het klimaat van het noordelijk halfrond in den tijd der zoogenaamde
erratische of zwerfblokken. Ik zal hier niet uiteenzetten hoe
eenvoudig de theorie der ijsbergen, welke met rotsklompen beladen
zijn, den oorsprong en ligging der geweldige rolsteenen verklaart
in Oost-Vuurland, op de hoogvlakte van Santa Cruz, en op het eiland
Chiloë. In Vuurland liggen de meeste rolsteenen aan de strandlijnen
van oude zeestraten, die nu door landrijzing in droge dalen zijn
veranderd. De hun bijgemengde grondstof is eene groote, ongelaagde
formatie van modder en zand, welke ontstaan is door herhaalde
omploeging van den zeebodem, ten gevolge van het stranden van ijsbergen
met hun last van steenen. [219] Thans zijn er weinige geologen, die
twijfelen aan het feit, dat zwerfblokken welke in de nabijheid van
hooge bergen liggen, door de gletschers zelven zijn voortgestuwd;
en dat die, welke ver van bergen en in lagen onder water bedolven
liggen, òf op ijsbergen, òf in kustijs vastgevroren, daarheen zijn
gebracht. Het verband tusschen het vervoer van rolsteenen en de
aanwezigheid van ijs in den een of anderen vorm, blijkt opvallend
uit hunne geographische verspreiding over de aarde. In Zuid-Amerika
vindt men hen niet lager dan 48°, van de zuidpool af gerekend
(zuidpools-afstand); in Noord-Amerika schijnt de grens van hun vervoer
zich tot 53°30' van de noordpool uit te strekken; in Europa echter
niet verder dan 40°, van hetzelfde punt af gerekend. Daarentegen zijn
zij niet waargenomen in de tusschenkeerkringsstreken van Amerika, Azië
en Afrika; evenmin aan de Kaap de Goede Hoop, noch in Australië. [220]
Over het Klimaat en de Voortbrengselen der Eilanden in het
Zuidpoolgebied. De krachtige plantengroei in Vuurland en op de kust ten
noorden daarvan in aanmerking genomen, is de gesteldheid op de eilanden
ten zuiden en zuidwesten van Amerika inderdaad verrassend. Cook vond,
dat Sandwich-Land, op eene zuiderbreedte die met het noordelijk
deel van Schotland overeenkomt, in de heetste maanden van het jaar
"vele vademen diep met eeuwigdurende sneeuw bedekt was." Planten
schijnen er bijna niet te zijn. Zuid-Georgië, een eiland met eene
oppervlakte van 2590 vierkante Kilom., en op de breedte van Yorkshire
gelegen, is "midden in den zomer als het ware geheel met bevroren
sneeuw bedekt." Het kan zich slechts beroemen op mos, eenige bosjes
gras en wilde pimpernel (Pimpinella saxifraga). Bovendien heeft
het maar één landvogel (Anthus correndera), terwijl IJsland, dat 10°
dichter bij de pool ligt, volgens Mackenzie nog 15 landvogels bezit. De
Zuid-Shetlands-Eilanden, op dezelfde breedte als de zuidelijke helft
van Noorwegen, bezit slechts eenige korstmossen (Lichen), mos en wat
gras. Luitenant Kendall [221] vond, dat de baai, waarin hij voor anker
lag, begon te bevriezen op een tijdstip, dat op ons halfrond met 8
September overeenkomt. De bodem bestaat hier uit afwisselende lagen
ijs en vulkanische asch, en moet op geringe diepte onder de oppervlakte
voortdurend bevroren zijn. Luitenant Kendall vond namelijk het lichaam
van een lang te voren begraven zeeman, wiens vleesch en trekken nog
geheel gaaf waren gebleven. Het is een zonderling feit, dat de lage
breedte, waartoe in de twee groote vastelanden van het noordelijk
halfrond (maar niet in het tusschenliggende gebroken land van Europa)
de zone van den altijd bevroren ondergrond zich uitstrekt, nl. 56° in
Noord-Amerika ter diepte van 3 voet, [222] en 62° in Siberië ter diepte
van 12 tot 15 voet--het gevolg is van een geheel tegenovergestelden
staat van zaken, vergeleken met dien in het zuidelijk halfrond. In de
noordelijke vastelanden wordt de winterkoude buitengewoon verscherpt
door de uitstraling eener groote landoppervlakte in eene heldere lucht,
en niet getemperd door warmte-brengende zeestroomen; aan den anderen
kant is de zomer kort en heet. In den zuidelijken Atlantischen Oceaan
is de winter niet zoo buitengewoon koud, maar de zomer veel minder
heet, doordien de bewolkte lucht zelden toelaat, dat de zon den
oceaan verwarmt, die daarbij een slecht warmtegeleider is; vandaar
de lage gemiddelde jaarlijksche temperatuur, die de grens van een
altijddurend bevroren ondergrond bepaalt. Het is duidelijk, dat een
krachtige plantengroei, welke niet zoozeer warmte als wel bescherming
tegen hevige koude vereischt, dichter tot deze zone van altijddurende
bodemvorst zou naderen onder het gelijkmatige klimaat van het zuidelijk
halfrond, dan onder het zeer strenge der noordelijke vastelanden.
