Vóór zonsopgang begonnen wij onze daling. Met groote snelheid schoten

wij den stroom af, meest met een spoed van 10 knoopen (18530 Met.) in

het uur. Op dezen eenen dag vorderden wij evenveel als in vijf en een

halven dag hard werken bij het opvaren. Op den 8sten dag bereikten

wij de Beagle na een tocht van 21 dagen. Elk had reden om onvoldaan

te zijn, behalve ik zelf; want mij gaf de opvaring eene hoogst

belangwekkende doorsnede te zien van de groote tertiaire formatie

van Patagonië.

Op 1 Maart 1833 en andermaal op 16 Maart 1834 ankerde de Beagle in

Berkeley Sound op Oost-Falklands-Eiland. Deze Archipel ligt op nagenoeg

dezelfde breedte als en ten oosten der Straat van Magelhaen, beslaat

eene oppervlakte van 120 bij 60 geographical miles, en is iets meer dan

half zoo groot als Ierland. [171] Nadat het bezit van deze ellendige

eilanden door Frankrijk, Spanje en Engeland betwist was geworden,

werden zij onbewoond gelaten. De Regeering van Buenos Aires verkocht

hen toen aan een particulier persoon, doch gebruikte hen, evenals

Spanje in vroeger tijden, voor strafkolonie. Daarop deed Engeland zijne

rechten gelden en nam hen in 1833 in bezit. De Engelschman, die ter

bewaking van de vlag was achtergelaten, werd later vermoord. Hierna

werd er een Britsch officier zonder gewapende macht heen gezonden;

en dezen vonden wij bij onze komst aan het hoofd eener bevolking, die

voor meer dan de helft uit weggeloopen rebellen en moordenaars bestond.

Het tooneel is de voorstellingen waardig, die er op afgespeeld

zijn. Een golvend land met een troosteloozen, ellendigen aanblik, dat

overal met een veenachtigen grond en dradig gras van eene eentonige

bruine kleur bedekt is. Hier en daar breekt een bergspits of rotsrug

van grijs kwarts door de effene oppervlakte. Ieder heeft wel eens van

het klimaat dezer streken gehoord. Men zou het kunnen vergelijken met

dat, hetwelk 1000 tot 2000 voet hoog in de bergen van Noord-Wallis

wordt gevonden: met dit verschil, dat het minder zonneschijn en minder

koude, doch meer wind en regen heeft. [172]

[16 Maart.]

Ik zal nu een korten uitstap beschrijven, dien ik op een deel van

het eiland volbracht. Des morgens reed ik uit met zes paarden en

twee Gauchos: beiden mannen, uitstekend voor het doel geschikt,

en wel gewoon van eigen middelen te leven. Het weder was zeer

koud en onstuimig, met hevige hagelstormen. Wij kwamen echter vrij

goed vooruit; doch behalve de geologie, leverde onze dagrit bijna

niets op dat belangstelling verdiende. Overal hetzelfde golvende

heideland, welks oppervlakte bedekt was met lichtbruin verweerd gras

en enkele zeer kleine struiken, die alle uit een buigzamen veengrond

opschoten. In de valleien kon men hier en daar eene kleine kudde

wilde ganzen zien; en overal was de grond zoo zacht, dat de snip

er zijn voedsel kon vinden. Buiten deze vogels waren er maar weinig

andere. Er is eene hoofdketen van bijna 2000 voet hooge bergen, uit

kwarts bestaande, welker ruwe en naakte toppen ons bij het overklimmen

eenige moeite veroorzaakten. Aan de zuidzijde kwamen wij in land,

dat voor wild vee zeer goed geschikt is; maar daar dit onlangs fel

gejaagd was, vonden wij er niet veel van.

Des avonds stieten wij op eene kleine kudde. Een mijner metgezellen,

St.-Jago genaamd, zonderde spoedig een vette koe af, wierp zijne bolas

en trof hare pooten, maar kon deze niet omstrikken. Toen wierp hij zijn

hoed neer, om de plek terug te vinden waar de bolas gevallen waren,

wond in vollen galop zijn lazo los, en haalde na eene zeer ingespannen

jacht de koe opnieuw in, die hij nu bij de horens ving. Daar de andere

Gaucho met de reserve-paarden vooruit gereden was, kostte het St.-Jago

eenige moeite om het woedende beest te dooden. Hij trachtte haar naar

een effen terrein te voeren, door telkens van de gelegenheid gebruik

te maken als zij op hem toerende. Wilde zij zich niet bewegen, dan

kwam mijn paard, op zulke jachten afgericht, in korten galop achter

haar aan, en gaf haar met zijn borst een hevigen stoot. Maar zelfs

op effen grond schijnt het voor één man geen gemakkelijk werk een

dier te dooden, dat razend is van schrik. En het zou ook niet kunnen,

indien het paard, dat zonder den ruiter aan zijn lot is overgelaten,

voor eigen veiligheid niet spoedig leerde den lazo strak te houden;

