Op den laatsten dag in Februari van het volgende jaar (1834) ankerde de

Beagle in eene schilderachtige kleine kreek aan den oostelijken ingang

van het Beagle-kanaal. Hier besloot kapitein Fitz-Roy de stoute en,

zooals bleek welgeslaagde poging te doen om tegen de westenwinden in

denzelfden koers te nemen, dien wij vroeger in booten naar de kolonie

bij Woollya hadden gevolgd. Wij zagen niet veel inboorlingen, totdat

wij bij de Straat van Ponsonby waren, waar wij door tien of twaalf

kano's vergezeld werden. De inboorlingen begrepen volstrekt de reden

niet van ons laveeren; en in plaats van ons bij elken boegslag te

gemoet te gaan, poogden zij vruchteloos ons in onzen zigzag-koers

te volgen. Het vermaakte mij toen ik het verschil in belangstelling

opmerkte, waarmede men deze wilden ziet, en dat een gevolg is van

de omstandigheid, dat men hun volstrekt meerdere is in kracht. Toen

ik in de booten was, haatte ik het geluid hunner stemmen, om de

onrust die dit bij ons verwekte. Het eerste en laatste woord was:

Yammerschooner. Bij het binnenvaren van eene kleine stille kreek,

keken wij rond, in de hoop een rustigen nacht door te brengen; maar

dan klonk het hatelijke woord Yammerschooner schril uit een donkeren

hoek der wildernis, en kronkelden de rookwolkjes omhoog, als seinen

om het nieuws wijd en zijd te verspreiden. Bij het verlaten van

eene plaats, zeiden wij tot elkander: "Goddank, dat wij eindelijk

geheel van die ellendelingen afkomen!" en zie: andermaal trof de

zwakke echo van eene daverende stem heel uit de verte onze ooren,

en konden wij duidelijk onderscheiden: Yammerschooner! Maar nu: hoe

meer Vuurlanders, des te grappiger; en inderdaad, het ging zeer jolig

toe. Beide partijen lachten, en gaapten elkander verwonderd aan; wij

beklaagden hen, dat zij ons goede visschen en kreeften gaven in ruil

voor lappen en dergelijke; zij juichten om het buitenkansje lieden

te vinden, dwaas genoeg om zulke prachtige versieringen tegen een

hapje eten te ruilen. Hoogst vermakelijk was het den ongekunstelden,

vergenoegden glimlach te zien, waarmede eene jonge vrouw met zwart

geschilderd gelaat, verscheidene stukken vuurrood doek met biezen om

haar hoofd bond. Haar man, die het in dit land zeer algemeene voorrecht

genoot van twee vrouwen te bezitten, was blijkbaar jaloersch op al de

attentie die zijne jonge vrouw bewezen werd; en na een lang beraad met

zijne naakte schoonheden, werd hij eindelijk door dezen weggepagaaid.

Sommige Vuurlanders bewezen duidelijk, dat zij een goed begrip van

ruiling hadden. Ik gaf een man een grooten spijker (deze gold voor

een kostbaar geschenk), zonder daarbij een teeken te geven, dat ik

er iets voor terug wilde hebben; doch onmiddellijk pikte hij twee

visschen op en overhandigde mij die op de punt van zijn speer. Was

een of ander geschenk voor eene bepaalde kano bestemd, en viel het

bij eene andere in het water, dan werd het steeds aan den rechten

eigenaar gegeven. De Vuurlandsche jongen, dien Mr. Low aan boord

had, bewees door zijn heftige uitbarsting van drift, dat hij het hem

gedane verwijt van een leugenaar te zijn (gelijk hij ook inderdaad

was), volkomen begreep. Wij waren ditmaal, evenals bij alle vroegere

gelegenheden, zeer verwonderd over de weinige, of liever het volslagen

gebrek aan aandacht, die voor vele dingen getoond werd, waarvan de

inboorlingen het nut toch moeten hebben ingezien. Eenvoudige zaken,

zooals helder vuurrood doek of blauwe knoopen, de afwezigheid van

vrouwen op ons schip, onze zorg om ons te wasschen, wekten veel meer

hunne bewondering dan een groot of samengesteld voorwerp, zooals een

schip. Bougainville heeft omtrent deze lieden terecht opgemerkt, dat:

"ils traitent les chefs-d'oeuvre de l'industrie humaine, comme ils

traitent les loix de la nature et ses phénomènes."