Het feit, dat het lijk van een zeeman volkomen bewaard is gebleven in
den ijzigen bodem der Zuid-Shetlands-Eilanden (62° tot 63° Z.B.), op
iets lagere breedte dan waarop Pallas in Siberië het bevroren lichaam
van een neushoorn ontdekte (64°), is zeer belangwekkend. Ofschoon
het eene dwaling is--zooals ik in een vroeger hoofdstuk heb pogen
aan te toonen--te onderstellen, dat de grootere viervoeters een
weelderigen plantengroei voor hun onderhoud behoeven, is toch het
vinden op de Zuid-Shetlands-Eilanden van een bevroren ondergrond op
nog geen 360 mijlen van de met bosschen bedekte eilanden nabij Kaap
Hoorn--waar, voor zoover de hoeveelheid plantengroei betreft, zeer
vele groote viervoeters zouden kunnen bestaan--voor de wetenschap van
gewicht. De volkomen bewaring van de lijken der Siberische olifanten
en neushorens [223] is stellig een der wonderlijkste feiten in de
geologie; maar afgezien van de bewering, dat het aangrenzende land
hen moeilijk van voedsel kon voorzien, geloof ik, dat de geheele
zaak niet zoo ingewikkeld is als men gemeenlijk denkt. Evenals de
Pampas, schijnen ook de vlakten van Siberië onder de zee gevormd te
zijn, waarin rivieren talrijke lijken van dieren uitstortten. Van
de meeste dezer lijken zijn alleen de geraamten bewaard gebleven,
maar van anderen het geheele lichaam. Nu is bekend, dat de bodem in
de ondiepe zee aan de noordkust van Amerika bevriest, [224] en in
de lente niet zoo spoedig ontdooit als de oppervlakte van het land;
bovendien kan op grootere diepten, waar de zeebodem niet bevriest,
de modder enkele voeten onder de bovenlaag zelfs in den zomer onder
32° F. blijven, gelijk ook aan land met den grond op enkele voeten
diepte het geval is. Op nog grootere diepten zou de temperatuur van
modder en water waarschijnlijk niet laag genoeg zijn om het vleesch
te bewaren, en zouden dus van lijken, die buiten de ondiepe gedeelten
in de nabijheid eener poolkust naar zee drijven, alleen de geraamten
bewaard blijven. Nu zijn de beenderen in het hooge noorden van Siberië
buitengewoon talrijk, [225] zoodat zelfs eilandjes, naar men beweert,
er bijna geheel uit bestaan; [226] en deze eilandjes liggen niet
minder dan 10 breedtegraden noordelijk van de plek waar Pallas
den bevroren neushoren vond. Aan den anderen kant zou een lijk,
dat door een vloed naar eene ondiepte der Poolzee gespoeld werd,
voor een onbepaalden tijd bewaard blijven, indien het spoedig daarna
dik genoeg met modder bedekt was, om het doordringen der warmte van
het zomerwater te beletten, en die deklaag ook dik genoeg was om,
als de zeebodem door rijzing in land werd veranderd, te verhinderen
dat de zomerlucht en zon haar ontdooiden en tot bederf deden overgaan.