zoodat, als de koe of os naar voren stuift, het paard zich even

schielijk voortbeweegt; anders staat het onbeweeglijk naar één

kant geleund. Dit paard was echter een jong dier en wilde niet

stilstaan, maar liep terug als de koe zich poogde los te rukken. Het

was verwonderlijk te zien, met welke behendigheid St.-Jago achter

de koe uitweek, tot hij er eindelijk in slaagde aan de groote pees

van den achterpoot de noodlottige snede toe te brengen. Zonder veel

moeite stak hij toen zijn mes in het hoofdeinde van het ruggemerg,

en viel de koe als door den bliksem getroffen neer. Nadat eenige

stukken vleesch met de huid er aan, doch zonder beenderen en genoeg

voor onzen tocht, waren afgesneden, reden wij naar onze slaapplaats,

en hadden voor ons avondeten carne con cuero of gebraden vleesch

met de huid er aan. Dit is evenver boven rundvleesch te verkiezen,

als wildbraad boven schapenvleesch. Een groot cirkelvormig stuk wordt

boven de gloeiende asch of kolen gehouden, met de huid omlaag en in

den vorm van een schotel, zoodat van het vleeschnat niets verloren

gaat. Indien de een of andere achtbare raadsheer uit Londen dien avond

met ons gegeten had, zou het carne con cuero in die stad ongetwijfeld

spoedig vermaardheid hebben gekregen.

Des nachts regende het, en de volgende dag (17 Mei) was zeer

stormachtig met veel hagel en sneeuw. Wij reden dwars over het eiland

naar de landtong, welke Rincon del Toro (het groote schiereiland

aan de zuidwestpunt) met de rest van het eiland verbindt. Doordien

een groot aantal koeien gedood zijn, zijn hier de stieren ver in

de meerderheid. Deze zwerven alleen, of bij twee en drie te zamen,

en zijn zeer wild. Nooit zag ik zulke prachtige beesten; in hunne

forsche koppen en nekken evenaarden zij de marmeren standbeelden

der Grieken. Kapitein Sulivan meldt mij, dat de huid van een stier

van gemiddelde grootte 47 pounds weegt, terwijl eene minder goed

gedroogde huid van dit gewicht te Montevideo als eene zeer zware wordt

beschouwd. De jonge stieren loopen, bij het zien van een ruiter, in den

regel een eind weg; maar de ouden verzetten geen voet, tenzij om op den

ruiter toe te hollen; en vele paarden zijn zoodoende gedood. Een oude

stier waadde door een modderigen stroom, en vatte recht tegenover ons

post. Vruchteloos poogden wij hem te verjagen; en toen dit mislukte,

waren wij verplicht een grooten omweg te nemen. Uit weerwraak daarvoor

besloten de Gauchos hem te overmannen en voor het vervolg onschadelijk

te maken. Het was zeer van belang te zien, hoe volkomen de kunst

zegevierde over de kracht. Een lazo werd om zijn horens geworpen, toen

hij op de paarden toesnelde, en een tweede om zijn achterpooten; in een

minuut lag het monster machteloos tegen den grond. Wanneer een lazo

eenmaal strak om de horens van een woedend dier is geworpen, schijnt

het oppervlakkig niet gemakkelijk hem te ontwarren, zonder het beest

te dooden; ook vrees ik dat het niet gaan zou, indien de man alleen

was. Doch met behulp van een tweeden persoon, die zijn lazo zóó werpt

dat de beide achterpooten worden gegrepen, is het spoedig geschied;

want zoolang de achterpooten gestrekt worden gehouden, is het dier

volkomen hulpeloos; en de eerste kan met zijne handen den lazo van de

horens losmaken, en daarna kalm te paard stijgen. Op het oogenblik

echter, dat de tweede man iets inloopt en de spanning vermindert,

glijdt de lazo van de pooten van het worstelende dier, dat hierna

vrij oprijst, zich schudt, en vruchteloos zijn tegenstander narent.

