Ik bracht den avond door zooals te voren, in gesprek met mijne twee

metgezellen om het wachtvuur. De Guasos van Chili, die overeenkomen

met de Gauchos van de Pampas, zijn echter een geheel ander slag

menschen. Van deze twee landen is Chili het beschaafdere, en

bijgevolg hebben zijne inwoners veel van hun persoonlijk karakter

verloren. Verschillen in rangen komen veel scherper uit. De Guaso

beschouwt volstrekt niet elk mensch als zijns gelijke. Zeer verwonderde

het mij te zien, dat mijne metgezellen niet tegelijk met mij wilden

eten. Dit gevoel van ongelijkheid is een noodzakelijk gevolg van het

bestaan eener vermogens-aristocratie. Men zegt, dat zeer enkele van de

groote landeigenaars vijf- tot tienduizend pond sterling jaarlijksch

inkomen bezitten: welk verschil in rijkdom, naar ik geloof, in

geen der verschillende landen ten oosten van de Andes gevonden zal

worden. Een reiziger vindt hier niet die onbeperkte gastvrijheid,

welke alle betaling weigert; toch wordt zij zoo vriendelijk aangeboden,

dat men haar zonder schroom kan aanvaarden. Bijna elk huis in Chili

zal u des nachts opnemen, doch men verwacht, dat ge des morgens

eene kleinigheid zult geven; en zelfs een rijk man zal twee of

drie shillings aannemen. De Gaucho is een "fatsoenlijk man," een

gentleman, al is hij ook een moordenaar; de Guaso is in vele opzichter

beter, maar tevens een alledaagsch man uit het volk. Ofschoon beide

mannen hetzelfde beroep hebben, verschillen zij in hunne gewoonten

en kleeding; en de eigenaardigheden die elk bezit, zijn in de

wederzijdsche landen algemeen. De Gaucho schijnt één te zijn met zijn

paard, en versmaadt alle krachtsinspanning, wanneer hij op den rug van

het dier zit; den Guaso kan men huren om als arbeider in het veld te

werken. De eerste leeft geheel van dierlijk voedsel; de laatste bijna

geheel van planten. Hier zien wij niet de witte laarzen, de wijde

onderbroek en scharlakenroode chilipa--het schilderachtige kostuum

der Pampas. Hier wordt de gewone broek door zwart- en groen-sajetten

slobkousen bedekt. Bij beiden echter is de poncho in gebruik. Bij den

Guaso zijn het meest de sporen in eere, die overdreven groot zijn. Ik

mat er een, waarvan het wieltje zes inches middellijn had en aan den

omtrek meer dan dertig punten telde. De stijgbeugels zijn op gelijke

schaal, en bestaan elk uit een vierkant gebeiteld stuk hout, dat,

ofschoon uitgehold, nog drie of vier pounds weegt. De Guaso is met

den lazo misschien meer bedreven dan de Gaucho, maar de geaardheid

van zijn land brengt mede, dat hij het gebruik der bolas niet kent.

[18 Augustus.]

