avonds het eiland Quinchao. Deze buurtschap is het meest bebouwde
gedeelte van den archipel; want eene breede strook lands op de
kust van het hoofdeiland, alsmede op vele aangrenzende kleinere
zijn bijna geheel van bosch bevrijd. Sommige pachthoeven schenen
zeer welvarend. Benieuwd hoe rijk zoo'n pachter hier wel zijn zou,
vroeg ik Douglas daarnaar; maar deze zeide, dat geen van deze lieden
geacht kon worden een geregeld inkomen te bezitten. Een van de rijkste
landeigenaars zou mogelijk in een lang, werkzaam leven een 1000 pond
sterling kunnen bijeenbrengen; maar mocht dit gebeuren, dan zou toch
al het geld in een geheimen hoek verborgen worden, want bijna elk
gezin is gewoon zijne schatten in eene kruik of kist onder den grond
te begraven.
[30 November.]
Zondagmorgen vroeg bereikten wij Castro, de oude hoofdstad van Chiloë,
thans echter eene zeer ellendige en verlaten plaats. De gewone
vierhoekige aanleg der Spaansche steden kon hier duidelijk worden
waargenomen, maar de straten waren met een fraai groen grastapijt
bedekt, waarop schapen graasden. De kerk, welke in het midden
staat, is geheel van planken gebouwd en heeft een schilderachtig en
eerwaardig voorkomen. De armoede der plaats kan worden opgemaakt
uit het feit, dat hoewel zij nog een honderdtal inwoners bevatte,
een van ons gezelschap nergens een pond suiker of een gewoon mes
kon koopen. Niemand bezat hier een horloge of klok; en een oud man,
die voor een goed tijdkenner doorging, werd gebruikt om op den gis
de kerkklok te luiden. De komst van onze booten was eene zeldzame
gebeurtenis in dezen stillen, afgelegen hoek der wereld; en bijna
alle bewoners kwamen naar het strand, om ons onze tenten te zien
opslaan. Zij waren zeer beleefd en boden ons een huis aan; één man
stuurde ons zelfs een vat appeldrank ten geschenke. In den namiddag
gingen wij den gouverneur een bezoek brengen--een kalm oud man,
die in zijn uiterlijk en leefwijs bijna niet boven een Engelschen
hutbewoner stond. Des avonds viel er een hevige regen, maar deze was
ternauwernood in staat den grooten kring van nieuwsgierigen om onze
tenten te verjagen. Een Indiaansch gezin, dat in eene kano van Caylen
gekomen was om handel te drijven, kampeerde in onze nabijheid. Zoolang
het regende, hadden deze lieden geene beschutting. Des morgens vroeg
ik aan een jongen Indiaan, die tot op de huid toe nat was, hoe hij
den nacht had doorgebracht. Hij scheen volkomen met zijn lot tevreden
en antwoordde: "Muy bien, segnor." (Zeer goed, mijnheer).
[1 December.]
Wij stevenden naar het eiland Lemuy. Ik was verlangend eene
steenkolenmijn te onderzoeken, waarvan men mij verteld had, maar die
een bruinkolenlaag bleek te zijn in den zandsteen (waarschijnlijk
van een oud tertiair tijdvak), waaruit deze eilanden bestaan. Toen
wij Lemuy bereikten, kostte het ons veel moeite eene plek te vinden
om onze tenten op te slaan; want het was springtij, en het land was
tot aan den rand van het water met bosch bedekt. In korten tijd waren
wij omringd door een grooten troep lieden van bijna echt Indiaansch
ras. Zij waren zeer verwonderd over onze komst, en zeiden tot elkander:
"Dit is de reden waarom wij onlangs zooveel papegaaien hebben gezien;
de cheucau (een zonderlinge kleine vogel met roode borst, die het
dichte woud bewoont en zeer eigenaardige geluiden voortbrengt) heeft
niet zonder reden "pas op" geschreeuwd." [246]
Spoedig kregen zij zin om te ruilen. Geld was bijna niets waard,
maar hunne begeerte naar tabak was iets zeer buitengewoons. Na den
tabak, had indigo de meeste waarde; dan volgden Spaansche peper,
oude kleeren en kruit. Het laatste artikel was noodig voor een zeer
onschuldig doel. Elk kerspel had namelijk een eigen snaphaan, en nu
diende het kruit om op heilige of feestdagen rumoer te maken.
