In Vuurland, en wel boven de streek van het boschland, is het

voornamelijk de eerste dezer bij uitstek gezellige planten, welke

de veenvorming veroorzaakt. Rondom den centralen hoofdwortel volgt

steeds het eene versche blad het andere op; de lagere sterven

weldra af, en als men nu een wortel tot onder den grond vervolgt,

kan men de bladeren, nog op dezelfde plaats bevestigd, alle stadiums

van ontbinding zien doorloopen, tot waar het geheel in eene verwarde

massa overgaat. De Astelia wordt bijgestaan door enkele andere planten:

hier en daar een kruipende Myrtus (M. nummularia) met een houtachtigen

stengel, evenals onze blauwbezie (Vaccinium uliginosum), en met eene

zoete bes: vervolgens een Empetrum (E. rubrum) evenals ons heidekruid,

en eindelijk een bies (Juncus grandiflorus). Deze zijn nagenoeg de

eenigen, die op de moerassige oppervlakte leven. Ofschoon deze planten

in het algemeen zeer veel overeenkomst bezitten met de Engelsche

soorten van hetzelfde geslacht, zijn zij toch verschillend. In de meer

effen gedeelten van het land, wisselt de veenoppervlakte af met kleine

waterpoelen, die op verschillende hoogten staan en kunstmatig schijnen

uitgediept te zijn. Kleine ondergrondsche waterstroomen voltooien de

verrotting der plantaardige stof, en maken de geheele massa vast.

Het klimaat van het zuidelijk deel van Amerika schijnt voor de

veenvorming bijzonder gunstig. Op de Falklands-Eilanden wordt bijna

elke plantensoort--zelfs het grove gras dat de gansche oppervlakte van

het land bedekt--in deze stof omgezet. Bijna geen enkele plek houdt

zijn groei tegen. Enkele veenbeddingen zijn tot 12 voet diep, en het

lagere gedeelte wordt door opdroging zóó vast, dat het moeilijk zal

branden. Ofschoon elke plant het hare bijdraagt, is toch de Astelia op

de meeste plaatsen het werkzaamst. Het is een eenigszins zonderling

feit, zoozeer verschillend van wat in Europa geschiedt, dat ik in

Zuid-Amerika nergens het mos door rotting aan de vorming van eene

veenlaag zag deelnemen. Wat de noordelijke grens betreft, tot welke

het klimaat die bijzondere soort van langzame ontbinding toelaat als

voor de veenvorming noodig is, geloof ik, dat op Chiloë (41°-42°

Z.B.) geen veen in den eigenlijken zin voorkomt, niettegenstaande

er veel moerassige grond is; maar op de Chonos-Eilanden, drie graden

zuidelijker, hebben wij het in overvloed gezien. Op de oostkust van

La Plata (35° Z.B.) vertelde mij een Spaansche bewoner, die Ierland

bezocht had, dat hij dikwijls naar deze stof gezocht had, doch ze nooit

had kunnen vinden. Als iets dat er het naast bij kwam, wees hij mij een

door hem gevonden zwarten veenachtigen grond, welke zoo doorboord was

van wortels, dat hij slechts uiterst langzaam en onvolkomen verbrandde.

De zoölogie dezer gebroken eilandjes van den Chonos-archipel is,

zooals te verwachten was, zeer arm. Van de viervoetige dieren

zijn er twee watersoorten inheemsch. De Myopotamus Coypus [251]

(evenals een bever, doch met een ronden staart) is wel bekend om

zijn fraai bont, dat een handelsartikel is door het geheele aan La

Plata cijnsplichtige gebied. Hier bewoont hij echter uitsluitend zout

water, hetgeen, zooals wij reeds schreven, soms ook met het groote

knaagdier, de Capybara, het geval is. Een kleine zeeotter is zeer

talrijk. Dit dier voedt zich niet uitsluitend met visch, maar leeft,

evenals de robben, voor een groot deel van eene kleine roode krab,

die in scholen nabij de oppervlakte van het water zwemt. In Vuurland

zag Bynoe een zeeotter, die een inktvisch at, en in Low's Haven werd

er een gedood, die bezig was eene groote rolslak (Voluta) naar zijn

hol te dragen. Op zekeren dag ving ik in eene val eene zonderlinge

kleine muis (Mus brachiotis), die op vele eilandjes inheemsch scheen

te zijn; maar de Chiloten te Low's Haven zeiden, dat deze muis niet

op alle werd gevonden. Welk eene aaneenschakeling van toevalligheden,

[252] of welke niveau-veranderingen moeten er in 't spel geweest zijn,

om deze kleine dieren zoo door dezen gebroken archipel te verspreiden!

