In dezen omtrek bevinden zich eenige oude Indiaansche bouwvallen,

en liet men mij een van die doorboorde steenen zien, welke, volgens

Molina, op vele plaatsen in groot aantal worden gevonden. Zij zijn

cirkelvormig, afgeplat, hebben eene middellijn van vijf tot zes

inches, en eene opening in het midden. Algemeen heeft men ondersteld,

dat zij als knoppen van knuppels werden gebruikt, al schijnt hun vorm

ook geenszins voor dat doel geschikt te wezen. Burchell [241] zegt,

dat sommige stammen in Zuid-Afrika wortels opgraven met behulp van

een stok, die aan het eene einde puntig is; een ronde steen met een

gat in het midden, waarin het andere einde van den stok bevestigd is,

verhoogt de kracht en het gewicht er van. Men acht het waarschijnlijk,

dat de Indianen van Chili vroeger een of ander ruw landbouwwerktuig

in gebruik hadden.

Op zekeren dag kwam er bezoek van een Duitschen verzamelaar in

natuurlijke historie, Renaus geheeten, en bijna tegelijktijdig van een

ouden Spaanschen rechtsgeleerde. Met genoegen hoorde ik het gesprek

aan, dat tusschen hen gevoerd werd. Renaus sprak het Spaansch zoo goed,

dat de oude advocaat hem voor een Chileen hield. De Duitscher vroeg

hem, op mij zinspelende, wat hij wel van den koning van Engeland dacht,

die een geleerde naar Chili zond om hagedissen en kevers te verzamelen,

en steenen te breken. De oude advocaat dacht eene poos ernstig na,

en zeide toen:

"Dat is niet goed. Hay un gato encerrado aqui (Hier schuilt wat

achter). Niemand is zoo rijk, dat hij menschen kan uitzenden om zulke

prullen te verzamelen. Mij bevalt het niet. Indien een van ons naar

Engeland ging om zulke dingen te doen, gelooft u dan niet dat de

koning van Engeland ons heel spoedig uit zijn land zou zetten?"

En die oude rechtsgeleerde behoorde, ambtshalve, tot de beter

onderrichte en meer beschaafde klasse! Drie of vier jaren geleden liet

Renaus eenige rupsen in een huis te San Fernando onder bewaking van

een meisje achter, dat ze zou voeden, opdat zij later in kapellen

zouden veranderen. Dit werd ruchtbaar in de stad; de gouverneur

en de geestelijken hielden raad, en meenden dat hier ketterij in

't spel moest zijn. Diensvolgens werd Renaus bij zijn terugkeer

gevangen genomen.

[19 September.]

Wij verlieten Yaquil en volgden de vlakke vallei, waardoor de Rio

Tinderidica vloeit en van gelijken vorm als het Quillota-dal. Ofschoon

deze vallei slechts enkele mijlen ten zuiden van Santiago ligt, is

het klimaat er veel vochtiger, met het gevolg dat er fraaie stukken

weiland zijn, die niet bevloeid worden. Den 20sten volgden wij deze

vallei tot waar zij in eene groote vlakte overging, die van de zee

tot aan het gebergte ten westen van Rancagua reikt. Weldra verdwenen

alle boomen en zelfs de struiken, zoodat de bewoners bijna evenzeer

van brandhout verstoken zijn als die van de Pampas. Daar ik nooit

van deze vlakten gehoord had, stond ik zeer verrast een dergelijk

landschap in Chili te vinden. De vlakten behooren tot meer dan eene

reeks met afwisselende hoogten, en worden door breede dalen met vlakke

bodems doorsneden. Deze beide omstandigheden getuigen, evenals in

Patagonië, van de werking der zee op langzaam rijzend land. In de

steile klippen, die deze dalen begrenzen, zijn eenige groote holen,

die zonder twijfel het eerst door de golven gevormd zijn; een daarvan,

La Cueva del Obispo of Het Bisschopshol genaamd, is beroemd en was

voorheen heilig. Dien dag gevoelde ik mij zeer onwel, en met zoodanig

gevolg, dat ik niet vóór het einde van October hersteld was.

