Beagle in eene schilderachtige kleine kreek aan den oostelijken ingang
van het Beagle-kanaal. Hier besloot kapitein Fitz-Roy de stoute en,
zooals bleek welgeslaagde poging te doen om tegen de westenwinden in
denzelfden koers te nemen, dien wij vroeger in booten naar de kolonie
bij Woollya hadden gevolgd. Wij zagen niet veel inboorlingen, totdat
wij bij de Straat van Ponsonby waren, waar wij door tien of twaalf
kano's vergezeld werden. De inboorlingen begrepen volstrekt de reden
niet van ons laveeren; en in plaats van ons bij elken boegslag te
gemoet te gaan, poogden zij vruchteloos ons in onzen zigzag-koers
te volgen. Het vermaakte mij toen ik het verschil in belangstelling
opmerkte, waarmede men deze wilden ziet, en dat een gevolg is van
de omstandigheid, dat men hun volstrekt meerdere is in kracht. Toen
ik in de booten was, haatte ik het geluid hunner stemmen, om de
onrust die dit bij ons verwekte. Het eerste en laatste woord was:
Yammerschooner. Bij het binnenvaren van eene kleine stille kreek,
keken wij rond, in de hoop een rustigen nacht door te brengen; maar
dan klonk het hatelijke woord Yammerschooner schril uit een donkeren
hoek der wildernis, en kronkelden de rookwolkjes omhoog, als seinen
om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Bij het verlaten van
eene plaats, zeiden wij tot elkander: "Goddank, dat wij eindelijk
geheel van die ellendelingen afkomen!" en zie: andermaal trof de
zwakke echo van eene daverende stem heel uit de verte onze ooren,
en konden wij duidelijk onderscheiden: Yammerschooner! Maar nu: hoe
meer Vuurlanders, des te grappiger; en inderdaad, het ging zeer jolig
toe. Beide partijen lachten, en gaapten elkander verwonderd aan; wij
beklaagden hen, dat zij ons goede visschen en kreeften gaven in ruil
voor lappen en dergelijke; zij juichten om het buitenkansje lieden
te vinden, dwaas genoeg om zulke prachtige versieringen tegen een
hapje eten te ruilen. Hoogst vermakelijk was het den ongekunstelden,
vergenoegden glimlach te zien, waarmede eene jonge vrouw met zwart
geschilderd gelaat, verscheidene stukken vuurrood doek met biezen om
haar hoofd bond. Haar man, die het in dit land zeer algemeene voorrecht
genoot van twee vrouwen te bezitten, was blijkbaar jaloersch op al de
attentie die zijne jonge vrouw bewezen werd; en na een lang beraad met
zijne naakte schoonheden, werd hij eindelijk door dezen weggepagaaid.
Sommige Vuurlanders bewezen duidelijk, dat zij een goed begrip van
ruiling hadden. Ik gaf een man een grooten spijker (deze gold voor
een kostbaar geschenk), zonder daarbij een teeken te geven, dat ik
er iets voor terug wilde hebben; doch onmiddellijk pikte hij twee
visschen op en overhandigde mij die op de punt van zijn speer. Was
een of ander geschenk voor eene bepaalde kano bestemd, en viel het
bij eene andere in het water, dan werd het steeds aan den rechten
eigenaar gegeven. De Vuurlandsche jongen, dien Mr. Low aan boord
had, bewees door zijn heftige uitbarsting van drift, dat hij het hem
gedane verwijt van een leugenaar te zijn (gelijk hij ook inderdaad
was), volkomen begreep. Wij waren ditmaal, evenals bij alle vroegere
gelegenheden, zeer verwonderd over de weinige, of liever het volslagen
gebrek aan aandacht, die voor vele dingen getoond werd, waarvan de
inboorlingen het nut toch moeten hebben ingezien. Eenvoudige zaken,
zooals helder vuurrood doek of blauwe knoopen, de afwezigheid van
vrouwen op ons schip, onze zorg om ons te wasschen, wekten veel meer
hunne bewondering dan een groot of samengesteld voorwerp, zooals een
schip. Bougainville heeft omtrent deze lieden terecht opgemerkt, dat:
"ils traitent les chefs-d'oeuvre de l'industrie humaine, comme ils
traitent les loix de la nature et ses phénomènes."