Op elk deel van Chiloë en in den Chonos-archipel komen twee zeer

vreemde vogels voor, die aan den Turco en Tapacolo van Midden-Chili

verwant zijn, en hen hier vervangen. De een wordt door de inwoners

cheucau (Pteroptochos rubecula) genoemd, en houdt zich in de

donkerste en eenzaamste gedeelten der vochtige wouden op. Soms zal

men, ondanks alle opmerkzaamheid, den cheucau niet ontdekken, zelfs

al wordt zijn kreet in de onmiddellijke nabijheid gehoord; op andere

keeren kan het gebeuren, dat de vogel, zoo men zich niet verroert,

op de vertrouwelijkste wijs tot op enkele voeten afstands nadert. Hij

huppelt dan rusteloos, met zijn staartje omhoog, tusschen de verwarde

massa van rottende stengels en takken. De Chiloten koesteren eene

bijgeloovige vrees voor den cheucau, wegens zijne zonderlinge en

afwisselende kreten. Er zijn drie zeer verschillende kreten: de

een wordt chiduco genoemd, en is een gunstig voorteeken; de tweede,

huitreu geheeten, is uiterst ongunstig; en dan een derde, waarvan mij

de naam is ontschoten. Het is inderdaad een allergrappigst wezen, dat

de Chiloten tot hunnen profeet hebben gekozen. Eene verwante soort,

maar iets grooter, wordt door de inboorlingen Guid-guid (Pteroptochos

Tarnii), en door de Engelschen "Blaffende Vogel" genaamd. Deze laatste

naam is juist gekozen; want ik ben er zeker van, dat elk, die hem voor

het eerst hoort, overtuigd is dat ergens in het bosch een kleine hond

keft. Evenals met den cheucau het geval is, zal men het geblaf soms

dichtbij hooren, maar ondanks alle opmerkzaamheid dikwijls vergeefsche

pogingen doen om den vogel te zien; en die kans wordt nog geringer,

wanneer men de struiken schudt; op andere keeren, daarentegen, komt

de guid-guid onbevreesd naar u toe. Zijne wijze van voeding en zijne

gewoonten in 't algemeen, gelijken zeer veel op die van den cheucau.

Op de kust [253] leeft een kleine, donkerkleurige vogel (Opetiorhynchus

Patagonicus), die daar zeer algemeen is. Hij is merkwaardig om zijne

stille leefwijze, en houdt zich, evenals een strandlooper, uitsluitend

aan de zeekust op. Behalve deze vogels, bewonen nog enkele andere dit

gebroken land. In mijne kladaantekeningen beschrijf ik de zonderlinge

geluiden, die, hoewel menigmaal in deze sombere wouden gehoord, de

algemeene stilte bijna niet verbreken. Het gekef van den guid-guid, en

het plotselinge wjoe-wjoe van den cheucau komen nu eens van ver af, en

dan weer van dicht bij. Het kleine zwarte winterkoninkje (Troglodytes)

van Vuurland voegt er soms zijn kreet bij; de boomlooper (Oxyurus)

