Hunne geringe helling is wel de merkwaardigste omstandigheid in deze

"steenstroomen." Aan de heuvelzijden heb ik ze eene helling van tien

graden met den horizon zien maken; maar in enkele vlakke dalen met

breede bodems is de helling juist groot genoeg om scherp te worden

waargenomen. Er was geen middel om op zulk eene ruwe oppervlakte

den hoek te meten; om echter eene alledaagsche opheldering te geven,

kan ik zeggen dat de glooiing de snelheid van eene Engelsche postkar

niet zou vertraagd hebben. Op sommige plaatsen volgde een onafgebroken

stroom van deze brokken den loop eener vallei, en strekte zich zelfs

tot aan den top van een heuvel uit. Hier, op deze toppen, schenen de

geweldige steenen, die een klein huis in grootte overtroffen, in hun

voorwaartschen loop gestuit; hier stapelden zich ook de gebogen lagen

der overwelfde ruimten op, evenals de bouwvallen eener reusachtige

kathedraal. Poogt men deze tafereelen van geweld te beschrijven,

dan is men onwillekeurig geneigd van de eene gelijkenis in de andere

te vallen. Wij kunnen ons voorstellen, dat stroomen witte lava uit

vele deelen van het gebergte naar het lagere land zijn gevloeid,

en dat zij bij het stollen door eene geweldige golving of trilling

van den bodem in tienduizenden brokken zijn gespleten. De uitdrukking

"steenstroomen," die elk terstond in den mond kwam, sluit hetzelfde

begrip in. Op de plek zelve worden deze tafereelen nog indrukwekkender

gemaakt door hunne tegenstelling met de lage, ronde vormen der

naburige heuvels.

Met belangstelling vond ik op den hoogsten top van eene heuvelreeks

(omtrent 700 voet boven de zee) een groot gewelfd brok, dat op

zijne bolle zijde, of het ondersteboven lag. Moeten wij aannemen,

dat dit in de lucht werd geworpen en zóó dezen vorm verkreeg; of,

wat waarschijnlijker is, dat vroeger in dezelfde keten een hooger

gedeelte bestond dan het punt waarop dit gedenkteeken eener groote

natuurberoering nu ligt? Daar de brokken in de dalen niet afgerond en

hunne spleten niet met zand zijn gevuld, moeten wij besluiten, dat die

hevige beroering plaats had in een tijdperk, nadat het land boven het

water der zee was gerezen. Eene dwarsdoorsnede in deze valleien doet

zien, dat de bodem bijna horizontaal is of maar zeer weinig naar beide

kanten stijgt. Ofschoon de brokken dus van het hoofdeinde der vallei

schijnen gewandeld te hebben, lijkt het inderdaad waarschijnlijker,

dat zij van de naastbijliggende hoogten zijn geslingerd, en sedert

door eene trillende beweging van overweldigende kracht in eene

onafgebroken horizontale laag verspreid zijn. [180] Zoo men zich al

verwonderde over het feit, dat gedurende de aardbeving, die in 1835

de stad Conception in Chili verwoestte, [181] kleine lichamen enkele

inches hoog van den grond werden geworpen, wat zullen wij dan zeggen

van eene beweging, die brokken van vele tonnen gewicht omhoog wierp,

als zand op een trillend carton, en daarna horizontaal verspreidde? In

de Cordilleras de los Andes heb ik de duidelijke bewijzen gezien,

dat ontzaglijke bergen als even zoovele dunne korsten in stukken

waren gebroken, en hunne lagen verticaal omhoog geworpen; maar nooit

drong een natuurtafereel het denkbeeld van eene hevige aardbeving,

waarvan wij in historische tijdperken vruchteloos de wedergade kunnen

vinden, sterker aan mijn geest op, dan deze "steenstroomen." Toch zal

de vooruit strevende wetenschap vermoedelijk eens eene eenvoudige

verklaring van dit verschijnsel geven, gelijk zij het reeds deed

van het zoolang onverklaarbaar geachte vervoer der erratische of

zwerfblokken, die over de vlakten van Europa zijn verspreid. [182]

Over de zoölogie dezer eilanden heb ik weinig op te merken. Den aasgier

of Polyborus heb ik reeds vroeger beschreven. Dan zijn er eenige andere

havikken, uilen, en een paar kleine landvogels. Het watergevogelte

is bijzonder talrijk; en blijkens de verhalen der oude zeevaarders,

moeten er vroeger nog meer geweest zijn.