[22 September.]

Onze tocht leidde voortdurend over groene, boomlooze vlakten. Den

volgenden dag kwamen wij aan een huis bij Navedad aan de zeekust,

waar een rijke haciendero ons onderkomen verschafte. Ik bleef hier de

twee volgende dagen, en besteedde die, ofschoon ik zeer onwel was, aan

het verzamelen van eenige zeeschelpdieren uit het Tertiaire Tijdvak.

[24 September.]

Thans was onze koers naar Valparaiso gericht, dat ik den 27sten met

veel moeite bereikte, en waar ik tot het einde van October aan mijn

bed gekluisterd bleef. Gedurende dien tijd woonde ik in het huis van

Corfield, wiens vriendelijkheid jegens mij ik niet genoeg in woorden

kan uitdrukken.

Ik zal hier een paar opmerkingen bijvoegen over eenige viervoetige

dieren en vogels van Chili. De Puma of Zuidamerikaansche Leeuw

is hier niet zeldzaam. Dit dier heeft eene groote geographische

verspreiding, en wordt gevonden van af de bosschen aan den evenaar,

in de woestijnen van Patagonië, tot 53° of 54° zuidelijk in de

koude en vochtige streken van Vuurland. Ik heb zijn spoor gezien in

de Cordilleras van Midden-Chili, op eene hoogte van minstens 1000

voet. In La Plata jaagt de puma voornamelijk op herten, struisvogels,

bizcacha's en andere kleine viervoeters; zelden valt hij daar vee

of paarden aan, en hoogst zelden menschen. In Chili doodt hij echter

vele jonge paarden en runderen, wat waarschijnlijk een gevolg is van

de schaarschheid aan andere viervoetige dieren; ook hoorde ik, dat

twee mannen en eene vrouw door deze dieren gedood waren. Men zegt,

dat de puma zijne prooi altijd doodt, door deze op den schouder te

springen, en dan met een zijner klauwen het hoofd naar achteren te

trekken totdat de halswervels breken. In Patagonië heb ik geraamten

van guanaco's gezien, wier halswervels aldus ontwricht waren.

Als de puma zijn bekomst heeft gegeten, bedekt hij het lijk met

een aantal groote struiken, en gaat er dan bij liggen waken. Deze

gewoonte is dikwijls oorzaak dat hij ontdekt wordt; want de condors

die in de lucht zweven, komen telkens omlaag om hun deel van het maal

te hebben, worden echter woedend verjaagd en vliegen alle tegelijk

weer op. De Chileensche Guaso weet dan, dat ergens een leeuw zijne

prooi bewaakt. De noodige bevelen worden gegeven, en mannen en honden

snellen ter jacht. Sir F. Head zegt, dat een Gaucho in de Pampas alleen

bij het zien van eenige condors die kringen in de lucht beschreven,

uitriep: "Een leeuw!" Mijzelf is het nooit gelukt iemand te ontmoeten,

die zulk een onderscheidingsvermogen bezat. Men zegt, dat, als een

puma eenmaal op deze wijze bij het bewaken van een lijk overvallen

en daarna opgejaagd is geworden, hij nooit die gewoonte meer volgt,

maar dat hij, na zich zat te hebben gegeten, ver wegloopt. De puma

wordt gemakkelijk gedood. In eene open of onbegroeide streek wordt hij

eerst met de bolas gegrepen, dan gelazeerd, en langs den grond gesleept

totdat hij bewusteloos is. Te Tandeel, in het zuiden van La Plata,

vertelde men mij, dat daar in drie maanden tijds honderd puma's op

die manier gedood waren. In Chili worden zij meestal uit struiken of

boomen verdreven, en dan neergeschoten of door honden doodgebeten. De

honden die voor deze jacht gebruikt worden, behooren tot een bijzonder

ras, leonero's [242] geheeten; deze zijn fijne, ranke dieren, evenals

langbeenige terriers, maar met een aangeboren bijzonder instinct voor

deze soort van jacht. De puma wordt beschreven als zeer listig; als

hij vervolgd wordt, keert hij dikwijls op zijn eerste spoor terug,

doet dan eensklaps een zijsprong in het kreupelhout, en wacht daar

tot de honden voorbij zijn. Hij is een zeer stil dier, en laat,

zelfs als hij gewond is, geen geluid hooren, tenzij eene enkele maal

in den bronsttijd.