volgt gillend en tjilpend den indringer; den kolibrie kan men nu en dan

snel van den eenen kant naar den anderen zien schieten, onder het uiten

van zijn schel gepiep, evenals een insect; en eindelijk verneemt men

soms uit den top van een hoogen boom den onduidelijken, doch klagenden

toon van den witgekuifden Myiobius of tyran-vliegenvanger. Het groote

overwicht in aantal van sommige vogelsoorten, bijv. de vinken, in

de meeste landen, is oorzaak, dat men in 't eerst verbaasd staat de

bijzondere soorten, welke wij boven noemden, als de meest gewone

vogels in een district te ontmoeten. In Midden-Chili komen twee

daarvan, nl. Oxyurus en Scytalopus voor, doch hoogst zelden. Vindt

men, zooals in dit geval, dieren, die in het groote raderwerk der

natuur schijnbaar zulk eene onbeduidende rol spelen, dan zou men zich

kunnen verwonderen, waarom zij geschapen zijn. Maar altijd moet men

in het oog houden, dat diezelfde dieren mogelijk in een ander land

hoogst belangrijke leden der samenleving zijn, of dit althans in een

vroeger tijdperk waren. Indien Amerika ten zuiden van 37° Z.B. onder

het water van den oceaan ware gezonken, zouden deze twee vogels langen

tijd in Midden-Chili kunnen voortbestaan; maar zeer onwaarschijnlijk

is het, dat hun aantal zou toenemen. Wij zouden dan een geval zien,

dat onvermijdelijk met zeer vele dieren moet hebben plaats gehad.

Deze zuidelijke zeeën worden door verscheidene soorten van

Zwaluw-Stormvogels of Sint-Pietersvogels bezocht. De grootste soort,

Procellaria gigantea, of nelly (quebrantahuesos of beenderenbreker

der Spanjaarden) [254] is een algemeen voorkomende vogel, zoowel in

de binnenkanalen als in volle zee. In zijne gewoonten en wijze van

vliegen, bezit hij eene zeer nauwe overeenkomst met den Albatros

(Diomedea). Evenals met den laatsten het geval is, kan men hem uren

lang gadeslaan, zonder te bespeuren waarmede hij zich voedt. De

beenderenbreker is echter een roofvogel; en dit wordt bevestigd

door eenige officieren, die hem bij Port San Antonio op een Duiker

(Colymbus) zagen jagen, welke al duikend en vliegend poogde te

ontsnappen, maar telkens omlaag geworpen en eindelijk door een

slag op het hoofd gedood werd. Bij Port San Julian zag men dezen

grooten Sint-Pietersvogel jonge zeemeeuwen dooden en verslinden. Eene

tweede soort, Puffinus cinereus, die in Europa, bij Kaap Hoorn en

aan de kust van Peru voorkomt, heeft eene veel geringere grootte

dan Procellaria gigantea, maar, evenals deze, eene groezelig zwarte

kleur. Meestal bezoekt hij in zeer talrijke zwermen de landwaarts

in gelegen zeeëngten. Ik geloof niet, dat ik ooit zoovele vogels

van eenerlei soort bijeen heb gezien, als op zekeren dag achter het

eiland Chiloë. Honderdduizenden vlogen in eene onregelmatige lijn

uren lang in dezelfde richting. Wanneer een deel van den zwerm op

het water neerstreek, zag de oppervlakte zwart, en hoorde men een

gonzend geluid als van eene woelige menschenmenigte in de verte.

Er zijn verscheidene andere soorten van Sint-Pietersvogels, maar

slechts één er van zal ik noemen, nl. den Pelacanoides Berardi, welke

een voorbeeld oplevert van die buitengewone gevallen, dat een vogel

klaarblijkelijk tot eene scherp bepaalde familie behoort, doch zoowel

in grootte als lichaamsbouw aan eene geheel andere klasse verwant

is. Deze vogel verlaat nooit de stille binnen-zeeëngten. Wordt hij

gestoord, dan duikt hij een eind ver onder water, komt weer aan de

oppervlakte en vliegt daarna met dezelfde snelheid voort. Nadat hij

door snelle beweging met zijne korte vleugels een eindweegs in eene

rechte lijn is voortgevlogen, laat hij zich, als ware hij doodelijk

getroffen, vallen en duikt opnieuw. De vorm van zijn bek en neusgaten,

de lengte van zijn voet, en zelfs de kleur van zijn pluimage, bewijzen

dat deze vogel een Sint-Pietersvogel is; aan den anderen kant doen

zijne korte vleugels en daaruit volgend gering vliegvermogen, de vorm

van zijn lichaam en die van zijn staart, zijne manier van duiken

en zijne keuze van verblijfplaats, in het eerst twijfel ontstaan,

of hij niet even na aan de Alken of Papegaaiduikers (Alcae) verwant

is. Als men hem in de verte zag vliegen of duiken, en rustig in de

afgelegen kanalen van Vuurland zag zwemmen, zou men hem ongetwijfeld

voor een alk houden.

