en bestegen toen onze paarden. Alle bewoners van Chiloë maakten van
deze week van ongewoon fraai weder gebruik, om het bosch door vuur uit
te roeien. Ondanks hun ijver om overal het bosch in brand te steken,
zag ik toch geen enkel vuur in omvang toenemen. Wij aten bij onzen
vriend, den commandant, en bereikten Castro niet voordat het donker
was. Den volgenden morgen gingen wij zeer vroeg op weg. Nadat wij
eenigen tijd gereden hadden, bereikten wij den top van een steilen
heuvel, en hadden hier (wat eene zeldzaamheid is op dezen weg) een
ruim vergezicht over het groote woud. Boven den horizon van boomen,
staken de vulkanen Corcovado en, ten noorden daarvan, de groote
met den vlakken top, [256] trotsch en oppermachtig hunne kraters
omhoog. Bijna geen enkele andere berg in de lange keten vertoonde
zijn besneeuwden top. Ik hoop, dat ik den afscheidsblik, dien ik van
Chiloë op de prachtige Cordilleras wierp, lang in mijn geheugen mag
bewaren!... Des nachts kampeerden wij onder een wolkloozen hemel, en
bereikten den volgenden morgen San Carlos. Wij kwamen op den rechten
dag, want nog vóór den avond begon het hevig te regenen.
[4 Februari.]
Wij zeilden van Chiloë weg. Gedurende de laatste week deed ik
verscheidene kleinere uitstapjes. Een daarvan had ten doel eene groote
laag schelpdieren van nog levende soorten te onderzoeken, 350 voet
boven den spiegel der zee gelegen. Door deze laag van schelpdieren
groeiden hooge boomen op! Een andere rit was naar Port Huechucucuy. Ik
had een gids bij mij die het land wat al te goed kende, want hij noemde
mij eene eindelooze reeks Indiaansche namen op voor elke kreek, voor
elk plekje en riviertje. Evenals in Vuurland, schijnt de Indiaansche
taal bijzonder goed geschikt te zijn voor het geven van namen aan
de meest onbeduidende vormen van het land. Ik geloof, dat ieder
blijde was Chiloë vaarwel te kunnen zeggen; en toch zou dit eiland
verrukkelijk mogen heeten, zoo wij den eindeloozen en naargeestigen
winterregen konden wegdenken. Ook ligt er iets zeer aantrekkelijks
in den eenvoud en de onderdanige beleefdheid der arme bewoners!
Wij stuurden noordwaarts langs het strand; maar wegens het mistige
weder bereikten wij Valdivia niet voor den nacht van den achtsten. Den
volgenden morgen voer de boot naar de omstreeks tien mijlen ver
gelegen stad. Toen wij den loop der rivier volgden, voeren wij nu en
dan voorbij eene hut, een plekje grond dat in het overigens ongerepte
woud gebaand was, en ontmoetten soms eene kano met eene Indiaansche
familie. De stad ligt aan de lage oevers van den stroom, en zoo geheel
in een bosch van appelboomen begraven, dat de straten letterlijk paden
zijn te midden van een boomgaard. Nooit heb ik eene streek gezien,
waar appelboomen zoo goed schenen te tieren als in dit vochtige
gedeelte van Zuid-Amerika. Aan de kanten der wegen stonden vele,
blijkbaar zelfgezaaide jonge boomen. Op Chiloë bezitten de bewoners
eene verwonderlijk korte methode om een boomgaard te maken. Uit het
ondereinde van bijna elken tak steken kleine, bruine, kegelvormige,
schrompelige punten, die altijd gereed staan om in wortels te
veranderen, zooals nu en dan te zien is waar toevallig wat modder
tegen den boom is gespat. Vroeg in de lente wordt een tak ter dikte
van een menschenvinger uitgekozen, en vlak onder eene groep van zulke
punten afgekapt; alle kleinere takken worden gesnoeid, en de tak zelf
omstreeks twee voet diep in den grond gestoken. In den daarop volgenden
zomer schiet de stomp lange spruiten uit, en draagt nu en dan zelfs
vruchten. Men wees mij er een, die 23 appelen had voortgebracht;
maar dit werd als een zeer ongewoon iets beschouwd. In het derde
seizoen verandert de stomp (gelijk ik zelf heb gezien) in een flinken
houten, met vruchten beladen boom. Een oud man bij Valdivia lichtte
zijn motto: Necesidad es la madre del invencion (Noodzakelijkheid
is de moeder der vindingrijkheid) toe, door een verhaal te doen van
de vele nuttige dingen, die hij uit deze appelen bereid had. Na het
maken van appeldrank en wijn, trok hij uit het overschot een witten
en fijn riekenden ether; door eene andere methode verschafte hij zich
eene zoete stroop, of, zooals hij zeide, honig. In dit jaargetijde
schenen zijne kinderen en varkens bijna in zijn boomgaard te wonen.
