)
HOOFDSTUK XV.
OVERTOCHT VAN DE CORDILLERAS.
[7 Maart 1835.]
Wij bleven drie dagen te Concepcion, en zeilden toen naar
Valparaiso. Daar de wind noordelijk was, bereikten wij den ingang
der haven van Concepcion eerst tegen donker. Omdat wij zeer dicht bij
land waren, en er een mist kwam opzetten, lieten wij hier het anker
vallen. Kort daarna kwam een groote Amerikaansche walvischvaarder
ons op zijde, waarvan wij den kapitein vloekend tot zijn volk hoorden
zeggen, dat het zich stil moest houden, zoolang hij naar de stortzeeën
luisterde. Kapitein Fitz-Roy praaide hem met luide, heldere stem,
om op de plek waar hij was te ankeren. De arme man zal toen zeker
hebben gedacht, dat die stem van het strand kwam, want een storm van
kreten steeg eensklaps van het schip op, daar iedereen schreeuwde:
"Laat het anker vallen! Kabel vieren! Zeil minderen!" Dit was het
belachelijkste, dat ik ooit gezien had. Indien alle koppen van de
bemanning kapiteins waren geweest, had er geen grootere verwarring
van bevelen kunnen heerschen. Later ontdekten wij, dat de kapitein
stotterde, zoodat ik vermoed, dat allen hem hielpen om zijne orders
te geven.
Op den 11den ankerden wij te Valparaiso; en twee dagen later ging ik
op weg, om de Cordilleras over te trekken. Eerst begaf ik mij naar
Santiago, waar Caldcleugh mij zeer vriendelijk op alle mogelijke
wijze hielp bij het maken van de kleine noodige toebereidselen. In
dit gedeelte van Chili zijn twee passen over de Andes naar Mendoza: de
eene, de Aconcagua- of Uspallata-pas, ligt op 32°50' Z.B. en wordt het
meest gebruikt; de tweede, de Portillo-pas geheeten, ligt zuidelijker,
is nader, maar hooger en gevaarlijker. [269]
[18 Maart.]
Wij richtten ons naar den Portillo-pas. Na Santiago te hebben
verlaten, staken wij de uitgestrekte, verschroeide vlakte over,
waarin deze stad ligt, en kwamen in den namiddag aan de Maypu, eene der
voornaamste rivieren van Chili. Ter plaatse, waar de vallei den eersten
Cordilleras-kam snijdt, wordt zij aan weerskanten door hooge, naakte
bergen begrensd; en ofschoon niet breed, is zij zeer vruchtbaar. Tal
van hutten waren omringd door wijngaarden, en boomgaarden met appel-,
nektarine- en perzikboomen, waarvan de takken onder het gewicht der
schoone rijpe vruchten dreigden te breken. Des avonds bereikten wij het
tolhuis, waar onze bagage onderzocht werd. De Chileensche grens wordt
beter bewaakt door de Cordilleras, dan door het water der zee. Er zijn
zeer weinige valleien, die naar de centrale kammen van het gebergte
voeren, en op andere plaatsen zijn de bergen voor lastdieren geheel
onbegaanbaar. De beambten van het tolhuis waren zeer beleefd, hetgeen
misschien voor een deel was toe te schrijven aan het paspoort, dat
de President der Republiek mij gegeven had; maar bijna elke Chileen
bezit eene aangeboren beleefdheid, waarover ik mijne bewondering
moet uitspreken. In dit geval was de tegenstelling met dezelfde
klasse van menschen in de meeste andere landen zeer opvallend. Als
staaltje van Chileensche beleefdheid zal ik eene anecdote vertellen,
die mij destijds zeer vermaakte. Dicht bij Mendoza ontmoetten wij
eene kleine en zeer dikke negerin, die schrijlings op een muildier
zat. Zij had een kropgezwel, zoo verbazend groot, dat men bijna niet
kon nalaten haar voor een oogenblik aan te kijken; doch bijna op
hetzelfde oogenblik--als wilden zij zich verontschuldigen--groetten
mijne beide metgezellen haar op de gebruikelijke manier, door hunne
hoeden af te nemen. Waar zou men in Europa, onder de hoogere of lagere
standen, zulk eene beleefdheid hebben bewezen aan een arm en mismaakt
schepsel van een verworpen ras?