Wij daalden den berg af, en gingen voorbij eenige kleine gehuchten

met riviertjes en fraai geboomte. Nadat wij in dezelfde hacienda

hadden geslapen als te voren, reden wij op de twee volgende dagen

het dal in en bereikten zoo Quillota, dat meer een verzameling van

kweektuinen dan eene stad is. De boomgaarden waren schoon en vertoonden

eene aaneenschakeling van perzikbloesems. Ook zag ik op een of twee

plaatsen den dadelpalm. Dit is een statige boom, en ik geloof dat

eene groep daarvan in hunne oorspronkelijke Aziatische of Afrikaansche

woestijnen een prachtigen aanblik moet opleveren. Ook reden wij door

San Felipe, eene aardige uitgebouwde stad, evenals Quillota. Op dit

punt verwijdt zich het dal tot een dier groote ruimten of vlakten, die

tot aan den voet der Cordilleras reiken, en, gelijk wij gezegd hebben,

zulk een merkwaardig deel van het landschap in Chili uitmaken. Des

avonds bereikten wij de mijnen van Jajuel, gelegen in een ravijn ter

zijde van de groote keten. Ik bleef hier vijf dagen. Mijn gastheer, de

hoofdopzichter der mijn, was een schrander maar eenigszins onwetend

mijnwerker uit Cornwallis. Hij had eene Spaansche vrouw getrouwd en was

niet van plan naar zijn land terug te keeren; maar zijne bewondering

voor de mijnen van Cornwallis kende nog steeds geen grenzen. Onder

vele andere vragen die hij mij deed, was ook deze:

"Nu George Rex dood is, hoeveel blijven er van de familie Rex nog

in leven?"

Deze "Rex" moet stellig een bloedverwant zijn van den grooten schrijver

Finis, die alle boeken schreef! [235]

De mijnen van Jajuel zijn kopermijnen, en al het erts verscheept

men naar Swansea in Glamorganshire (Wallis), waar het gesmolten

wordt. Zoodoende hebben deze mijnen een bijzonder kalm aanzien,

vergeleken bij die in Engeland; geen rook, geen ovens of groote

stoomwerktuigen verstoren de stilte der naburige bergen.

Het Chileensche gouvernement, of liever de oude Spaansche wet moedigt

op allerlei wijzen het zoeken naar mijnen aan. De ontdekker mag,

tegen betaling van vijf shillings, eene mijn ontginnen op welken

grond ook, en mag haar twintig dagen lang zelfs in den tuin van een

ander beproeven, voordat hij die som betaalt.

Men weet thans, dat de Chileensche manier van mijnontginning

de goedkoopste is. Mijn gastheer zegt, dat de twee voornaamste

verbeteringen die de vreemdelingen hebben ingevoerd, geweest zijn:

1o. reductie van de koperpyrieten door voorafgaande roosting;

(de Engelsche mijnwerkers zagen namelijk, bij hunne komst in

Chili, tot hunne groote verbazing, dat dit erts als waardeloos werd

weggeworpen); 2o. het fijnstampen en wasschen van de slakken uit de

oude ovens--een proces waardoor een overvloed van metaaldeeltjes

gewonnen wordt. Inderdaad heb ik eene lading van zulke sintels

door muilezels naar de kust zien brengen, ter verzending naar

Engeland. Maar het eerste geval is wel het meest merkwaardige. De

Chileensche mijnwerkers waren zoo overtuigd, dat koperpyrieten geen

metaaldeeltjes bevatten, dat zij de Engelschen om hunne onwetendheid

uitlachten; maar dezen lachten op hunne beurt, en kochten de rijkste

aderen voor enkele dollars. Het is zeer zonderling, dat in een land

waar de mijnontginning vele jaren lang op uitgebreide schaal gedreven

wordt, zulk eene eenvoudige bewerking, als zacht roosten van het

erts voor de smelting om de zwavel te verwijderen, nooit ontdekt

is geworden. Ook heeft men in enkele eenvoudige werktuigen eenige

verbeteringen aangebracht; maar zelfs nu nog wordt uit sommige mijnen

het water verwijderd door mannen, die het in lederen zakken door de

schacht naar boven brengen!

De arbeiders werken zeer hard. Er wordt hun weinig tijd voor hunne

maaltijden gegund; in zomer en winter beginnen zij met het aanbreken

van den dag, en eindigen als het donker is. Zij worden betaald met

éen pond sterling 's maands, en hebben bovendien den kost, die bij

het ontbijt uit zestien vijgen en twee kleine broodjes, bij het

middagmaal uit gekookte boonen, en bij het avondeten uit kliekjes

geroosterde tarwekorrels bestaat. Vleesch proeven zij bijna nooit;

en van de twaalf pond 's jaars moeten zij zich kleeden en hun gezin

onderhouden. De arbeiders die in de mijn zelve werken, hebben 25

shillings per maand, en ontvangen een kleine portie charqui. Maar

deze mannen komen slechts eens in de veertien dagen of drie weken

uit hunne zwarte onderaardsche verblijven.

