Ofschoon alle drie vrij goed Engelsch konden spreken en verstaan,

was het toch uiterst moeilijk veel inlichting uit hen te krijgen,

hetgeen gedeeltelijk was toe te schrijven aan de moeite, die zij

schenen te hebben om het eenvoudigste alternatief te begrijpen. Ieder,

die gewoon is met zeer jonge kinderen om te gaan, weet hoe zelden men

een antwoord kan krijgen zelfs op zulk eene eenvoudige vraag als:

of een voorwerp wit of zwart is; het begrip zwart of wit schijnt

beurtelings hun geest bezig te houden. Zoo was het ook met deze

Vuurlanders; en daardoor was het meestal onmogelijk door over en weer

vragen te weten te komen, of men iets, dat zij verteld hadden, goed

begrepen had. Hun gezicht was bijzonder scherp. Het is wel bekend,

dat zeelieden door langdurige oefening een verafzijnd voorwerp

veel beter kunnen onderscheiden, dan iemand die op het land leeft;

maar zoowel York als Jemmy stonden daarin ver boven een zeeman aan

boord. Verscheidene malen hebben zij verklaard wat een verwijderd

voorwerp was; en ofschoon het door elk in twijfel werd getrokken,

bleken zij toch gelijk te hebben, als het met een kijker onderzocht

werd. Zij waren zich dit vermogen ten volle bewust; en toen Jemmy

met den officier van den wacht eens een kleinen twist had, zeide hij:

"Wij schip zien, wij niet praat."

Belangwekkend was het de houding der wilden tegenover Jemmy

Button gade te slaan, toen wij landden; onmiddellijk bespeurden

zij het verschil tusschen hem en ons, en spraken samen druk over

dit onderwerp. De oude man hield eene lange toespraak tot Jemmy,

waarin hij hem scheen uit te noodigen bij hen te blijven. Maar Jemmy

begreep hunne taal zeer weinig, en schaamde zich daarenboven diep

over zijne landgenooten. Toen York Minster daarna aan land kwam,

herkenden zij ook hem, en beduidden hem dat hij zich moest scheren;

toch had de man geen twintig stoppelharen op zijn gezicht, terwijl

wij allen ongeschoren baarden droegen. Zij onderzochten de kleur van

zijne huid en vergeleken die met de onze. Toen zij een onzer armen

bloot zagen, drukten zij hunne levendigste verbazing en bewondering

uit over de witheid er van, juist zooals wij in den Dierentuin den

orang-oetang hebben zien doen. Uit hunne gebaren maakten wij op, dat

zij twee of drie onzer officieren, die, ofschoon met volle baarden

prijkende, kleiner en knapper waren dan de anderen, voor de dames

van ons gezelschap hielden. De grootste onder de Vuurlanders had er

blijkbaar veel schik in, dat zijne lengte de aandacht trok. Toen hij

rug aan rug tegen den grootsten van ons scheepsvolk geplaatst werd,

deed hij zijn best om naar een hooger stuk grond te schuiven en op de

teenen te staan. Hij opende den mond om zijne tanden te laten zien,

en draaide het hoofd om zijwaarts te kijken; en dit alles deed hij met

zulk eene vroolijkheid, dat ik overtuigd ben, hij zichzelven voor den

schoonsten man in Vuurland hield. Nadat ons eerste gevoel van diepe

verwondering voorbij was, konden wij ons niets belachelijkere denken

dan het zonderlinge mengsel van verbazing en nabootsing, dat deze

wilden elk oogenblik te zien gaven.