De menschen leven hier voornamelijk van schaaldieren en aardappelen. In
sommige tijden van het jaar vangen zij ook veel visch in corrales
(heggen of omheiningen onder water), die bij vallend tij op de
modderbanken is achtergebleven. Nu en dan houden zij kippen, schapen,
geiten, varkens, paarden en rundvee; de volgorde waarin zij hier
genoemd worden, drukt de getalverhouding uit. Nooit zag ik zulke
voorkomende en onderdanige manieren als bij deze lieden. Meestal
begonnen zij met te verklaren, dat zij arme inboorlingen van de plaats
en geen Spanjaarden waren, en dat zij schromelijk gebrek hadden aan
tabak en andere versnaperingen of gemakken. Op Caylen, het meest
zuidelijke eiland, kochten onze zeelieden voor een handvol tabak ter
waarde van drie halve pences, twee hoenders, waarvan een (zoo beweerde
de Indiaan) een vlies tusschen de teenen had, en die een fraaie eend
bleek te zijn; en voor eenige katoenen zakdoeken ter waarde van drie
shillings, werden drie schapen en een groote rist uien gekocht. De
jol werd hier op eenigen afstand van het strand voor anker gelegd,
daar wij bevreesd waren voor dieven gedurende den nacht. Om dezelfde
reden zeide onze stuurman, Douglas, aan den commandant der plaats,
dat wij altijd schildwachten met geladen geweren op post zetten, en
dat wij, geen Spaansch kennende, zoodra wij iemand in het duister zagen
rondsluipen, onverbiddelijk op hem zouden schieten. Op zeer onderdanige
wijze keurde de commandant de billijkheid van dezen maatregel goed,
en beloofde ons, dat niemand dien nacht uit zijn huis zou komen.
Gedurende de vier volgende dagen zeilden wij voortdurend
zuidwaarts. Over het geheel behield het land hetzelfde aanzien,
doch was veel minder dicht bewoond. Op het groote eiland Tanqui was
bijna geen enkele open plek, en strekten de boomen hunne takken
aan alle zijden boven het strand uit. Op zekeren dag bespeurde
ik op de zandsteenklippen eenige zeer fraaie planten van de panque
(Gunnera scabra), welke eenigszins op eene reusachtige rhabarberplant
gelijkt. De inwoners eten de stengels, die een zuurachtigen smaak
bezitten, looien het leder met de wortels, en bereiden eene zwarte
verf daaruit. Het blad is bijna cirkelvormig, maar aan den rand van
diepe insnijdingen of tanden voorzien. Ik mat er een, dat bijna acht
voet in middellijn was, en dus niet minder dan 24 voet in omtrek. De
stengel is iets meer dan een yard hoog, en elke plant spreidt vier of
vijf van deze reusachtige bladeren uit, die te zamen een prachtigen
aanblik opleveren. [247]
[6 December.]
Wij bereikten Caylen, dat el fin del Cristiandad genoemd wordt. Des
morgens vertoefden wij eenige minuten in een huis aan het noordeinde
van Laylec--een zeer armzalig gehucht, dat den uitersten zetel
vormde van het Zuidamerikaansche christendom. Het lag op 43°10' Z.B.,
derhalve twee graden zuidelijker dan de Rio Negro aan de Atlantische
kust. Deze afgezonderde christenen waren zeer arm, en bedelden onder
verontschuldiging van hun toestand om wat tabak. Als bewijs van
de armoede dezer Indianen wil ik vermelden, dat wij kort te voren
een man hadden ontmoet, die drie en een halven dag geloopen had (en
denzelfden weg terug moest), om den geringen prijs van een bijltje en
eenigen visch te ontvangen. Als men zich zooveel inspanning getroost
om zulk eene kleine schuld te beuren, hoe moeilijk moet het dan zijn
om het kleinste artikel te koopen!
Des avonds bereikten wij het eiland San Pedro, waar wij de Beagle
voor anker vonden. Bij het omvaren van de landpunt, gingen twee
onzer officieren aan wal om met den theodoliet eene reeks hoeken
te meten. Een vos (Canis fulvipes), tot eene soort behoorende welke
uitsluitend op dit eiland voorkomt, hier zeer zeldzaam is en als eene
nieuwe species moet worden aangezien, zat op de rotsen. Hij zat zoo
aandachtig en verdiept naar het werk der officieren te kijken, dat
ik hem in stilte van achteren kon naderen en met mijn geologischen
hamer op den kop kon slaan. Deze vos, die meer nieuwsgierig of
wetenschappelijk, doch minder wijs was dan zijne broeders in het
algemeen, staat nu opgezet in het Museum van de Zoological Society.