Op den 5den Maart ankerden wij in de kreek bij Woollya, doch zagen hier
geen levende ziel. Dit maakte ons ongerust, want de inboorlingen in
de Straat van Ponsonby toonden door gebaren dat zij gevochten hadden;
en later hoorden wij, dat de geduchte mannen van Oens de bergen waren
afgedaald. Weldra zagen wij eene kano met eene kleine wapperende
vlag naderen; en een der inzittenden wiesch zich de verf van het
gelaat. Deze was de arme Jemmy--thans een magere, woest uitziende
wilde, met lange, verwarde haren, en geheel naakt, behalve een lap van
een wollen deken om het midden. Wij herkenden hem niet, voordat hij
dicht bij ons was, want hij schaamde zich over zichzelf, en keerde zijn
rug naar het schip. Welgedaan, dik, zindelijk en goed gekleed hadden
wij hem achtergelaten: nooit zag ik zulk een pijnlijke en algeheele
verandering. Zoodra hij echter gekleed en de eerste verwarring voorbij
was, kreeg alles een beter aanzien. Des middags at hij met kapitein
Fitz-Roy, en gebruikte zijn maal even netjes als vroeger. Hij zeide
ons, dat hij "te veel" (daarmede bedoelde hij "genoeg") te eten had;
dat hij geen koude leed; dat zijne bloedverwanten zeer goede menschen
waren, en dat hij niet naar Engeland wilde terugkeeren. Des avonds
ontdekten wij de oorzaak van dien grooten omkeer in Jemmy's gevoelens,
door de komst van zijn jong en aardig uitziend vrouwtje. Met zijne
gewone goedhartigheid bracht hij voor twee zijner beste vrienden
twee fraaie ottervellen mee, en voor den kapitein eenige eigenhandig
gemaakte speerpunten en pijlen. Hij zeide, dat hij eene kano voor
eigen gebruik gemaakt had, en pochte er op, dat hij wat van zijne
eigene taal kon spreken! Maar hoogst zonderling is het feit, dat
hij zijn geheelen stam wat Engelsch schijnt geleerd te hebben,
waaronder ook een ouden man, die de komst der jonge vrouw op eigen
houtje met: "Jemmy Button's wife" aankondigde. Jemmy had al wat hij
bezat verloren. Hij vertelde ons, dat York Minster eene groote kano
had gebouwd, en verscheidene maanden geleden met zijne vrouw Fuegia
naar zijn eigen land was gegaan, en dat zijn afscheid nemen door eene
uiterst laaghartige daad gevolgd was. [196] Hij had Jemmy en zijne
moeder overgehaald om hem te vergezellen; had hen onderweg des nachts
verlaten, en elk voorwerp, dat hij bezat, ontstolen.
Jemmy sliep aan het strand, keerde des morgens terug, en bleef aan
boord totdat het schip de ankers lichtte. Dit maakte zijne vrouw zoo
beangst, dat zij overluid bleef schreeuwen, tot hij in zijne kano
kwam. Hij keerde met verscheidene voorwerpen beladen, terug. Allen
aan boord deed het van harte leed hem voor het laatst de hand te
moeten drukken. Ik twijfel niet of hij zal nu even gelukkig zijn
als, ja wellicht gelukkiger dan wanneer hij nooit zijn land had
verlaten. Ieder zal zeker oprecht hopen, dat de edele wensch van
kapitein Fitz-Roy vervuld moge worden, en dat, als loon voor de vele
edelmoedige offers die hij zich voor deze Vuurlanders getroostte,
een in de wilde wateren dezer ruwe gewesten verongelukt zeeman
bescherming zal vinden bij het nageslacht van Jemmy Button en zijn
stam!... Toen Jemmy den oever bereikte, ontstak hij een seinvuur; en
de rook daarvan kronkelde opwaarts om een laatst en lang vaarwel toe te
wuiven, toen het schip zijn aangewezen koers door het ruime sop begon.