Onder de vogels verdienen twee soorten van het geslacht Pteroptochos

(megapodius en albicollis van Kittlitz) wellicht de meeste aandacht. De

eerste, die door de Chilenen "el Turco" genoemd wordt, is zoo groot

als een jeneverbeslijster (Turdus pilaris), waaraan hij ook eenigszins

verwant is: met dit verschil, dat zijne beenen veel langer, zijn

staart korter, en de bek sterker zijn. Zijne kleur is roodbruin. De

Turco is niet zeldzaam. Hij leeft op den grond, verscholen tusschen

het kreupelhout dat op de droge en dorre heuvels is verspreid. Nu en

dan kan men hem, met den staart overeind, op zijne steltvormige beenen

met ongewone vlugheid uit het eene kreupelbosch naar het andere zien

huppelen. Er is inderdaad weinig verbeelding noodig om te gelooven,

dat de vogel over zichzelf beschaamd en zich zijne belachelijke

figuur bewust is. Op het eerste gezicht is men geneigd uit te roepen:

"Een afschuwelijk opgezet exemplaar is uit het een of ander museum

ontsnapt en weer levend geworden!" Niet dan met de grootste moeite

kan men hem dwingen op te vliegen; ook loopt hij niet, maar huppelt

slechts. De verschillende luide kreten, die hij uit als hij in de

struiken verborgen zit, zijn even vreemd als zijn voorkomen. Men zegt,

dat hij in een diep gat onder den grond zijn nest bouwt. Ik ontleedde

verscheidene exemplaren en vond in de maag, die zeer gespierd was,

kevers, plantvezels en steentjes. Wegens dit kenteeken, alsook om zijne

lange beenen, schraapvoeten, vliezig bekleedsel aan de neusgaten,

en zijne korte gewelfde vleugels, schijnt deze vogel in zekeren zin

de lijsters met de orde der Hoenders (Rasores) te verbinden.

De tweede soort of Pteroptochos albicollis is, wat den vorm in

't algemeen betreft, aan de eerste verwant. Deze vogel draagt den

naam van Tapacolo: hetgeen beteekent: "bedek je achterdeel;" en dien

naam verdient de schaamtelooze vogel ten volle, want hij draagt zijn

staart meer dan rechtop, namelijk in eene richting naar den kop. Hij

is zeer algemeen, en houdt zich op aan den voet van boomstammen, of

in de struiken die op de naakte heuvels zijn verspreid, waar bijna

geen andere vogel leven kan. In zijne gewone voedingswijze, zijn

snel heen en weer huppelen uit de kreupelbosschen; in zijne zucht om

zich te verschuilen, zijn onwil om te vluchten, en in de wijze waarop

hij zijn nest bouwt, bezit hij veel overeenkomst met den Turco; maar

zijn voorkomen is niet zoo geheel belachelijk. De Tapacolo is zeer

listig. Als iemand hem schrik aanjaagt, blijft hij onbeweeglijk midden

in een kreupelboschje zitten, en tracht dan na eene poos heel behendig

aan den anderen kant weg te sluipen. Ook is hij een bedrijvige vogel,

die voortdurend geluiden maakt. Deze geluiden zijn verschillend en

tevens zeer zonderling; sommige gelijken veel op het gekir eener

duif, andere op het geborrel van water, en vele tarten alle andere

geluiden. Het landvolk zegt, dat hij vijfmaal in 't jaar zijn geluid

verandert, hetgeen vermoedelijk met eene verandering van seizoen in

verband staat. [243]