Wij bleven drie dagen in deze haven. Op een daarvan poogde kapitein
Fitz-Roy met een gezelschap den top van San Pedro te bereiken. De
bosschen hadden hier een eenigszins ander aanzien dan die op het
noordelijk deel van het eiland. Ook het gesteente verschilde en
bestond uit glimmerschiefer. Er was geen strand, en de steile rotsen
daalden bijna loodrecht in het water. Dientengevolge was het voorkomen
over 't geheel meer dat van Vuurland dan van Chiloë. Vruchteloos
trachtten wij den top te bereiken; het woud was zoo ondoordringbaar,
dat niemand die dit niet gezien heeft, zich zulk eene verwarde massa
van stervende en doode stammen kan voorstellen. Ik ben er zeker van,
dat onze voeten dikwijls langer dan tien minuten achtereen den grond
niet raakten, en menigmaal waren wij tien tot vijftien voeten er
boven, zoodat onze zeelieden voor den grap de peilingen afriepen. Op
andere keeren kropen wij achter elkander op handen en voeten onder
de verrotte stammen door. Op het lagere gedeelte van den berg zag
men statige boomen van den Drymis Winteri, eene soort laurierboomen
evenals de sassafras met welriekende bladeren, en ook andere waarvan
ik de namen niet ken, door een kruipenden bamboes- of rietstengel
ontvlochten. [248] Hier geleken wij meer op visschen die in een
net spartelden, dan op menschen. Op de hoogere gedeelten maken de
grootere boomen plaats voor kreupelhout, met hier en daar een rooden
ceder-, een lorke- of een pijnboom. Ook vond ik tot mijn genoegen,
onzen ouden vriend, den zuidelijken beuk. Het waren echter schrale,
weinig ontwikkelde boomen en ik onderstel dat hier hunne noordelijke
grens moet zijn. Eindelijk gaven wij, wanhopig, de poging op.
[10 December.]
De jol en de walvischboot, onder leiding van Sulivan, zetten de
opmeting voort, terwijl ik aan boord bleef van de Beagle, die den
volgenden morgen San Pedro verliet en koers zette naar het zuiden. Op
den 13den liepen wij snel eene opening binnen in het zuidelijk deel
van den Guaitecas- en Chonos-archipel; en het was gelukkig, dat
wij dit deden, want den volgenden dag woedde er een storm, Vuurland
waardig, met groote kracht. Aan den donkerblauwen hemel pakten zich
witte wolkgevaarten samen, te midden waarvan zwarte dampstroomen met
snelheid werden voortgedreven. De opvolgende bergketenen geleken
op zwarte schaduwen; en de ondergaande zon wierp op het boschland
een gelen glans, die veel overeenkwam met het schijnsel van een
wijngeestvlam. Het water zag wit van het vliegende schuim, en de wind
huilde en gierde opnieuw door het want. Het was een onheilspellend,
grootsch schouwspel. Gedurende enkele minuten vertoonde zich een
heldere regenboog; en nu nam men het zeldzame verschijnsel waar, dat
de gewone halve cirkel, door breking en terugkaatsing van het licht
op het schuim dat over de oppervlakte van het water werd gedreven,
in een geheelen veranderde--eene voortzetting van den prismatischen
kleurenband, die zich van de uiteinden van den gewonen boog, over de
baai heen, tot dicht bij de zijde van het schip uitstrekte, en aldus
een verwrongen, maar bijna volledigen ring vormde.
Wij bleven hier drie dagen. Het slechte weder hield aan; maar wijl de
oppervlakte van het land op al deze eilanden nagenoeg ontoegankelijk
is, deed dat weinig ter zake. De kust is zoo ruw, zoo oneffen, dat
wie daar langs poogt te wandelen, genoodzaakt is voortdurend over
de scherpe rotsen van glimmerschiefer op en neer te klauteren. En
wat de bosschen betrof--onze aangezichten, handen en scheenbeenderen
droegen de sporen van de mishandeling, die wij bij de minste poging
om in hunne verboden schuilhoeken door te dringen, ondervonden.
[18 December.]