[11 Februari.]
Vergezeld van mijn gids deed ik een korten rit, maar zag op dit
uitstapje bijzonder weinig, zoowel van de geologie van het land als
van zijne bewoners. Bij Valdivia is niet veel land ontboscht. Nadat
wij enkele mijlen ver eene rivier waren overgestoken, gingen wij
het woud in, en kwamen toen voorbij slechts ééne armzalige hut,
voordat wij onze nachtelijke slaapplaats bereikten. Het geringe
breedte-verschil van 150 mijlen heeft aan het woud een nieuw aanzien
gegeven, vergeleken bij dat van Chiloë. Dit is toe te schrijven aan
eene eenigszins verschillende verhouding in de boomsoorten. De altijd
groene boomen schijnen hier niet even talrijk; en dientengevolge
heeft het woud eene lichtere tint. Evenals op Chiloë, zijn de lage
gedeelten door riethalmen omvlochten; maar tevens groeit hier eene
andere soort (die op de bamboes van Brazilië gelijkt en ongeveer 20
voet hoog is) in bossen, en versiert de oevers van sommige stroomen
op zeer aangename wijs. Het is van deze plant, dat de Indianen hunne
chuzo's of lange puntige speren maken. Onze rustplaats was zoo vuil,
dat ik liever buiten ging slapen. Op deze tochten is de eerste nacht
meestal zeer onaangenaam, omdat men niet gewoon is aan het kriebelen
en bijten der vlooien. Ik weet zeker, dat er des morgens geen plekje
ter grootte van een shilling op mijne beenen was, dat niet een rood
litteeken vertoonde waar de vlooien hadden gebeten.
[12 Februari.]
Wij vervolgden onzen rit door het ongebaande woud. Slechts nu en dan
ontmoetten wij een Indiaan te paard, of een troep fraaie muildieren,
die lorkeboomenhout en koren van de zuidelijke vlakten vervoerden. In
den namiddag was een der paarden uitgeput; wij bevonden ons toen op den
top van een heuvel, die een fraai uitzicht op de Llanos verschafte. Als
men zoo lang in eene wildernis van boomen heeft rondgezworven, is
het gezicht van deze open vlakten zeer frisch en opwekkend. Deze
westkust doet mij met genoegen terugdenken aan de vrije, onbegrensde
vlakten van Patagonië: en toch kan ik, om de scherpe tegenstelling,
niet vergeten hoe verheven de stilte van het woud is. De Llanos zijn
de vruchtbaarste en dichtst bevolkte gedeelten van het land, daar zij
het onschatbare voorrecht genieten van bijna geheel vrij te zijn van
boomen. Voordat wij het woud verlieten, reden wij door eenige kleine,
effen grasvlakten, met enkele rondom staande boomen, evenals in een
Engelsch park. In boschrijke, heuvelachtige streken heb ik dikwijls
met verwondering opgemerkt, dat de volkomen vlakke gedeelten verstoken
zijn van boomen. De vermoeienis van het eene paard deed mij besluiten
aan de Missie van Cudico halt te houden, te meer omdat ik aan den
monnik er van een introductie-brief had. Cudico is een district,
tusschen het woud en de Llanos gelegen. Het bevat een vrij groot aantal
hutten, met koren- en aardappelveldjes, die bijna alle aan Indianen
toebehooren. De aan Valdivia onderhoorige stammen zijn reducidos y
cristianos (bekeerden en christenen). Verder noordwaarts, bij Arauco
en Imperial, zijn de Indianen nog zeer wild en onbekeerd; maar zij
staan allen in druk verkeer met de Spanjaarden. De padre vertelde,
dat de Christen-Indianen niet zeer gezind waren om naar de mis te
gaan, doch overigens veel eerbied voor den godsdienst toonden. De
grootste moeilijkheid is, hen de huwelijksceremoniën in acht te
doen nemen. De wilde Indianen nemen zoo vele vrouwen als zij kunnen
onderhouden, en een cacique heeft er somtijds meer dan tien. Komt men
bij laatstgenoemden in huis, dan kan men uit het getal vuren aldaar
opmaken hoeveel vrouwen hij heeft. Elke vrouw woont beurtelings eene
week bij den cacique in, maar weeft gedurende dien tijd zijne poncho's
en wat hij verder noodig heeft. De vrouw van een cacique te zijn,
is eene eer waarop de Indiaansche vrouwen zeer gesteld zijn.
