De Beagle ankerde in Goeree-Roads. Daar onze kapitein besloten had

de beide Vuurlanders, overeenkomstig hunnen wensch, in de Straat

van Ponsonby aan land te zetten, werden vier booten uitgerust om hen

door het Beagle-kanaal te brengen. Dit kanaal, hetwelk door kapitein

Fitz-Roy op de vorige reis ontdekt werd, is een hoogst merkwaardig

geographisch punt van dit land of eigenlijk van de geheele wereld. Men

kan het vergelijken bij de vallei van Loch Ness in Schotland, met hare

aaneenschakeling van meren en zeearmen. Het is ongeveer 120 mijlen

lang, bij eene gemiddelde breedte van omstreeks twee mijlen, welke

niet aan veel verandering onderhevig is, en is voor het grootste

gedeelte zoo volkomen recht, dat onze blik, die aan weerszijden

door eene reeks van bergen begrensd wordt, zich allengs in de wijde

verte verliest. Het doorsnijdt het zuidelijk deel van Vuurland in de

richting oost-west, en is in het midden aan de zuidzijde rechthoekig

verbonden met een kanaal van onregelmatigen vorm, dat "Ponsonby Sound"

genoemd is. Hier is de woonplaats van Jemmy Button's stam en familie.

[19 Januari.]

Drie walvischbooten en de sloep, met eene bemanning van 28 koppen,

verlieten onder bevel van kapitein Fitz-Roy het schip. In den namiddag

voeren wij de oostelijke monding van het kanaal binnen, en vonden

kort daarop eene aardige kleine kreek, die tusschen eenige eilandjes

verscholen lag. Hier sloegen wij onze tenten op en staken onze vuren

aan. Schilderachtiger tooneel dan dit laat zich niet denken. Het

klare water in de kleine haven; de boomen die hunne takken over den

rotsachtigen oever lieten hangen; de voor anker liggende booten; de

tenten die over de gekruiste riemen waren gespannen, en de dwarrelende

rookwolkjes boven het dicht begroeide dal--dit alles vormde een

tafereel van stille afzondering. Den volgenden dag (20 Januari) dreven

wij in onzen kleinen inham kalm verder, en kwamen in een meer bewoond

district. Weinige inboorlingen, misschien geen enkele, konden ooit

een blanke gezien hebben; en hunne verbazing over de verschijning

der vier booten laat zich dan ook niet beschrijven. Op elk punt

werden vuren ontstoken (hieraan is de naam "Vuurland" ontleend),

niet alleen om onze aandacht te trekken, maar ook om het nieuws wijd

en zijd te verspreiden. Enkele mannen liepen mijlen ver langs het

strand mee. Nooit zal ik den woesten en schilderachtigen aanblik

vergeten van een groep van vier of vijf mannen, die plotseling aan

den rand eener overhangende rots verschenen. Zij waren geheel naakt,

en hunne lange haren fladderden wild over hunne aangezichten; met

knoestige stokken in de hand sprongen zij van den grond op, zwaaiden

hunne armen boven het hoofd en lieten het afschuwelijkste gegil hooren.

Op etenstijd landden wij onder een troep Vuurlanders, die eerst

niet geneigd waren ons vriendelijk te ontvangen; want zij hielden

hunne slingers in de handen, zoolang tot onze kapitein met zijne

boot naar voren roeide. Het duurde echter niet lang of wij wisten

hen met beuzelachtige geschenken te vermaken, zooals met rood lint,

dat wij om hunne hoofden bonden. Ons beschuit smaakte hun; maar toen

een der wilden met zijn vinger het in tinnen bussen bewaarde vleesch

aanraakte, dat ik bezig was te eten, en voelde dat het zacht en koud

was, legde hij evenveel afkeer aan den dag, als ik zou gedaan hebben

met verrot spek. Jemmy schaamde zich diep over zijne landgenooten,

en verklaarde, dat zijn eigen stam geheel anders was; doch hierin

vergiste hij zich deerlijk. Het was even gemakkelijk deze wilden

te behagen als moeilijk om hun te voldoen. Jong en oud, kinderen

en volwassenen herhaalden steeds het woord: Yammerschooner, [192]

hetgeen zeggen wil: "Geef mij." Wijzend naar bijna elk voorwerp, het

een na het ander, zelfs naar de knoopen op onze jassen, uitten zij

hun geliefkoosd woord in alle mogelijke klanken; bezigden het dan in

onzijdigen zin, en herhaalden werktuigelijk: Yammerschooner. Hadden

zij hoogst verlangend om een of ander voorwerp geyammerschoonerd,

dan wezen zij met een eenvoudig gebaar naar hunne jonge vrouwen of

kleine kinderen, als wilden zij daarmee zeggen: "Indien gij het niet

aan mij wilt geven, dan geeft gij het toch zeker wel aan deze."