Recapitulatie. Ik zal in 't kort de hoofdfeiten herhalen, die op
het klimaat, de ijswerking en organische voortbrengselen van het
zuidelijk halfrond betrekking hebben, maar in gedachten het gebied van
onderzoek naar Europa verplaatsen, waarmee wij zooveel beter bekend
zijn. Zoo zouden dan bij Lissabon de meest voorkomende schelpdieren,
nl. drie soorten Oliva, eene Voluta en eene Terebra, een tropisch
karakter bezitten. In de zuidelijke provinciën van Frankrijk zouden
prachtige wouden, dicht begroeid met boomgrassen en met woekerplanten
op de boomen, het land voor het oog verbergen. Puma en jaguar zouden
in de Pyreneeën zwerven. Op de breedte van den Mont-Blanc, en wel
op een eiland ergens in 't westen van Europa, zouden boomvarens en
woekerende orchideeën welig in de dichte bosschen groeien. Zelfs
zoover noordelijk als Midden-Denemarken zou men kolibries om de fijne
bloemen zien fladderen en papegaaien voedsel zien zoeken in de altijd
groene bosschen. Op deze breedte zou de zee ons eene Voluta te zien
geven, en krachtig ontwikkelde schelpdieren, alle van aanzienlijke
grootte. Maar op eenige eilanden, slechts 360 mijlen van onze nieuwe
Kaap Hoorn in Denemarken verwijderd, zou een lijk, dat in den grond
begraven of naar eene ondiepe zee gedreven en met modder bedekt was,
in altijddurend bevroren staat bewaard blijven.
Indien een koen zeevaarder noordwaarts van deze eilanden poogde
door te dringen, zou hij duizendmaal gevaar loopen tusschen
reusachtige ijsbergen verzeild te geraken, waarvan hij sommige
met groote rotsblokken beladen zou zien, die zij ver van hunne
oorspronkelijke ligplaatsen voeren. Een ander groot eiland op de
breedte van Zuid-Schotland, maar tweemaal zoo ver naar het westen,
zou "bijna geheel met eenige sneeuw bedekt zijn," en al zijne baaien
zouden eindigen in ijsklippen, waarvan jaarlijks groote brokken werden
afgeslagen. Dit eiland zou alleen wat mos, gras en wilde pimpernel
bezitten, en een veld- of boschleeuwerik zou de eenige landbewoner
zijn. Van onze nieuwe Kaap Hoorn in Denemarken zou een bergketen, nog
niet half zoo hoog als de Alpen, in eene rechte lijn zuidwaarts loopen;
en aan de westzijde zou elke diepe zee-inham of fjord in steile en
indrukwekkende gletschers eindigen. Deze eenzame waters zouden bij
herhaling van het nederploffende ijs weergalmen, en telkens zouden
hooge golven langs hunne kusten rollen. Talrijke ijsbergen, enkele
zoo groot als domkerken en soms met "niet onbeduidende rotsblokken"
beladen, zouden op de buiten gelegen eilandjes stranden, en hevige
aardbevingen nu en dan geweldige ijsmassa's in het water daaronder
doen storten. Eindelijk zouden eenige zendelingen bij hunne poging
om een langen zeearm door te varen, talrijke groote ijsstroomen van
de niet hooge naburige bergen naar de zeekust zien dalen, terwijl
hun boottocht door de tallooze groote en kleine drijvende ijsbergen
zou worden belemmerd; en dit zou geschied zijn op onzen 22sten Juni
op eene breedte waar thans het Meer van Genève ligt! [227]
HOOFDSTUK XII.
MIDDEN-CHILI.
[23 Juli 1834.]