Twee soorten van kolibries zijn hier inheemsch: Trochilus forficatus

vindt men over eene uitgestrektheid van 2500 mijlen aan de westkust,

van af het heete droge land van Lima, tot aan de wouden van Vuurland,

waar men hen in sneeuwstormen kan zien fladderen. Op het met bosschen

bedekte eiland Chiloë, dat een uiterst vochtig klimaat heeft en waar

dit vogeltje links en rechts tusschen de druipende bladeren springt,

is het misschien talrijker dan bijna elke andere soort. Ik opende de

magen van een aantal exemplaren, die in verschillende streken van dit

werelddeel geschoten waren, en vond in alle even talrijke overblijfsels

van insecten als in de maag van een specht. Als deze species des

zomers naar het zuiden trekt, wordt zij vervangen door eene andere,

die uit het noorden komt. Deze tweede soort (Trochilus gigas) is een

zeer groote vogel in die tengere familie waartoe hij behoort. Als deze

vogel vliegt, heeft hij een zonderling voorkomen. Evenals andere van

het geslacht beweegt hij zich van plek tot plek met een snelheid,

welke te vergelijken is bij die van Syrphus onder de vliegen, en

van Sphinx onder de nachtvlinders; maar als hij boven een bloem

fladdert, klapwiekt hij zeer langzaam en krachtig op eene wijze

geheel verschillend van die trillende beweging, welke aan de meeste

soorten eigen is en het gonzende geluid voortbrengt. Nooit zag ik

een anderen vogel, wiens vleugels zoo buitengewoon krachtig schenen

(evenals bij een kapel) in verhouding tot het lichaamsgewicht. Als

hij langs eene bloem fladdert, opent en sluit zijn staart zich als een

waaier, terwijl het lichaam een bijna vertikalen stand behoudt. Deze

staartbeweging schijnt den vogel tusschen de langzame slagen zijner

vleugels te steunen en in evenwicht te houden. Ofschoon hij van

de eene bloem naar de andere vliegt om voedsel te zoeken, bevatte

zijne maag bij onderzoek meestal talrijke overblijfsels van insecten,

zoodat ik vermoed dat hij de laatsten veel meer zoekt dan honig. Het

geluid van deze soort is uiterst doordringend, evenals dat van bijna

de geheele familie.

HOOFDSTUK XIII.

CHILOË EN DE CHONOS-EILANDEN.

[10 November 1834.]

De Beagle zeilde van Valparaiso naar het zuiden, met het doel het

zuidelijk deel van Chili, het eiland Chiloë, en het gebroken land--de

Chonos-archipel geheeten--tot aan het schiereiland Tres Montes op

te meten. Op den 21sten ankerden wij in de baai van San Carlos,

de hoofdstad van Chiloë. [244]

Het eiland is omtrent 90 mijlen lang, bij eene breedte van iets meer

dan dertig. Het land is heuvel-, doch niet bergachtig, en is, behalve

op enkele plekken waar het groen rondom de met stroo gedekte hutten

is weggekapt, geheel met een groot woud bedekt. Van verre gelijkt de

aanblik eenigszins op dien van Vuurland; maar van dichterbij gezien

zijn de bosschen onvergelijkelijk prachtiger. Vele soorten van fraaie,

altijd groene boomen en planten die een tropisch karakter dragen,

vervangen hier de donkere, sombere beuken der zuidelijke stranden. In

den winter is het klimaat afschuwelijk, en des zomers is het maar

weinig beter. Ik denk, dat er in de gematigde luchtstreken der

aarde weinige plekken zijn, waar zooveel regen valt. De winden zijn

zeer onstuimig, en de lucht is bijna altijd bewolkt. Eene week lang

mooi weder te hebben, is iets wonderlijks. Het is zelfs moeilijk de

Cordilleras vluchtig te zien. Tijdens ons eerste bezoek vertoonde de

Vulkaan Osorno op zekeren morgen zijne breede omtrekken. Dit gebeurde

vóór zonsopgang. Toen eindelijk de zon opging, was het verrassend

te zien hoe deze omtrekken allengs in het wazige schijnsel van den

oostelijken hemel verdwenen.

