men den klaagtoon van een wit-gekuifden Tyran (Myiobius albiceps),
[207] die zich in de toppen der hoogste boomen verbergt; en zeldzamer
nog den luiden, zonderlingen kreet van een zwarten specht met fraaien
scharlaken kam op het hoofd. Een klein donkerkleurig winterkoninkje
(Scytalopus Magellanicus) huppelt met loerenden gang door den bajert
van omgevallen en rottende stammen. Maar de meest voorkomende
vogel in het land is de boomlooper (Oxyurus tupinieri). Overal
in de beukenwouden, hoog in 't gebergte en dicht bij den voet,
in de donkerste, vochtigste en ongenaakbaarste ravijnen kan men
hem ontmoeten. Deze kleine vogel schijnt ongetwijfeld talrijker dan
werkelijk het geval is; men moet dit toeschrijven aan zijne gewoonte
om uit blijkbare nieuwsgierigheid den vreemdeling te volgen, die deze
stille bosschen betreedt; onder een voortdurend wanluidend getjilp
fladdert hij van den eenen boom naar den anderen, slechts enkele voeten
van het gezicht des indringers. Hij zoekt allerminst die bescheiden
afzondering van den waren boomlooper (Certhia familiaris). Ook
loopt hij niet, zooals deze vogel, tegen de stammen der boomen op,
maar huppelt op de manier van een wilgensijsje rond, en zoekt op
elken tak of twijg insecten. In de meer open streken komen voor:
drie of vier soorten vinken; een lijster; eene spreeuw (of Icterus);
twee Opetiorhynchi, benevens verscheidene havikken en uilen.
Het ontbreken van alle soorten, die tot de klasse der Kruipende Dieren
behooren, is een kenmerkend verschijnsel in de Fauna van dit land,
evenals in die der Falklands-Eilanden. Ik grond dit getuigenis niet
uitsluitend op eigen waarneming, doch vernam het van de Spaansche
bewoners der laatstgenoemde eilanden, en van Jemmy Button, voor
zoover Vuurland betrof. Aan de oevers der Santa Cruz op 50° Z.B. zag
ik een kikvorsch, en het is niet onwaarschijnlijk, dat deze dieren,
alsook hagedissen, zuidelijk tot de breedte der Straat van Magelhaen
gevonden worden, waar het land het karakter van Patagonië behoudt;
maar binnen de vochtige en koude zone van Vuurland komt geen enkele
voor. Dat het klimaat niet geschikt zou zijn voor enkele Orden, zooals
de hagedissen, was wel te voorzien; maar wat de kikvorschen betrof,
was dit niet zoo duidelijk.
Kevers (Coleoptera) vindt men in zeer klein aantal; en lang duurde
het eer ik kon gelooven, dat een land bijna zoo groot als Schotland,
[208] bedekt met plantvoortbrengsels en in het bezit van afwisselende
verblijfplaatsen, zoo onvruchtbaar kon zijn. De enkelen, die ik vond,
waren Alpen-soorten (Harpalidae en Heteromidae), welke onder steenen
leven. De plantenetende Chrysomelidae, waardoor de keerkringen
zich zoo bijzonder kenmerken, ontbreken hier bijna geheel. [209]
Ik zag zeer weinig vliegen, kapellen of bijen, en geen krekels
(Gryllidae) of Orthoptera. In de waterpoelen vond ik slechts enkele
waterkevers en geen zoetwaterschelpdieren: want hoewel Succinea op
het eerste gezicht eene uitzondering schijnt te maken, moet het hier
een landschelpdier zijn, daar het ver van het water in het vochtige
gras leeft. Landschelpdieren konden alleen op dezelfde hooggelegen
plaatsen worden gevonden, als waar de kevers zijn. Reeds heb ik op
de tegenstelling tusschen Vuurland en Patagonië gewezen, zoowel wat
klimaat als algemeen voorkomen betreft; en een sprekend voorbeeld van
dit verschil levert de insectenkunde. Ik geloof niet dat zij ééne
soort gemeen hebben; en het algemeen kenmerk der insecten is zeker
geheel verschillend.