Op zekeren dag zag ik eene zeeraaf (Carbo cormoranus sive haliaeus)

met een visch spelen, dien hij gevangen had. Achtmaal achtereen liet

de vogel zijne prooi los, dook haar dan na, en bracht ze, ofschoon in

diep water, elken keer weer boven. In de Zoological Gardens heb ik den

otter een visch op gelijke manier zien behandelen, als de kat een muis

doet; ik ken geen ander voorbeeld waarin Moeder Natuur zoo moedwillig

wreed schijnt. Op een anderen keer had ik mij tusschen eene vetgans

(Aptenodytes demersa) [183] en het water geplaatst, en vermaakte

mij zeer met het gadeslaan van hare gewoonten. Het was een moedige

vogel, die mij geregeld slag leverde en terug dreef totdat hij de zee

bereikte. Niet dan met harde slagen kon men hem tot staan brengen;

krachtig handhaafde hij elk duimbreed gewonnen grond, en stond rechtop

en vastberaden voor mij. In die houding waggelde hij met het hoofd

naar rechts en links, op eene zeer koddige manier, alsof het vermogen

van duidelijk zien alleen in het voor- en ondergedeelte der oogen

gelegen was. Deze vogel wordt gewoonlijk de "ezel-vetgans" genoemd,

vanwege zijne gewoonte om, als hij op het strand is, zijn hoofd naar

achteren te bewegen, en een zonderling schreeuwend geluid te maken,

dat zeer op het gebalk van een ezel gelijkt; maar is hij op zee, en

stoort men hem niet, dan is zijn geluid zeer diep en plechtig, en wordt

vaak des nachts gehoord. Bij het duiken worden zijne kleine vleugels

als vinnen gebruikt, maar op het land als voorpooten. Als hij--op vier

pooten kan men zeggen--door de bosjes gras of over de helling eener

begraasde rots kruipt, beweegt hij zich zoo snel, dat men hem licht

voor een viervoetig dier kan houden. Is hij op zee aan het visschen,

dan komt hij, om adem te scheppen, zoo onstuimig naar de oppervlakte

en duikt weer zoo plotseling, dat ik iedereen tart met zekerheid te

zeggen, dat dit geen visch was, die voor pleizier aan het springen was.

Twee soorten van ganzen bewonen de Falklands-Eilanden. De hooglandsche

soort (Anas Magellanica) bewoont paarsgewijze of in kleine troepen het

geheele eiland. Zij trekt niet, maar nestelt op de kleine afgelegen

eilandjes. Vermoedelijk geschiedt dit uit vrees voor de vossen;

en mogelijk om dezelfde reden zijn deze vogels, ofschoon zeer mak

bij dag, schuw en wild in de avondschemering. Zij leven geheel van

plantenstoffen. De klipgans, zoo genoemd omdat zij uitsluitend op

het zeestrand woont (Anas antarctica) [184] huist zoowel hier als

op de westkust van Amerika tot in Chili. In de diepe en afgelegen

kanalen van Vuurland vormt de sneeuwwitte mannetjesgans, die steeds

van zijn donkerder gekleurd wijfje vergezeld dicht bij haar op eene

verwijderde rotspunt staat, een gewoon tafereel in het landschap.

Eene groote, domme gans of eend (Anas brachyptera), die soms een

gewicht van 22 pounds bereikt, is op deze eilanden zeer talrijk. In

vroegeren tijd werden deze vogels, om hunne buitengewone manier

van in het water te pagaaien en te plassen, harddravers genoemd;

doch nu noemt men hen veel gepaster stoomers. Hunne vleugels zijn te

klein en te slap om te vliegen; maar door er deels mede te zwemmen

en deels de oppervlakte van het water te slaan, bewegen zij zich

zeer snel. De manier komt eenigszins overeen met die waarop de gewone

huiseend vlucht, als hij door een hond vervolgd wordt; maar ik ben er

bijna zeker van, dat de Anas brachyptera hare vleugels beurt om beurt

beweegt, in plaats van beide tegelijk, zooals bij andere vogels. Deze

plompe, domme eend maakt zulk een vreemd geluid en geplas, dat het

een ongewonen indruk achterlaat.