Op den 5den Maart ankerden wij in de kreek bij Woollya, doch zagen hier

geen levende ziel. Dit maakte ons ongerust, want de inboorlingen in

de Straat van Ponsonby toonden door gebaren dat zij gevochten hadden;

en later hoorden wij, dat de geduchte mannen van Oens de bergen waren

afgedaald. Weldra zagen wij eene kano met eene kleine wapperende

vlag naderen; en een der inzittenden wiesch zich de verf van het

gelaat. Deze was de arme Jemmy--thans een magere, woest uitziende

wilde, met lange, verwarde haren, en geheel naakt, behalve een lap van

een wollen deken om het midden. Wij herkenden hem niet, voordat hij

dicht bij ons was, want hij schaamde zich over zichzelf, en keerde zijn

rug naar het schip. Welgedaan, dik, zindelijk en goed gekleed hadden

wij hem achtergelaten: nooit zag ik zulk een pijnlijke en algeheele

verandering. Zoodra hij echter gekleed en de eerste verwarring voorbij

was, kreeg alles een beter aanzien. Des middags at hij met kapitein

Fitz-Roy, en gebruikte zijn maal even netjes als vroeger. Hij zeide

ons, dat hij "te veel" (daarmede bedoelde hij "genoeg") te eten had;

dat hij geen koude leed; dat zijne bloedverwanten zeer goede menschen

waren, en dat hij niet naar Engeland wilde terugkeeren. Des avonds

ontdekten wij de oorzaak van dien grooten omkeer in Jemmy's gevoelens,

door de komst van zijn jong en aardig uitziend vrouwtje. Met zijne

gewone goedhartigheid bracht hij voor twee zijner beste vrienden

twee fraaie ottervellen mee, en voor den kapitein eenige eigenhandig

gemaakte speerpunten en pijlen. Hij zeide, dat hij eene kano voor

eigen gebruik gemaakt had, en pochte er op, dat hij wat van zijne

eigene taal kon spreken! Maar hoogst zonderling is het feit, dat

hij zijn geheelen stam wat Engelsch schijnt geleerd te hebben,

waaronder ook een ouden man, die de komst der jonge vrouw op eigen

houtje met: "Jemmy Button's wife" aankondigde. Jemmy had al wat hij

bezat verloren. Hij vertelde ons, dat York Minster eene groote kano

had gebouwd, en verscheidene maanden geleden met zijne vrouw Fuegia

naar zijn eigen land was gegaan, en dat zijn afscheid nemen door eene

uiterst laaghartige daad gevolgd was. [196] Hij had Jemmy en zijne

moeder overgehaald om hem te vergezellen; had hen onderweg des nachts

verlaten, en elk voorwerp, dat hij bezat, ontstolen.

Jemmy sliep aan het strand, keerde des morgens terug, en bleef aan

boord totdat het schip de ankers lichtte. Dit maakte zijne vrouw zoo

beangst, dat zij overluid bleef schreeuwen, tot hij in zijne kano

kwam. Hij keerde met verscheidene voorwerpen beladen, terug. Allen

aan boord deed het van harte leed hem voor het laatst de hand te

moeten drukken. Ik twijfel niet of hij zal nu even gelukkig zijn

als, ja wellicht gelukkiger dan wanneer hij nooit zijn land had

verlaten. Ieder zal zeker oprecht hopen, dat de edele wensch van

kapitein Fitz-Roy vervuld moge worden, en dat, als loon voor de vele

edelmoedige offers die hij zich voor deze Vuurlanders getroostte,

een in de wilde wateren dezer ruwe gewesten verongelukt zeeman

bescherming zal vinden bij het nageslacht van Jemmy Button en zijn

stam!... Toen Jemmy den oever bereikte, ontstak hij een seinvuur; en

de rook daarvan kronkelde opwaarts om een laatst en lang vaarwel toe te

wuiven, toen het schip zijn aangewezen koers door het ruime sop begon.