Bij al deze stammen dragen de mannen een grof wollen poncho; die
ten zuiden van Valdivia dragen een korte broek, en ten noorden
daarvan een rok evenals de chilipa der Gauchos. Allen binden hunne
lange haren met een scharlaken-rooden band samen, maar dragen geen
andere bedekking op het hoofd. Deze Indianen hebben een flinken
lichaamsbouw, en gelijken zoowel door de vooruitstekende wangbeenderen,
als hun voorkomen in 't algemeen, op de groote Amerikaansche familie
waartoe zij behooren. Het scheen mij echter toe, dat hun uiterlijk
eenigszins afweek van dat der andere stammen, die ik vroeger gezien
had. Hunne uitdrukking is in het algemeen ernstig, zelfs streng,
en bezit veel karakter, dat òf voor eerlijke botheid òf trotsche
vastberadenheid kan doorgaan. Het lange zwarte haar, de ernstige,
scherpgeteekende trekken en de donkere gelaatskleur herinnerden mij
aan oude portretten van Koning Jacobus I. [257] Onderweg ontmoetten
wij nergens die onderdanige beleefdheid, welke op Chiloë zoo algemeen
is. Sommigen uitten hun mari-mari (goeden morgen) vlug en bondig; doch
het meerendeel scheen niet gezind te groeten. Deze onafhankelijkheid in
manieren is waarschijnlijk een gevolg van hunne langdurige oorlogen,
en van de herhaalde overwinningen, door hen alléén (van al de stammen
in Amerika) op de Spanjaarden behaald.
Ik bracht den avond zeer genoeglijk door in gesprek met den padre. Hij
was uiterst vriendelijk en gastvrij; en daar hij uit Santiago kwam,
had hij middelen weten te vinden om zich hier eenig comfort te
verschaffen. Als iemand van eenige, hetzij dan geringe opvoeding,
klaagde hij bitter over het totale gemis van gezelligheid. Hoe
kwijnend moet voor dezen man, die geen bijzonderen godsdienstijver,
geen bezigheid of doel had, het leven voorbijgaan!
Den volgenden dag ontmoetten wij op onzen terugkeer zeven Indianen met
een zeer woest voorkomen, onder wien zich enkele caciquen bevonden,
die van de Chileensche regeering juist hunne kleine jaarlijksche
toelaag voor langdurigen trouw hadden ontvangen. Het waren mannen met
een knap uiterlijk; maar toen zij achter elkander ons voorbijreden,
stonden hunne aangezichten zeer betrokken. Een oude cacique, die
aan het hoofd van den troep reed, had waarschijnlijk nog gulziger
gedronken dan de anderen, want behalve uitermate ernstig, scheen
hij ook zeer knorrig. Kort te voren hadden zich twee Indianen bij
ons gevoegd, die van eene afgelegen missie naar Valdivia reisden
wegens een rechtsgeding. De een was een opgewekt oud man; maar zijn
baardeloos en gerimpeld gezicht geleek meer op dat van eene oude vrouw,
dan van een man. Ik bood beiden meer dan eens sigaren aan; en hoewel
zij die gewillig--ik durf zeggen dankbaar--aannamen, verwaardigden
zij zich bijna niet mij te bedanken. Een Indiaan op Chiloë zou zijn
hoed hebben afgenomen, onder het uitspreken van de woorden: Dios le
page! (God loone u!).
Onze tocht was zeer vermoeiend, zoowel wegens den slechten staat
der wegen, als wegens de talrijke gevallen boomen, die wij moesten
overspringen, of door lange omwegen trachtten te vermijden. Wij sliepen
onder den blooten hemel, en bereikten den volgenden morgen Valdivia,
vanwaar ik mij aan boord begaf.