In Zuid-Amerika vinden wij dus drie vogels, die hunne vleugels voor

andere doeleinden, als vliegen, gebruiken: de vetgans als vinnen;

de stoomer als riembladen of schoepen, en de struisvogel als zeilen;

terwijl de Apteryx van Nieuw-Zeeland, zoowel als zijn reusachtig

prototype, de Dinornis, slechts rudimentaire vertegenwoordigers

van vleugels bezitten. [185] De stoomer kan alleen over zeer korten

afstand duiken. Hij voedt zich geheel met schaaldieren uit het zeewier

en van vloedrotsen, ten gevolge waarvan zijn bek en kop, om die te

kunnen breken, verbazend hard en sterk zijn. De kop is zoo sterk,

dat ik hem met mijn geologischen hamer bijna niet kon splijten,

en spoedig ontdekten al onze jagers hoe taai het leven dezer vogels

is. Als zij des avonds, in een troep bijeengezeten, hunne vederen

opstrijken, maken zij hetzelfde zonderlinge mengsel van geluiden,

als de oskikvorschen in de keerkringen.

In Vuurland zoowel als op de Falklands-Eilanden deed ik vele

waarnemingen op de lagere zeedieren; maar deze zijn niet van algemeen

belang. [186] Ik zal slechts ééne soort van feiten vermelden, welke

op zekere Zoöphieten of plantdieren in de hooger georganiseerde

afdeeling dezer klasse betrekking hebben. Verscheidene geslachten

(Flustra, Eschara, Cellaria, Crisia, en andere) komen hierin

overeen, dat zij zonderlinge beweeglijke organen bezitten (zooals

die van Flustra avicularia, welke in de Europeesche zeeën gevonden

wordt), die aan hunne cellen bevestigd zijn. Dit orgaan gelijkt in

de meeste gevallen zeer na op een gierekop, met dit verschil, dat

de onderkaak veel wijder geopend kan worden dan in den bek van een

werkelijken vogel. De kop zelf bezit door middel van een korten nek

een aanzienlijk bewegingsvermogen. Bij den eenen zoöphiet was de kop

zelf vast, maar de onderkaak vrij; bij een anderen werd hij vervangen

door een driehoekige kap met eene fraai passende klep, die blijkbaar

de onderkaak voorstelde. Bij de meeste soorten was elke cel van één

hoofd voorzien, doch bij andere had elke cel er twee.

De jonge cellen aan het einde der takken van deze koraalgewassen

bevatten geheel onrijpe poliepen; toch zijn de daaraan gehechte

gierekoppen, hoewel klein, in elk opzicht volkomen. Als de poliep met

eene naald uit eene der cellen verwijderd werd, schenen deze organen in

't minst niet geraakt. Werd een der zoogenoemde gierekoppen van eene

cel afgesneden, dan behield de onderkaak haar vermogen tot openen en

sluiten. Het zonderlingste in hun bouw is misschien wel, dat, als

er meer dan twee rijen cellen op een tak waren, de centrale cellen

van zulke aanhangsels voorzien waren, die slechts een vierde van de

grootte der buitenste hadden. Hunne bewegingen wisselden af naar de

soort; maar terwijl ik bij enkelen nooit de geringste beweging zag,

schommelden anderen, met de onderkaak meestal open en ongeveer ééns

in de vijf secunden, voor- en achteruit; weer anderen bewogen zich

snel en met rukken. Met eene naald aangeraakt, greep de bek de punt

meestal zoo stevig vast, dat men den geheelen tak kon schudden.