De Beagle ankerde laat in den nacht in de baai van Valparaiso, de
voornaamste zeehaven van Chili. Toen de morgen aanbrak, kreeg alles een
verrukkelijk aanzien. Bij Vuurland vergeleken, was het klimaat hier
bepaald heerlijk. De lucht was zoo droog, de hemel met de stralende
zon zoo helder en blauw, dat de geheele natuur scheen te tintelen
van leven. Het gezicht van uit de ankerplaats is zeer mooi. De stad
is gebouwd aan den voet eener heuvelreeks, saamgesteld uit omtrent
1600 voet hooge en eenigszins steile bergen. Ten gevolge van hare
ligging, bestaat zij uit eene lange, verspreid aangelegde straat, die
evenwijdig loopt met het strand; en waar een ravijn uit het gebergte
daalt, verheffen de huizen zich aan weerszijden daarvan. De ronde
heuvels, door een schralen plantengroei slechts gedeeltelijk beschut,
zijn doorploegd met tallooze kleine geulen, die een eigenaardigen
lichtrooden grond ontblooten. Hierdoor, en ook door de lage gewitte
huizen met pannen daken, herinnerde het gezicht mij aan Santa Cruz
op Tenerife. In noordwestelijke richting zijn eenige fraaie vluchtige
kijkjes op het Andes-gebergte; maar deze bergen schijnen veel hooger,
als men hen van de naburige heuvels ziet; de groote afstand, waarop zij
liggen, laat zich dan gemakkelijk begrijpen. De vulkaan Aconcagua is
bijzonder indrukwekkend. Dit reusachtige en onregelmatig kegelvormige
gevaarte heeft eene hoogte, welke die van den Chimborazo overtreft;
want uit metingen, door de officieren van de Beagle verricht, bleek
dat zijne hoogte niet minder dan 23.090 voet was. [228] Van dit punt
bekeken, danken de Andes hunne schoonheid echter grootendeels aan
den dampkring waardoor zij gezien worden. Het was bewonderenswaardig,
als de zon in den Stillen Oceaan onderging, te zien hoe helder hunne
zigzagvormige omtrekken onderscheiden konden worden, en toch hoe
afwisselend en fijn hunne kleurschakeeringen waren.
Hier had ik het geluk Mr. Richard Corfield te ontmoeten, een oud-vriend
en schoolmakker, aan wiens gastvrijheid en vriendelijkheid ik veel
verschuldigd ben, daar hij mij, zoolang de Beagle zich in Chili
ophield, een hoogst aangenaam logies verschafte. De onmiddellijke
omgeving van Valparaiso levert voor den natuuronderzoeker niet heel
veel op. Gedurende den langen zomer blaast de wind voortdurend
uit het zuiden en op eenigen afstand van het strand, zoodat er
dan nooit regen valt; maar in de drie wintermaanden regent het
overvloedig. Dientengevolge is de plantengroei zeer schraal: behalve
in sommige dalen, zijn er geen boomen; alleen zijn de minder steile
gedeelten der heuvelreeks hier en daar met wat gras en eenige lage
struiken begroeid. Zoo wij bedenken, dat 350 mijlen ver naar het zuiden
de helling van het Andes-gebergte geheel achter een ondoordringbaar
woud verscholen ligt, is de tegenstelling zeer merkwaardig. Bij het
verzamelen van voorwerpen op het gebied der natuurlijke historie,
deed ik vele verre wandelingen. Voor oefening biedt het land eene
gezochte gelegenheid. Er zijn vele zeer fraaie bloemen; en evenals in
de meeste andere droge klimaten, bezitten de planten en heesters sterke
en eigenaardige geuren, die zich zelfs aan de kleêren meedeelden,
als men tusschen die planten door drong. Er kwam geen einde aan
mijne verwondering, toen het alle dagen even mooi weer was. Welk een
verschil maakt het klimaat op ons levensgenot! Hoe geheel anders zijn
de gewaarwordingen, als men zwarte bergen ziet die half in wolken zijn
gehuld, of eene bergketen zooals de Andes door den lichtblauwen damp
van een fraaien dag! Het een moge voor eenigen tijd zeer verheven zijn;
het andere biedt ons al vroolijkheid en levenslust.
[14 Augustus.]