Gaande van het land naar de zee, zullen wij de laatste even dicht
met levende wezens bevolkt vinden, als het eerste arm daaraan is. In
alle deelen der wereld herbergt een rotsachtig en gedeeltelijk beschut
strand binnen eene gegevene ruimte wellicht een grooter aantal wezens,
dan elke andere verblijfplaats. Er bestaat een zeeproduct, dat om
zijne belangrijkheid eene bijzondere bespreking verdient. Het is de
kelp of Macrocystis pyrifera. Deze plant groeit op elke rots vanaf
het laagwatermerk tot op eene groote diepte, zoowel aan de buitenkust
als binnen de kanalen. [210] Ik geloof, dat er op de reizen van de
Adventure en de Beagle geen enkele rots bij het oppervlak der zee
werd ontdekt, die niet door dit drijvend wier bespoeld werd. Dat het
zoodoende goede diensten bewijst aan schepen, die dicht voorbij dit
stormachtige land varen, is duidelijk; en stellig heeft het menig
vaartuig van schipbreuk gered. Ik ken weinig verschijnselen, meer
verrassend dan het zien groeien en bloeien van deze plant tusschen de
groote brekers van den Atlantischen Oceaan, waaraan geen enkele rots,
hoe hard ook, lang weerstand kan bieden. De stengel is rond, klevig en
zacht, en bereikt zelden een inch in doorsnede. Enkele te zamen genomen
zijn sterk genoeg om het gewicht der groote losse steenen te dragen,
waaraan zij in de binnenlandsche kanalen vastgroeien; toch waren
sommige steenen zoo zwaar, dat, als zij naar de oppervlakte werden
getrokken, één man hen met moeite in een boot kon tillen. Kapitein Cook
zegt in zijne tweede Reis, dat deze plant bij de Kerguélen-Eilanden
uit eene diepte van meer dan 24 fathoms omhoog groeit; "en daar die
groei niet in verticale richting, maar onder een zeer scherpen hoek
met den bodem geschiedt, en een groot deel zich later vele fathoms ver
over het oppervlak der zee uitstrekt, heb ik wel het recht te zeggen,
dat sommige eene lengte van 60 fathoms en meer bereiken." Ik geloof
niet, dat er een tweede plant is, wier stengel, zooals kapitein Cook
verklaart, de verbazende lengte bereikt van 360 voet. Bovendien vond
kapitein Fitz-Roy, dat zij zelfs uit nog grootere diepten, namelijk
45 fathoms, naar de oppervlakte groeit. [211] Deze zeewier-velden
vormen, zelfs wanneer hunne breedte niet groot is, uitstekende en
natuurlijke drijvende golfbrekers. Merkwaardig is het te zien, hoe
spoedig de golven uit volle zee, die door de verspreide stengels eene
opene haven binnenrollen, in hoogte dalen en overgaan in effen water.
Het getal levende wezens van alle Orden, wier bestaan ten nauwste van
de kelp afhangt, is verwonderlijk groot. Men zou een lijvig boek kunnen
schrijven alléén over de bewoners van een dezer zeewier-velden. Bijna
alle bladeren uitgenomen die welke aan de oppervlakte drijven, zijn
zoo dik met koraaldieren bedekt, dat zij eene witte kleur hebben. Wij
vinden keurig fijne structuur-vormen: sommige bewoond door enkelvoudige
hydroidpolypen, andere door meer bewerktuigde soorten, en prachtige
samengestelde zeescheeden (Ascidiae compositae). Op de bladeren
zijn ook verschillende Patellidae, Trochidae, naakte weekdieren, en
eenige tweeschalige schelpdieren vastgehecht. Tallooze schaaldieren
bewonen elk deel van de plant. Schudt men de groote dooreengevlochten
wortels, dan valt daaruit een menigte kleine visschen, schelpdieren,
inktvisschen, kreeften van alle orden, zeeëgels, zeesterren,
prachtige Holothuriae, Planariae, en kruipende Nereïdae in tal van
vormen. Dikwijls keerde ik naar een kelptak terug, en ontdekte dan
altijd dieren van onbekende en merkwaardige structuur. Op Chiloë,
waar de kelp niet bijzonder gedijt, ontbreken de talrijke schelp-,
koraal- en schaaldieren; toch blijven nog enkele Flustraceae en eenige
samengestelde Ascidiae over, waarvan de laatsten echter tot andere
soorten behooren dan die in Vuurland. Het zeewier heeft hier dus
eene grootere verspreiding dan de dieren, welke het als woonplaats
bezigen. Ik kan deze groote waterwouden van het zuidelijk halfrond
alleen vergelijken bij de landwouden in de tusschenkeerkringsstreken;
maar, zoo te land ergens een woud verwoest werd, geloof ik niet, dat
er zooveel soorten dieren zouden omkomen, als hier door het verwoesten
van de kelp het geval zou zijn. Tusschen de bladeren dezer plant leven
talrijke soorten visschen, die nergens anders voedsel of beschutting
konden vinden. Met hunne uitroeiing, zouden ook de vele zeeraven en
andere vischetende vogels, de otters, robben en bruinvisschen spoedig
verdwijnen. Eindelijk zou de Vuurlandsche wilde, de ellendige heer
van dit ellendige land, zijne kannibaalsche feesten verdubbelen,
in aantal verminderen, en mogelijk ophouden te bestaan.