Op onzen ganschen tocht zagen wij slechts één troep wilde paarden. Deze

dieren werden, evenals het vee, in 1764 door de Franschen ingevoerd,

en hebben zich sedert dien tijd sterk vermenigvuldigd. Het is een

merkwaardig feit, dat de paarden nooit het oosteinde van het eiland

hebben verlaten, ofschoon geen enkele natuurlijke grens hun belet

rond te zwerven, en dat gedeelte van het eiland niet aantrekkelijker

is dan het overige. De Gauchos, door mij hierover ondervraagd, konden,

ofschoon zij het feit bevestigden, er geen andere verklaring van geven,

dan dat de paarden sterk aan een plek grond hechten waaraan zij gewend

zijn. Overwegende, dat het eiland niet geheel door dieren bewoond

scheen en dat er geen roofdieren waren, was ik bijzonder benieuwd te

weten, wat hunne aanvankelijk snelle vermeerdering in den weg had

gestaan. Dat op een begrensd eiland vroeger of later eene stoornis

moet ontstaan, is onvermijdelijk; maar waarom was de vermeerdering

der paarden vroeger tot staan gekomen dan die van het vee? Kapitein

Sulivan heeft zich veel moeite gegeven dit voor mij te onderzoeken. De

hier wonende Gauchos schrijven de oorzaak voornamelijk hieraan toe,

dat de springhengsten voortdurend van de eene plek naar de andere

zwerven en de merries noodzaken hen te vergezellen, onverschillig

of de jonge veulens al dan niet in staat zijn te volgen. Een Gaucho

vertelde aan Sulivan, dat hij een hengst een vol uur lang eene merrie

had zien schoppen en bijten, tot hij haar noodzaakte haar veulen aan

zijn lot over te laten. Dit merkwaardige verhaal kan kapitein Sulivan

in zoover bevestigen, dat hij verscheidene malen jonge doode veulens

heeft gevonden, en daarentegen nooit een dood kalf. Bovendien worden

meer doode lichamen van volwassen paarden gevonden, dan van vee, alsof

de eersten meer aan ziekten of ongelukken onderhevig zijn. Wegens de

zachtheid van den grond bereiken hunne hoeven dikwijls een onregelmatig

groote lengte; en dit veroorzaakt lamheid. De overheerschende kleuren

zijn roodgrijs en ijzergrauw. Al de hier gefokte paarden, zoo tamme

als wilde, zijn, ofschoon goed geëvenredigd, wat klein van stuk,

en hebben zooveel kracht verloren, dat zij ongeschikt zijn om bij

het vangen van wild vee met den lazo te dienen; bijgevolg moet men

zich de groote kosten getroosten van versche paarden uit La Plata in

te voeren. In de toekomst zal het zuidelijk halfrond waarschijnlijk

zijn ras van Falklandsche ponies hebben, evenals het noordelijke zijn

Shetlandsch ras.

In stede van verbasterd te zijn, zooals de paarden, schijnt het vee,

gelijk wij boven opmerkten, in grootte te zijn toegenomen; ook is het

veel talrijker dan de paarden. Kapitein Sulivan bericht mij, dat het

vee in algemeenen lichaamsbouw en vorm der horens onderling veel minder

verschilt, dan het Engelsche. In kleur verschilt het echter zeer;

en het is een merkwaardig feit, dat op verschillende deelen van dit

eene kleine eiland, verschillende kleuren de overhand hebben. Rondom

Mount Usborne, op eene hoogte van 1000 tot 1500 voet boven de zee,

zijn sommige kudden voor ongeveer de helft muis- of loodkleurig:

eene tint, die op andere deelen van het eiland niet algemeen is. Bij

Port Pleasant heeft donkerbruin den boventoon, terwijl ten zuiden

van Straat Choiseul (welke het eiland bijna in tweeën verdeelt) het

meest witte beesten met zwarte hoofden en voeten voorkomen; zwarte en

enkele gevlekte dieren kan men in alle gedeelten aantreffen. Sulivan

merkt op, dat het verschil in de heerschende kleuren zoo in 't oog

sprong, dat, als men bij Port Pleasant naar de kudden keek, die op

de heuvelhellingen weidden, zij zich op verren afstand als zwarte

vlekken afteekenden, terwijl die ten zuiden van Straat Choiseul

onder dezelfde omstandigheden witte vlekken geleken. Sulivan denkt,

dat de kudden zich niet vermengen; en het is een zonderling feit dat

het muiskleurige vee, ofschoon op het hoogland levende, ongeveer eene

maand vroeger in het seizoen kalft, dan de andere gekleurde beesten

op het lagere land. Het is merkwaardig het eenmaal tamme vee zich zoo

te zien splitsen in drie kleuren, waarvan naar alle waarschijnlijkheid

ééne kleur ten slotte over de andere zou zegevieren, indien de kudden

in de eerstvolgende eeuwen ongestoord werden gelaten.

Een ander ingevoerd dier is het konijn, dat zeer wel geslaagd en nu

op groote stukken van het eiland in overvloed voorkomt. Doch evenals

de paarden, zijn zij binnen zekere grenzen beperkt; want zij hebben

de centrale bergketen niet overschreden, en zouden zelfs niet den

voet er van bereikt hebben, indien er geen kleine kolonies waren

heengebracht--zooals de Gauchos mij vertelden. Ik zou niet vermoed

hebben dat deze dieren, uit Noord-Afrika afkomstig, in een zoo vochtig

klimaat als dit konden leven, en waar zoo weinig zonneschijn is,

dat zelfs tarwe er alleen bij toeval tot rijpheid komt. Men zegt dat

in Zweden, welks klimaat toch algemeen voor gunstiger zou worden

gehouden, het konijn niet buitenshuis kan leven. Bovendien hadden

de eerste weinige paren hier te kampen tegen vijanden, als de vos

en eenige groote havikken, die al vroeger bestonden. De Fransche

natuuronderzoekers hebben de zwarte variëteit voor eene bijzondere

soort gehouden, en Lepus Magellanicus genoemd. [173] Zij meenden dat

Magelhaen deze soort bedoelde, toen hij sprak over een dier, dat onder

den naam conéjo [174] in de Straat van zijn naam voorkwam; maar hij

zinspeelde op een kleine Cávia Patagonica, die door de Spanjaarden

tot heden toe zoo genoemd is. [175]

De Gauchos lachten om het denkbeeld, dat de zwarte soort eene andere

zou zijn dan de grijze, en zeiden, dat de eerste in elk geval

haar gebied niet verder had uitgestrekt dan de tweede; dat beide

nooit afzonderlijk werden gevonden; dat zij gemakkelijk paarden,

en bonte nakomelingen voortbrachten. Van de laatsten bezit ik nu

een exemplaar, dat, wat de kenmerken van het hoofd betreft, van de

Fransche soortbeschrijving afwijkt. Dit feit getuigt hoe voorzichtig

natuuronderzoekers moeten zijn met het maken van soorten; want zelfs

Cuvier dacht, toen hij den schedel van een dezer konijnen bekeek,

dat het waarschijnlijk eene andere soort was!

De eenige inheemsche viervoeter van het eiland is een groote

wolfachtige vos (Canis antarcticus), die zoowel Oost- als West-Falkland

bewoont. [176] Ik twijfel niet of deze is eene bijzondere soort,

die zich tot dezen archipel bepaalt; want vele robbenvangers,

alsmede Gauchos en Indianen, die deze eilanden bezocht hebben,

verklaren eenstemmig dat een dergelijk dier nergens in Zuid-Amerika

gevonden wordt. Wegens eene overeenkomst in leefwijze dacht Molina,

dat deze vos dezelfde was als zijn culpeu; [177] maar ik heb beiden

gezien, en zij zijn geheel verschillend. Deze wolven zijn wel bekend

uit Byron's verhaal over hunne makheid en nieuwsgierigheid, welke

de zeelieden die te water gingen om hen te ontloopen, voor wildheid

hielden. Tot heden blijven hunne gewoonten dezelfde. Men heeft hen

eene tent zien binnengaan, waar zij een stuk vleesch onder het hoofd

van een slapenden man weghaalden. Ook hebben de Gauchos hen dikwijls

des avonds gedood, door hun met de eene hand een stuk vleesch voor te

houden, en met een mes in de andere een steek te geven. Voorzoover

ik weet, bestaat nergens ter wereld een tweede voorbeeld van een

stuk land, zoo klein en gebroken, daarbij ver van een vasteland, dat

zulk een grooten inheemschen viervoeter uitsluitend alleen bezit. Hun

aantal is snel afgenomen; reeds zijn zij van die helft van het eiland

verdwenen, welke oostwaarts ligt van de landtong tusschen St.-Salvator

Baai in Straat Berkeley. Binnen weinige jaren nadat deze eilanden

geregeld gekoloniseerd zullen zijn, zal deze vos waarschijnlijk,

evenals de Dodo, bestempeld worden als een dier, dat op de aarde is

uitgestorven. [178]