Wij bleven voortdurend op zee. Den 20sten zeiden wij het zuiden
vaarwel, en wendden bij een gunstigen wind den boeg van het schip
noordwaarts. Van kaap Tres Montes af zeilden wij voorspoedig langs
de hooge verweerde kust, die met de steile omtrekken van hare bergen
en het dichte woudtapijt op hare bijna loodrechte rotswanden, een
merkwaardigen aanblik oplevert. Den volgenden dag werd eene haven
ontdekt, welke op deze gevaarlijke kust voor een schip in nood van
grooten dienst zou kunnen zijn. Zij is gemakkelijk te herkennen
aan een 1600 voet hoogen berg, van eene nog zuiverder kegelvormige
gedaante dan het vermaarde suikerbrood bij Rio de Janeiro. Den
volgenden dag gingen wij voor anker, en slaagde ik er in den top
van dezen berg te bereiken. Het was eene vermoeiende onderneming,
want de hellingen waren zóó steil, dat op sommige plaatsen de boomen
als ladders gebruikt moesten worden. Hier waren ook verscheidene
uitgestrekte kreupelboschjes van de Fuchsia, met hare fraaie hangende
bloemen bedekt, maar zeer moeilijk om door te kruipen. In deze woeste
streken is het een groot genot den top van een berg te bereiken. Men
wordt gedreven door eene onbestemde verwachting iets zeer vreemds te
zullen zien; en hoe dikwijls ook teleurgesteld, liet die verwachting
nooit na mij bij elke poging opnieuw te streelen. Ieder moet dat
triomfantelijke gevoel van trots kennen, hetwelk een grootsch uitzicht
van een hoog gelegen punt aan onze ziel verschaft. In deze weinig
bezochte oorden paart zich aan dat gevoel ook eene zekere ijdelheid,
dat men misschien de eerste mensch is, die ooit op dezen top stond
of dit panorama bewonderde.
Altijd gevoelt men een sterk verlangen om zich te vergewissen of eene
eenzaam gelegen plek reeds vroeger door een mensch bezocht is. Een
stukje hout met een spijker er in wordt opgeraapt en bestudeerd,
alsof het met hiëroglyphen bedekt was. Door dit gevoelen beheerscht,
vond ik met veel belangstelling op een woest gedeelte der kust, onder
een rotsrand, een leger of bed van gras. Dicht daarbij had een vuur
gebrand en had een mensch een bijl gebruikt. Zoowel het vuur, het
grasbed, als de plek zelve getuigden van Indiaansche slimheid. Toch
kon het moeilijk een Indiaan geweest zijn; want ten gevolge van
den wensen der katholieken om de Indianen met één slag christenen of
slaven te maken, was het ras op dit gedeelte der kust uitgestorven. Ik
had destijds een duister vermoeden, dat de eenzame man die op deze
onherbergzame plek zijn leger had gespreid, een arme schipbreukeling
moest geweest zijn, die bij eene poging om de kust langs te gaan,
zich hier had nedergelegd om den barren nacht door te brengen.
[28 December.]
Gestadig bleef het weder zeer slecht; maar eindelijk stelde het ons in
staat met de opmeting voort te gaan. De tijd duurde ons bijster lang,
zooals steeds het geval was, wanneer wij door voortdurende windvlagen
van den eenen dag in den anderen werden opgehouden. Des avonds werd
eene andere haven ontdekt, waar wij ankerden. Terstond daarop zagen
wij een man met zijn hand zwaaien, en werd eene boot uitgezonden,
die twee zeelieden medebracht. Zij behoorden tot een troepje van zes
man, die in eene boot van een Amerikaansch walvischvaartuig ontvlucht,
iets verder zuidwaarts waren geland, alwaar de boot kort daarop door
de branding in stukken was geslagen. Toen hadden zij vijftien maanden
lang de kust op en neer geloopen, zonder te weten waarheen, noch waar
zij zich bevonden. Welk een wonderlijk buitenkansje, dat deze haven
ontdekt werd! Zonder dit toeval, hadden zij kunnen zwerven totdat
zij oud waren geworden, om ten slotte op deze onherbergzame kust hun
graf te vinden! Hun lijden was zeer groot geweest, en een van den
troep had door een val van de rotsen het leven verloren. Soms waren
zij genoodzaakt geweest elkander te verlaten om voedsel te zoeken;
en dit verklaarde het grasleger van den eenzamen zwerver. Zoo ik in
aanmerking neem al de ellende die deze mannen hadden doorgestaan,
dan meen ik te mogen zeggen, dat zij goed rekening gehouden hadden
met den tijd, want zij waren slechts vier dagen ten achteren.