Om hunne gelaatskleur en kleine gestalte schijnen de bewoners voor

drie vierden Indiaansch bloed in de aderen te hebben. Zij vormen

een onderdanig, rustig en vlijtig slag van menschen. Ofschoon de

vruchtbare grond, die uit de verweering der vulkanische gesteenten is

ontstaan, een weligen plantengroei voortbrengt, is het klimaat toch

niet gunstig voor een product, dat veel zonneschijn noodig heeft om te

rijpen. Er is voor de groote viervoetige dieren zeer weinig weiland,

en dientengevolge zijn de voornaamste voedingsmiddelen: varkens,

aardappelen en visch. Alle bewoners dragen sterke wollen kleeren,

die elke familie voor zichzelve vervaardigt en met indigo of eene

donkerblauwe kleur verft. De kunst staat echter op den laagsten trap,

gelijk te zien is aan hunne zonderlinge manier van ploegen, hunne

wijze van spinnen, koren malen, en aan den bouw van hunne booten.

De wouden zijn zoo ondoordringbaar, dat het land nergens bebouwd wordt,

behalve in de nabijheid der kust en op de naburige eilandjes. Zelfs

daar waar paden bestaan, zijn deze bijna onbegaanbaar wegens de zachte

en moerassige gesteldheid van den grond. De bewoners doen, evenals

die van Vuurland, hunne tochten voornamelijk langs het strand of in

booten. Ofschoon er overvloed van voedsel is, zijn de lieden zeer arm;

er is geen vraag naar werk, en bijgevolg kunnen de lagere klassen

geen geld genoeg bijeengaren om zelfs de kleinste weeldeartikelen te

koopen. Ook is er groot gebrek aan een circulatie-middel. Ik heb een

man een zak houtskool op zijn rug zien wegbrengen, om daarvoor een

kleinigheid te koopen, en een ander eene plank zien wegdragen om die

tegen eene flesch wijn te ruilen. Elk handelaar moet dus ook koopman

zijn, en de goederen die hij in ruil neemt, weder verkoopen.

[24 November.]

De jol en de walvischboot werden onder bevel van Mr. (nu kapitein)

Sulivan uitgezonden, om de oostelijke of binnenkust van Chiloë op

te meten, en met last om de Beagle aan het zuideinde van het eiland

te ontmoeten--welk punt zij langs de buitenzijde zouden bereiken,

om zoodoende het geheele eiland rond te varen. Ik vergezelde deze

expeditie; maar in plaats van den eersten dag in de booten te gaan,

huurde ik paarden om mij naar het aan het noordeinde van het eiland

gelegen Chacao te brengen. De weg liep langs de kust en kruiste

telkens voorgebergten, die met prachtige wouden waren bedekt. Op

deze belommerde paden is het volstrekt noodzakelijk den geheelen weg

met houtblokken te bedekken, die in 't vierkant afgezaagd en naast

elkander worden gelegd. Doordien de zonnestralen nooit door de altijd

groene bladeren dringen, is de grond zoo vochtig en week, dat zonder

die houtbedekking man noch paard over het pad zouden kunnen gaan. Ik

kwam in het dorp Chacao, kort nadat de bemanning der booten de tenten

voor den nacht had opgeslagen.