Deze lichamen staan in hoegenaamd geen verband met de voortbrenging van

de eieren of knoppen, wijl zij gevormd worden voordat de jonge poliepen

in de cellen aan het einde der groeiende takken verschijnen. Daar

zij zich onafhankelijk van de poliepen bewegen, en in geenerlei

verband met dezen schijnen te staan; en wijl zij op de buitenste en

binnenste celrijen verschillen, koester ik weinig twijfel of zij

zijn in hunne functiën eerder aan de hoornachtige as der takken,

dan aan de poliepen in de cellen verwant. Het vleezige aanhangsel aan

de onderste extremiteit van de zeeveder (te Bahia Blanca beschreven)

maakt ook deel uit van den zoöphiet als een geheel, op dezelfde wijs

als de wortels van een boom deel uitmaken van een geheelen boom en

niet van het loof of de bloemknoppen alleen.

Bij een ander sierlijk klein koraalgewas (Crisia?) was elke cel van

een langen getanden borstel voorzien, die het vermogen had van zich

snel te bewegen. Elk dezer borstels en elk der zoogenoemde gierekoppen

bewoog zich meestal onafhankelijk van de andere; maar soms bewogen

allen aan beide zijden van een tak, of alleen die aan ééne zijde zich

tegelijktijdig; dan weêr bewoog elk zich in regelmatige orde de een

na den anderen. In deze handelingen bij den zoöphiet, ofschoon uit

duizende verschillende poliepen samengesteld, zien wij blijkbaar eene

even volkomen wilsoverdracht, als bij een enkelvoudig dier. Inderdaad

verschilt het geval niet van dat der zeeveders, die zich aan de kust

van Bahia Blanca in het zand terugtrokken, zoodra men ze aanraakte. Ik

zal een ander voorbeeld noemen van gelijkmatige handeling, hoewel van

zeer verschillenden aard, bij een zoöphiet die nauw aan Clytia verwant

en dus zeer eenvoudig georganiseerd is. Nadat ik eens eene groote

pluim daarvan in eene kom met zout water had gedaan, bespeurde ik,

toen het donker was, dat telkens als ik een stuk van den tak wreef, de

geheele pluim met een sterk groen licht phosphoresceerde. Ik herinner

mij niet ooit een schooner verschijnsel gezien te hebben. Doch het

merkwaardigste van het geval was, dat de lichtstralingen zich altijd

opwaarts langs de takken bewogen, van de basis naar de uiteinden.

Het onderzoek van deze samengestelde dieren boezemde mij altijd

zeer veel belang in. Wat kan merkwaardiger zijn dan een plantachtig

lichaam een ei te zien voortbrengen, hetwelk in staat is rond te

zwemmen en eene geschikte plaats te kiezen om zich vast te hechten;

waaruit vervolgens takken ontspruiten, elk met tallooze afzonderlijke

dieren van dikwijls saamgestelden bouw bedekt? Daarenboven bezitten

de takken, gelijk wij juist zagen, somtijds organen, die zich kunnen

bewegen en onafhankelijk zijn van de poliepen. Hoe verwonderlijk deze

vereeniging van afzonderlijke individuën op een gemeenschappelijken

stam ook altijd schijnen moet, vertoont toch elke boom hetzelfde feit;

want knoppen moeten als planten op zich zelven worden beschouwd. Het is

echter natuurlijk, dat men een poliep, die in 't bezit is van een mond,

ingewanden en andere organen, als een zelfstandig individu beschouwt,

terwijl de individualiteit of persoonlijkheid van een bladerknop niet

licht verwezenlijkt wordt; zoodat de vereeniging van afzonderlijke

individuën tot een gemeenschappelijk lichaam ons meer treft in een

koraalgewas dan in een boom. Ons begrip van een samengesteld dier kan,

waar de persoonlijkheid van elk in sommige opzichten niet volledig is,

opheldering vinden door de overweging, dat twee afzonderlijke wezens

worden voortgebracht, als men een enkelvoudig met een mes in tweeën

snijdt, of als de Natuur zelve de taak der halveering verricht. Wij

kunnen de poliepen op een plantdier, of de knoppen aan een boom als

gevallen beschouwen, waarin de deeling van het individu niet geheel is

tot stand gekomen. Te oordeelen volgens analogie met de koraalgewassen,

schijnen zeker, wat de boomen betreft, de door knoppen voortgeplante

individuën nader aan elkander verwant, dan eieren of zaden aan hunne

ouder-individuën. Het schijnt thans vrijwel vastgesteld te zijn, dat

gewassen, door knoppen voortgeplant, allen een gemeenschappelijke

levensduur hebben; en iedereen weet welke zonderlinge en talrijke

eigenaardigheden met zekerheid worden overgebracht door knoppen,

afleggers en enten, die door zaadvoortplanting nooit of slechts

toevallig weêrverschijnen.