[30 December.]
Wij ankerden in eene kleine verborgen kreek aan den voet van eenige
hooge heuvels, nabij de uiterste noordpunt van Tres Montes. Den
volgenden morgen, na het ontbijt, beklom ik met anderen een van deze
bergen, welke eene hoogte had van 2400 voet. Hier vertoonde zich een
ongewoon schouwspel. Het hoofdgedeelte van de keten bestond uit hechte,
steile, indrukwekkende granietmassa's, die er uitzagen alsof zij
van het begin der wereld af bestaan hadden. Het graniet was overdekt
met glimmerschiefer, dat in den loop der eeuwen door atmospherische
invloeden tot grillige, vingervormige spitsen was afgesleten. Deze
twee formaties, ofschoon verschillend in omtrekken, hebben dit
gemeen, dat zij bijna geheel van plantengroei zijn verstoken. Dit
kale voorkomen maakte op ons, zoo lang gewoon aan het gezicht van
een bijna onafgebroken woud van donkergroene boomen, een vreemden
indruk. Het onderzoek naar de structuur dezer bergen verschafte mij
veel genot. De samengestelde en hooge ketens droegen een grootschen
stempel van duurzaamheid, die echter voor den mensch en ook voor alle
dieren nutteloos was. Voor den geoloog is graniet klassieke grond:
om zijne uitgebreide grenzen, zijne fraaie en dichte structuur is onze
kennis daarvan zoo oud, dat het hierin door slechts weinige gesteenten
wordt overtroffen. Graniet heeft wellicht tot meer geschilvoeringen
aanleiding gegeven, wat zijn ontstaan betreft, dan alle andere
formaties. Wij zien het in 't algemeen het fundamentale gesteente
samenstellen, en kennen het--hoe ook gevormd--als de diepste laag
in de aardkorst, waartoe de mensch is doorgedrongen. De grens der
menschelijke kennis aangaande eenig onderwerp is van groot belang,
te grooter, misschien, wegens de korte schrede tusschen die kennis
en het rijk der verbeelding.
[1 Januari 1835.]
Het nieuwe jaar is ingeleid met de ceremoniën, welke in deze
streken bij zulk eene gelegenheid passen. Het spiegelt ons geene
bedriegelijke verwachtingen voor: een hevige storm uit het noordwesten
met aanhoudenden regen kondigt het nieuwe jaar aan. Gode zij dank,
zijn wij niet bestemd om hier het einde er van te zien, maar hopen
dan in den Stillen Oceaan te zijn, waar een blauwe lucht ons zegt,
dat er een hemel is--iets aan gene zijde der wolken boven ons hoofd.
De noordwestenwinden, die op de vier volgende dagen heerschten,
gebruikten wij alléen om eene groote baai over te steken, en vervolgens
in eene andere veilige haven te ankeren. Ik vergezelde den kapitein in
eene boot naar het boveneinde eener diepe kreek. Het aantal robben, die
wij onderweg zagen, was inderdaad verbazend; elk plekje vlakke rots,
alle deelen van het strand waren met hen bedekt. Zij schenen goedig van
aard te zijn, en lagen, evenals varkens, in diepen slaap tegen elkander
gedrukt, maar te midden van zooveel vuil en stank, dat zelfs varkens
zich daarvoor geschaamd zouden hebben. Elke troep werd geduldig,
maar onheilspellend bespied door de oogen van den kalkoenschen
buizerd. Deze weerzinwekkende vogel met zijn naakten, scharlakenrooden
kop, die gevormd schijnt om in rottende zelfstandigheden te wroeten,
is aan de westkust algemeen, en hunne tegenwoordigheid bij de robben
getuigt waarop zij rekenen om zich te voeden.
Wij vonden het water (waarschijnlijk alléén dat van de oppervlakte)
bijna zoet. Dit werd veroorzaakt door het aantal stroomen, die in den
vorm van watervallen over de naakte granietbergen in zee stortten. Het
zoete water trekt de visschen aan, en deze trekken op hunne beurt eene
menigte zeezwaluwen, zeemeeuwen en twee soorten van zeeraven. Ook
zagen wij een paar fraaie zwanen met zwarte halzen, en verscheidene
kleine zeeotters, wier pels zoozeer op prijs wordt gehouden. Bij
onzen terugkeer, werden wij nogmaals aangenaam bezig gehouden door de
talrijke robben, oude en jonge, die op onstuimige wijze in het water
buitelden toen de boot voorbijging. Zij bleven echter niet lang onder
water, maar kwamen weer boven, en volgden ons met gestrekte halzen
en teekenen van groote verbazing en nieuwsgierigheid.