De volkomen gelijkheid onder de individuën, waaruit de
Vuurlandsche stammen bestaan, moet hunne beschaving geruimen
tijd in den weg staan. Evenals wij dieren, wier instinct hen
tot een maatschappelijk leven en gehoorzaamheid aan een hoofd
drijft, het meest voor ontwikkeling vatbaar zien, zoo is het ook
met de rassen der menschheid. Hetzij wij het als oorzaak of als
gevolg beschouwen--de meer beschaafden hebben altijd de kunstigst
samengestelde regeeringen. De bewoners van Otaheite, bijv., die bij
de eerste ontdekking door erfkoningen geregeerd werden, waren tot
een veel hoogeren trap geklommen, dan eene andere tak van hetzelfde
volk--de Nieuw-Zeelanders, die, ondanks het voorrecht dat zij hunne
aandacht aan den landbouw moesten schenken, republikeinen waren in
den meest absoluten zin. Niet voordat in Vuurland een hoofd opstaat,
die voldoende macht bezit om eenig verkregen voordeel, zooals de
huisdieren, te beschermen, schijnt het haast niet mogelijk, dat de
staatkundige toestand van dat land kan worden verbeterd. Thans wordt
zelfs een stuk laken, dat men een hunner geeft, in reepjes gescheurd en
verdeeld; en geen enkel individu wordt rijker dan de overigen. Aan den
anderen kant laat zich moeilijk begrijpen, hoe een hoofd kan opstaan,
voordat er eene soort van eigendom is, waardoor hij zijne meerderheid
kan toonen en zijne macht uitbreiden.
Ik geloof, dat de mensch in dit uiterste gedeelte van Zuid-Amerika
op een lageren trap van ontwikkeling staat, dan in een ander deel
der wereld. De inboorlingen der beide rassen, die de eilanden in
de Stille Zuidzee bevolken, zijn betrekkelijk beschaafd. De Eskimo
in zijne ondergrondsche hut, geniet eenige levensgemakken, en legt
in zijne goed uitgeruste kano veel vaardigheid aan den dag. Enkele
stammen van Zuid-Afrika, die rondzwerven om wortels te zoeken,
en verscholen in de woeste en dorre vlakten leven, staan op een
vrij lagen trap van ellende. Het dichtst bij den Vuurlander, wat de
eenvoudigheid van het kunstleven betreft, staat de Australiër; maar
deze kan zich nog verheffen op zijn boemerang, [197] zijne speer en
werpstok; zijne manier om in de boomen te klimmen, de voetsporen van
dieren te volgen, en op zijn jagen. Al moge de Australiër echter in
vaardigheid en kennis de meerdere zijn, zoo volgt daaruit geenszins,
dat hij ook in geestesgaven boven de Vuurlanders staat; en werkelijk,
naar hetgeen ik van onze drie wilde metgezellen aan boord zag, en
naar wat ik van de Australiërs gelezen heb, zou ik denken dat juist
het omgekeerde het geval was. [198]
HOOFDSTUK XI.
DE STRAAT VAN MAGELHAEN.--HET KLIMAAT DER ZUIDELIJKE KUSTEN.