Gedurende mijn oponthoud alhier genoot ik volop van het dolen over

deze reusachtige bergen. De geologische gesteldheid was, zooals men

denken kan, zeer belangwekkend. De gebroken en samengebakken rotsen

met hare tallooze doorsnijdingen van groensteen-dijken, getuigden welke

beroeringen vroeger hadden plaats gehad. Het landschap geleek veel op

dat bij de Campana in het Quillota-dal: dorre naakte bergen, waarop

hier en daar wat struikgewas met schraal gebladerte. De cactussen,

of liever de Opuntia's, waren hier zeer talrijk. Ik mat er een van

bolvormige gedaante, die zes voet en vier inches in omtrek had,

de dorens medegerekend. De hoogte der gewone cilindrische vertakte

soort bedraagt 12 tot 15 voet; en de omtrek der takken met de dorens

3 en 4 voet.

Een hevige sneeuwval in het gebergte belette mij op de laatste

twee dagen eenige belangrijke uitstappen te doen. Ik trachtte een

meer te bereiken, dat de inwoners, om eene of andere onverklaarbare

reden, voor een zeearm houden. Eens, in een zeer droog jaargetijde,

stelde men voor eene poging te doen om van daaruit een kanaal voor

watertoevoer te graven; doch na beraad verklaarde de geestelijke dat

dit te gevaarlijk was, daar geheel Chili zou onderloopen, indien,

zooals algemeen ondersteld werd, het meer met den Stillen Oceaan in

verbinding stond. Wij stegen tot eene aanzienlijke hoogte, maar konden,

door de samengewaaide sneeuw die ons omringde, dit wonderlijke meer

niet bereiken, en aanvaardden met eenige moeite den terugtocht. Ik

dacht, dat wij onze paarden zouden verliezen, want wij konden niet

nagaan hoe diep de sneeuw was; en de dieren die bij den teugel werden

geleid, konden niet anders dan springende vooruitkomen. De donkere

lucht bewees, dat zich nieuwe sneeuwwolken samenpakten, zoodat wij

niet weinig in onzen schik waren een heenkomen te vinden. Nauwelijks

bereikten wij den voet, of de bui barstte los, en het was een geluk

voor ons, dat dit niet drie uren vroeger op den dag gebeurde.

[26 Augustus.]

Wij verlieten Jajuel en reden opnieuw het dal van San Felipe in. Het

was een echt Chileensche dag: een verblindend lichte hemel, en een

volkomen heldere lucht. Het dikke en gelijkmatige dek van versch

gevallen sneeuw maakte het gezicht op den vulkaan Aconcagua en de

groote keten inderdaad prachtvol. Wij waren nu op weg naar Santiago,

de hoofdstad van Chili. Wij trokken over de Cerro del Talguen, en

sliepen in een kleinen rancho. Sprekende over den toestand van Chili

in vergelijking met andere landen, zeide onze gastheer gelaten:

"Sommige menschen zien met twee oogen, anderen met een; maar ik voor

mij geloof, dat Chili met geen van beiden ziet."

[27 Augustus.]

Nadat wij een aantal lage bergjes waren overgetrokken, daalden wij

af in de kleine door land ingesloten Guitron-vlakte. In dalkommen,

zooals deze, die een- tot tweeduizend voet boven zee liggen, groeien

zeer talrijke, doch weinig ontwikkelde acacia's, die op grooten

afstand van elkander staan en tot twee species behooren. Eene andere

kenmerkende bijzonderheid in het landschap dezer dalkommen is, dat men

deze boomen nooit nabij de zeekust vindt. Wij trokken over een lagen

bergrug, welke Guitron scheidt van de groote vlakte waarop Santiago

ligt. Hier was het uitzicht in hooge mate verrassend: eene doodsche,

effene vlakte, gedeeltelijk met acacia-bosschen bedekt, en in de

verte de stad, die horizontaal aan den voet der Andes grensde, welker

besneeuwde toppen in de avondzon blonken. Bij den eersten aanblik was

het volkomen duidelijk, dat deze vlakte den bodem eener voormalige

binnenzee vormde. Zoodra wij op den vlakken weg waren, zetten wij

onze paarden in galop, en bereikten voordat het donker was de stad.