De volkomen gelijkheid onder de individuën, waaruit de

Vuurlandsche stammen bestaan, moet hunne beschaving geruimen

tijd in den weg staan. Evenals wij dieren, wier instinct hen

tot een maatschappelijk leven en gehoorzaamheid aan een hoofd

drijft, het meest voor ontwikkeling vatbaar zien, zoo is het ook

met de rassen der menschheid. Hetzij wij het als oorzaak of als

gevolg beschouwen--de meer beschaafden hebben altijd de kunstigst

samengestelde regeeringen. De bewoners van Otaheite, bijv., die bij

de eerste ontdekking door erfkoningen geregeerd werden, waren tot

een veel hoogeren trap geklommen, dan eene andere tak van hetzelfde

volk--de Nieuw-Zeelanders, die, ondanks het voorrecht dat zij hunne

aandacht aan den landbouw moesten schenken, republikeinen waren in

den meest absoluten zin. Niet voordat in Vuurland een hoofd opstaat,

die voldoende macht bezit om eenig verkregen voordeel, zooals de

huisdieren, te beschermen, schijnt het haast niet mogelijk, dat de

staatkundige toestand van dat land kan worden verbeterd. Thans wordt

zelfs een stuk laken, dat men een hunner geeft, in reepjes gescheurd en

verdeeld; en geen enkel individu wordt rijker dan de overigen. Aan den

anderen kant laat zich moeilijk begrijpen, hoe een hoofd kan opstaan,

voordat er eene soort van eigendom is, waardoor hij zijne meerderheid

kan toonen en zijne macht uitbreiden.

Ik geloof, dat de mensch in dit uiterste gedeelte van Zuid-Amerika

op een lageren trap van ontwikkeling staat, dan in een ander deel

der wereld. De inboorlingen der beide rassen, die de eilanden in

de Stille Zuidzee bevolken, zijn betrekkelijk beschaafd. De Eskimo

in zijne ondergrondsche hut, geniet eenige levensgemakken, en legt

in zijne goed uitgeruste kano veel vaardigheid aan den dag. Enkele

stammen van Zuid-Afrika, die rondzwerven om wortels te zoeken,

en verscholen in de woeste en dorre vlakten leven, staan op een

vrij lagen trap van ellende. Het dichtst bij den Vuurlander, wat de

eenvoudigheid van het kunstleven betreft, staat de Australiër; maar

deze kan zich nog verheffen op zijn boemerang, [197] zijne speer en

werpstok; zijne manier om in de boomen te klimmen, de voetsporen van

dieren te volgen, en op zijn jagen. Al moge de Australiër echter in

vaardigheid en kennis de meerdere zijn, zoo volgt daaruit geenszins,

dat hij ook in geestesgaven boven de Vuurlanders staat; en werkelijk,

naar hetgeen ik van onze drie wilde metgezellen aan boord zag, en

naar wat ik van de Australiërs gelezen heb, zou ik denken dat juist

het omgekeerde het geval was. [198]

HOOFDSTUK XI.

DE STRAAT VAN MAGELHAEN.--HET KLIMAAT DER ZUIDELIJKE KUSTEN.