Op het einde van Mei 1834 voeren wij de oostelijke monding der Straat
van Magelhaen voor de tweede maal binnen. Het land aan weerszijden
van dit gedeelte der Straat bestaat uit bijna effen vlakten, evenals
die in Patagonië. Kaap Negro, even binnen de tweede Engte gelegen, kan
beschouwd worden als het punt waar het land de duidelijke kenmerken van
Vuurland begint aan te nemen. Aan de oostkust, zuidelijk van de Straat,
verbindt evenzoo een parkachtig landschap deze twee in bijna alle
kenmerken lijnrecht van elkaar verschillende landen. Het is werkelijk
verrassend binnen eene ruimte van 20 mijlen zulke veranderingen in
het landschap te vinden. Nemen wij een wat grooteren afstand, zooals
tusschen Port Famine en Kaap Gregory--dat is ongeveer 60 mijlen--dan is
het verschil nog verwonderlijker. Op de eerste plaats vinden wij ronde
bergen, verborgen achter ondoordringbare wouden, die doorweekt zijn
van de door telkens wederkeerende stormen aangebrachte regens. Bij
Kaap Gregory, daarentegen, welft zich een heldere en blauwe lucht
boven de droge, onvruchtbare vlakten. [199] Ofschoon de snelle,
onstuimige luchtstroomen binnen geen waarneembare grenzen beperkt
zijn, schijnen zij toch, evenals eene rivier in hare bedding, een
regelmatig bepaalden loop te volgen.
Bij ons vorig bezoek (in Januari) hadden wij bij Kaap Gregory eene
ontmoeting met de vermaarde en zoogenaamd reusachtige Patagoniërs, die
ons eene hartelijke ontvangst bereidden. Hunne lengte schijnt grooter
dan zij inderdaad is, ten gevolge van hunne groote guanaco-mantels,
hun lang golvend haar, en hun voorkomen in 't algemeen. Gemiddeld
is hunne lengte omstreeks zes voet; sommige mannen zijn grooter,
doch maar weinige kleiner. [200] Ook de vrouwen zijn lang; en over
het geheel zijn zij stellig het grootste menschenras, dat wij ooit
zagen. In hunne gelaatstrekken gelijken zij treffend op de noordelijker
wonende Indianen, die ik bij Rosas zag; alleen hebben zij een woester
en vervaarlijker voorkomen; hunne aangezichten waren dik met rood en
zwart beschilderd, en één man had witte kringen en vlekken, evenals
een Vuurlander. Kapitein Fitz-Roy bood aan om drie hunner aan boord
te nemen, en allen schenen gezind om tot dit drietal te behooren. Lang
duurde het eer wij de anderen uit de boot hadden; maar eindelijk kwamen
wij met onze drie reuzen aan boord, die met den kapitein aten en zich
als gentlemen gedroegen, daar zij zich van lepel, mes en vork wisten
te bedienen. Niets smaakte hun zoo goed als suiker. Deze stam komt
zoo dikwijls met robbenjagers en walvischvaarders in aanraking, dat
de meeste mannen wat Engelsch en Spaansch kunnen spreken. Zoodoende
zijn zij half beschaafd, en gedeeltelijk van hunne zeden vervreemd.
Den volgenden morgen ging eene kleine afdeeling aan land, om eenige
onzer artikelen tegen huiden en struisvederen te ruilen; vuurwapenen
werden geweigerd, maar tabak werd het meest gevraagd, veel meer dan
bijlen of gereedschappen. De geheele bevolking der toldo's, mannen,
vrouwen en kinderen stond op den oever geschaard. Het was een aardig
tooneel; en onwillekeurig kreeg men schik in deze zoogenaamde reuzen
om hunne welgemeende goedhartigheid en onbevangen aard. Zij vroegen
ons terug te komen. Het schijnt, dat zij gaarne met Europeanen omgaan;
want de "Oude Maria," eene vrouw van beteekenis in den stam, vroeg eens
aan Low om eenige zijner matrozen bij hen achter te laten. Zij brengen
het grootste gedeelte van het jaar hier door; maar in den zomer jagen
zij langs den voet der Cordilleras, en strekken soms hunne tochten
750 mijlen ver noordwaarts tot aan de Rio Negro uit. Van paarden zijn
zij wel voorzien, want volgens Low bezit elk man er zes of zeven,
terwijl alle vrouwen, en zelfs kinderen, hun eigen paard hebben. In
den tijd van Sarmiento [201] hadden deze Indianen bogen en pijlen,
welke nu sedert lang niet meer gebruikt worden; ook bezaten zij eenige
paarden. Dit is een zeer merkwaardig feit, omdat het de buitengewoon
snelle vermenigvuldiging van paarden in Zuid-Amerika bewijst. Het
paard werd in 1537 te Buenos Aires voor het eerst aan land gezet;
en daar de kolonie toen eenigen tijd verlaten was, liepen de paarden
in het wild. [202] Slechts 43 jaren later, in 1580, hooren wij van
hen in de Straat van Magelhaen! Low bericht mij, dat een naburige
stam van Indianen te voet thans in bereden Indianen verandert; de
stam bij Kaap Gregory geeft hun zijn afgereden paarden, en stuurt in
den winter eenige zijner bekwaamste mannen uit om versche te vangen.