Den volgenden dag poogde ik dieper landwaarts in te dringen. Vuurland

kan beschreven worden als een bergachtig land, dat gedeeltelijk onder

zee is gezonken, zoodat diepe kreken en baaien liggen op plaatsen

waar dalen moesten zijn. Behalve aan de open westkust, zijn de

berghellingen van af den rand van het water met een onafgebroken woud

bedekt. De boomgordel reikt tot eene hoogte van 1000 tot 1500 voet,

en wordt opgevolgd door een veengordel met kleine Alpenplanten; op

dezen volgt weer de grens der eeuwige sneeuw, die, volgens kapitein

King, in de Straat van Magelhaen eene hoogte bereikt van 3000 tot

4000 voet. Hoogst zelden vindt men ergens in dit land een acre vlakken

grond. Ik herinner mij slechts een klein vlak stuk nabij Port Famine,

en een tweede iets grooter in oppervlakte bij Goeree Roads. Op beide

plaatsen en verder overal is de oppervlakte met eene dikke, moerassige

veenlaag bedekt. Zelfs in het woud is de grond onder een hoop langzaam

rottende plantenstoffen verborgen, die van water doortrokken, onder

den voet wegzinkt.

Daar ik het bijna hopeloos achtte door het woud een weg te banen,

volgde ik den loop van een bergstroom. Eerst kon ik vanwege de

watervallen en de menigte doode boomen slechts met moeite voortkruipen;

maar spoedig werd het stroombed iets ruimer, doordien de vloed de

kanten had schoongeveegd. Langzaam volgde ik een uur achtereen de

gebroken en rotsachtige oevers, en werd door de grootschheid van het

landschap ruimschoots voor mijn zwoegen beloond. De donkere diepe

rotskloof paste volkomen bij de algemeene sporen van geweld. Aan beide

zijden lage vormlooze steenhoopen en afgerukte boomen; andere boomen,

hoewel nog staande, waren van binnen geheel vergaan en stonden op

het punt te vallen. Het warbosch van groeiende en gevallen stammen

deed mij denken aan de wouden in de keerkringen, met dit verschil

echter, dat in deze stille eenzaamheden Dood in plaats van Leven de

overheerschende natuurkracht scheen te zijn. Ik volgde den waterstroom

totdat ik aan eene plek kwam, waar een groote grondverschuiving een

rechte strook van de berghelling had blootgelegd. Langs dezen weg klom

ik tot eene aanzienlijke hoogte, en kreeg zoodoende een goed uitzicht

op de omringende bosschen. De boomen behoorden alle tot ééne soort,

Fagus betuloides; want het aantal andere soorten Fagus en dat der

Winter's-basten (Drymis Winteri) is zeer onbeteekenend. [187] Deze

beuk behoudt het geheele jaar door zijne bladeren, die echter eene

eigenaardige bruingroene, eenigszins geel getinte kleur bezitten. Daar

het geheele landschap zoo gekleurd is, heeft het een somber, eentonig

voorkomen, waarbij nog komt, dat het niet vaak door de zonnestralen

verlevendigd wordt.

[20 December.]

De eene zijde der haven wordt gevormd door een omstreeks 1500 voet

hoogen berg, dien kapitein Fitz-Roy naar Sir J. Banks noemde, ter

nagedachtenis aan diens rampspoedigen tocht, welke voor twee mannen

van zijn gezelschap, en bijna ook voor Dr. Solander een noodlottigen

afloop had. De sneeuwstorm, die de oorzaak van zijn ongeluk was,

woei in het midden van Januari, overeenkomende met onze maand Juli,

en op de breedte van Durham! Ik was verlangend den top van dezen

berg te bereiken, om Alpenplanten te verzamelen; want in de lagere

gedeelten is het aantal bloemen gering. Wij volgden denzelfden

bergstroom als daags te voren, tot waar hij dood liep, en waren toen

genoodzaakt op goed geluk tusschen de boomen door te kruipen. Wegens

de hoogte en den invloed der hevige winden, waren deze boomen laag,

dik en gebogen. Eindelijk bereikten wij de plek, die van verre een

fraai groen grastapijt geleek, maar tot onzen spijt een dicht bosch

van beukeboompjes bleek te zijn, van vier tot vijf voet hoogte. Zij

stonden even dicht opeen, als taxisboomen (buxus) aan den rand van een

tuin, en wij moesten over de effene maar verraderlijke oppervlakte met

geweld voortdringen. Na nog eenige inspanning bereikten wij het veen,

en toen de naakte schieferrots.