[8 Juni.]
Vroeg in den morgen lichtten wij het anker en verlieten Port
Famine. Kapitein Fitz-Roy besloot de Straat van Magelhaen door het
Magdalena-kanaal te verlaten, dat niet lang te voren ontdekt was. Onze
koers was vlak zuidwaarts, door het sombere kanaal waarop ik boven
zinspeelde, toen ik zeide, dat het naar eene andere en boozere wereld
scheen te voeren. Er woei een gunstige wind, maar de lucht was zeer
nevelig, zoodat wij vele zeldzame berggezichten misten. De donkere,
gescheurde wolken werden snel over de bergen gedreven, van af hunne
toppen tot bijna aan den voet. De vluchtige kijkjes, die wij door de
schemerige massa namen, waren zeer belangwekkend: getande spitsen,
besneeuwde kruinen, blauwe gletschers, scherpe omlijningen die zich op
den bleeken hemel afteekenden, lieten zich op verschillende afstanden
en hoogten zien. Te midden van zulke tafereelen ankerden wij bij
Kaap Turn, dicht bij den berg Sarmiento, die zich toen in de wolken
verschool. Aan den voet der hooge en bijna loodrechte oevers van onze
kleine kreek stond een verlaten wigwam, die er aan herinnerde dat
de mensch nu en dan door deze eenzame streken zwierf. Moeilijk zou
men zich een oord kunnen denken, waar hij minder eischen of minder
macht scheen te hebben. De onbezielde werken der natuur: gesteente,
ijs en sneeuw, en wind en water--alle met elkander, maar vereenigd
tegen den mensch in strijd--regeerden hier in onbeperkte heerschappij.
[9 Juni.]
Tot onze blijdschap zagen wij des morgens den mistsluier van den
Sarmiento optrekken, en hem aan ons oog vertoonen. Deze berg,
die een der hoogste in Vuurland is, heeft eene hoogte van 6800
voet. Zijn ondereinde is tot ongeveer een achtste der totale hoogte
met donkere bosschen bedekt, en daarboven reikt een sneeuwdek tot
aan den top. Deze uitgestrekte sneeuwmassa's, die nooit smelten en
bestemd schijnen om even lang te duren als de wereld zelve, boden
een prachtvol en zelfs verheven schouwspel. De omtrek van den berg
was bijzonder helder en scherp. Door de groote hoeveelheid licht,
die op de witte en glinsterende oppervlakte weerkaatste, vielen geen
schaduwen aan den kant waar ik stond; men onderscheidde slechts de
randlijnen die de lucht sneden; en zoo stond de kolossus in zijne
volle gedaante voor ons. Verscheidene gletschers daalden slingerend
van de hooge, wijde sneeuwvlakten naar de zeekust; men kon hen met
bevroren Niagara-stroomen vergelijken; en misschien zijn deze blauwe
ijsversnellingen ruim zoo schoon als vloeibare watervallen. Des
nachts bereikten wij het westeinde van het kanaal; maar het water
was hier zoo diep, dat wij geen ankerplek konden vinden. Wij waren
dus genoodzaakt om in een stikdonkeren nacht uren lang door dezen
smallen zeearm op en neer te varen.
[10 Juni.]
Des morgens stevenden wij zoo spoedig mogelijk naar den open Stillen
Oceaan. De westkust bestaat in 't algemeen uit lage, afgeronde, geheel
naakte bergen van graniet en groensteen (diabase of dioriet). Sir
John Narborough noemde een gedeelte South Desolation, omdat het land
er zoo naargeestig uitzag; en dit zeggende had hij gelijk. Buiten
de hoofdeilanden liggen tallooze verspreide rotsen, waarop de breede
golfslag van den Stillen Oceaan onafgebroken beukt. Wij gingen tusschen
de Oostelijke en Westelijke Furies naar buiten; iets verder noordwaarts
rollen zooveel brekers, dat de zee hier de Melkweg genoemd wordt. Een
blik op zulk eene kust is voldoende om een landrot eene week lang van
schipbreuken, gevaren en dood te doen droomen; en met dit woeste,
huiveringwekkende schouwspel voor oogen zeiden wij Vuurland voor
altijd vaarwel.