In dezen omtrek was het hout over eene groote uitgestrektheid gekapt,

en gaf het woud menig rustig en schilderachtig hoekje te zien. Chacao

was vroeger de voornaamste haven van het eiland; maar toen vele

schepen door de gevaarlijke stroomingen en klippen in de Straat

verloren waren gegaan, verbrandde het Spaansche gouvernement de kerk,

en noodzaakte dus op willekeurige wijze het meerendeel der bewoners

naar San Carlos te verhuizen. Wij lagen nog niet lang in ons bivouak,

toen de zoon van den gouverneur op bloote voeten naar omlaag kwam,

om ons op te nemen. Toen hij de Engelsche vlag aan den top van den

mast der jol bespeurde, vroeg hij met de grootste onverschilligheid of

deze soms altijd te Chacao moest wapperen. Op verscheidene plaatsen

waren de bewoners zeer verwonderd booten van een oorlogsschip te

zien verschijnen, en hoopten en geloofden, dat dit de voorlooper

eener Spaansche vloot was, die het eiland op het patriottische

gouvernement van Chili kwam heroveren. Alle gezaghebbende personen

waren intusschen van ons voorgenomen bezoek onderricht, en ontvingen

ons uiterst beleefd. Terwijl wij ons avondeten gebruikten, bracht de

gouverneur ons een bezoek. Hij was luitenant-kolonel in Spaanschen

dienst geweest, maar verkeerde nu in de diepste armoede. Hij gaf

ons twee schapen, en nam in ruil daarvoor twee katoenen zakdoeken,

eenige koperen sieraden en een weinig tabak.

[25 November.]

Stroomen regen, welke intusschen niet beletten, dat wij snel de

kust afzakten tot aan Huapi-lenou. Deze geheele oostkust van Chiloë

heeft hetzelfde aanzien: eene vlakte, welke door valleien gebroken

en in kleine eilanden verdeeld is--alles met een ontoegankelijk,

donkergroen woud bedekt. Aan de kanten zijn eenige open ruimten,

die de hutten met hare hooge daken omringen.

[26 November.]

Bij het aanbreken van den dag was de lucht prachtig helder. De vulkaan

Osorno wierp wolken rook uit. Deze bij uitstek fraaie berg met zijne

zuiver kegelvormige gedaante, is geheel met sneeuw bedekt en staat

tegenover de Cordilleras. Ook een andere groote vulkaan, met een

zadelvormigen top, spoot uit zijn reusachtigen krater kleine stralen

stoom omhoog. Vervolgens zagen wij den Corcovado, die den naam van

"el famoso Corcovado" ten volle verdient, met zijn hoogen top. Zoo

zagen wij dan van eenzelfde punt drie groote werkende vulkanen,

elk van omstreeks 7000 voet hoogte.

Behalve deze waren er, ver zuidwaarts, andere hooge met sneeuw

bedekte toppen, die, ofschoon niet als werkzaam bekend, oorspronkelijk

vulkanisch moeten geweest zijn. In dezen omtrek is de Andesketen over

het geheel niet zoo hoog als in Chili; ook schijnt zij niet zulk een

volkomen scheidsmuur tusschen de aangrenzende gewesten der aarde te

vormen. Hoewel deze groote keten in eene rechte lijn van noord naar

zuid loopt, scheen zij, ten gevolge van een gezichtsbedrog, altijd min

of meer gebogen. Dit bedrog vond zijn oorzaak in de convergentie der

lijnen, die van de verschillende toppen naar het oog des waarnemers

werden getrokken, evenals de stralen van een halven cirkel in zijn

middelpunt convergeeren; en wegens de helderheid van den dampkring

en de afwezigheid van alle tusschenliggende voorwerpen, was het niet

mogelijk over den afstand der verst verwijderde toppen te oordeelen:

zij schenen in een eenigszins afgeplatten cirkel te staan.