Een rotskam verbond dezen berg met een anderen, die eenige mijlen

verder lag en, blijkens de daarop liggende vlakjes sneeuw, hooger

was. Daar het nog niet laat op den dag was, besloot ik er heen te

wandelen en planten langs den weg te zamelen. Dit zou een zeer moeilijk

werk geweest zijn, indien er geen goed gebaand en recht pad geweest

was, dat de guanaco's gemaakt hadden, welke dieren, evenals schapen,

altijd denzelfden weg volgen. Toen wij den berg bereikten, vonden

wij, dat deze de hoogste in den naasten omtrek was. De bergstroomen

vloeiden hier in tegengestelde richtingen naar zee. Wij hadden een ruim

uitzicht over de naburige streek: in het noorden strekte zich een groot

moerasland uit; maar zuidwaarts ontrolde zich een panorama van wild

natuurschoon, dat Vuurland ten volle waardig was. Er lag een zweem

van geheimzinnige grootschheid in die eindelooze reeks van bergen,

met hunne diepe tusschenliggende valleien, allen met een dichte,

donkere woudmassa bedekt. In dit klimaat, waar de stormen elkander

opvolgen met regen, hagel en ijzel, schijnt ook de dampkring zwarter

dan elders. In de Straat van Magelhaen, even zuidelijk onder Port

Famine gelegen, schenen de afgelegen kanalen tusschen de bergen naar

het einde der wereld te vloeien--zoo somber was hun aanblik.

[21 December.]

De Beagle lichtte het anker; en onder begunstiging van eene bijzonder

voorspoedige oostelijke bries, bereikten wij den volgenden dag

de Barneveldts-Eilanden, stuurden om Kaap Deceit met hare spitse

rotsen, en zeilden te ongeveer drie ure om de door weêr en stormen

geteisterde Kaap Hoorn. De avond was kalm en helder, en wij hadden

een fraai uitzicht op de omringende eilandjes. Kaap Hoorn eischte

echter haar tol, en joeg ons vóór den nacht eene stijve bries in 't

gezicht. Wij bleven dien nacht op zee, en stevenden den volgenden dag

opnieuw naar land, toen wij dit vermaarde voorgebergte in zijn waren

vorm te loever voor ons zagen: gesluierd in een mist, en de wazige

omtrek gehuld in een bui van storm en regen. Groote zwarte wolken

gierden langs den hemel, en hevige regenbuien, vergezeld van hagel,

joegen met zooveel geweld over ons heen, dat de kapitein besloot in

Wigwam-Kreek binnen te loopen. Dit is eene kleine beschutte haven

niet ver van Kaap Hoorn; en het was hier, dat wij op Kerstavond

in kalm water het anker lieten vallen. Het eenige, dat ons aan den

storm buiten herinnerde, was nu en dan een rukwind van de bergen,

die het schip aan zijne ankers deed stampen.

[25 December.]

Dicht bij de kreek verrijst een steile berg, Kater's Piek genaamd,

die eene hoogte heeft van 1700 voet. De omringende eilanden bestaan

alle uit kegelvormige bergen van groensteen, [188] soms in vereeniging

met minder regelmatige heuvels van kristallijn-gemetamorphoseerd

leemschiefer. Dit deel van Vuurland kan men als het einde der gezonken

bergketen beschouwen, waarop ik reeds doelde. De kreek ontleent haren

naam "Wigwam" aan enkele Vuurlandsche woningen; maar met hetzelfde

recht zou elke baai in den omtrek zoo genoemd mogen worden. De

bewoners, die voornamelijk van schaaldieren leven, zijn verplicht

voortdurend van woonplaats te veranderen, doch keeren na verloop van

zekeren tijd naar dezelfde plaatsen terug, zooals blijkt uit de stapels

oude schelpen, die dikwijls verscheidene tonnen zwaar moeten zijn. Men

kan deze hoopen reeds op een afstand onderscheiden aan de heldergroene

kleur van sommige planten, die er steeds op groeien. Van deze kunnen

genoemd worden de wilde selderij (Apium graveolens) en het lepelblad

(Cochlearia): twee zeer nuttige planten, waarvan de inboorlingen het

gebruik niet ontdekt hebben.