Dezen dag ondernam ik een tocht te paard, met het doel de
benedengedeelten van het Andes-gebergte, die slechts in dezen tijd van
het jaar niet door de wintersneeuw ontoegankelijk zijn, geologisch te
onderzoeken. Den eersten dag reden wij in noordelijke richting langs
de kust. Toen het donker was, bereikten wij de Hacienda van Quitero,
het landgoed dat vroeger aan lord Cochrane [229] behoorde. Het doel
mijner komst alhier was de groote schelpenlagen te zien, die eenige
yards boven den zeespiegel liggen en tot kalk verbrand worden. Van
de rijzing dezer geheele kustlijn bestaan ondubbelzinnige bewijzen;
ter hoogte van enkele honderden voeten liggen talrijke oud-typische
schelpen, en ik vond zelfs eenige op 1300 voet. Deze schelpen liggen
òf los aan de oppervlakte, òf in een roodachtig zwarten plantaardigen
grond. Bij onderzoek met den microscoop vond ik tot mijne groote
verrassing, dat deze plantaardige grond werkelijk zeemodder is,
vol kleine deeltjes van organische lichamen.
[15 Augustus.]
Wij reden naar het Quillota-dal terug. De streek was hoogst
aangenaam--juist wat de dichters "landelijk" zouden noemen: groene
open grasvelden, gescheiden door kleine dalen met riviertjes, en op
de heuvelhellingen hier en daar eenige hutten, waarschijnlijk van de
schaapherders. Wij waren verplicht den kam van den Chilicauquen over
te trekken. Aan den voet hiervan stonden vele fraaie, altijd groene
woudboomen; maar deze bloeiden alleen in de ravijnen, waar stroomend
water was. Wie alleen het land in de nabijheid van Valparaiso gezien
had, zou zich nooit hebben voorgesteld dat er zulke schilderachtige
plekjes in Chili waren. Zoodra wij den rand der Sierra bereikten,
lag het Quillota-dal vlak onder onze voeten. Het uitzicht was
merkwaardig om den rijkdom van kweekgewassen. Het dal is zeer breed
en geheel vlak, zoodat de bevloeiing overal gemakkelijk is. De kleine
vierkante tuinen bevatten overvloed van oranje- en olijfboomen, en
alle soorten groenten. Aan alle kanten verrijzen reusachtige naakte
bergen, die door hunne tegenstelling den bonten aanblik van het dal
nog aantrekkelijker maken. Wie "Valparaiso" het "Paradijsdal" noemde,
moet ongetwijfeld aan Quillota hebben gedacht. Wij staken over naar
de Hacienda de San Isidro, die aan den voet van den Klokberg ligt.
Chili is, gelijk men op de kaarten zien kan, eene smalle strook lands
tusschen de Cordilleras en den Stillen Oceaan, welke strook op hare
beurt door talrijke bergreeksen wordt doorsneden, die in dit gedeelte
evenwijdig loopen met de hoofdketen. Tusschen deze bergketens en
de groote Cordilleras strekt zich eene reeks vlakke dalkommen, die
meest met nauwe uitgangen in elkander loopen, tot ver naar het zuiden
uit. Daarin liggen de voornaamste steden, als San Felipe, Santiago,
San Fernando en andere. Ik twijfel niet of deze dalkommen of vlakten
zijn, evenals de horizontale dwarsdalen (bijv. het Quillota-dal)
die ze met de kust verbinden, de bodems van oude inhammen en diepe
baaien, van gelijken aard als die welke nu elk deel van Vuurland
en de westkust doorsnijden. Chili moet in vroegere tijdperken, wat
de verdeeling van zijn land en water betreft, op laatstgenoemd land
geleken hebben. Treffend bleek die gelijkenis nu en dan, wanneer een
vlakke mistbank al de lagere gedeelten van het land als met een mantel
bedekte. Wanneer de witte damp in de ravijnen kronkelde, bood hij eene
fraaie voorstelling van kleine kreken en baaien; en een eenzaam hier
en daar opduikend heuveltje toonde, dat het daar vroeger als eilandje
gestaan had. De tegenstelling dezer vlakke dalen en dalkommen met de
onregelmatig gevormde bergen, gaven aan het landschap een kenmerk,
dat nieuw en zeer belangwekkend voor mij was.