HOOFDSTUK XIV.

CHILOË EN CONCEPCION. EENE HEVIGE AARDBEVING.

Op 15 Januari zeilden wij uit Low's Haven, en ankerden drie dagen

later voor de tweede maal in de baai van San Carlos op Chiloë. In den

nacht van den 19den was de vulkaan Osorno in werking. Te middernacht

nam de schildwacht eene groote ster waar, die tot ongeveer drie

ure trapswijze in grootte toenam, en toen een prachtig schouwspel

aanbood. Met behulp van een verrekijker zag men donkere voorwerpen te

midden van een hel rood lichtschijnsel onafgebroken omhoog werpen en

weer neervallen. Het licht was sterk genoeg om een lang helder spoor

op het water te werpen. In dit gedeelte van de Cordilleras schijnt

het zeer vaak voor te komen, dat groote hoeveelheden gesmolten stof

uit de kraters worden geworpen. Men verzekerde mij, dat als er eene

uitbarsting van den Corcovado plaats heeft, groote wolken stof omhoog

worden geslingerd, die men in de lucht ziet barsten, en dan vele

grillige vormen, zooals boomen e.a., ziet aannemen. De grootte dezer

stofwolken moet geweldig zijn, want zij kunnen worden waargenomen op

het tafelland achter San Carlos, dat niet minder dan 93 mijlen van

den Corcovado verwijderd is. Des morgens kwam de vulkaan tot rust.

Tot mijne verwondering hoorde ik later, dat de Aconcagua in Chili,

480 mijlen noordwaarts, dienzelfden nacht óók in werking was; en die

verbazing steeg nog, toen ik vernam, dat de groote uitbarsting van de

Coseguina (2700 mijlen ten noorden van de Aconcagua), vergezeld van

eene aardbeving die 1000 mijlen ver gevoeld werd, binnen zes uren na

ditzelfde tijdstip plaats had. Dit samenvallen is des te merkwaardiger,

wijl de Coseguina sedert 26 jaren slapend was geweest, [255] en de

Aconcagua hoogst zelden eenig teeken van leven geeft. Het is moeilijk

na te gaan, of dit samentreffen louter toeval was, of dat het op

eene onderaardsche gemeenschap wijst. Indien de vulkanen Vesuvius,

Etna en Hekla (alle drie betrekkelijk dichter bij elkander dan de

bovengenoemde punten in Zuid-Amerika) plotseling in denzelfden nacht

in uitbarsting geraakten, zou dit samenvallen als eene merkwaardige

gebeurtenis worden beschouwd; maar veel merkwaardiger is het in dit

geval, nu de drie openingen in dezelfde groote bergketen liggen,

en de uitgestrekte vlakten langs de geheele oostkust alsmede de uit

zee geheven jongere schelpen meer dan 2000 mijlen ver op de westkust,

getuigen op welke gelijkmatige en samenhangende wijze de opstuwende

krachten gewerkt hebben.