De Vuurlandsche wigwam [189] gelijkt in grootte en afmetingen op een

hooiopper, en bestaat slechts uit enkele afgebroken takken, die in

den grond zijn gestoken en aan één kant zeer onvolkomen met eenige

bosjes gras en biezen zijn afgedekt. Het geheel is nauwelijks het

werk van een uur, en wordt slechts voor een paar dagen gebruikt. Te

Goeree-Roads zag ik een plek, waar een dezer naakte mannen geslapen

had, en die volstrekt niet meer beschutting bood dan een hazenleger. De

man leefde blijkbaar op zichzelf; en York Minster zeide, dat hij

een "zeer slecht man" was, die mogelijk iets gestolen had. Aan de

westkust echter, zijn de wigwams iets beter, want daar zijn zij met

robbevellen gedekt. Wij werden hier verscheidene dagen door het slechte

weêr opgehouden. Het klimaat is alleszins ellendig; ofschoon het

zomer-solstitium voorbij was, viel er elken dag sneeuw op de bergen,

en in de dalen regen vergezeld van ijzel. De thermometer stond meestal

op 45° F., maar daalde des nachts tot 38° of 40°. Wegens den vochtigen

en onstuimigen toestand van den dampkring, die door geen zonnestraal

werd opgehelderd, stelde men zich het klimaat zelfs slechter voor

dan het in werkelijkheid was.

Toen wij op zekeren dag bij het eiland Wollaston aan land gingen,

roeiden wij voorbij een kano [190] met zes Vuurlanders. Deze waren

de ellendigste en meest verworpen schepsels, die ik ooit zag. Aan

de oostkust dragen de inboorlingen, zooals wij gezien hebben,

guanaco-mantels; maar aan de westkust robbevellen. Onder deze

middenstammen hebben de mannen meestal een ottervel, of een klein

lapje ongeveer zoo groot als een zakdoek, dat nauwelijks voldoende is

om hun rug tot aan de lendenen te bedekken. Met koorden of pezen wordt

het over de borst bevestigd, en naar gelang van den wind verschuift

het telkens van plaats. Maar deze Vuurlanders in de kano waren geheel

naakt, en zelfs met de vrouwen was dit zoo. Het regende hevig, en het

frissche water gutste tegelijk met het zeeschuim over hun lichaam. In

eene andere, niet ver van daar gelegen haven kwam eens eene vrouw,

die een pasgeboren kind zoogde, op zijde van het schip en bleef daar

uit loutere nieuwsgierigheid, terwijl de ijzel op haar blooten boezem

viel en dooide, en op de huid van haren naakten zuigeling!

Kwijnend en gebrekkig waren deze arme schepsels opgegroeid; hunne

afschuwelijke gezichten waren besmeerd met witte verf, hun huid was

vuil en vettig, hun haar verward, hunne stem wanluidend, en heftig

hunne gebaren. Bij het zien van zulke menschen kan men zich moeilijk

wijsmaken, dat zij medeschepselen en bewoners van dezelfde wereld

zijn. Een algemeen onderwerp voor gissingen vormt de vraag, welk

levensgenot sommige lagere dieren kunnen smaken; doch met hoeveel meer

reden kan men dezelfde vraag doen ten opzichte van deze wilden! Des

nachts slapen vijf of zes menschelijke wezens, naakt en bijna zonder

beschutting tegen den wind en regen van dit stormachtige klimaat,

op den natten grond, als dieren in elkaar gerold. Zoodra het laag

water is, in winter of zomer, bij nacht of bij dag, moeten zij uit

om schaaldieren van de rotsen te plukken; en de vrouwen duiken in 't

water om zeeëgels te garen, of zitten geduldig in hare kano's vischjes

uit het water te slingeren, met een haarlijn zonder haak, waaraan een

aas bevestigd is. Wordt een rob gedood of het drijvende lijk van een

rottenden walvisch ontdekt, dan is het feest; en dit ellendige voedsel

wordt met eenige onsmakelijke bessen en paddenstoelen verorberd!