Des nachts poogden wij vruchteloos eene onbewoonde kreek te

vinden, en waren eindelijk gedwongen niet ver van een troep wilden

te bivouakeeren. Zoolang hun aantal gering was, waren zij zeer

onschadelijk; maar toen zich op den morgen van den 21sten anderen

bij hen voegden, gaven zij teekenen van vijandigheid, en dachten

wij dat het tot eene schermutseling zou komen. Een Europeaan heeft

veel in zijn nadeel, als hij te doen heeft met wilden zooals deze,

die niet het minste begrip hebben van de kracht van vuurwapenen. In

het aanleggen van zijn geweer schijnt hij in het oog van den wilde

ver beneden iemand, die gewapend is met boog en pijlen, een speer of

zelfs een slinger. Ook is het niet gemakkelijk hun onze meerderheid

te toonen, tenzij door een noodlottig salvo. Evenals wilde beesten,

schijnen zij niet op getalsterkte te letten; want elk individu zal,

zoo hij wordt aangevallen, in stede van te wijken, met een steen

u de hersenen trachten in te slaan, evenals een tijger onder zulke

omstandigheden u zeker zou verscheuren.

Toen kapitein Fitz-Roy eens om goede redenen een troepje van deze

lieden vrees wilde aanjagen, zwaaide hij een hartsvanger dicht voor

hunne oogen--waarom zij eenvoudig lachten; toen schoot hij vlak

bij een inboorling tweemaal zijn pistool af. Beide keeren keek de

man verwonderd op, en wreef zorgvuldig maar snel zijn hoofd; toen

stond hij een poos besluiteloos en babbelde tot zijne metgezellen,

doch scheen volstrekt niet aan wegloopen te denken. Wij kunnen ons

moeilijk in de plaats van deze wilden stellen en hunne handelingen

begrijpen. Wat dezen Vuurlander betrof, nooit kon hij gedacht hebben

aan de mogelijkheid van een geluid zooals het knallen van een geweer

vlak bij zijn oor. Misschien wist hij bij het tweede schot letterlijk

niet of het een geluid dan wel een slag was, en wreef hij daarom

zeer natuurlijk zijn oor. Zoo zal het ook, wanneer een wilde een

kogel doel ziet treffen, eenigen tijd kunnen duren, voordat hij

ten volle kan begrijpen hoe dit gekomen is; want het feit dat een

lichaam ten gevolge van zijne snelheid onzichtbaar is, zou misschien

volkomen onbegrijpelijk voor hem zijn. Bovendien zou de verbazende

kracht, waarmede een kogel eene harde stof doorboort zonder haar

te scheuren, den wilde kunnen overtuigen, dat hij in 't geheel geen

kracht bezit. Ik geloof zeker, dat vele wilden van den laagsten graad,

zooals die in Vuurland, voorwerpen met een kogel hebben zien treffen,

en zelfs kleine dieren zien dooden, zonder ook maar in het minst te

beseffen welk een doodelijk werktuig het geweer is.

[22 Januari.]

Nadat wij een ongestoorden nacht hadden doorgebracht op de plek,

die onzijdig gebied scheen tusschen Jemmy's stam en het volk dat

wij gisteren zagen, zeilden wij in aangename stemming verder. Ik

ken geen duidelijker bewijs voor de vijandige verhouding der

verschillende stammen, dan deze breede grensstrooken of onzijdige

gronden. Ofschoon Jemmy Button de sterkte van onzen troep wel kende,

was hij eerst niet geneigd onder den vijandigen stam die het dichtst

bij den zijnen woonde, aan land te gaan. Dikwijls vertelde hij ons

hoe de wilde mannen van Oens [193] "als de bladeren rood werden"