Ik bleef een week in Santiago en genoot zeer veel. Des morgens reed

ik naar verschillende plaatsen op de vlakte, en des avonds at ik

bij verschillende Engelsche kooplieden, wier gastvrijheid te dezer

stede wel bekend is. Een nooit falende bron van genoegen was het

afdalen langs den kleinen rotsheuvel Santa Lucia, die midden in de

stad uitloopt. De streek is inderdaad hoogst verrassend en, zooals ik

gezegd heb, zeer eigenaardig. Naar men mij bericht, dragen de steden

in de groote Mexicaansche hoogvlakte hetzelfde kenmerk. Van de stad

heb ik niets bijzonders te zeggen; zij is niet zoo fraai en groot als

Buenos Aires, maar volgens hetzelfde plan gebouwd. Ik kwam hier langs

een omweg naar het noorden, en besloot nu door een eenigszins langeren

tocht, ten zuiden van den rechten weg, naar Valparaiso terug te keeren.

[5 September.]

Op het midden van den dag kwamen wij aan een der uit huiden

vervaardigde hangbruggen over de Maypu--eene breede schuimende rivier,

enkele leagues ten zuiden van Santiago gelegen. Deze bruggen zijn

zeer ellendig ingericht. De weg, die de kromming der hangtouwen volgt,

is gemaakt van dicht bij elkander geplaatste bundels takken. Hij was

vol gaten, en slingerde tamelijk dreigend, zelfs onder het gewicht van

een man met zijn paard aan den teugel. Des avonds bereikten wij eene

geriefelijke pachterswoning, waar ik verscheidene zeer lieve segnoritas

ontmoette. Toen deze vernamen, dat ik louter uit nieuwsgierigheid

eene harer kerken was binnengegaan, ontstelden zij zeer.

"Waarom wordt u geen christen, segnor Darwin? Onze godsdienst berust

op zekere grondslagen," zeiden zij mij.

Of ik haar al verzekerde, dat ik eene soort van christen was, wilden

zij hier niet van hooren en beriepen zich op mijne eigene woorden.

"U zegt immers, dat uwe geestelijken en bisschoppen trouwen, niet

waar?"

De ongerijmdheid, dat een bisschop eene vrouw had, trof haar

bijzonder. Ternauwernood wisten zij of zij om zulk eene gruweldaad

eens hartelijk moesten lachen, dan wel zich ergeren.

[6 September.]

Wij trokken regelrecht zuidwaarts en sliepen te Rancagua. De weg liep

door eene effen maar smalle vlakte, aan den eenen kant door hooge

heuvels, aan den anderen kant door de Cordilleras begrensd. Den

volgenden dag sloegen wij het dal in van de Rio Cachapual, waarin

de sedert lang om hare geneeskrachtige eigenschappen vermaarde heete

bronnen van Cauquenes gelegen zijn. In de minder bezochte gedeelten

worden de hangbruggen gedurende den winter, als de rivieren laag zijn,

meestal weggenomen. Zulks was ook het geval in de Rio Cachapual-vallei,

zoodat wij genoodzaakt waren te paard den stroom over te steken. Dit

is vrij onaangenaam, wijl het schuimende water, dat echter niet diep

is, zoo snel door het bed van groote, ronde steenen loopt, dat het

hoofd er van duizelt, en het zelfs moeilijk is te zien of het paard

voortloopt dan wel stilstaat. Des zomers, als de sneeuw smelt, zijn

de stroomen geheel ontoegankelijk; hunne kracht en onstuimigheid zijn

dan buitengewoon groot, gelijk duidelijk te zien was aan de merken,

die zij hadden achtergelaten. Des avonds bereikten wij de bronnen,

waar wij vijf dagen bleven--de twee laatste, omdat de hevige regen ons

terughield. De gebouwen bestaan uit een vierkant van armzalige kleine

hutten, elk met ééne tafel en een bank. Zij liggen in eene enge en

diepe vallei even buiten de centrale keten van het Andes-gebergte. Het

is een rustig, eenzaam plekje met een overvloed van wild natuurschoon.