HOOFDSTUK X.

TIERRA DEL FUEGO OF VUURLAND.

[17 December 1832.]

Nu ik met Patagonië en de Falklands-Eilanden heb afgehandeld, zal

ik onze eerste aankomst in Vuurland beschrijven. Kort na den middag

zeilden wij Kaap San Diëgo om, en voeren de vermaarde Straat van Le

Maire in. Wij stevenden dicht langs de Vuurlandsche kust; maar de

omtrek van het rotsachtige, ongastvrije Staten-Eiland was tusschen

de wolken zichtbaar. In den namiddag ankerden wij in de Baai van

Good Success. Bij onze binnenkomst werden wij begroet op eene wijze,

zooals den inwoners van dit wildenland betaamde. Een troep Vuurlanders

zat gedeeltelijk in het dichte woud verscholen, op een ongenaakbare,

boven zee uitspringende rotspunt; en nauwelijks gingen wij voorbij,

of zij sprongen op, zwaaiden met hunne gescheurde mantels, en deden

een luid, schreeuwend gejuich hooren. De wilden volgden het schip;

en even voordat het donker was, zagen wij hunne vuren en hoorden

opnieuw hun woest geschreeuw. De haven vormt een fraaien waterplas,

half omringd door hooge ronde bergen van leemschiefer, die tot aan

den rand van het water met een dicht en donker woud bedekt zijn. Een

enkele blik op het landschap was voldoende om mij te toonen hoezeer

dit verschilde van al wat ik ooit gezien had. Des nachts woei er een

stevige koelte en schoten hevige rukwinden uit het gebergte over ons

heen. Het moet dien nacht op zee slecht weêr geweest zijn; en wij

zoowel als anderen kunnen deze kaap terecht Bay of Good Success noemen.

Des morgens zond de kapitein eene bemande boot, om met de Vuurlanders

te onderhandelen. Zoodra wij elkander konden beroepen, trad een

der vier aanwezige inlanders naar voren om ons te ontvangen, en

begon een geweldig geschreeuw aan te heffen, om ons te beduiden waar

wij konden landen. Toen wij aan land waren, schenen de inboorlingen

eenigszins verschrikt, maar bleven, onder het maken van snelle gebaren,

doorpraten. Het was ongetwijfeld het zeldzaamste en belangwekkendste

schouwspel dat ik ooit zag; ik had nooit kunnen gelooven, dat er

tusschen wilden en beschaafden zulk een groot verschil was: het

is grooter dan tusschen een wild en tam dier, omdat de mensch een

grooter vermogen heeft zich te verbeteren. De voornaamste spreker

was een oud man, die het hoofd van het gezin scheen te zijn; de drie

anderen waren krachtige jonge mannen van ongeveer zes voet lang. De

vrouwen en kinderen waren weggestuurd. Deze Vuurlanders behooren tot

een geheel ander ras dan de niet wel opgegroeide, ongelukkige stumpers

die meer westwaarts wonen, en schijnen na aan de forsche Patagoniërs

der Straat van Magelhaen verwant. Hunne geheele kleeding bestaat uit

een mantel van guanaco-huid, met de wol naar buiten; zij dragen dien

los over de schouders geworpen, zoodat hun lichaam beurtelings bloot

en gedekt is. De kleur hunner huid is groezelig koperrood.