Enkele dagen later stak ik met eenige officieren de baai over, en
landde nabij het fort, Niebla genaamd. De gebouwen alhier verkeerden
in zeer bouwvalligen staat, en de affuiten der kanonnen waren geheel
verrot. Wickham deed den bevelvoerenden officier de opmerking,
dat deze kanonnen stellig bij het eerste schot in stukken zouden
vliegen. De oude krijgsman trachtte zich goed te houden, en gaf
ernstig ten antwoord: "Neen, segnor, ik ben er zeker van, dat zij
er wel twee zouden doorstaan!" De Spanjaarden moeten voornemens zijn
geweest dit fort onneembaar te maken. Midden op het binnenplein ligt
thans een bergje mortel, welke in hardheid niet onderdoet voor de rots
waarop hij ligt. Hij werd uit Chili hierheen gebracht, en kostte 7000
dollars. Het uitbreken van de omwenteling belette, dat hij voor het
doel gebruikt werd; en nu ligt die kalk daar als een gedenkteeken
aan Spanje's vroegere grootheid.
Ik wilde naar eene omstreeks anderhalve mijl ver gelegen woning gaan,
maar mijn gids zeide, dat het volstrekt onmogelijk was in eene rechte
lijn door het woud te dringen. Wel bood hij aan mijn gids te wezen,
en langs donkere paden, die voor het vee bestemd zijn, den kortsten
weg er heen te volgen. Er waren intusschen nog drie uren voor deze
wandeling noodig. Het werk van dezen man bestond in het opdrijven
van verdwaald vee. Ofschoon hij zoodoende de bosschen goed moest
kennen, was hij niet lang geleden twee dagen zoek geweest, en had
niets te eten gehad. Deze feiten geven een goed denkbeeld van de
onbegaanbaarheid der wouden in deze streken. Dikwijls stelde ik mij
de vraag, hoe lang het spoor van een gevallen boom wel zichtbaar zou
zijn. Deze man wees mij er een, die veertien jaren geleden door een
troep vluchtende royalisten geveld was; en dezen als maatstaf nemende,
denk ik dat een stam van anderhalven voet in middellijn na 30 jaren
tijds in een hoop mestaarde veranderd zou zijn.
[20 Februari.]
Deze dag is in de jaarboeken van Valdivia gedenkwaardig geworden door
de hevigste aardbeving, welke de oudste inwoner zich herinneren kan. Ik
bevond mij op het strand en lag in het bosch uit te rusten. Plotseling
kwam de aardbeving op, en duurde twee minuten; maar de tijd scheen veel
langer. Het schudden van den grond was zeer merkbaar. Mijn metgezel
en ook mij scheen het toe, dat de golvingen uit het oosten kwamen,
terwijl anderen dachten, dat zij uit het zuidwesten straalden; dit
bewijst hoe lastig het soms is de richting der trillingen waar te
nemen. Het kostte geen moeite om staande te blijven, maar de beweging
maakte mij duizelig. Soms geleek deze op het deinen van een schip
in eene zwakke kruiskabbeling, of meer nog op die, welke men voelt
bij het schaatsenrijden op dun ijs, dat onder het gewicht van het
lichaam buigt.
Eene hevige aardbeving vernietigt op eens onze oudste zintuigelijke
gewaarwordingen. De aarde, het ware symbool van hechtheid, heeft
zich onder onze voeten bewogen, evenals een dunne korst boven eene
vloeistof, en ééne secunde tijds heeft in onze ziel een vreemd idee van
onveiligheid gewekt, waartoe uren van overpeinzing niet in staat zouden
geweest zijn. In het woud deed eene koelte de boomen trillen; maar
ofschoon ik de aarde voelde bewegen, zag ik geen ander effect. Tijdens
den schok was kapitein Fitz-Roy met eenige officieren in de stad,
en daar was het schouwspel aangrijpender; want ofschoon de huizen wel
niet omvielen, doordien zij van hout waren gebouwd, werden zij toch
hevig geschud, en kraakten en rammelden de planken. In de grootste
onrust snelden de menschen de deur uit. Het zijn deze bijkomende
gebeurtenissen, welke dien grooten afschrik voor aardbevingen wekken
in het gemoed van allen, die zulke gevolgen er van gezien en gevoeld
hebben. In het woud was het een zeer belangwekkend, doch volstrekt niet
angstwekkend verschijnsel. De invloed op de getijen was verrassend. De
groote schok had plaats op het uur van laag water. Eene oude vrouw,
die juist op het strand was, zeide mij later dat het water zeer snel,
maar niet in vloedgolven tot hoogpeil steeg, en daarna even snel tot
zijn natuurlijk peil terugkeerde. De juistheid daarvan bleek uit de
lijn van nat zand. Eene dergelijke snelle, maar kalme beweging in het
getij had enkele jaren geleden tijdens eene zwakke aardbeving op Chiloë
plaats, en wekte veel noodelooze vrees. In den loop van den avond
waren er vele zwakkere schokken, die in de haven de meest samengestelde
stroomingen schenen voort te brengen--en eenige zeer sterke.