[1 Juni.]
Wij ankerden in de fraaie baai, die Port Famine of Hongerhaven
heet. [203] Het was nu in het begin van den winter, en nooit zag ik
een droefgeestiger landschap dan hier: de mistige dampkring was met
een fijnen stofregen bezwangerd, waardoor de sombere wouden met hunne
bontgekleurde sneeuw zich slechts onduidelijk lieten onderscheiden. Wij
waren echter zoo gelukkig twee dagen mooi weêr te hebben; en op een
dezer bood de verwijderde, 6800 voet hooge berg Sarmiento een zeer
fraai schouwspel. Gedurende mijn verblijf in Vuurland was ik meermalen
verrast geweest over de schijnbaar geringe hoogte van werkelijk hooge
bergen. Ik vermoed, dat dit aan eene oorzaak is toe te schrijven,
waarop men niet dadelijk zou zinnen, namelijk: dat de berg van den top
tot aan den rand van het water meestal in zijn geheel zichtbaar is. Ik
herinner mij een berg gezien te hebben: eerst uit het Beagle-kanaal,
waar het geheele oppervlak van den top tot aan den voet te zien was,
en toen uit de Straat van Ponsonby over verschillende opvolgende
bergruggen. Daar in het laatste geval elke nieuwe rug nieuwe middelen
verschafte om over den afstand te oordeelen, was het verrassend op
te merken hoe de berg in hoogte steeg.
Voordat wij Port Famine bereikten, snelden twee mannen langs het
strand en praaiden het schip. Wij zonden eene boot op hen af, en het
bleek toen dat zij twee matrozen waren, die van een robbenvaartuig
waren weggeloopen en zich bij de Patagoniërs hadden gevoegd. Deze
Indianen hadden hen met hunne gewone belangelooze gastvrijheid
behandeld. Ongelukkig waren zij van hen afgedwaald en toen naar Port
Famine geloopen, in de hoop hier een schip te vinden. Ik durf zeggen,
dat deze zwervers echte deugnieten waren; maar nooit zag ik zulke
ellendige vagebonden als nu. Zij hadden eenige dagen van mosselschalen
en bessen geleefd, en hunne gescheurde kleederen waren door het te
dicht bij het vuur slapen verbrand. Dag en nacht hadden zij zonder
eenige beschutting blootgestaan aan aanhoudende stormen met regen,
sneeuw en ijzel; maar ondanks alles waren zij gezond.
Tijdens ons verblijf te Port Famine kwamen de Vuurlanders ons tweemaal
lastig vallen. Daar vele van onze mannen met instrumenten en kleederen
aan wal waren, achtten wij het noodig de inboorlingen door vrees te
verjagen. De eerste maal werden enkele groote kanonnen afgevuurd, toen
de inboorlingen ver af waren. Het was zeer belachelijk, toen wij door
een verrekijker de Indianen bij elk schot dat het water trof, steenen
zagen oprapen en met een trotsche uitdaging naar het schip werpen,
hoewel dit anderhalve mijl ver lag! Nu werd eene boot uitgezonden,
met bevel om op verren afstand enkele geweerschoten te lossen. De
Vuurlanders verscholen zich achter de boomen, en schoten na elk salvo
hunne pijlen af; maar geen van die pijlen bereikte de boot. Toen de
officier hen lachend daarom uitjouwde, werden de Vuurlanders razend van
drift, en zwaaiden in machtelooze woede hunne mantels. Dan, nauwelijks
zagen zij de kogels de boomen treffen en doorboren, of zij liepen weg,
en werden wij verder met rust en vrede gelaten. Op de eerste reis waren
de Vuurlanders hier zeer lastig, en werd, om hen bang te maken, des
nachts een vuurpijl boven hunne wigwams afgeschoten, die volkomen doel
trof. Een der officieren vertelde mij, dat het getier hetwelk zij eerst
maakten, en het geblaf der honden eene koddige tegenstelling vormden
met de diepe stilte, die een of twee minuten later heerschte. Den
volgenden morgen was geen enkele Vuurlander meer in de nabijheid.