van de oostkust van Vuurland over het gebergte trokken, en invallen

deden bij de inboorlingen in dit gedeelte des lands. Hoogst belangrijk

was het hem gade te slaan als hij zoo sprak: dan glinsterden zijne

oogen en kreeg zijn gelaat eene ongewone en wilde uitdrukking. Toen

wij verder in het Beagle-kanaal kwamen, vertoonde het landschap

een ongewonen en zeer prachtigen aanblik; maar de indruk er van

werd zeer verzwakt door ons laag gelegen standpunt in eene boot,

en omdat wij langs de vallei keken, waardoor al de schoonheid die

eene opvolging van bergtoppen te zien geeft, verloren ging. De bergen

waren hier omtrent 3000 voet hoog, en eindigden in scherpe en getande

punten. Zij verrezen in eene onafgebroken rij uit den rand van het

water, en waren tot op eene hoogte van 1400 of 1500 voet met de somber

gekleurde wouden bedekt. Hoogstbelangwekkend was het te zien, hoe

zuiver horizontaal de lijn, tot waar de boomen ophielden te groeien,

langs de berghellingen liep; zij geleek volmaakt het hoogwatermerk

van drijfwier op eene zeekust.

Des nachts sliepen wij dicht bij het punt waar de Straat van Ponsonby

in het Beagle-kanaal valt. Eene kleine familie Vuurlanders, die in de

kreek woonde en uit rustige, vreedzame lieden bestond, schaarde zich

spoedig om ons vlammend wachtvuur. Wij waren goed gekleed, zaten dicht

bij het vuur en hadden het toch alles behalve warm; maar deze naakte

wilden, ofschoon verderaf staande, zagen wij tot onze verwondering

baden in hun zweet, toen zij den vuurgloed voelden. Zij schenen echter

wel in hun schik, en zongen allen in het koor onzer zeelieden mede;

maar de wijze waarop zij steeds daarbij wat achterbleven, was alleszins

vermakelijk.

Gedurende den nacht had het nieuws zich verspreid, en vroeg in den

morgen van den 23sten daagde een nieuwe troep op, behoorende tot

de Tekenika, of den stam van Jemmy. Vele van hen hadden zoo hard

geloopen, dat hunne neuzen bloedden, en door het snelle spreken het

schuim op hun mond kwam. Daarbij gevoegd de zwarte, witte en roode

beschilderingen op hunne naakte lichamen, geleken zij inderdaad een

troep duivels, die aan het vechten waren geweest. [194] Door 12 kano's,

in elk waarvan vier of vijf inboorlingen, vergezeld, zakten wij toen de

Straat van Ponsonby af, naar de plek waar de arme Jemmy zijne moeder

en bloedverwanten dacht te vinden. Reeds had hij gehoord, dat zijn

vader dood was; maar wijl hij daarvan reeds "een droom in het hoofd"

had gehad, scheen hij zich om dit punt niet te bekommeren, en troostte

hij zich telkens met de zeer natuurlijke gedachte: "Wij kunnen er

niets aan doen." Hij kon geen bijzonderheden over zijns vaders dood

te weten komen, daar zijne bloedverwanten er niet van wilden spreken.

Jemmy was nu in eene hem welbekende streek, en geleidde de booten

naar eene stille, schilderachtige kreek, Woollya genaamd, die

omringd was van eilandjes, waarvan elk zijn eigen oorspronkelijken

naam droeg. Wij vonden hier eene familie van Jemmy's stam, maar niet

zijne bloedverwanten; en nadat wij samen vriendschap hadden gesloten,

stuurden zij des avonds eene kano uit, om Jemmy's moeder en broeders

van zijne komst te verwittigen. De kreek werd door eenige acres

goed, glooiend terrein begrensd, dat niet zooals elders met veen

of woudboomen bedekt was. Zooals wij boven zeiden, had onze kapitein

aanvankelijk plan om York en Fuegia naar hun eigen stam aan de westkust

te brengen; daar zij echter den wensch uitdrukten hier te blijven en

de plek bijzonder gunstig was, besloten wij het geheele gezelschap,

waaronder den zendeling Matthews, hier te vestigen. Vijf dagen werden

besteed om drie groote wigwams voor hen te bouwen, hun goed aan land

te brengen, twee tuinen te spitten, en daarop te zaaien.

Den morgen na onze komst (24 Januari) keerden de Vuurlanders terug, en

brachten Jemmy's moeder en broeders mede. Jemmy herkende de stentorstem

van eene zijner broeders reeds op zeer grooten afstand. De ontmoeting

was minder belangwekkend dan tusschen een paard dat naar het veld

gebracht wordt, en een ouden makker dien het weêrziet. Geen enkel

vertoon van liefde of genegenheid: zij staarden eenvoudig elkander een

korte poos aan, en daarna ging de moeder onmiddellijk naar hare kano

kijken. Van York hoorden wij echter, dat de moeder over het verlies

van Jemmy ontroostbaar was geweest, en overal naar hem gezocht had,

meenende dat hij misschien was achtergelaten, toen men hem in de

boot had genomen. De vrouwen namen Fuegia goed op en waren zeer

vriendelijk tegen haar. Wij hadden reeds opgemerkt, dat Jemmy zijn

eigen taal bijna vergeten was. Ik geloof, dat er moeilijk iemand te

vinden zal zijn zoo weinig bespraakt als hij, want ook zijn Engelsch

was zeer onvolkomen. Belachelijk, maar tevens bedroevend was het hem

tot zijn wilden broeder in het Engelsch te hooren spreken, en dan in

het Spaansch (No sabe?) te vragen of deze hem niet verstond.