[4 Maart.]
Wij liepen de baai van Concepcion binnen. Terwijl het schip naar
de ankerplaats stevende, landde ik op het eiland Quiriquina. Hier
kwam de mayordomo der plantage snel naar mij toe rijden, om het
vreeselijke nieuws der groote aardbeving van den 20sten te vertellen:
"dat er in Concepcion of Talcahuano (de haven) geen huis meer overeind
stond; dat zeventig dorpen waren verwoest, en dat een vloedgolf de
puinhoopen van Talcahuano bijna geheel had weggespoeld." Van deze
laatste verklaring zag ik weldra bewijzen in overvloed: de geheele kust
was bezaaid met stukken hout en huisraad, alsof er een duizend schepen
waren vergaan. Behalve stoelen, tafels, plankenkasten, enz. in grooten
getale, lagen er verscheidene daken van hutten, die bijna in hun geheel
waren meegevoerd. De pakhuizen te Talcahuano waren gebarsten, en groote
balen katoen, Paraguay-thee en andere kostbare koopmansgoederen lagen
over het strand verspreid. Terwijl ik het eiland rondwandelde, merkte
ik op, dat talrijke rotsblokken, die blijkens de daaraan hechtende
zeevoortbrengselen kort geleden in diep water moesten gelegen hebben,
hoog op het strand waren geworpen. Een dezer blokken was zes voet lang,
drie voet breed, en twee dik.
Het eiland zelf vertoonde even duidelijk de overweldigende kracht der
aardbeving, als het strand dit deed van de vernielende werking der
daarop gevolgde vloedgolf. Op vele plaatsen was de grond in noord-
en zuidlijnen gespleten--wellicht veroorzaakt door het wijken der
evenwijdige en steile zijwanden van dit smalle eiland. Sommige
spleten in de nabijheid der klippen waren een yard wijd. Reeds
waren vele reusachtige rotsblokken op het strand gevallen; en de
inwoners dachten, dat, als de regens begonnen, er nog veel grootere
verschuivingen zouden plaats hebben. De uitwerking van de trilling op
den harden primairen leisteen was nog merkwaardiger: de bovengedeelten
van eenige smalle riffen waren zoo volkomen gesplinterd, alsof men ze
door kruit had laten springen. Deze uitwerking, die duidelijk kenbaar
was aan de versche breuken en den verplaatsten grond, moet zich tot de
oppervlakte hebben bepaald, daar anders in geheel Chili geen stuk vaste
rots meer zou bestaan; ook is die meening niet onwaarschijnlijk, omdat
de oppervlakte van een trillend lichaam (naar men weet) anders wordt
bewogen dan het middengedeelte. Wellicht moet aan dezelfde oorzaak
worden toegeschreven, dat aardbevingen in diepe mijnen niet zulke
geduchte verwoestingen aanrichten, als men zou verwachten. Ik geloof,
dat deze stuiptrekking der aardkorst meer tot de grootte-vermindering
van het eiland Quiriquina heeft bijgedragen, dan de gewone knagende
en sloopende werking van zee en dampkring in den loop eener eeuw.