Op het einde van Mei 1834 voeren wij de oostelijke monding der Straat

van Magelhaen voor de tweede maal binnen. Het land aan weerszijden

van dit gedeelte der Straat bestaat uit bijna effen vlakten, evenals

die in Patagonië. Kaap Negro, even binnen de tweede Engte gelegen, kan

beschouwd worden als het punt waar het land de duidelijke kenmerken van

Vuurland begint aan te nemen. Aan de oostkust, zuidelijk van de Straat,

verbindt evenzoo een parkachtig landschap deze twee in bijna alle

kenmerken lijnrecht van elkaar verschillende landen. Het is werkelijk

verrassend binnen eene ruimte van 20 mijlen zulke veranderingen in

het landschap te vinden. Nemen wij een wat grooteren afstand, zooals

tusschen Port Famine en Kaap Gregory--dat is ongeveer 60 mijlen--dan is

het verschil nog verwonderlijker. Op de eerste plaats vinden wij ronde

bergen, verborgen achter ondoordringbare wouden, die doorweekt zijn

van de door telkens wederkeerende stormen aangebrachte regens. Bij

Kaap Gregory, daarentegen, welft zich een heldere en blauwe lucht

boven de droge, onvruchtbare vlakten. [199] Ofschoon de snelle,

onstuimige luchtstroomen binnen geen waarneembare grenzen beperkt

zijn, schijnen zij toch, evenals eene rivier in hare bedding, een

regelmatig bepaalden loop te volgen.

Bij ons vorig bezoek (in Januari) hadden wij bij Kaap Gregory eene

ontmoeting met de vermaarde en zoogenaamd reusachtige Patagoniërs, die

ons eene hartelijke ontvangst bereidden. Hunne lengte schijnt grooter

dan zij inderdaad is, ten gevolge van hunne groote guanaco-mantels,

hun lang golvend haar, en hun voorkomen in 't algemeen. Gemiddeld

is hunne lengte omstreeks zes voet; sommige mannen zijn grooter,

doch maar weinige kleiner. [200] Ook de vrouwen zijn lang; en over

het geheel zijn zij stellig het grootste menschenras, dat wij ooit

zagen. In hunne gelaatstrekken gelijken zij treffend op de noordelijker

wonende Indianen, die ik bij Rosas zag; alleen hebben zij een woester

en vervaarlijker voorkomen; hunne aangezichten waren dik met rood en

zwart beschilderd, en één man had witte kringen en vlekken, evenals

een Vuurlander. Kapitein Fitz-Roy bood aan om drie hunner aan boord

te nemen, en allen schenen gezind om tot dit drietal te behooren. Lang

duurde het eer wij de anderen uit de boot hadden; maar eindelijk kwamen

wij met onze drie reuzen aan boord, die met den kapitein aten en zich

als gentlemen gedroegen, daar zij zich van lepel, mes en vork wisten

te bedienen. Niets smaakte hun zoo goed als suiker. Deze stam komt

zoo dikwijls met robbenjagers en walvischvaarders in aanraking, dat

de meeste mannen wat Engelsch en Spaansch kunnen spreken. Zoodoende

zijn zij half beschaafd, en gedeeltelijk van hunne zeden vervreemd.

Den volgenden morgen ging eene kleine afdeeling aan land, om eenige

onzer artikelen tegen huiden en struisvederen te ruilen; vuurwapenen

werden geweigerd, maar tabak werd het meest gevraagd, veel meer dan

bijlen of gereedschappen. De geheele bevolking der toldo's, mannen,

vrouwen en kinderen stond op den oever geschaard. Het was een aardig

tooneel; en onwillekeurig kreeg men schik in deze zoogenaamde reuzen

om hunne welgemeende goedhartigheid en onbevangen aard. Zij vroegen

ons terug te komen. Het schijnt, dat zij gaarne met Europeanen omgaan;

want de "Oude Maria," eene vrouw van beteekenis in den stam, vroeg eens

aan Low om eenige zijner matrozen bij hen achter te laten. Zij brengen

het grootste gedeelte van het jaar hier door; maar in den zomer jagen

zij langs den voet der Cordilleras, en strekken soms hunne tochten

750 mijlen ver noordwaarts tot aan de Rio Negro uit. Van paarden zijn

zij wel voorzien, want volgens Low bezit elk man er zes of zeven,

terwijl alle vrouwen, en zelfs kinderen, hun eigen paard hebben. In

den tijd van Sarmiento [201] hadden deze Indianen bogen en pijlen,

welke nu sedert lang niet meer gebruikt worden; ook bezaten zij eenige

paarden. Dit is een zeer merkwaardig feit, omdat het de buitengewoon

snelle vermenigvuldiging van paarden in Zuid-Amerika bewijst. Het

paard werd in 1537 te Buenos Aires voor het eerst aan land gezet;