De natuurlijke glooiing dezer vlakten naar den zeekant maakt de
bevloeiing er van zeer gemakkelijk, en dientengevolge zijn zij
bijzonder vruchtbaar. Zonder die bewatering zou het land bijna niets
voortbrengen, want den geheelen zomer door is de lucht onbewolkt. De
bergen en heuvels zijn hier en daar met struiken en lage boomen
bedekt; maar dezen uitgezonderd, is de plantengroei zeer arm. Elk
landeigenaar in het dal bezit een zekere uitgestrektheid heuvelland,
waar zijn half wild vee in grooten getale rondzwerft om genoegzaam
gras te vinden. Eens in het jaar is er een groote rodeo, [230] als
wanneer al het vee naar het dal gedreven, geteld en gemerkt wordt,
en men een zeker aantal afzondert voor vetmesting in de bevloeide
velden. Tarwe wordt op ruime schaal gekweekt, benevens zeer veel maïs;
maar het voornaamste voedingsmiddel van den gewonen arbeider is eene
soort boon. De boomgaarden brengen een overvloedigen voorraad perziken,
vijgen en druiven voort. Bij al deze voordeelen moest het den bewoners
van het land meer voor den wind gaan dan wel het geval is.
[16 Augustus.]
De mayordomo [231] van de hacienda was zoo goed mij een gids en
versche paarden te geven; en zoo gingen wij des morgens op weg om de
Campana of Klokberg te bestijgen, die 6400 voet hoog is. De paden
waren zeer slecht; maar zoowel de geologische gesteldheid van het
terrein als het landschap zelf beloonden ruimschoots de moeite. Des
avonds bereikten wij eene bron, Agua del Guanaco genoemd, die op eene
aanzienlijke hoogte ligt. Deze naam moet van ouden oorsprong zijn,
want het is zeer vele jaren geleden, dat een guanaco het water uit
die bron dronk. Gedurende de beklimming merkte ik op, dat aan de
noordelijke helling niets dan struiken groeiden, aan de zuidelijke,
echter, een bamboesriet van omstreeks 15 voet hoogte. Op enkele
plaatsen stonden palmboomen, en met verbazing zag ik er een op eene
hoogte van minstens 4500 voet. Deze palmen zijn leelijke boomen in
hunne familie. Hun stam is zeer breed en zonderling gevormd, daar hij
in het midden dikker is dan aan den voet of top. In sommige gedeelten
van Chili zijn zij buitengewoon talrijk, en wegens eene soort stroop,
die uit hun sap gemaakt wordt, gezocht. Op een landgoed bij Petorca
trachtte men hen te tellen, doch moest dit opgeven, toen men een
cijfer van vele honderdduizenden bereikt had. Vroeg in de lente (in
Augustus) worden ieder jaar vele palmen geveld; en als de stam op den
grond ligt, wordt zijn bladerkroon gesnoeid. Onmiddellijk begint dan
het sap uit het boveneinde te vloeien, hetgeen eenige maanden lang
aanhoudt. Men moet echter elken morgen een dun laagje van dat einde
afschaven, om eene versche oppervlakte te ontblooten. Een goede
boom zal 90 gallons (ongeveer 409 lit.) geven; en dit alles moet
in de vaten van den schijnbaar drogen stam gezeten hebben. Naar men
zegt, vloeit het sap veel sneller op dagen van fellen zonneschijn;
ook beweert men, dat het volstrekt noodig is zorg te dragen, dat de
boom bij het omhakken met zijn top naar boven op de helling van den
heuvel valt; want valt hij de helling af, dan zal er bijna geen sap
uitvloeien. Oppervlakkig zou men denken, dat in het laatste geval,
door de zwaartekracht, de werking versterkt in plaats van verzwakt
zou worden. Door koking wordt het sap verdikt en dan stroop genoemd,
waarop het in smaak zeer veel gelijkt.
Wij ontzadelden onze paarden bij de bron, en maakten ons gereed den
nacht door te brengen. Het was eene schoone avond, en de lucht was
zoo helder, dat de masten der in de baai van Valparaiso voor anker
liggende schepen duidelijk als kleine zwarte strepen te onderkennen
waren, hoewel de afstand niet minder dan 26 geographical miles (48.2
kilom.) bedroeg. Een schip, dat met volle zeilen de landtong omvoer,
vertoonde zich als een heldere witte stip. Anson [232] laat op zijn
tocht veel verwondering blijken over den afstand, waarop zijne schepen
van de kust uit gezien werden; doch hij hield niet voldoende rekening
met de hoogte van het land en de groote doorschijnendheid der lucht.