De minerale bronnen van Cauquenes ontspringen op eene

dislocatie-spleet, [236] welke door eene groep gelaagde steenen

loopt. Alles te zamen verraadt de werking van hitte. Eene aanzienlijke

hoeveelheid gas, vergezeld van water, ontsnapt voortdurend uit

dezelfde openingen. Ofschoon de bronnen slechts enkele yards van

elkander liggen, hebben zij zeer verschillende temperaturen; en

dit schijnt het gevolg te wezen van eene ongelijke bijmenging van

koud water, want die met de laagste temperatuur hebben bijna geen

mineralen smaak. Na de vreeselijke aardbeving in 1822 hielden de

bronnen op te vloeien, en duurde het bijna een jaar voordat het water

terugkeerde. Ook de aardbeving van 1835 had eene groote uitwerking op

ze, want hare temperatuur daalde plotseling van 118° tot 92°. [237]

Er is reden om te onderstellen, dat minerale wateren welke diep uit

de ingewanden der aarde ontspringen, altijd meer door onderaardsche

werkingen worden gestoord, dan die nabij de oppervlakte. De man,

die de bronnen bewaakte, verzekerde mij, dat het water des zomers

heeter en overvloediger is dan des winters. De eerste omstandigheid

had ik verwacht op grond van de geringere bijmenging van koud water

in het droge jaargetijde; maar de laatste verklaring schijnt zeer

vreemd en tegenstrijdig. De periodieke toeneming in den zomer, als er

geen regen valt, kan, dunkt mij, alleen door het smelten van de sneeuw

worden verklaard, ofschoon de bergen, die in dat jaargetijde met sneeuw

bedekt zijn, drie of vier leagues van de bronnen af liggen. Ik heb geen

reden om aan de geloofwaardigheid van mijn berichtgever te twijfelen,

die verscheidene jaren op dezelfde plek heeft gewoond, en met de zaak

dus wel bekend moet zijn. Is het geval waar, dan is het stellig zeer

zonderling; want wij mogen aannemen, dat het sneeuwwater, als het door

de poreuze lagen tot de warme onderaardsche ruimten is doorgedrongen,

langs de lijn der verzette en ingespoten [238] gesteenten te Cauquenes

weer naar de oppervlakte wordt gedreven; en de regelmatigheid van

het verschijnsel zou dan een aanwijzing zijn, dat er in deze streek

op geen zeer groote diepte gesmolten gesteente voorkwam.

Op zekeren dag reed ik het dal in naar de verst bewoonde plek. Dicht

voorbij deze plek verdeelt de vallei zich in twee vervaarlijke

ravijnen, welke diep in de groote bergketen dringen. Ik beklom

een steilen top van misschien meer dan 6000 voet hoogte. Hier,

gelijk trouwens op alle punten, ontrolde zich een panorama, dat de

grootste belangstelling verdiende. Het was door een dezer ravijnen, dat

Pincheira Chili binnentrok en de naburige landstreek verwoestte. Deze

is dezelfde persoon, wiens aanval op eene estancia aan de Rio Negro

ik reeds vroeger (Hoofdstuk IV, deel I) beschreven heb. Hij was een

gedeserteerde Spaansche kleurling, die eene talrijke bende Indianen

bijeenbracht, en zich bij eene rivier in de Pampas vestigde. Aan

geen van de troepen, die uitgezonden waren om hem te zoeken, gelukte

het zijn schuilplaats te vinden. Van dit punt ging hij op weg, trok

over de Cordilleras langs passen welke vóor hem door niemand waren

betreden, verwoestte de pachterswoningen en dreef het vee naar zijn

schuilhoek. Pincheira was een verbazend ruiter, en hij maakte al zijne

manschappen even kloek, doordien hij zonder genade elk neerschoot,

die aarzelde hem te volgen. Het was tegen dezen man en andere zwervende

Indiaansche stammen, dat Rosas den verdelgingskrijg begon.