en daar de kolonie toen eenigen tijd verlaten was, liepen de paarden

in het wild. [202] Slechts 43 jaren later, in 1580, hooren wij van

hen in de Straat van Magelhaen! Low bericht mij, dat een naburige

stam van Indianen te voet thans in bereden Indianen verandert; de

stam bij Kaap Gregory geeft hun zijn afgereden paarden, en stuurt in

den winter eenige zijner bekwaamste mannen uit om versche te vangen.

[1 Juni.]

Wij ankerden in de fraaie baai, die Port Famine of Hongerhaven

heet. [203] Het was nu in het begin van den winter, en nooit zag ik

een droefgeestiger landschap dan hier: de mistige dampkring was met

een fijnen stofregen bezwangerd, waardoor de sombere wouden met hunne

bontgekleurde sneeuw zich slechts onduidelijk lieten onderscheiden. Wij

waren echter zoo gelukkig twee dagen mooi weêr te hebben; en op een

dezer bood de verwijderde, 6800 voet hooge berg Sarmiento een zeer

fraai schouwspel. Gedurende mijn verblijf in Vuurland was ik meermalen

verrast geweest over de schijnbaar geringe hoogte van werkelijk hooge

bergen. Ik vermoed, dat dit aan eene oorzaak is toe te schrijven,

waarop men niet dadelijk zou zinnen, namelijk: dat de berg van den top

tot aan den rand van het water meestal in zijn geheel zichtbaar is. Ik

herinner mij een berg gezien te hebben: eerst uit het Beagle-kanaal,

waar het geheele oppervlak van den top tot aan den voet te zien was,

en toen uit de Straat van Ponsonby over verschillende opvolgende

bergruggen. Daar in het laatste geval elke nieuwe rug nieuwe middelen

verschafte om over den afstand te oordeelen, was het verrassend op

te merken hoe de berg in hoogte steeg.

Voordat wij Port Famine bereikten, snelden twee mannen langs het

strand en praaiden het schip. Wij zonden eene boot op hen af, en het

bleek toen dat zij twee matrozen waren, die van een robbenvaartuig

waren weggeloopen en zich bij de Patagoniërs hadden gevoegd. Deze

Indianen hadden hen met hunne gewone belangelooze gastvrijheid

behandeld. Ongelukkig waren zij van hen afgedwaald en toen naar Port

Famine geloopen, in de hoop hier een schip te vinden. Ik durf zeggen,

dat deze zwervers echte deugnieten waren; maar nooit zag ik zulke

ellendige vagebonden als nu. Zij hadden eenige dagen van mosselschalen

en bessen geleefd, en hunne gescheurde kleederen waren door het te

dicht bij het vuur slapen verbrand. Dag en nacht hadden zij zonder

eenige beschutting blootgestaan aan aanhoudende stormen met regen,

sneeuw en ijzel; maar ondanks alles waren zij gezond.