Gedurende de drie volgende dagen, toen de tuinen gespit en de wigwams

gebouwd werden, ging alles vreedzaam zijn gang. Wij schatten het

aantal inboorlingen op ongeveer 120. De vrouwen werkten hard, terwijl

de mannen den ganschen dag luierden en ons aangaapten. Zij vroegen om

al wat zij zagen en stalen wat zij konden. Zij hadden schik in ons

dansen en zingen, en keken met bijzondere belangstelling als wij in

een naburige beek ons wiesschen. Op andere dingen sloegen zij niet

veel acht, zelfs niet op onze booten. Onder al wat York tijdens zijne

afwezigheid uit zijn land zag, schijnt niets hem meer verwonderd te

hebben dan een struisvogel bij Maldonado. Ademloos van verbazing kwam

hij naar Bynoe, met wien hij wandelde, toeloopen onder den uitroep:

"O, Mr. Bynoe, o, vogel net een paard!"

Hoezeer onze blanke huid de inboorlingen ook verbaasde, was zulks,

naar Low verhaalt, veel erger het geval met een neger-kok aan boord

van een robbenvaarder; en de arme duivel werd zoo door hen toegetakeld

en uitgejouwd, dat hij nooit weer aan land wilde gaan.

Alles ging zoo rustig zijn gang, dat enkele officieren en ook ik lange

wandelingen deden op de omringende heuvels en in de bosschen. Maar op

den 27sten verdwenen plotseling alle vrouwen en kinderen. Wij waren

daarover geen van allen op ons gemak, wijl York noch Jemmy de reden

er van begrepen. Sommigen dachten, dat zij door het schoonmaken en

afvuren van onze geweren op den vorigen avond bang waren geworden;

anderen, dat het was toe te schrijven aan ergernis van een ouden

wilde, die, toen hem door den schildwacht gezegd was zich meer op

een afstand te houden, den man brutaal in het gezicht had gespuwd,

en toen door het maken van gebaren boven een slapenden Vuurlander

duidelijk had laten blijken (naar ons gezegd werd), dat hij onze

mannen in stukken wilde snijden en opeten. Om de kans op een treffen

te vermijden, dat voor vele Vuurlanders noodlottig zou geweest zijn,

achtte kapitein Fitz-Roy het raadzaam voor ons bij eene kreek eenige

mijlen verder te gaan slapen. Wat Matthews betrof, deze besloot met

de hem eigen kalme vastberadenheid (wel opmerkelijk in een man, die

schijnbaar weinig vastheid van karakter bezat) om bij de Vuurlanders

te blijven, die hunnerzijds geen onrust aan den dag legden. En zoo

lieten wij hem zijn eersten angstvollen nacht doorbrengen.

Toen wij den volgenden morgen (28 Januari) terugkeerden, vonden wij

tot onze vreugde allen in kalme stemming, en de mannen in hunne kano's

bezig met visch aan hunne speren te rijgen.

Kapitein Fitz-Roy besloot nu de sloep en een der walvischbooten naar

het schip terug te sturen, en met de twee andere booten--de eene

onder zijn eigen commando en waarin hij mij vriendelijk toestond

hem te vergezellen, de andere onder Hammond--verder te gaan, om de

westelijke gedeelten van het Beagle-kanaal op te meten, en daarna op de

terugreis de kolonie te bezoeken. Tot onze verwondering was het dien

dag brandend heet, zoodat onze huid er door geschroeid werd. Bij dit

schoone weder, was het uitzicht in het midden van het Beagle-kanaal

zeer merkwaardig. Waar men ook keek, hetzij rechts of links, geen

enkel voorwerp belemmerde het vrije vergezicht op dit lange kanaal

tusschen de bergen. Dat het een zeearm was, bleek zeer duidelijk

uit het feit, dat verscheidene groote walvisschen in verschillende

richtingen hunne waterstralen opspoten. [195] Eens zag ik twee dezer

monsters, waarschijnlijk een mannetje en wijfje, langzaam achter

elkander zwemmen, op minder dan een steenworps-afstand van den oever,

waarboven de beukeboom zijne takken uitstrekte.