Toen de Beagle hier in de maand Februari was, ging ik op zekeren
morgen te 4 ure uit om Mount Tarn te bestijgen, die 2600 voet meet
en het hoogste punt is in dit naburige district. Wij gingen in een
boot naar den voet van den berg (maar ongelukkig niet naar het beste
gedeelte), en vingen toen onze beklimming aan. Het woud begint bij de
hoogwater-lijn, en in de eerste twee uren gaf ik alle hoop den top
te zullen bereiken op. Zoo dicht was de wildernis, dat wij telkens
onze toevlucht moesten nemen tot het kompas; want ofschoon wij ons in
een bergachtig land bevonden, was elk baken geheel uitgesloten. De
diepe ravijnen boden een tooneel van doodsche verlatenheid, welke
alle beschrijving te boven ging; daar buiten woedde een storm, maar
in deze diepten bewoog geen zuchtje zelfs de bladeren van de hoogste
boomen. Zoo donker, koud en nat was elke plek, dat er zelfs geen
mossen, varens of paddenstoelen konden groeien. In de dalen was het
bijna onmogelijk voort te kruipen, daar zij volkomen versperd waren
met groote vergane stammen, die in alle richtingen op den grond
lagen. Als men over deze natuurlijke bruggen heen liep, zonken de
beenen dikwijls tot de knieën in het verrotte hout; andere keeren,
als men tegen een vasten boom trachtte te leunen, ontdekte men tot
zijn schrik, dat deze geheel uit vergane stof bestond, die bij de
minste aanraking in elkander viel. Eindelijk bevonden wij ons onder
de laagstammige boomen, en bereikten nu weldra den naakten bergrug,
die ons naar den top voerde. Hier ontrolde zich een panorama, dat de
kenmerken van Vuurland vertoonde: onregelmatige bergketenen, bezaaid
met vlekken sneeuw; diepe geelgroene dalen, en zeearmen die het land in
talrijke richtingen doorsneden. Er woei een krachtige, snerpend koude
wind; en daar bovendien de lucht wat dampig was, bleven wij niet lang
op den top van den berg. Onze nederdaling was lang zoo moeilijk niet
als de beklimming, omdat het gewicht van het lichaam een doortocht
baande, en elke val of uitslipping in de juiste richting geschiedde.
Reeds heb ik gesproken van het sombere en doodsche karakter dier altijd
groene wouden, waarin, met uitsluiting van alle andere, slechts drie
boomsoorten groeien. [204] Boven de woudstreek zijn vele dwergachtige
Alpenplanten, [205] welke alle uit den veenbodem ontspruiten en
dezen helpen vormen. Die planten zijn zeer merkwaardig om hare nauwe
verwantschap met de soorten, die op de zoo vele duizenden mijlen ver
gelegen bergen van Europa groeien. Het middengedeelte van Vuurland,
waar de leemschiefer-formatie optreedt, is voor den boomgroei het
gunstigst; aan de kuststreken laten de armere granietbodem en de
meerdere blootgesteldheid aan de hevige winden niet toe, dat de
boomen eene aanzienlijke hoogte bereiken. Nabij Port Famine heb ik
meer hooge boomen gezien dan elders; ik mat hier een Drymis Winteri
van vier voet zes inches in omtrek, en verscheidene beuken bereikten
er een van dertien voet. Kapitein King spreekt zelfs van een beuk,
die 17 voet boven de wortels eene middellijn had van zeven voet.