Tijdens ons verblijf te Port Famine kwamen de Vuurlanders ons tweemaal

lastig vallen. Daar vele van onze mannen met instrumenten en kleederen

aan wal waren, achtten wij het noodig de inboorlingen door vrees te

verjagen. De eerste maal werden enkele groote kanonnen afgevuurd, toen

de inboorlingen ver af waren. Het was zeer belachelijk, toen wij door

een verrekijker de Indianen bij elk schot dat het water trof, steenen

zagen oprapen en met een trotsche uitdaging naar het schip werpen,

hoewel dit anderhalve mijl ver lag! Nu werd eene boot uitgezonden,

met bevel om op verren afstand enkele geweerschoten te lossen. De

Vuurlanders verscholen zich achter de boomen, en schoten na elk salvo

hunne pijlen af; maar geen van die pijlen bereikte de boot. Toen de

officier hen lachend daarom uitjouwde, werden de Vuurlanders razend van

drift, en zwaaiden in machtelooze woede hunne mantels. Dan, nauwelijks

zagen zij de kogels de boomen treffen en doorboren, of zij liepen weg,

en werden wij verder met rust en vrede gelaten. Op de eerste reis waren

de Vuurlanders hier zeer lastig, en werd, om hen bang te maken, des

nachts een vuurpijl boven hunne wigwams afgeschoten, die volkomen doel

trof. Een der officieren vertelde mij, dat het getier hetwelk zij eerst

maakten, en het geblaf der honden eene koddige tegenstelling vormden

met de diepe stilte, die een of twee minuten later heerschte. Den

volgenden morgen was geen enkele Vuurlander meer in de nabijheid.

Toen de Beagle hier in de maand Februari was, ging ik op zekeren

morgen te 4 ure uit om Mount Tarn te bestijgen, die 2600 voet meet

en het hoogste punt is in dit naburige district. Wij gingen in een

boot naar den voet van den berg (maar ongelukkig niet naar het beste

gedeelte), en vingen toen onze beklimming aan. Het woud begint bij de

hoogwater-lijn, en in de eerste twee uren gaf ik alle hoop den top

te zullen bereiken op. Zoo dicht was de wildernis, dat wij telkens

onze toevlucht moesten nemen tot het kompas; want ofschoon wij ons in

een bergachtig land bevonden, was elk baken geheel uitgesloten. De

diepe ravijnen boden een tooneel van doodsche verlatenheid, welke

alle beschrijving te boven ging; daar buiten woedde een storm, maar

in deze diepten bewoog geen zuchtje zelfs de bladeren van de hoogste

boomen. Zoo donker, koud en nat was elke plek, dat er zelfs geen

mossen, varens of paddenstoelen konden groeien. In de dalen was het

bijna onmogelijk voort te kruipen, daar zij volkomen versperd waren

met groote vergane stammen, die in alle richtingen op den grond

lagen. Als men over deze natuurlijke bruggen heen liep, zonken de

beenen dikwijls tot de knieën in het verrotte hout; andere keeren,

als men tegen een vasten boom trachtte te leunen, ontdekte men tot

zijn schrik, dat deze geheel uit vergane stof bestond, die bij de

minste aanraking in elkander viel. Eindelijk bevonden wij ons onder

de laagstammige boomen, en bereikten nu weldra den naakten bergrug,

die ons naar den top voerde. Hier ontrolde zich een panorama, dat de

kenmerken van Vuurland vertoonde: onregelmatige bergketenen, bezaaid

met vlekken sneeuw; diepe geelgroene dalen, en zeearmen die het land in

talrijke richtingen doorsneden. Er woei een krachtige, snerpend koude

wind; en daar bovendien de lucht wat dampig was, bleven wij niet lang

op den top van den berg. Onze nederdaling was lang zoo moeilijk niet

als de beklimming, omdat het gewicht van het lichaam een doortocht

baande, en elke val of uitslipping in de juiste richting geschiedde.

Reeds heb ik gesproken van het sombere en doodsche karakter dier altijd

groene wouden, waarin, met uitsluiting van alle andere, slechts drie

boomsoorten groeien. [204] Boven de woudstreek zijn vele dwergachtige

Alpenplanten, [205] welke alle uit den veenbodem ontspruiten en

dezen helpen vormen. Die planten zijn zeer merkwaardig om hare nauwe

verwantschap met de soorten, die op de zoo vele duizenden mijlen ver

gelegen bergen van Europa groeien. Het middengedeelte van Vuurland,

waar de leemschiefer-formatie optreedt, is voor den boomgroei het

gunstigst; aan de kuststreken laten de armere granietbodem en de

meerdere blootgesteldheid aan de hevige winden niet toe, dat de

boomen eene aanzienlijke hoogte bereiken. Nabij Port Famine heb ik

meer hooge boomen gezien dan elders; ik mat hier een Drymis Winteri

van vier voet zes inches in omtrek, en verscheidene beuken bereikten

er een van dertien voet. Kapitein King spreekt zelfs van een beuk,

die 17 voet boven de wortels eene middellijn had van zeven voet.