Dikwijls lijden zij honger. Low, een robbenjager, die de inboorlingen

van dit land van zeer nabij kent, deed mij een merkwaardig verhaal

van den toestand, waarin een troep van 150 inboorlingen aan de

westkust leefde, die zeer armoedig waren en in groote ellende

verkeerden. Voortdurende stormen beletten de vrouwen schaaldieren

op de rotsen te plukken; ook konden zij niet in hare kano's gaan

om robben te vangen. Op zekeren morgen ging een troepje van deze

mannen op weg; en de andere Vuurlanders vertelden toen, dat zij een

vierdaagschen tocht deden om voedsel te zoeken. Bij hunne terugkomst

ging Low hun te gemoet en vond hen uiterst afgemat. Elk man droeg een

groot vierkant stuk rottend walvischspek met een gat in het midden,

waardoor hij het hoofd stak, evenals de Gauchos met hunne poncho's of

mantels doen. Zoodra het spek in een wigwam gebracht was, sneed een

oud man er dunne mooten af, roosterde die eenige oogenblikken onder het

prevelen van eenige woorden, en verdeelde ze toen onder het hongerige

gezelschap, dat al dien tijd een diep stilzwijgen bewaarde. Low denkt,

dat als er een walvisch op het strand wordt geworpen, de inboorlingen

groote stukken er van in het zand bewaren, als een redmiddel in tijd

van hongersnood; en een Vuurlandsche jongen, dien hij aan boord had,

vond eens een geheelen voorraad, welke aldus begraven was.

De verschillende stammen zijn, als zij oorlog voeren,

kannibalen. Volgens de gelijkluidende, doch geheel onafhankelijke

verhalen van den jongen van Low en van Jemmy Button, is het eene

stellige waarheid, dat, als de honger hen des winters kwelt, zij

hunne oude vrouwen dooden en verslinden, voordat zij hunne honden

dooden. Toen Low den knaap vroeg, waarom zij dit deden, antwoordde hij:

"Hondjes vangen otters, oude vrouwen niet."

Deze jongen beschreef de manier waarop zij gedood worden: men houdt

ze namelijk boven den rook, totdat zij stikken; spottend bootste hij

haar geschreeuw na, en beschreef de gedeelten van haar lichaam, die

als het beste voedsel worden beschouwd. Zulk een dood door de handen

van vrienden en verwanten moet afgrijselijk zijn; maar pijnlijker

is het, als men denkt aan de vrees der oudjes zelven, wanneer de

honger begint te knagen. Men vertelde ons, dat zij dan dikwijls naar

de bergen vluchten, maar dat zij door de mannen achtervolgd en naar

het slachthuis, bij hare eigen haarden worden teruggebracht!

Kapitein Fitz-Roy kon nooit te weten komen of de Vuurlanders een

duidelijk besef hebben van een leven hiernamaals. Soms begraven

zij hunne dooden in holen, soms in de wouden op het gebergte; wij

weten ook niet welke ceremonieën zij verrichten. Jemmy Button wilde

geen landvogels eten, omdat zij "doode menschen eten." Zij willen

zelfs hunne dooden vrienden niet herdenken. Wij hebben geen reden

te gelooven, dat zij een soort godvruchtigen eeredienst verrichten,

ofschoon het prevelen van den ouden man voordat hij het rottende spek

onder zijn uitgehongerd gezelschap verdeelde, misschien iets van dien

aard was. Elke familie of stam heeft een toovenaar of heksenmeester,

wiens taak wij nooit duidelijk konden te weten komen. Jemmy geloofde

aan droomen, ofschoon niet aan den duivel, zooals ik gezegd heb. Ik

voor mij denk niet, dat onze Vuurlanders veel bijgelooviger waren dan

enkele zeelieden; want een oude kwartiermeester geloofde vast, dat de

aanhoudende zware stormen, waarmede wij bij Kaap Hoorn moesten kampen,

veroorzaakt werden door de wilden die wij aan boord hadden. Het dichtst

bij een godsdienstig gevoel kwam, voorzoover ik weet, een trek door

York Minster aan den dag gelegd, die, toen Bynoe eenige zeer jonge

eenden had geschoten, op den plechtigsten toon zeide:

"O, Mr. Bynoe, veel regen, sneeuw, veel windvlagen."

Blijkbaar was dit eene straf ter vergelding voor het vernielen van

menschenvoedsel. Op heftige en overspannen wijze vertelde hij ook,

dat zijn broeder, toen hij eens naar de kust terugkeerde om eenige

doode vogels op te rapen, eenige vederen had zien waaien...

"Wat dat?" zeide zijn broeder (York bootste diens manieren na); en

voortkruipende, sprong hij over de rots en zag "wilde man," die zijne

vogels opraapte. Hij kroop nog dichter bij, slingerde toen een grooten

steen omlaag en doodde hem. "Langen tijd daarna,"verklaarde York,

"woedden stormen, en viel er veel sneeuw en regen"...

Voorzoover wij konden uitmaken, scheen hij de elementen zelven als

de wrekende machten te beschouwen. Het is duidelijk, dat in dit geval

bij een eenigszins beschaafder ras de elementen op natuurlijke wijze

door personen zouden worden voorgesteld. Wie of wat die "slechte wilde

mannen" waren, heeft mij altijd hoogst geheimzinnig toegeschenen. Uit

hetgeen York zeide, toen wij het ellendige hazenleger vonden, waar een

alleenlevend man den vorigen nacht geslapen had, zou ik hen voor dieven

hebben gehouden, die door hunne stammen verdreven waren; maar andere

duistere woorden deden mij hieraan twijfelen. Soms heb ik gedacht, dat

de waarschijnlijkste verklaring was hen voor krankzinnigen te houden.

De verschillende stammen hebben geen regeering of hoofd; toch is

elke stam door andere vijandige omringd, die verschillende dialecten

spreken en slechts door een verlaten strook onzijdig gebied van

elkaar gescheiden zijn. De aanleiding tot hunne oorlogen schijnt

het middel van bestaan te wezen. Hun land is eene, hier en daar

afgebroken aaneenschakeling van ongenaakbare rotsen, hooge bergen en

onnutte wouden, die gehuld zijn in misten en eindelooze stormen. Het

bewoonbare land bepaalt zich tot de steenen op het strand; bij het

zoeken naar voedsel zijn zij steeds gedwongen van de eene plek naar

de andere te trekken; en de kust is zoo steil, dat zij die tochten

niet anders dan in hunne ellendige kano's kunnen doen. Het begrip

van een eigen huis, en nog meer dat van huiselijke liefde kunnen zij

niet hebben, want de echtgenoot staat tegenover de vrouw als een ruwe

meester tegenover eene werkzame slavin. Werd ooit eene afschuwelijker

daad bedreven, dan die welke door Byron aan de westkust is bijgewoond,

die eene ongelukkige moeder haar bloedend en stervend kind zag opnemen,

dat haar echtgenoot meedoogenloos tegen de steenen had verpletterd,

omdat het een mand met zeeëgels had laten vallen? Hoe weinig kunnen

hier de hoogere functiën van den geest in 't spel worden gebracht; wat

is er dat de verbeelding kan malen, dat de rede vergelijken, dat het

oordeel kan beslissen? Eene zeeslak van de rots te plukken, vereischt

zelfs geen list--die laagste functie van den geest. De bekwaamheid

dezer schepsels is in sommige opzichten bij het instinct der dieren

te vergelijken, want zij wordt door de ervaring niet verbeterd. Door

Drake weten wij, dat de kano, trots al hare ellendigheid hun meest

vernuftig werk, in de laatste 250 jaren dezelfde is gebleven.