Er is een plantaardig product, dat om zijne beteekenis als
voedingsmiddel voor de Vuurlanders onze aandacht verdient. Het
is een bolvormige, lichtgele zwam of paddenstoel, die in grooten
getale op de beukenboomen groeit. In zijn jeugd is deze paddenstoel
veerkrachtig en gezwollen, en heeft hij eene gladde oppervlakte; maar
rijp geworden, krimpt hij in, wordt taaier, en vertoont aan zijne
geheele oppervlakte diepe groeven of honigraten. Deze paddenstoel
behoort tot een nieuw en zeldzaam geslacht; eene tweede soort vond ik
op eene andere soort beukeboomen in Chili; en nu bericht Dr. Hooker
mij, dat onlangs op eene derde soort beukeboomen in Van-Diemensland
eene derde soort ontdekt is geworden. [206] Hoe zonderling is deze
verwantschap tusschen parasiteerende paddenstoelen en de boomen
waarop zij groeien, in afgelegen deelen der wereld! In Vuurland wordt
deze paddenstoel in taaien en rijpen staat in groote hoeveelheden
door de vrouwen en kinderen verzameld, en ongekookt gegeten. Hij
beeft een slijmerigen, flauw zoeten smaak, met een zwakken reuk
van kampernoelje. Met uitzondering van enkele bessen--voornamelijk
van den dwergachtigen Arbutus--eten de inboorlingen buiten dezen
paddenstoel geen plantaardig voedsel. In Nieuw-Zeeland werden,
vóor het invoeren van den aardappel, de wortels van het varenkruid
in groote hoeveelheden gebruikt. Tegenwoordig is Vuurland, naar ik
geloof, het eenige land ter wereld, waar eene kryptogamische plant
een hoofdvoedingsmiddel uitmaakt.
Zooals wij uit den aard van zijn klimaat en plantenrijk mochten
verwachten, is de dierenwereld van Vuurland zeer arm. Van Zoogdieren
zijn er, behalve walvisschen en robben, eene vleermuis, eene soort
muis (Reithrodon chinchilloides); twee echte muizen; een aan den
tucutuco verwante of daarmede gelijkstaande Ctenomys; twee vossen
(Canis Magellanicus en Canis Azarae); een zeeotter; het guanaco en
een hert. De meeste dezer dieren bewonen alleen de droge oostelijke
gedeelten van het land, en het hert is nooit ten zuiden der
Straat van Magelhaen gezien. Let men op de algemeene overeenkomst
in de oeverrotsen van zachten zandsteen, modder en keisteenen aan
weerszijden der Straat en op eenige tusschenliggende eilanden, dan is
men sterk geneigd te gelooven, dat het land eens met elkaar verbonden
was, waardoor zulke kleine en hulpelooze dieren als de tucutuco en
reithrodon den overtocht konden doen. De overeenkomst in de klippen
bewijst echter zoodanige verbinding op verre na niet, omdat zulke
klippen meestal gevormd worden door de snijding van hellende lagen,
die vóór de landrijzing bij de toen bestaande stranden opgehoopt
waren. Het treft intusschen merkwaardig, dat van de twee groote
eilanden, die het Beagle-kanaal van het overige deel van Vuurland
afsnijdt, het eene klippen heeft, bestaande uit eene stof die men
gelaagd alluvium zou kunnen noemen, en overeenkomende met die aan de
overzijde van het kanaal, terwijl het andere eiland uitsluitend door
oud kristallijn gesteente begrensd wordt. Op het eerste eiland, Navarin
geheeten, komen vossen en guanaco's voor, maar op het andere eiland,
Hoste, worden, naar wat Jemmy mij gezegd heeft, geen dezer dieren
gevonden, ofschoon het in elk opzicht met het eerste overeenkomt,
en slechts door een kanaal van iets meer dan een halve mijl breedte
er van gescheiden is.