Er is een plantaardig product, dat om zijne beteekenis als

voedingsmiddel voor de Vuurlanders onze aandacht verdient. Het

is een bolvormige, lichtgele zwam of paddenstoel, die in grooten

getale op de beukenboomen groeit. In zijn jeugd is deze paddenstoel

veerkrachtig en gezwollen, en heeft hij eene gladde oppervlakte; maar

rijp geworden, krimpt hij in, wordt taaier, en vertoont aan zijne

geheele oppervlakte diepe groeven of honigraten. Deze paddenstoel

behoort tot een nieuw en zeldzaam geslacht; eene tweede soort vond ik

op eene andere soort beukeboomen in Chili; en nu bericht Dr. Hooker

mij, dat onlangs op eene derde soort beukeboomen in Van-Diemensland

eene derde soort ontdekt is geworden. [206] Hoe zonderling is deze

verwantschap tusschen parasiteerende paddenstoelen en de boomen

waarop zij groeien, in afgelegen deelen der wereld! In Vuurland wordt

deze paddenstoel in taaien en rijpen staat in groote hoeveelheden

door de vrouwen en kinderen verzameld, en ongekookt gegeten. Hij

beeft een slijmerigen, flauw zoeten smaak, met een zwakken reuk

van kampernoelje. Met uitzondering van enkele bessen--voornamelijk

van den dwergachtigen Arbutus--eten de inboorlingen buiten dezen

paddenstoel geen plantaardig voedsel. In Nieuw-Zeeland werden,

vóor het invoeren van den aardappel, de wortels van het varenkruid

in groote hoeveelheden gebruikt. Tegenwoordig is Vuurland, naar ik

geloof, het eenige land ter wereld, waar eene kryptogamische plant

een hoofdvoedingsmiddel uitmaakt.

Zooals wij uit den aard van zijn klimaat en plantenrijk mochten

verwachten, is de dierenwereld van Vuurland zeer arm. Van Zoogdieren

zijn er, behalve walvisschen en robben, eene vleermuis, eene soort

muis (Reithrodon chinchilloides); twee echte muizen; een aan den

tucutuco verwante of daarmede gelijkstaande Ctenomys; twee vossen

(Canis Magellanicus en Canis Azarae); een zeeotter; het guanaco en

een hert. De meeste dezer dieren bewonen alleen de droge oostelijke

gedeelten van het land, en het hert is nooit ten zuiden der

Straat van Magelhaen gezien. Let men op de algemeene overeenkomst

in de oeverrotsen van zachten zandsteen, modder en keisteenen aan

weerszijden der Straat en op eenige tusschenliggende eilanden, dan is

men sterk geneigd te gelooven, dat het land eens met elkaar verbonden

was, waardoor zulke kleine en hulpelooze dieren als de tucutuco en

reithrodon den overtocht konden doen. De overeenkomst in de klippen

bewijst echter zoodanige verbinding op verre na niet, omdat zulke

klippen meestal gevormd worden door de snijding van hellende lagen,

die vóór de landrijzing bij de toen bestaande stranden opgehoopt

waren. Het treft intusschen merkwaardig, dat van de twee groote

eilanden, die het Beagle-kanaal van het overige deel van Vuurland

afsnijdt, het eene klippen heeft, bestaande uit eene stof die men

gelaagd alluvium zou kunnen noemen, en overeenkomende met die aan de

overzijde van het kanaal, terwijl het andere eiland uitsluitend door

oud kristallijn gesteente begrensd wordt. Op het eerste eiland, Navarin

geheeten, komen vossen en guanaco's voor, maar op het andere eiland,

Hoste, worden, naar wat Jemmy mij gezegd heeft, geen dezer dieren

gevonden, ofschoon het in elk opzicht met het eerste overeenkomt,

en slechts door een kanaal van iets meer dan een halve mijl breedte

er van gescheiden is.

De Reis om de Wereld · 第 23 / 56 段