Daar kapitein Fitz-Roy op de buitenkust van Chiloë eenige opmetingen

wenschte te doen, werd besloten, dat Mr. King en ik naar Castro zouden

rijden, en vandaar dwars over het eiland naar de op de westkust gelegen

Capella de Cucao. Nadat wij paarden en een gids hadden gehuurd, gingen

wij op den morgen van den 22sten op weg. Wij hadden nog niet lang

gereden, toen eene vrouw en twee knapen, die denzelfden weg volgden,

zich bij ons voegden. Op dezen weg wordt men spoedig met iedereen

vertrouwelijk, en kan men het in Zuid-Amerika zoo zeldzame voorrecht

genieten van zonder vuurwapenen te reizen. Aanvankelijk bestond het

landschap uit eene reeks heuvels en dalen; maar dichter bij Castro

werd het zeer vlak. De weg zelf is iets zonderlings: hij bestaat over

zijne gansche lengte (met uitzondering van zeer enkele gedeelten) uit

groote houten blokken, die nu eens breed en in de lengte zijn gelegd,

dan weer smal zijn en overdwars liggen. Des zomers is de weg niet

zoo heel slecht; maar in den winter, als het hout glibberig is door

den regen, is de tocht uitermate moeilijk. In dat jaargetijde is de

grond aan weerszijden een moeras en menigmaal overstroomd; het is dan

noodig de overlangsche blokken door dwarsliggers te bevestigen, die aan

beide kanten in den grond worden genageld. Deze pinnen maken een val

van het paard gevaarlijk, daar de kans om op zulk een pin terecht te

komen, niet gering is. Het is echter opmerkelijk, hoe vlug de paarden

van Chiloë door de gedurige oefening worden. Ontmoetten zij slechte

gedeelten, waar de blokken uit hunnen stand waren geraakt, dan sprongen

zij, met de vlugheid en zekerheid van honden, van het eene blok op het

andere. Rechts en links wordt de weg begrensd door hooge woudboomen,

die aan de ondereinden door riethalmen zijn samengevlochten. Als nu

en dan een lang gedeelte dezer laan overzien kon worden, bood dit een

zonderling tooneel van gelijkvormigheid. De witte lijn van blokken,

die in de verte gezien smaller werd, verloor zich in het donkere woud,

of eindigde in eene zigzaglijn die over een steilen heuvel liep.

Ofschoon de afstand van San Carlos tot Castro in rechte lijn slechts

twaalf leagues bedraagt, moet het aanleggen van den weg een groot

werk zijn geweest. Men verhaalde mij, dat vroeger verscheidene

personen het leven hadden verloren, bij eene poging om door het

woud heen te dringen. De eerste, dien dit gelukte, was een Indiaan,

die zich in acht dagen tijds een weg door het riet baande en San

Carlos bereikte. Tot loon daarvoor schonk de Spaansche regeering

hem een stuk land. Gedurende den zomer zwerven vele Indianen in de

wouden (doch voornamelijk in de hoogere gedeelten waar het hout niet

zoo dicht is), om het halfwilde vee op te sporen, dat zich met de

bladeren van rietstengels en sommige boomen voedt. Het was een van

deze jagers, die enkele jaren geleden toevallig een Engelsch schip

ontdekte, dat op de buitenkust gestrand was. Het scheepsvolk begon

gebrek aan proviand te krijgen, en zou waarschijnlijk nooit uit deze

bijna ondoordringbare bosschen gekomen zijn, zonder de hulp van dezen

man. Een der zeelieden stierf onderweg van vermoeienis. De Indianen

richten zich op deze tochten naar de zon, zoodat zij bij aanhoudend

bewolkte lucht niet kunnen reizen.

Het was mooi weder, en de menigte boomen, die in vollen bloei stonden,

vervulden de lucht met welriekende geuren. Maar zelfs dit was bijna

niet in staat den droefgeestigen aanblik van het vochtige woud op

te vroolijken. Hierbij komt nog, dat de vele doode stammen, die als

geraamten voor u oprijzen, nooit nalaten op deze ongerepte wouden

een stempel van plechtigen ernst te drukken, welke in die van lang

beschaafde landen ontbreekt. Kort na zonsondergang sloegen wij ons

bivouak op voor den nacht. Onze vrouwelijke metgezel, die er vrij knap

uitzag, behoorde tot eene van de meest geachte families in Castro;

wat intusschen niet wegnam, dat zij schrijlings en zonder kousen of

schoenen te paard zat. Wat mij verwonderde, was het volkomen gemis

van trots bij haar en haren broeder. Zij hadden voedsel bij zich,

doch zaten Mr. King en mij bij al wat wij aten voortdurend aan te

kijken, totdat wij van schaamte er toe gedreven werden het geheele

gezelschap te laten meeëten. De nacht was onbewolkt, en terwijl wij op

ons leger lagen, genoten wij het alleszins verrukkelijke schouwspel

van de menigte sterren, die de duisternis van het woud met haar zwak

schijnsel verlichtten.