Als men deze wilden aanziet, rijst de vraag: van waar zijn

zij gekomen? Wat kon een menschenstam bewogen hebben, of welke

verandering dwong hem de betere gewesten van het noorden te verlaten;

de Cordilleras of ruggegraat van Amerika zuidwaarts af te zwerven;

kano's uit te vinden en te bouwen, die door geen enkelen stam in Chili,

Peru en Brazilië gebruikt worden, en eindelijk een der onherbergzaamste

oorden binnen te dringen, die op aarde te vinden zijn? Hoewel zulke

gedachten terstond bij ons moeten opkomen, kunnen wij toch zeker zijn,

dat wij gedeeltelijk dwalen. Er is geen reden om te denken, dat de

Vuurlanders in aantal verminderen; wij moeten dus aannemen dat zij

een voldoende mate van geluk--hoe dit dan ook zij--smaken, om het

leven op prijs te stellen. De natuur, die de gewoonte almachtig en

hare werkingen erfelijk maakt, heeft den Vuurlander voor het klimaat

en de voortbrengselen van zijn ellendig land geschikt gemaakt.

Nadat wij zes dagen door zeer slecht weder in Wigwam-Kreek waren

opgehouden, staken wij op 30 December in zee. Kapitein Fitz-Roy

wilde westwaarts gaan, om York en Fuegia in hun eigen land aan wal te

zetten. Op zee hadden wij voortdurend stormen en tegenstroom, met het

gevolg dat wij naar 57° 23' zuidelijk dreven. Door alle zeilen bij te

zetten, kwamen wij op 11 Januari 1833 tot op enkele mijlen afstand van

den hoogen rotsachtigen berg York Minster (zoo gedoopt door kapitein

Cook, en de oorsprong van den naam van onzen oudsten Vuurlander),

toen een geweldige orkaan ons noodzaakte zeil te minderen en op zee

te blijven. Vreeselijk woedde de branding op de kust, en het schuim

sloeg over rotsen, die naar onze schatting 200 voet hoog waren. Op

den 12den was de storm zeer hevig, en wisten wij niet juist waar wij

waren. Het was alleronaangenaamst telkens den kreet te hooren herhalen:

"Kijk goed uit aan lij!"

Op den 13den woedde de storm in al zijne kracht, en was onze

horizon sterk gekrompen door de hoozen schuim, welke de wind

voortjoeg. Onheilspellend was de aanblik der zee, gelijk eene woeste

golvende vlakte, vol opgewaaide jachtsneeuw. Terwijl het schip

hevig werkte, dreef de albatros of stormvogel [191] met uitgespreide

vleugels recht in den wind. Op den middag sloeg eene hooge zee over

het schip en vulde een der walvischbooten, die onmiddellijk moest

worden gekapt. De arme Beagle trilde onder den schok, en wilde eenige

minuten lang niet naar zijn stuur luisteren; maar zooals een goed

schip van zijn slag betaamde, richtte hij zich spoedig weder op, en

ging andermaal te loever. Ware eene tweede zee de eerste gevolgd, dan

zou ons lot weldra en voorgoed beslist zijn geweest. Wij trachtten nu

reeds 24 dagen lang te vergeefs naar het westen te stevenen; de mannen

waren op van vermoeienis, en hadden gedurende vele dagen en nachten

geen droog stuk kleeren aan het lijf gehad. Toen gaf onze kapitein de

poging om langs de buitenkust naar het westen te gaan op. Des avonds

liepen wij achter Valsche Kaap Hoorn binnen, en lieten 47 vademen diep

ons anker vallen, waarbij de ketting met zulk eene snelheid afliep,

dat het vuur uit het windas sprong. Hoe heerlijk was die stille nacht,

na zulk een lange worsteling onder het geraas der strijdende elementen!

[15 Januari 1833.]

De Reis om de Wereld · 第 21 / 56 段