Het ondergaan der zon was prachtig. Terwijl de dalen in diepe
duisternis lagen, vertoonden de besneeuwde Andes-toppen eene
robijnkleurige tint. Toen het donker was, maakten wij onder een klein
priëel van bamboes vuur, braadden onze charqui (reepjes gedroogd
ossevleesch) [233] dronken onze maté, en waren recht op ons gemak. Er
ligt eene onuitsprekelijke bekoring in zulk een leven in de open
lucht. De avond was kalm en stil; alleen hoorde men nu en dan het
schelle geluid van de bergbizcacha, en den zwakken kreet van den
geitenmelker (Caprimulgus europaeus). [234] Behalve dezen, bewonen
weinige vogels of zelfs insecten deze droge, verschroeide bergen.
[17 Augustus.]
Des morgens beklommen wij den ruwen klomp groensteen, die den top
bedekt. Zooals vaak gebeurt, was dit gesteente zeer verbrokkeld en
lag in groote hoekige stukken verspreid. Ik ontdekte echter eene
merkwaardige bijzonderheid, nl. dat vele oppervlakken alle graden
van verschheid vertoonden: sommige steenen schenen den vorigen
dag gebroken te zijn, op andere hadden zich zoo even korstmossen
neergezet, of daar reeds lang gegroeid. Ik geloofde zoo stellig,
dat dit aan de vele aardbevingen moest worden toegeschreven, dat ik
lust gevoelde van elken lossen stapel weg te loopen. Daar men zich in
dergelijke feiten zeer licht vergist, twijfelde ik aan de juistheid
er van, totdat ik den berg Wellington op Van-Diemensland besteeg,
waar geene aardbevingen voorkomen; en daar zag ik den bergtop even
zoo samengesteld en verbrokkeld, met dit verschil, dat het scheen of
alle brokken duizenden jaren geleden zoo waren neergeworpen, als zij
nu lagen.
Wij brachten den dag op den top door; en nooit smaakte ik zoo volop
genot als toen. Ik zag Chili, begrensd door de Andes en den Stillen
Oceaan, als op eene landkaart voor mij. Het genot van dit op zichzelf
reeds schoone panorama werd verhoogd door de vele beschouwingen,
die zich aan ons opdrongen bij het zien van de Campana-keten met
hare kleinere evenwijdig loopende bergreeksen, en van het breede
Quillota-dal, dat die ketens rechtstreeks snijdt. Wie zou zich
niet verwonderen over de kracht, die deze bergen heeft opgeheven,
en meer nog over de tallooze eeuwen, die voor het doorbreken, uit
den weg ruimen en sloopen van geheele berggevaarten noodig moeten
geweest zijn? Men denke in dat geval aan de uitgestrekte grint-
en sedimentaire lagen van Patagonië, die, als zij op de Andes
werden gestapeld, hunne hoogten met vele duizenden voeten zouden
vermeerderen. Toen ik in dat land was, verwonderde ik mij, dat eene
bergketen zulke groote hoeveelheden steen kon hebben geleverd, zonder
geheel te verdwijnen. Thans moeten wij onze verwondering niet omkeeren,
en twijfelen of de alvermogende tijd in staat is bergen--zelfs de
reusachtige Andes--tot grint en modder te vermalen!
Het voorkomen van de Cordilleras was anders dan ik verwacht had. De
onderste sneeuwgrens was natuurlijk horizontaal, en juist evenwijdig
met die grens schenen de effen toppen der keten te loopen. Maar op
enkele ver van elkander gelegen punten wees eene groep bergtoppen of
een enkele kegel de plaats aan, waar een vulkaan bestaan had of nog
bestond. Zoodoende geleek de bergketen op een reusachtigen steenen
muur, waarop hier en daar een toren stond, en die het land op de
volmaaktste wijze afsloot. In bijna elk deel van den Klokberg waren
boringen verricht, om te trachten goudgroeven te openen. De delfwoede
had bijna geen enkele plek in Chili onaangeroerd gelaten.