De oude man had een band van witte veêren om het hoofd gebonden,

waarachter zijn zwarte, grove en verwarde haren gedeeltelijk verborgen

waren. Twee breede dwarsstrepen kruisten zijn gezicht: de eene,

lichtrood van kleur, liep van het eene oor naar het andere en omsloot

de bovenlip; de andere, wit als kalk, liep boven en evenwijdig aan de

eerste, zóó dat zelfs de oogleden wit waren. De drie andere mannen

waren versierd met strepen van een zwart poeder, dat uit houtskool

bereid was. Het gezelschap had veel weg van de duivels, die in stukken

als Der Freischütz op het tooneel komen.

Hunne houding zelve was kruipend, en de uitdrukking van hun

gezicht wantrouwend, verwonderd en verschrikt. Toen wij hun een

scharlakenrooden doek hadden aangeboden, dien zij terstond om hun hals

wonden, werden wij goede vrienden. Dit bleek hieruit, dat de oude

man ons over de borst streek, en een soort klokkend of liefkoozend

geluid maakte, zooals menschen die kuikens voederen. Terwijl ik met

den oude voortliep, werd dit bewijs van vriendschap verscheidene

keeren herhaald, en eindelijk besloten met drie harde klappen, die

mij tegelijk op borst en rug gegeven werden. Daarna ontblootte hij

zijne borst, opdat ik het compliment zou beantwoorden; en toen dit

gedaan was, scheen hij uitermate verheugd. Voorzoover wij opmerkten,

verdient de taal van deze lieden bijna niet den naam van eene

gearticuleerde. Kapitein Cook heeft haar vergeleken bij het geluid

van iemand, die zijn keel schraapt; maar stellig schraapte nooit een

Europeaan zijne keel met zooveel harde, scherpe en korte keelklanken.

Zij zijn voortreffelijke mimici of nabootsers; telkens als wij

hoestten of gaapten, of eene zonderlinge beweging maakten, bootsten

zij ons onmiddellijk na. Eenigen van ons gezelschap begonnen scheel te

kijken en scheeve gezichten te trekken; maar een der jonge Vuurlanders

(hij wiens gezicht zwart geschilderd was, behalve een witten band

over zijn oogen) maakte veel leelijker grimassen. Zij konden elk

woord van een zin dien wij hun voorzeiden, volkomen juist herhalen,

en herinnerden zich zulke woorden eenigen tijd. Intusschen weten

alle Europeanen hoe moeilijk het is de klanken in eene vreemde

taal van elkaar te onderscheiden. Wie onzer, bij voorbeeld, kon

een Amerikaanschen Indiaan verder dan een zin van drie woorden lang

volgen? Alle wilden schijnen dit nabootsingsvermogen in ongewone mate

te bezitten. Bijna in dezelfde bewoordingen vertelde men mij dezelfde

belachelijke gewoonte onder de Kaffers; ook de Australiërs staan

lang bekend om hunne bekwaamheid in het nabootsen en beschrijven van

den menschelijken gang, zóó dat de persoon herkend kan worden. Hoe

kunnen wij dit vermogen verklaren? Is het een gevolg der meerdere

geoefendheid van het waarnemingsvermogen en de scherpe zintuigen,

die allen wilden stammen gemeen is, vergeleken met de lang beschaafde?

Toen ons gezelschap een lied begon te zingen, dacht ik, dat de

Vuurlanders van verwondering op den grond zouden vallen. Met evenveel

verbazing zagen zij ons dansen; maar op ons verzoek had een der jonge

mannen geen bezwaar tegen een walsje. Hoe weinig zij ook aan Europeanen

gewoon schenen, toch kenden en vreesden zij onze vuurwapenen; en

niets kon hen bewegen een geweer in handen te nemen. Zij verzochten

om messen, die zij bij het Spaansche woord cuchilla noemden. Ook

verklaarden zij wat zij noodig hadden, door te doen alsof zij een

stuk spek in den mond hadden, en dan er schijnbaar in te snijden in

plaats van het vaneen te scheuren.