[7 Januari.]
De kust opwaarts volgend, ankerden wij bij het noordeinde van den
Chonos-archipel, in Low's Haven, waar wij eene week bleven. Evenals
op Chiloë, bestonden hier de eilanden uit eene zachte, gelaagde
littorale afzetting, en dientengevolge was de plantengroei prachtig
en welig. De bosschen reikten tot aan het zeestrand, evenals altijd
groene heestergewassen boven een grintpad. Van onze ankerplaats
genoten wij ook een prachtig uitzicht op vier besneeuwde toppen van
de Cordilleras, waaronder el famoso Corcovado. De keten zelve had op
deze breedte zulk eene geringe hoogte, dat slechts enkele deelen er
van boven de toppen der naburige eilandjes uitstaken. Wij vonden hier
een troepje van vijf mannen uit Caylen--het reeds genoemde fin del
Cristiandad--die in hunne ellendige kano op de meest gewaagde manier
de opene zee, welke Chonos van Chiloë scheidt, waren overgestoken om
te visschen. Naar alle waarschijnlijkheid zullen deze eilanden binnen
kort bewoond worden, evenals die welke bij de kust van Chiloë liggen.
De wilde aardappel groeit op deze eilanden in grooten overvloed, en
wel op den zandigen, schelpachtigen bodem bij de zeekust. De grootste
plant was vier voet hoog. De knollen zelven waren over 't geheel
klein; maar ik vond er een van ovale gedaante, die twee inches (5.08
centim.) in middellijn was. Zij geleken in alle opzichten op Engelsche
aardappelen en hadden ook denzelfden geur als deze; gekookt, krompen
zij echter sterk samen, waren waterig en flauw, en zonder eenigen
prikkelenden smaak. Zonder twijfel zijn zij hier inheemsch. Volgens
Low groeien zij tot 50° Z.B., en worden daar door de wilde of zwervende
Indianen Aquinas genoemd; de Indianen van Chiloë hebben er een anderen
naam voor. Professor Henslow, die de gedroogde exemplaren onderzocht
heeft, zegt dat zij dezelfde zijn als die uit Valparaiso, door Sabine
beschreven, [249] maar dat zij eene variëteit of basterdsoort vormen,
die sommige plantkundigen als eene verschillende soort beschouwen. Het
is opmerkelijk, dat dezelfde plant zou gevonden zijn op de dorre
bergen van Midden-Chili, waar in meer dan zes maanden geen droppel
regen valt, en in de vochtige wouden dezer zuidelijke eilanden.
In de centrale gedeelten van den Chonos-archipel (45° Z.B.) bezat het
woud vrij wel hetzelfde karakter als langs de geheele westkust--600
mijlen ver zuidwaarts tot Kaap Hoorn. Terwijl het boomvormige gras
van Chiloë hier niet gevonden wordt, groeit de Vuurlandsche beuk tot
eene flinke hoogte, en vormt een aanzienlijk deel van het bosch, doch
niet in die overheerschende mate als verder zuidwaarts. Kryptogamen
of bedekt bloeiende planten vinden hier een zeer voor haar geschikt
klimaat. Zooals ik te voren heb opgemerkt, schijnt het land in de
Straat van Magelhaen te koud en te nat voor deze planten, om zich
volkomen te ontwikkelen; maar op deze eilanden en te midden van
het woud is het aantal soorten en de groote overvloed van mossen,
paddenstoelen en kleine varens inderdaad buitengewoon. [250] In
Vuurland groeien boomen alleen op de heuvelhellingen, daar elk vlak
gedeelte van het land steeds met eene dikke veenlaag bedekt is; maar
op Chiloë draagt het vlakland de weelderigste wouden. Hier, in den
Chonos-archipel, komt het klimaat dichter bij dat van Vuurland dan
van noordelijk Chiloë, want elk plekje vlakke grond is bedekt met
twee soorten planten (Astelia pumila en Donatia magellanica), die
beide door afsterving en verval eene dikke en buigzame veenlaag vormen.