De volgende beschouwing over het klimaat der zuidelijke deelen van het
vasteland in verband met hunne voortbrengselen: over de sneeuwgrens,
de buitengewoon lage daling der gletschers, en over de streek van
eeuwige vorst op de eilanden in het Zuidpool-gebied, kan door lezers,
die in deze merkwaardige onderwerpen geen belang stellen, worden
overgeslagen, of zij kunnen alleen de korte herhaling er van aan het
einde lezen. Ik zal hier echter slechts een uittreksel geven, en moet
voor bijzonderheden naar het Dertiende Hoofdstuk en het Aanhangsel
der vorige uitgaaf van dit werk verwijzen.
Over het klimaat en de Voortbrengselen van Vuurland en van
de Zuidwest-kust. De volgende tabel geeft aan de gemiddelde
temperatuur van Vuurland, de Falklands-Eilanden, en die van Dublin
ter vergelijking:
Breedte. Zomer- Winter- Gemid. Zomer-
Temperat. Temperat. en Winter-
Temperat.
Vuurland 53°38' Z 50° 33°08 41°54
Falklands-Eil. 51°30' Z 51° -- --
Dublin 53°21' N 59°54 39°2 49°37
Wij zien hieruit, dat het middengedeelte van Vuurland des winters
omstreeks 6° kouder, en des zomers niet minder dan 9 1/2° minder warm
is dan Dublin. Volgens Leopold von Buch (1774-1853) is de gemiddelde
temperatuur van Juli (niet de heetste maand in het jaar) te Saltenfjord
in Noorwegen 57°8, en toch ligt deze plaats 13° dichter bij de pool dan
Port Famine. [212] Hoe ongastvrij dit klimaat ook zij voor ons gevoel,
er is overvloed van altijd groenende boomen, die welig bloeien. Op 55°
Z.B. kan men kolibries aan de bloemen zien zuigen, en eten papegaaien
de zaden van den Drymis Winteri. Reeds heb ik gewezen op den rijkdom
der zee aan levensvormen; en volgens G. B. Sowerby zijn de Conchyliën
of schelpdieren (zooals de Patellidae, Fissurelidae, Chitonidae en
Lepadidae veel grooter en veel sterker gebouwd dan de overeenkomstige
species in het noordelijk halfrond. Eene groote Voluta (rolslak)
komt veel voor in Zuid-Vuurland en op de Falklands-Eilanden. Te
Bahia Blanca, op 39° Z. B., waren de meest voorkomende schelpdieren:
drie species van Oliva (eene van aanzienlijke grootte), eene of twee
Voluta's, en eene Terebra (boorschelp). Dezen, nu, behooren tot de
best kenmerkende tropische vormen. Het is te betwijfelen of er aan
de zuidkusten van Europa zelfs eene kleine Oliva-species bestaat,
en van de twee andere geslachten zijn er geen soorten. Indien een
geoloog op 39° breedte aan de kust van Portugal eene laag ontdekte,
waarin talrijke schelpdieren van drie Oliva-species, eene Voluta
en eene Terebra, zou hij waarschijnlijk zeggen, dat het klimaat in
den tijd waarin zij leefden, tropisch moet geweest zijn; doch naar
Zuid-Amerika te oordeelen, zou zulk eene gevolgtrekking verkeerd zijn.