[23 Januari.]

Vroeg in den morgen stonden wij op, en bereikten te ongeveer 2 ure

het aardige, rustige stadje Castro. De oude gouverneur was sedert ons

vorig bezoek gestorven, en een Chileen had zijne plaats ingenomen. Wij

hadden een introductie-brief aan Don Pedro, die ons hoogst gastvrij en

vriendelijk ontving, en op meer belangelooze wijze dan aan deze zijde

van het vasteland gebruikelijk is. Den volgenden dag bezorgde Don

Pedro ons versche paarden, en bood aan ons zelf te vergezellen. Wij

reden verder naar het zuiden, waarbij wij meest de kust volgden,

en gingen door verscheidene gehuchten, elk voorzien van eene groote

houten kapel in den vorm van een veestal. Te Vilipilli vroeg Don

Pedro den commandant ons een gids mede te geven naar Cucao. De oude

edelman bood zelf zijn geleide aan; maar het duurde geruimen tijd eer

hij wilde gelooven, dat twee Engelschen in allen ernst naar zulk een

afgelegen plaats, als Cucao, wilden gaan. Wij werden dus vergezeld door

de twee hoogste autoriteiten in het land; en dit bleek duidelijk uit

de houding van al de armere Indianen tegenover hen. Te Chonchi staken

wij het eiland dwars over, en volgden een doolhof van slingerpaden,

die nu eens door prachtige wouden, dan door vriendelijke open vlakten

liepen, waarop overvloed van koren en aardappelspruiten. Dit golvende

en gedeeltelijk bebouwde boschland herinnerde mij aan de woestere

streken in Engeland, zoodat dit landschap mijn oog bijzonder boeide. Te

Vilinco, dat aan de oevers van het Meer van Cucao is gelegen, waren

slechts enkele velden ontboscht; en alle bewoners schenen Indianen

te zijn. Dit meer is twaalf mijlen lang en strekt zich uit in de

richting van oost naar west. Door plaatselijke omstandigheden waait

de zeewind zeer geregeld over dag, maar gaat des nachts liggen. Dit

verschijnsel heeft tot zonderlinge overdrijvingen aanleiding gegeven,

want volgens de beschrijving, die men ons te San Carlos er van gaf,

geleek het bijna een wonder.

De weg naar Cucao was zoo bijster slecht, dat wij besloten ons op

eene periagua in te schepen. Op den meest gezagvollen toon gaf de

commandant aan zes Indianen last ons over te zetten, zonder zich te

verwaardigen hun te zeggen of zij betaald zouden worden. De periagua

is eene zonderlinge, ruw afgewerkte boot, maar de bemanning was nog

zonderlinger; en ik betwijfel of er wel ooit leelijker mannetjes

in eene boot bijeen zijn geweest, dan deze zes. Zij roeiden echter

zeer goed en met lust. De roeier, die den slag aangaf, babbelde

Indiaansch en uitte zonderlinge kreten, zoo ongeveer op de manier

van een varkenshoeder, die zijne beesten voortdrijft. Wij vertrokken

met een zwakken tegenwind, maar bereikten toch de Capella de Cucao

vóór het donker was. Het land rondom het geheele meer was een en

al woud. In dezelfde periagua, waarin wij zaten, werd eene koe

vervoerd. Oppervlakkig schijnt het moeilijk zulk een groot dier in

eene kleine boot te krijgen; maar de Indianen verrichtten het in eene

minuut. Zij brachten de koe op zijde van de boot, die tot haar werd

overgeheld; plaatsten twee riemen, waarvan de einden op het dolboord

rustten, onder haren buik; deden fluks met behulp van deze hefboomen

het arme dier hals over kop op den bodem der boot tuimelen, en bonden

het toen met twee touwen vast. Te Cucao vonden wij eene onbewoonde

hut (die tot woning van den geestelijke dient, als hij deze Capella

bezoekt), maakten hier een vuur aan, kookten ons avondeten, en waren

recht op ons gemak.