Des nachts (17 Mei) sliepen wij op de landtong aan het boveneinde der

Straat Choiseul, die het zuidwestelijk schiereiland vormt. De vallei

was aangenaam tegen den kouden wind beschut, maar er was zeer weinig

kreupelhout voor brandstof. Spoedig, echter, hadden de Gauchos iets

gevonden, dat tot mijne groote verbazing bijna evenveel hitte gaf als

steenkool. Dit was het skelet van een onlangs gedooden jongen stier,

wiens vleesch door de aashavikken was weggepikt. Zij zeiden mij,

dat zij des winters dikwijls een beest doodden, met hunne messen het

vleesch van de beenderen schraapten, en dan met dezelfde beenderen

het vleesch voor hun avondeten braadden.

[18 Mei.]

Het regende bijna den geheelen dag. Des nachts konden wij met onze

zadeldekken ons tamelijk droog en warm houden; maar de grond, waarop

wij sliepen, verkeerde bijna in den toestand van een moeras, en er was

bijna geen droge plek om na onzen dagrit te gaan zitten. Elders heb

ik gezegd hoe zonderling het is, dat op deze eilanden volstrekt geen

boomen zijn, ofschoon Vuurland geheel met bosch bedekt is. De grootste

struik op het eiland, tot de familie der Compositae behoorende,

is nauwelijks zoo hoog als onze brem. De beste brandstof levert een

kleine groene struik, ongeveer zoo groot als het gewone heidekruid,

die de nuttige eigenschap bezit van te branden terwijl hij versch

en groen is. Het was verrassend de Gauchos midden in den regen en

toen alles doorweekt was, met niet meer dan een tonderdoosje en een

lapje onmiddellijk vuur te zien maken. Zij zochten onder de bosjes

gras en struiken naar enkele droge takjes, en wreven die tot vezels;

deze omringden zij met grovere takken, ongeveer in den vorm van

een vogelnest, legden den lap met het vonkje vuur in het midden, en

overdekten hem op gelijke wijze. Nu werd het nest in den wind gehouden;

langzamerhand begon het te rooken, al meer en meer, tot eindelijk

de vlammen er uit sloegen. Ik geloof niet, dat met zulke vochtige

materialen eene andere methode kans van slagen zou hebben gehad.

[19 Mei.]

Elken morgen was ik zeer stijf, een gevolg hiervan, dat ik niet vooraf

eenigen tijd gereden had. Met verwondering hoorde ik de Gauchos, die

van jongs af bijna op het paard geleefd hebben, zeggen dat zij in zulke

omstandigheden altijd pijn hebben. St.-Jago vertelde mij, dat hij, na

drie maanden wegens ziekte aan huis gebonden te zijn geweest, uitging

om wild vee te jagen; maar dat zijn dijen daardoor de twee volgende

dagen zoo stijf waren, dat hij genoodzaakt was in bed te liggen. Dit

bewijst, dat de Gauchos toch wel degelijk spierkracht bij het rijden

gebruiken, al schijnt dit ook niet zoo. Het jagen van wild vee in een

land, dat wegens den moerassigen grond zoo moeilijk te begaan is, moet

een zeer zwaar werk zijn. De Gauchos zeggen, dat zij dikwijls in vollen

ren over een grond heen gaan, die bij langzamer rijden, onbegaanbaar

zou zijn; evenals dat men over dun ijs kan schaatsenrijden, waar

loopen onmogelijk is. Op de jacht pogen de jagers zoo dicht mogelijk

bij de kudde te komen, zonder ontdekt te worden. Elk man draagt vier

of vijf paar bolas bij zich; deze werpt hij achtereenvolgens naar een

gelijk aantal stuks vee, die, als zij gestrikt zijn, eenige dagen in

dien toestand worden achtergelaten, tot zij door honger en inspanning

wat zijn uitgeput. Dan worden zij vrij gelaten en naar eene kleine

kudde tamme dieren gedreven, die opzettelijk naar die plek gebracht

zijn. Daar de voorafgegane behandeling hen te zeer verschrikt heeft

om de kudde te verlaten, worden zij, als hunne krachten het toelaten,

gemakkelijk naar de kolonie gedreven.