[13 September.]

Wij verlieten de bronnen van Cauquenes, sloegen weder den grooten

weg in, en sliepen aan de Rio Claro. Van dit punt reden wij naar

de stad San Fernando. Voordat wij hier aankwamen, had het laatste

door land ingesloten keteldal zich verruimd tot eene groote vlakte,

die zich zoover zuidwaarts uitstrekte, dat het was als zag men de

besneeuwde toppen der meer verwijderde Andes boven den horizon der

zee liggen. San Fernando ligt 40 leagues van Santiago, en was mijn

verste punt zuidwaarts, want hier wendden wij ons rechthoekig naar

de kust. Wij sliepen bij de goudmijnen van Yaquil, geëxploiteerd door

zekeren Nixon: een welopgevoeden Amerikaan, aan wiens vriendelijkheid

ik gedurende mijn vierdaagsch verblijf in zijn huis veel verschuldigd

ben. Den volgenden morgen reden wij naar de mijnen, die eenige leagues

ver bij den top van een hoogen heuvel zijn gelegen. Onderweg zagen wij

terloops het Tagua-meer, vermaard om zijne drijvende eilanden, waarvan

Gay eene beschrijving heeft gegeven. [239] Deze eilanden bestaan uit

stengels van allerlei doode planten, die zich dooreenslingeren en

waarop andere levenden wortel schieten. Meestal zijn zij cirkelvormig,

bij eene dikte van 4 tot 6 voet, waarvan het grootste gedeelte onder

water ligt. Steekt de wind op, dan drijven zij van den eenen kant

van het meer naar den anderen, en nemen dikwijls vee en paarden als

passagiers mede. Toen wij aan de mijn kwamen, stond ik getroffen over

het bleeke uiterlijk van vele arbeiders. Op mijne vraag aan Nixon hoe

hunne leefwijze was, vertelde hij mij het volgende. De mijn is 450

voeten diep, en elk arbeider draagt omstreeks 200 Eng. ponden gewicht

aan steenen naar boven. Met dezen last moeten zij tegen boomstammen

opklimmen, welke in eene zigzaglijn in de schacht staan, en waarin

kruiselings kepen zijn gehakt. Zelfs baardelooze jongelieden, 18

en 20 jaren oud en met weinig ontwikkelde spieren (ik kon dit zien,

daar zij slechts een broek aan het naakte lichaam hadden), klimmen

met dezen zwaren last uit ongeveer dezelfde diepte. Een sterk man,

die aan dit werk niet gewoon is, baadt reeds in zijn zweet als hij

niet meer dan zijn eigen lichaam naar boven behoeft te dragen. Bij

dezen zeer harden arbeid leven zij geheel van gekookte boonen en

brood. Liever zouden zij alleen brood hebben; maar wijl hun meester

in den waan is, dat zij van brood alleen zoo hard niet kunnen werken,

behandelen zij hen als paarden en laten hen boonen eten. Het loon is

hier iets hooger dan in de mijnen van Jajuel, nl. 24 tot 28 shillings

per maand. Zij verlaten de mijnen slechts eenmaal in de drie weken,

en blijven dan twee dagen bij hun gezin. Er bestaat hier een zeer

krasse maatregel, die voor den opzichter echter van veel nut is. De

eenige weg om goud te stelen is, dat men stukken erts wegbergt, en,

zoodra er gelegenheid is, naar buiten brengt. Telkens als de mayordomo

zulk een verborgen stuk ontdekt, wordt de volle waarde er van op de

loonen van alle arbeiders verhaald, zoodat deze wel genoodzaakt zijn

op elkander toezicht te houden, tenzij dat allen samenspannen.