Toen wij des middags aan land gingen, zagen wij een gezin van

zuiver Indiaansch bloed. De vader vertoonde eene zonderlinge

gelijkenis met York Minster, en enkele van de jongere knapen met

hunne roodachtige gelaatskleur hadden voor Pampas-Indianen kunnen

doorgaan. Na al wat ik gezien heb, houd ik mij overtuigd, dat tusschen

de verschillende Indiaansche stammen eene nauwe verwantschap bestaat,

niettegenstaande zij verschillende talen spreken. Dit gezelschap kon

maar weinig Spaansch voor den dag brengen, en sprak onder elkander

zijne eigene taal. Het is aardig de inboorlingen tot denzelfden trap

van beschaving gestegen te zien--hoe laag deze ook zij--als die welken

hunne overwinnaars bereikt hebben. Meer naar het zuiden zagen wij vele

echte Indianen. Werkelijk hebben op sommige eilandjes al de bewoners

hunne Indiaansche bijnamen behouden. Volgens den census van 1832 wonen

op Chiloë en onderhoorigheden 42000 zielen. Het meerendeel daarvan

schijnt van gemengd bloed te zijn; elf duizend hebben hunne Indiaansche

bijnamen behouden, maar het is niet waarschijnlijk, dat deze juist

allen van zuiveren bloede zijn. Hunne leefwijze is dezelfde als die

van de andere arme bewoners. Ofschoon allen christenen zijn, beweert

men, dat zij nog enkele vreemde bijgeloovige ceremoniën bezitten, en

volgens eigen verklaring met den duivel in gemeenschap staan, die in

sommige holen verborgen is. Voorheen zond men elk, die van deze zonde

overtuigd werd, naar de Inquisitie te Lima. Vele bewoners, die niet

onder de elf duizend met Indiaansche bijnamen begrepen zijn, kunnen

naar het uiterlijk niet van Indianen onderscheiden worden. Gomez,

de gouverneur van Lemuy, stamt aan beide zijden van Spaansche edelen

af; maar door voortdurend gemengde huwelijken met inboorlingen is de

tegenwoordige afstammeling een Indiaan. Aan den anderen kant pocht

de gouverneur van Quinchao zeer op zijn zuiver gehouden Spaansch bloed.

Des nachts bereikten wij eene fraaie kleine kreek in het noorden

van het eiland Caucahue. De menschen klaagden hier over gebrek aan

land. Gedeeltelijk is dit te wijten aan hunne eigen nalatigheid in

het sloopen van bosschen, anderdeels aan drukkende bepalingen van het

gouvernement, hetwelk eischt om vóór den aankoop van een stuk land,

hoe klein ook, twee shillings aan den opzichter te betalen voor elken

gemeten cuadro (150 vierk. yards), [245] behalve den prijs dien hij

voor de waarde van het land verkiest te stellen. Na zijne schatting,

moet het land driemaal in veiling worden gebracht, en zoo niemand meer

biedt, kan de kooper het voor dien prijs krijgen. Al deze afpersingen

moeten een ernstige hinderpaal zijn voor het ontbosschen van een land,

waar de bewoners zoo uitermate arm zijn. In de meeste landen worden

de wouden zonder veel moeite door middel van vuur gesloopt; maar op

Chiloë is het wegens de vochtige gesteldheid van het klimaat en de

soort boomen noodig hen eerst te kappen. Dit is een gevoelig nadeel

voor de welvaart van Chiloë. In den Spaanschen tijd konden de Indianen

geen land in bezit krijgen, en kon een gezin, na een stuk grond te

hebben ontboscht, verdreven worden met verbeurdverklaring van zijne

goederen door het gouvernement. De Chileensche autoriteiten verrichten

thans eene daad van rechtvaardigheid, door deze arme Indianen voor

hun verlies schadeloos te stellen en elk man, overeenkomstig zijn

stand, een zekere hoeveelheid land te geven. De waarde van niet

ontboschte gronden is zeer gering. Het gouvernement gaf aan Douglas

(den tegenwoordigen opzichter, die mij deze bijzonderheden mededeelde)

8 1/2 vierkante mijl bosch in de nabijheid van San Carlos, in ruil

voor eene schuld; en dezen grond verkocht hij voor 350 dollars of

ongeveer 70 pond sterling.

De Reis om de Wereld · 第 27 / 56 段