Tot nu toe heb ik niet van de Vuurlanders gesproken, die wij aan

boord hadden. Op de vorige reis van de Adventure en de Beagle in 1826

en 1830, legde kapitein Fitz-Roy de hand op een troep inboorlingen,

als gijzelaars voor het verlies van eene boot, die tot groot gevaar

van eenige met de opmeting belaste personen gestolen was; en eenige

van deze inboorlingen, benevens een kind, dat hij voor een parelknoop

gekocht had, nam hij mee naar Engeland met het plan hen voor zijne

kosten op te voeden en in den godsdienst te onderwijzen. Deze

inboorlingen weder naar hun land te brengen was voor kapitein

Fitz-Roy eene hoofdreden waarom hij deze reis ondernam; en voordat

de Admiraliteit besloten had deze expeditie uit te zenden, had de

kapitein op edelmoedige wijze een schip bevracht, waarop hij hen zelf

zou terugbrengen. De inboorlingen waren vergezeld van een zendeling,

R. Matthews, over wien de kapitein een volledig en uitmuntend verhaal

in het licht heeft gegeven, waarin ook de inboorlingen uitvoerig

worden besproken.

Aanvankelijk waren meegenomen twee mannen, van wie er een in Engeland

aan de kinderpokken stierf, een jongen en een klein meisje; en nu

hadden wij aan boord York Minster, Jemmy Button (wiens naam "Knoop"

zijn inkoopsprijs uitdrukt) en Fuegia Basket. York Minster was een

volwassen, kort, breed en sterk man; teruggetrokken, stilzwijgend en

knorrig van aard, werd bij geweldig driftig als men hem plaagde. Hij

had voor enkele personen aan boord eene zeer sterke genegenheid

opgevat, en bezat een goed verstand. Jemmy Button was ieders

gunsteling, maar óók opvliegend; de uitdrukking van zijn gezicht

verried terstond zijn prikkelbare natuur. Hij was vroolijk, lachte

dikwijls, en was bijzonder medelijdend jegens elk die pijn had. Bij

ruw weder was ik vaak wat zeeziek, en dan placht hij bij mij te komen

en op klagenden toon te zeggen: "Arme, arme man!"

Maar het denkbeeld, dat bij gedurende zijn leven op zee gekregen

had van iemand die zeeziek is, was al te kluchtig; en meestal moest

hij het gezicht afwenden om een stil of luid gelach te onderdrukken,

en eerst daarna zijn uitroep: "Arme, arme man!" te herhalen. Hij was

vaderlandslievend van aard; prees gaarne zijn eigen stam en land,

waarvan hij terecht zeide, dat er overvloed van boomen waren; schold

op alle andere stammen, en verklaarde stoutweg, dat er in zijn land

geen duivel was.

Jemmy was klein, dik en gezet, maar ijdel op zijn persoonlijk

voorkomen. Altijd droeg hij handschoenen; zijn haar was kort geknipt,

en hij was wanhopig als zijne zorgvuldig gepoetste schoenen morsig

werden. Hij was er op verzot zich in een spiegel te bewonderen. Een

kleine Indiaansche jongen met een jolig gezicht en van de Rio Negro

afkomstig, dien wij eenige maanden aan boord hadden, bemerkte dit

spoedig en hield hem gewoonlijk voor den gek; maar Jemmy, die anders

steeds bereid was den kleinen Indiaan van dienst te zijn, hield

daar volstrekt niet van, en zeide met een eenigszins verachtelijk

hoofdgebaar: "Je snatert te veel!"

En toch, als ik aan al zijn vele goede eigenschappen terugdenk,

schijnt het mij verwonderlijk toe, dat hij tot hetzelfde ras behoorde

en ongetwijfeld hetzelfde karakter heeft bezeten als die ellendige,

achterlijke wilden die wij hier het eerst ontmoetten.

Wat eindelijk Fuegia Basket betreft, zij was een aardig, bescheiden,

ingetogen jong meisje met een eenigszins innemend, maar somtijds

knorrig uiterlijk, en zeer vlug in het leeren, vooral van talen. Dit

bewees zij door het opvangen van wat Portugeesch en Spaansch, toen zij

slechts korten tijd te Rio de Janeiro en Montevideo was achtergelaten,

en door hare kennis van het Engelsch. York Minster was zeer jaloersch

op elke attentie, die haar werd bewezen; want blijkbaar had hij plan

haar te trouwen, zoodra zij aan land zouden zijn.

De Reis om de Wereld · 第 20 / 56 段