Als het erts naar den molen is gebracht, wordt het tot een uiterst fijn

poeder vermalen; door wassching verwijdert men de lichtere deeltjes,

en eindelijk wordt door amalgamatie het stofgoud gebonden. Volgens

de beschrijving is het wasschen eene zeer eenvoudige bewerking;

maar het is interessant te zien hoe gemakkelijk het poedervormige

moedergesteente van het metaal zelf gescheiden wordt, door nauwkeurige

regeling van den waterstroom naar het soortelijk gewicht van het

goud. De slib die uit de molens komt, wordt in vijvertjes verzameld,

waar zij bezinkt; nu en dan wordt zij hieruit verwijderd en op

een zelfden hoop geworpen. Dan begint eene reeks van scheikundige

werkingen: verschillende zouten kristalliseeren aan de oppervlakte,

en de massa wordt hard. Nadat zij een jaar of twee zoo gelegen

heeft, wordt zij opnieuw gewasschen, en scheidt dan goud af. Deze

bewerking kan zes- of zevenmaal worden herhaald; maar telkens neemt

de hoeveelheid goud af, en worden de vereischte tusschentijden

langer. [240] Er valt niet aan te twijfelen, of de reeds genoemde

scheikundige werking maakt telkens nieuw goud uit de eene of andere

verbinding vrij. Het ontdekken van eene methode om zulks vóór het

eerste vermalen te doen plaats hebben, zou de waarde van goudertsen

ongetwijfeld vele malen verhoogen. Het is merkwaardig te zien, hoe de

kleine hier en daar verspreide gouddeeltjes, die niet geheel vergaan

zijn, zich eindelijk tot eene merkbare hoeveelheid ophoopen. Kort

geleden kregen eenige mijnarbeiders, die zonder werk waren, verlof

den grond om het huis en de molens af te schrapen; zij wieschen de

aldus verkregen aarde, en scheidden zoo voor eene waarde van dertig

dollars aan goud af. Dit is eene getrouwe kopij van hetgeen in de

natuur plaats heeft. Bergen zijn onderhevig aan verval en slijten,

en met hen de metaaladeren, die zij bevatten. Het hardste gesteente

wordt tot uiterst fijne modder herleid; de gewone metalen oxydeeren,

en beiden worden weggevoerd. Maar goud, platina en enkele anderen

zijn bijna onverwoestbaar, zinken door hun gewicht naar den bodem,

en blijven daar achter. Nadat geheele bergen aldus door de hand der

natuur vermalen, vergruisd en gewasschen zijn, wordt het overschot

metaalhoudend, en acht de mensch het de moeite waard het scheidingswerk

te voltooien.

Al lijkt de bovengenoemde behandeling van de mijnwerkers ook slecht,

toch wordt het werk gaarne door hen aangenomen, want de toestand der

veldarbeiders is veel slechter. Hunne loonen zijn lager, en zij leven

bijna uitsluitend van boonen. Deze armoede moet hoofdzakelijk worden

toegeschreven aan de leenstelselvormige wijze, waarop het land bebouwd

wordt. De landeigenaar geeft eene kleine plek gronds aan den arbeider,

om daarop te bouwen en te kweeken, en heeft daarvoor dagelijks,

zoolang hij leeft en zonder uitbetaling van loon, het gebruik van

zijne diensten (of van die van een gevolmachtigde). Zoolang een vader

geen volwassen zoon heeft, die met zijn arbeid de rente kan betalen,

is er, behalve op enkele dagen, niemand die voor zijn stuk grond kan

zorgen. Dientengevolge is de diepste armoede een gewoon verschijnsel

onder de landbouwersklasse in Chili.

De Reis om de Wereld · 第 26 / 56 段