Het gelijkvormige, vochtige en winderige klimaat van Vuurland strekt
zich, met slechts eene geringe toename in warmte, vele graden ver langs
de westkust van het vasteland uit. Tot 600 mijlen ten noorden van Kaap
Hoorn hebben de wouden een zeer evenaardig aanzien. Als een bewijs van
het gelijkvormige klimaat zelfs nog tot 300 of 400 mijlen noordelijker,
kan dienen, dat op Chiloë (in breedte met de noordelijke gedeelten
van Spanje overeenkomende) de perzik zelden vruchten voortbrengt,
terwijl aardbeziën en appelen er volkomen gedijen. Zelfs worden de
gerste- en tarwearen dikwerf naar huis gebracht, om te drogen en te
doen rijpen. [213] Te Valdivia (op gelijke breedte als Madrid) komen
druiven en vijgen tot rijpheid, doch worden niet overal gevonden;
olijven rijpen zelden, zelfs niet gedeeltelijk, en oranjeappelen in het
geheel niet. Zooals men weet, gedijen deze vruchten voortreffelijk op
overeenkomstige breedten in Europa. Maar zelfs in Zuid-Amerika worden,
aan de Rio Negro, onder nagenoeg dezelfde parallel als Valdivia,
bataten (Convolvulus batatus) gekweekt, terwijl druiven, vijgen,
oranjeappelen, watermeloenen en cantaloepen (knobbel- of wratmeloenen)
welig vruchten voortbrengen. Ofschoon het vochtige en gelijkvormige
klimaat van Chiloë en van de kust noordelijk en zuidelijk hiervan,
voor onze vruchten zoo ongunstig is, wedijveren de wouden aldaar,
van 38° tot 45°, in hun kwistigen plantengroei bijna met die der
tusschenkeerkringslanden. Statige, veelsoortige boomen met gladde en
levendig gekleurde schorsen, zijn beladen met eenlobbige woekerplanten;
groote en sierlijke varens tieren er in overvloed, en boomgrassen
omwinden de stammen ter hoogte van 30 of 40 voet boven den grond,
tot eene dooreengegroeide massa. Palmboomen groeien op 37° breedte;
een boomgras, dat veel op bamboes gelijkt, op 40°; en eene andere
naverwante soort, die zeer lang maar niet rechtstandig is, bloeit
zelfs nog op 45° Z. B.
Over het grootste deel van het zuidelijk halfrond schijnt een
gelijkvormig klimaat te heerschen, wat blijkbaar is toe te
schrijven aan de groote oppervlakte der zee, vergeleken met het
land. Dientengevolge draagt de plantenwereld een half tropisch
karakter. Boomvarens groeien welig op Van-Diemensland (45° B.), en ik
mat een stam van niet minder dan zes voet in omtrek. Foster vond op 46°
een boomvaren op Nieuw-Zeeland, waar orchideeën-planten op de boomen
woekeren. Op de Aucklands-Eilanden zijn, volgens Dr. Dieffenbach, [214]
varens met zulke dikke en hooge stammen, dat zij bijna boomvarens
mogen heeten; en hier, ja zuidelijker nog tot 55° breedte op de
Macquarie-Eilanden, leven talrijke papegaaien.
Over de Hoogte der Sneeuwgrens, en de Daling der Gletschers in
Zuid-Amerika. Voor bijzonderheden in de bronnen, waaruit de volgende
tabel ontleend is, moet ik naar de vorige uitgaaf verwijzen.
Breedte Hoogte (in voeten) Waarnemer.
van de sneeuwgrens
Aequatoriaal-zone; gemid. result. 15.748 Humboldt.
Bolivia, van 16° tot 18° Z.B. 17.000 Pentland.
Midden-Chili, 33° Z.B. 14.500 tot 15.000 Gillies en de
Schrijver.
Chiloë, van 41° tot 43° Z.B. 6.000 Officieren
v. d.
Beagle en de
Schrijver.
Vuurland, 54° Z.B. 3.500 tot 4.000 King.
Daar de hoogte-grens der eeuwige sneeuw in hoofdzaak meer door de
grootste zomerhitte, dan door de gemiddelde jaarlijksche temperatuur
schijnt bepaald te worden, behoeft het ons niet te verwonderen,
dat die grens in de Straat van Magelhaen, waar de zomer zoo koel is,
tot 3500 of 4000 voet boven den zeespiegel daalt, ofschoon wij die
lage grens van eeuwige sneeuw in Noorwegen eerst op 67° tot 70°--dat
is ongeveer 14° dichter bij de pool--ontmoeten. Het hoogteverschil van
circa 9000 voet tusschen de sneeuwgrens op de Cordilleras achter Chiloë
(waar de hoogste punten van slechts 5600 tot 7500 voet afwisselen)
en in Midden-Chili, een afstand van slechts 9 breedte-graden,
is inderdaad verwonderlijk. [215] Ongeveer van af Concepcion (37°
Z.B.) tot zuidwaarts van Chiloë verbergt het land zich achter een
dicht, onafgebroken woud, dat doorweekt is van vocht. De lucht is
bewolkt, en wij hebben gezien hoe slecht de Zuideuropeesche vruchten
er gedijen. In Midden-Chili, daarentegen, iets benoorden Concepcion,
is de lucht meestal helder; gedurende de zeven zomermaanden valt er
geen regen, en de Zuideuropeesche vruchten groeien uitstekend. Zelfs
is er suikerriet geweekt. [216] Zonder twijfel ondergaat de grens
van eeuwige sneeuw de bovengenoemde merkwaardige buiging van 9000
voet--welke zonder weerga is in andere deelen der wereld--niet ver van
de breedte van Concepcion, waar het land niet langer met woudboomen
bedekt is; want in Zuid-Amerika wijzen boomen op een regenachtig
klimaat, en is regen het zinnebeeld van een bewolkten hemel en weinig
warmte in den zomer.