Den volgenden dag landde ik te Talcahuano, en reed daarop naar
Concepcion. Beide steden boden het vreeselijkste, maar tevens
belangwekkendste schouwspel, dat ik ooit zag. Op iemand, die ze
vroeger gekend had, zouden zij mogelijk een nog sterkeren indruk
hebben gemaakt; want de puinhoopen waren zoo dooreengemengd, en het
geheele schouwspel bezat zoo weinig het voorkomen van eene bewoonde
plaats, dat het bijna niet meer mogelijk was zich den vroegeren
toestand er van voor te stellen. De aardbeving begon te half twaalf des
voormiddags. Zoo zij in het midden van den nacht gebeurd was, zouden de
meeste bewoners (die in deze provincie alléén vele duizenden bedragen)
zijn omgekomen, terwijl het er nu geen honderd waren. Thans was hun
eenig redmiddel de onveranderlijke gewoonte om, bij de eerste schudding
van den grond, de deur uit te loopen. In Concepcion was elk huis op
zichzelf, of elke rij huizen, een puinhoop of eene rij van puinhoopen;
maar in Talcahuano, waar de vloedgolf gewoed had, kon men weinig meer
onderscheiden dan eene laag steenen, dakpannen en stukken hout, met
hier en daar een brok muur dat was blijven staan. Om die reden bood
Concepcion, ofschoon niet zoo geheel verwoest, een vreeselijker, en
als ik het zoo noemen mag, ook schilderachtiger schouwspel. De eerste
schok was zeer onverwacht. De mayordomo op Quiriquina vertelde mij,
dat de eerste kennisgeving, die hij er van ontving, was, dat hijzelf
met het paard waarop hij reed op den grond rolde. Opgestaan, werd
hij opnieuw omvergeworpen. Ook vertelde hij mij, dat eenige koeien,
die op den steilen rand van het eiland stonden, in zee tuimelden. Door
de vloedgolf kwam veel vee om het leven: op een laag eiland, nabij het
hoofd der baai, werden zeventig dieren weggespoeld, die verdronken. In
't algemeen houdt men deze aardbeving voor de vreeselijkste, die
Chili ooit beleefd heeft; maar wijl de hevigsten eerst na lange
tusschentijden plaats hebben, kan men dit niet licht te weten komen;
ook zou een veel heviger schok in zijne gevolgen niet veel verschil
hebben opgeleverd, want de verwoesting was volkomen. Tallooze kleine
schokken volgden op de groote aardbeving, en binnen de eerste twaalf
dagen (20 Februari-4 Maart) werden er niet minder dan 300 geteld.
Nadat ik Concepcion gezien had, kon ik niet begrijpen hoe het
meerendeel der inwoners er ongedeerd was afgekomen. Op vele plaatsen
vielen de huizen naar buiten, en vormden aldus in het midden der
straten kleine heuvels van puin en metselwerk. Rouse, de Engelsche
consul, vertelde ons, dat hij aan het ontbijt zat, toen de eerste
trilling hem waarschuwde om naar buiten te snellen. Nauwelijks
had hij het midden van de binnenplaats bereikt, toen een vleugel
van zijn huis met donderend geraas naar omlaag kwam. Hij behield
tegenwoordigheid van geest genoeg om zich te herinneren, dat, zoo hij
eenmaal op den top van het reeds omlaag gestorte gedeelte zat, hij
in veiligheid zou zijn. Door de beweging van den grond niet kunnende
blijven staan, kroop hij op handen en voeten vooruit; en nauwelijks
had hij deze kleine verhevenheid bereikt, toen de andere vleugel van
zijn huis inviel, waarbij de groote balken rakelings langs zijn hoofd
gingen. Met oogen verblind door de wolk van stof, die het daglicht
verduisterde en hem dreigde te verstikken, bereikte hij eindelijk de
straat. Daar de schokken elkander met eene tusschenruimte van enkele
minuten opvolgden, durfde niemand de verspreide puinhoopen naderen;
en zoo wist niemand of zijne dierbaarste vrienden en verwanten door
gebrek aan hulp stierven. Zij, die wat van hun goed gered hadden,
waren genoodzaakt voortdurend daarbij de wacht te houden; want er
zwierven dieven rond, en bij elke beving van den grond, sloegen dezen
zich met de eene hand op de borst, onder den uitroep: "Misericordia!",
en stalen met de andere uit de puinhoopen wat zij konden. De rieten
daken stortten op de vuren, en aan alle kanten sloegen de vlammen
uit. Honderden zagen zich van alles beroofd, en slechts weinigen
hadden de middelen om zich het dagelijksch voedsel te verschaffen.
Aardbevingen alléén zijn voldoende om de welvaart van een land
te verwoesten. Indien in Engeland de thans sluimerende krachten
losbarsten, waarmede zij zeer zeker in vroegere geologische tijdperken
hebben gewoed [258], hoe volkomen zou dan de geheele toestand van
dat land veranderen! Wat zou er worden van die hooge huizen, die
dichtbevolkte handelswijken, die groote fabrieken, die prachtige
openbare en particuliere gebouwen? Hoe vreeselijk zou het bloedbad
zijn, indien het nieuwe tijdperk van onderaardsche storingen begon in
de doodsche stilte van den nacht! Engeland zou op eens bankroet gaan;
alle waarde-papieren, alle registers, archieven en verslagen zouden
van dat oogenblik af verloren zijn! En de regeering, niet in staat
om de belastingen te innen en haar gezag te handhaven, zou machteloos
moeten aanzien, dat rooverij, geweld en bandeloosheid voortduurden. In
alle groote steden zou hongersnood ontstaan, door pest en dood gevolgd!