Wij zeilden voort totdat het donker was, en sloegen toen in eene

stille kreek onze tenten op. Het was een groot buitenkansje, dat

wij een oever van kiezelsteenen voor onze legerstede vonden, want

deze waren droog en veerden onder het lichaam. Veengrond is vochtig;

eene rots is oneffen en hard, en zand dringt in het vleesch als dit op

zeemanswijze gekookt en gegeten wordt; maar lagen wij in onze wollen

dekenzakken op een goed bed van zachte kiezelsteenen, dan brachten

wij alleraangenaamste nachten door.

Ik had tot een uur de wacht. Er ligt iets plechtigs in deze woeste,

grootsche natuurtafereelen. Nooit beseft de geest zoo diep in welk

een afgelegen hoek der wereld ge u bevindt, als in die nachtelijke

uren. Alles werkt samen om dien indruk te verhoogen; de stilte om u

heen wordt slechts verbroken door de diepe ademhaling der matrozen

onder de tenten, en somtijds door het geschreeuw van een eenzamen

nachtvogel. Nu en dan herinnert u het geblaf van een hond in de verte,

dat dit het land van den wilde is.

[29 Januari.]

Vroeg in den morgen kwamen wij aan het punt, waar het Beagle-kanaal

zich in twee armen splitst: en wij voeren den noordelijken

binnen. Hier wordt het schouwspel zoo mogelijk nog grootscher dan

te voren. De hooge bergen aan de noordzijde vormen de graniet-as

of ruggegraat van het land, en verheffen zich fier tot eene hoogte

van tusschen de 3000 en 4000, één top zelfs tot ruim 6000 voet. Zij

zijn met een breeden mantel van eeuwige sneeuw bedekt, en tallooze

watervallen storten hunne stroomen door de wouden heen, in het enge

kanaal beneden. Op vele plaatsen strekken zich prachtvolle gletschers

langs de berghelling uit tot aan den rand van het water. Het is haast

niet mogelijk zich iets schooners te denken dan deze zeegroen-blauwe

gletschers, vooral in hunne tegenstelling met het doodsche wit der

hooger liggende sneeuwvlakte. De brokken, die van de gletschers in het

water waren gevallen, dreven weg; en dit kanaal, met zijne ijsbergen,

vertoonde eene mijl ver eene miniatuur-gelijkenis met de zeeën van

Noord- of Zuidpool. Toen op ons etensuur de booten aan land waren

gehaald, aanschouwden wij op eene halve mijl afstand een wondervollen

loodrechten ijswand. Verdiept in dit schouwspel, en vervuld van den

wensch, dat er eenige brokken zouden afvallen, kwam eindelijk zulk een

gevaarte met donderend geweld omlaag, en zagen wij terstond eene hooge

golf recht op ons afkomen. De matrozen snelden zoo spoedig zij konden

naar de booten aan den waterkant; want de kans, dat deze verbrijzeld

konden worden, bleek duidelijk. Een der matrozen greep juist de

boegen, toen de golfslag hem bereikte en onderstboven wierp, doch niet

bezeerde; en hoewel de booten driemaal op en neder werden geworpen,

kregen zij geen schade. Dit was een groot geluk voor ons; want wij

waren een honderd mijlen van het schip af en zouden, behalve de booten,

ook onze levensmiddelen en vuurwapenen kwijt geweest zijn. Te voren

had ik opgemerkt, dat eenige groote rotsblokken op den oever niet lang

geleden verplaatst waren geworden, maar begreep er de oorzaak niet van,

voordat ik deze golf zag. De eene zijde der kreek werd gevormd door een

uitlooper van mica-schiefer, het boveneind door een ijswand van circa

40 voet hoogte, en de andere zijde door een 50 voet hoog voorgebergte,

samengesteld uit groote ronde brokken graniet en mica-schiefer, waaruit

oude boomen groeiden. Dit voorgebergte was blijkbaar eene moraine,

opgehoopt in een tijd, toen de gletscher grootere afmetingen had.