Het district Cucao is het eenige bewoonde gedeelte op de geheele

westkust van Chiloë, en bevat omstreeks dertig of veertig Indiaansche

gezinnen, die vier of vijf mijlen ver langs het strand verspreid

zijn. Dezen leven zeer afgezonderd van de rest van het eiland, en

drijven bijna geen handel, behalve somtijds in wat olie, dat zij uit

zeehondenvet bereiden. Hunne kleederen, die van eigen maaksel zijn,

voldoen redelijk wel; en eten hebben zij in overvloed. Niettemin

schenen zij ontevreden, en toch zoo onderdanig, dat het pijnlijk was

om aan te zien. Ik geloof, dat deze stemming voornamelijk is toe te

schrijven aan de ruwe en gezaghebbende wijs, waarop zij door hunne

regeerders behandeld worden. Ofschoon onze metgezellen tegen ons zoo

uiterst beleefd waren, gedroegen zij zich tegen de arme Indianen, alsof

dezen slaven in plaats van vrije mannen waren. Zij bestelden proviand

en paarden, doch verwaardigden zich nooit te zeggen met hoeveel en

of de eigenaars betaald zouden worden. Toen wij des morgens met deze

arme lieden alleen waren, maakten wij ons spoedig door geschenken

in sigaren en maté bemind. Een klont witte suiker werd onder alle

aanwezigen verdeeld en met de grootste nieuwsgierigheid geproefd. De

Indianen besloten al hunne klachten met de woorden:

"En dat is nu alléén, omdat wij arme Indianen zijn en niets weten;

maar zóó was het niet toen wij een koning hadden."

Den volgenden dag reden wij, na het ontbijt, enkele mijlen noordwaarts

naar Punta Huantamó. De weg liep langs een zeer breed strand, waarop,

zelfs na vele mooie dagen, eene geduchte branding stond. Men verzekerde

mij, dat na een hevigen storm het geraas der branding des nachts

zelfs in Castro kan worden gehoord--een afstand van niet minder

dan 21 zeemijlen (ongeveer 39 kilom.) door een heuvelachtig en met

bosschen bedekt land. Wegens de ondraaglijk slechte paden, kostte het

ons eenige moeite het punt te bereiken; want overal waar schaduw is,

wordt de grond spoedig een volslagen modderpoel. Het punt zelf is een

steile, rotsachtige heuvel, bedekt met eene, naar ik meen aan Bromelia

verwante plant, die door de bewoners Chepones wordt genoemd. Bij

het klauteren door de plantenbedden, werden onze handen deerlijk

geschramd. Ik had er schik in, toen ik onzen Indiaanschen gids uit

voorzorg zijn broek zag opslaan, wijl hij dacht dat zijn broek teerder

was dan zijn harde huid. Genoemde plant bezit eene vrucht in den

vorm van eene artisjok, waarin een aantal zaadhuisjes zijn opgehoopt;

dezen bevatten een aangenaam zoet merg, dat hier zeer gezocht is. Te

Low's Haven zag ik de Chiloten chichi of appeldrank uit deze vruchten

maken. Humboldt's opmerking, dat bijna ieder mensch middelen vindt om

uit het plantenrijk den eenen of anderen drank te bereiden, is dus

volkomen waar. Intusschen hebben de wilden van Vuurland en, naar ik

geloof, ook die van Australië het in deze kunst zoover niet gebracht.

De kust ten noorden van Punta Huantamó is uiterst oneffen en gebroken,

en wordt omringd door talrijke klippen, waarop de zee zonder ophouden

beukt. King en ik hadden, zoo mogelijk, te voet langs deze kust

willen terugkeeren; maar zelfs de Indianen zeiden, dat dit geheel

ondoenlijk was. Zij vertelden ons, dat er wel personen rechtstreeks

door de bosschen van Cucao naar San Carlos waren gegaan, doch nooit

langs de kust. Op deze tochten nemen de Indianen alleen geroosterd

koren mede, waarvan zij slechts tweemaal daags eten.

[26 Januari.]

De Reis om de Wereld · 第 29 / 56 段