Zooals ik wel begrijp, moet de daling der gletschers naar zee, behalve
natuurlijk van een voldoenden voorraad sneeuw in het hooggebergte,
hoofdzakelijk afhangen van de meer of minder lage grens van eeuwige
sneeuw op steile bergen bij de kust. Daar in Vuurland de sneeuwgrens
zoo laag ligt, mochten wij terecht verwachten, dat vele gletschers
de zee bereikt hadden. Toch stond ik verbaasd, toen ik op de
breedte van Cumberland allereerst eene bergreeks zag van slechts
3000 tot 4000 voet hoogte, waarvan elke vallei tot aan de zeekust
met ijsstroomen gevuld was. Bijna elke zeearm, die tot de hoogere
binnenketen doordringt--niet slechts in Vuurland, maar 650 mijlen ver
noordwaarts aan de kust--eindigt in "geweldige en verbazingwekkende
gletschers," volgens de beschrijving van een der officieren van de
expeditie. Groote ijsbrokken vallen gestadig van deze ijsklippen in
zee, en het gekraak davert, als de geschutdonder van een oorlogsschip
dat de volle laag geeft, door de eenzame kanalen. Gelijk in het vorige
hoofdstuk is opgemerkt, veroorzaken deze ijsstortingen hooge golven,
die op de naburige kusten breken. Het is bekend, dat aardbevingen
dikwijls oorzaak zijn van het afbreken van groote stukken aarde van
de zeekust; hoe verschrikkelijk moet dan de uitwerking zijn van een
hevigen schok (en die komen hier voor) [217] op zulk een gevaarte als
een gletscher, die reeds in beweging en doorploegd is van spleten! Ik
kan dan ook licht begrijpen, dat het water in zulke gevallen uit het
diepste kanaal wordt weggeslagen, daarna met onweerstaanbare kracht
terugkeert, en reusachtige rotsblokken als stroohalmen in het rond
draait. In Eyre's Sound, op de breedte van Parijs, zijn ontzaglijke
gletschers, en toch meet de hoogste berg in den omtrek slechts 6200
voet. In deze zeeëngte zag men op zekeren tijd omtrent 50 ijsbergen
naar buiten drijven, en een daarvan moet minstens 168 voet hoog
zijn geweest. Sommige ijsbergen waren beladen met brokken graniet
en andere van het leemschiefer der omringende bergen verschillende
gesteenten, van niet onaanzienlijke grootte. De verst van de pool
gelegen gletscher, die op de tochten van de Adventure en de Beagle
opgemeten werd, bevindt zich op 46°50' Z.B. in de Golf van Penas. Hij
is 15 mijlen lang, heeft op één punt eene breedte van 7 mijlen, en
daalt tot aan de zeekust. Maar zelfs enkele mijlen benoorden dezen
gletscher ontmoetten eenige Spaansche zendelingen [218] in de Laguna
de San Rafael "vele ijsbergen, waaronder groote, kleine en andere
van middelbare grootte." Zij werden gezien in een smallen zeearm,
op den 22sten December (die met onze maand Juni overeenstemt), en op
eene breedte gelijkstaande met die van het Meer van Genève!
In Europa is de zuidelijkste gletscher die de zee bereikt, volgens
Leopold von Buch, op 67° breedte op de Noorweegsche kust gevonden. Dit
is dus meer dan 20 graden of 1230 mijlen dichter bij de pool dan de
Laguna de San Rafael. Het voorkomen der gletschers op deze plek en in
de Golf van Penas is des te merkwaardiger, omdat het punt waar zij
de zee bereiken, 7°30' of 450 mijlen verwijderd is van eene haven,
waar drie soorten van Oliva, eene Voluta en eene Terebra de meest
voorkomende schelpdieren zijn; 9 graden van een gebied, waar palmen
groeien; 4°30' van eene streek, waar jaguar en puma over de vlakte
zwerven; nog geen 2°30' van de boomgrassen; bovendien in westelijke
richting minder dan 2 lengtegraden van woekerende orchideeën, en nog
geen graad van de boomvarens!