Toen wij de westelijke monding van dezen noordelijken arm van het

Beagle-kanaal bereikten, zeilden wij tusschen tal van onbekende

en eenzame eilanden, terwijl het weder afschuwelijk slecht

was. Inboorlingen ontmoetten wij niet meer. De kust was bijna overal

zoo steil, dat wij dikwijls vele mijlen ver moesten zeilen, voordat

wij ruimte genoeg konden vinden voor het opslaan van onze tenten. Eén

nacht sliepen wij op groote ronde rotsblokken met rottend zeewier er

tusschen; en toen de vloed opkwam, moesten wij in aller ijl opstaan

en onze dekenzakken verleggen. Het eerste punt, dat wij in westelijke

richting bereikten, was Stewart-Eiland, op een afstand van omstreeks

150 mijlen van ons schip. Wij keerden door den zuidelijken arm van

het Beagle-kanaal terug, en voeren hierna zonder verder avontuur naar

de Straat van Ponsonby.

[6 Februari.]

Bij onze aankomst te Woollya, deed Matthews ons zulk een ongunstig

verhaal van de houding der inboorlingen, dat kapitein Fitz-Roy besloot

hem naar de Beagle terug te brengen. Later werd hij op Nieuw-Zeeland

achtergelaten, waar zijn broeder zendeling was. Sedert het oogenblik

van ons vertrek, was door de Vuurlanders eene geregelde plundering

begonnen; en telkens kwamen nieuwe benden aan. York en Jemmy verloren

tal van voorwerpen, en Matthews bijna alles wat niet onder den grond

verborgen was. Elk voorwerp scheen door de Vuurlanders gebroken,

gescheurd en verdeeld te zijn. Matthews beschreef hoe doodelijk

vermoeiend het was voortdurend de wacht te moeten houden; nacht en

dag was hij door de inboorlingen omringd, die hem trachtten af te

matten, door onophoudelijk geluiden bij zijn oor te maken. Eens toen

Matthews een ouden man gevraagd had zijn wigwam te verlaten, keerde

deze onmiddellijk met een grooten steen in de hand terug. Op een

anderen dag kwam eene geheele bende met steenen en stokken gewapend,

zoodat enkele inboorlingen van Jemmy's stam, en ook zijn broeder het

uitschreeuwden van angst. Matthews bewoog hen toen met geschenken

tot den aftocht. Eene andere bende wees met teekens, dat zij hem

naakt wilden uitkleeden, en dan alle haren uit zijn baard en lichaam

plukken. Ik geloof, dat wij juist tijdig genoeg kwamen om zijn leven

te redden.

Jemmy's bloedverwanten waren ijdel en dwaas genoeg om hun buit aan de

onzen te laten zien, en te wijzen hoe zij die gekregen hadden. Het

was een pijnlijke gedachte onze drie Vuurlanders bij hunne wilde

landgenooten achter te laten, hoewel het een groote troost was, dat

zij persoonlijk geen vrees hadden. York, een krachtig, vastberaden man,

was er volkomen zeker van, dat het hem en zijne vrouw Fuegia goed zou

gaan. De arme Jemmy keek wel wat moedeloos; en ik twijfel er haast

niet aan, of hij zou blijde geweest zijn, indien hij met ons had kunnen

terugkeeren. Zijn eigen broeder had hem vele dingen ontstolen; daarom

schold hij op zijne landgenooten: "Wat manier is dat? Allemaal slechte

menschen; weten niets; verdoemde gekken!"--Als hij zoo boos was,

vloekte hij, ofschoon ik hem vroeger nooit had hooren vloeken. Hoewel

onze drie Vuurlanders slechts drie jaren onder beschaafde menschen

hadden geleefd, weet ik zeker, dat zij blijde zouden geweest zijn,

indien zij hunne nieuwe leefwijze hadden mogen behouden; maar dit

was natuurlijk onmogelijk. Ik vrees, dat het meer dan twijfelachtig

is of hun bezoek in den vreemde hun van eenig nut is geweest.

Met Matthews aan boord gingen wij des avonds onder zeil, en keerden,

niet door het Beagle-kanaal, maar langs de zuidkust naar het

schip terug. De booten waren zwaar geladen, en dit gevoegd bij eene

onstuimige zee, bezorgde ons een gevaarlijken tocht. Op den avond van

den 7den waren wij aan boord van de Beagle, na eene afwezigheid van

20 dagen, gedurende welke wij een afstand van 300 mijlen in de open

booten hadden afgelegd. Op den 11den bracht onze kapitein alleen een

bezoek aan de Vuurlanders, vond hen welvarend, en hoorde, dat hun

sedert zijn vorig bezoek weinig dingen meer ontstolen waren.

De Reis om de Wereld · 第 22 / 56 段