Voortdurend bleef het weder zoo slecht, dat wij besloten spoed te

maken, en te trachten het schip nog voor den nacht te bereiken. Door de

groote hoeveelheid gevallen regen was de oppervlakte van het geheele

land moerassig. Ik geloof, dat mijn paard minstens een dozijn malen

viel, en soms spartelden alle zes paarden tegelijk in de modder. De

oevers van alle kleine stroomen bestaan uit zacht veen, dat het den

paarden zeer moeilijk maakt er zonder vallen over te springen. Als om

onzen tegenspoed te voltooien, waren wij verplicht den kop van een

zeeinham te doorwaden, waar het water zoo hoog stond als de ruggen

onzer paarden; en door den hevigen wind sloegen de golfjes over ons

heen, zoodat wij zeer nat en koud werden. Zelfs de Gauchos met hunne

ijzeren gestellen achtten zich gelukkig, toen zij na ons uitstapje

de kolonie bereikt hadden.

De geologische bouw dezer eilanden is in de meeste opzichten

eenvoudig. Het lagere land bestaat uit leemschiefer en zandsteen,

waarin fossielen, die aan de in de silurische formaties van Europa

gevondene zeer na verwant, doch niet geheel gelijk zijn; de bergen

zijn gevormd van wit korrelig kwartsgesteente. De lagen dezer laatsten

zijn dikwijls volkomen symmetrisch gewelfd, en bij gevolg is het

voorkomen van enkele bergen hoogst eigenaardig. Pernety [179] heeft

verscheidene bladzijden gewijd aan de beschrijving van een berg, Hill

of Ruins genaamd, welks op elkander volgende lagen hij terecht bij de

rangen van een amphitheater heeft vergeleken. Het kwartsgesteente moet

zeer deegachtig geweest zijn, toen het zulke merkwaardige buigingen

onderging zonder te breken. Daar het kwarts onmerkbaar in den zandsteen

overgaat, lijkt het waarschijnlijk, dat het eerste uit den zandsteen

is ontstaan, toen deze zoo hoog verhit was, dat hij dik-vloeibaar

werd en bij afkoeling kristalliseerde. De zandsteen moet vooraf in

zachten toestand door de bovenliggende lagen omhoog zijn gestuwd.

In vele gedeelten van het eiland zijn de dalbodems op buitengewone

wijze bedekt met tallooze groote en losse, hoekige brokken kwartziet,

die zoogenaamde "steenstroomen" vormen. Sedert den tijd van Pernety

heeft elk reiziger met verwondering hiervan melding gemaakt. De

brokken zijn niet door het water geslepen of afgerond, alleen zijn

hunne hoeken wat gestompt; in grootte wisselen zij af van een of

twee voet in doorsnede, tot tien- of zelfs meer dan twintigmaal

zooveel. Zij zijn niet in onregelmatige hoopen bijeengeworpen, maar

liggen in horizontale vlakten of groote stroomen verspreid. Het is

niet mogelijk hunne dikte te bepalen; maar verscheidene voeten onder

de oppervlakte kan men het water van kleine stroompjes door de steenen

hooren druppelen. Waarschijnlijk is de werkelijke diepte aanzienlijk,

daar de spleten tusschen de lagere brokken sedert lang met zand

gevuld moeten zijn. De breedte dezer steenvlakten wisselt tusschen

enkele honderden voeten en eene mijl; maar dagelijks overschrijdt de

veenachtige bodem de randen dier vlakten, en vormt zelfs eilandjes

daar waar enkele brokken dicht bij elkander liggen. In eene vallei

ten zuiden van Straat Berkeley, door eenigen van ons gezelschap de

"groote brokken-vallei" genoemd, moesten wij eene onafgebroken strook

van zulke steenen, die eene halve mijl breed was, oversteken, waarbij

wij van den eenen puntigen steen op den anderen sprongen. De brokken

waren zoo groot, dat, toen wij door eene regenbui overvallen werden,

ik gemakkelijk onder een ervan eene schuilplaats kon vinden.

De Reis om de Wereld · 第 19 / 56 段