wij den stroom af, meest met een spoed van 10 knoopen (18530 Met.) in
het uur. Op dezen eenen dag vorderden wij evenveel als in vijf en een
halven dag hard werken bij het opvaren. Op den 8sten dag bereikten
wij de Beagle na een tocht van 21 dagen. Elk had reden om onvoldaan
te zijn, behalve ik zelf; want mij gaf de opvaring eene hoogst
belangwekkende doorsnede te zien van de groote tertiaire formatie
van Patagonië.
Op 1 Maart 1833 en andermaal op 16 Maart 1834 ankerde de Beagle in
Berkeley Sound op Oost-Falklands-Eiland. Deze Archipel ligt op nagenoeg
dezelfde breedte als en ten oosten der Straat van Magelhaen, beslaat
eene oppervlakte van 120 bij 60 geographical miles, en is iets meer dan
half zoo groot als Ierland. [171] Nadat het bezit van deze ellendige
eilanden door Frankrijk, Spanje en Engeland betwist was geworden,
werden zij onbewoond gelaten. De Regeering van Buenos Aires verkocht
hen toen aan een particulier persoon, doch gebruikte hen, evenals
Spanje in vroeger tijden, voor strafkolonie. Daarop deed Engeland zijne
rechten gelden en nam hen in 1833 in bezit. De Engelschman, die ter
bewaking van de vlag was achtergelaten, werd later vermoord. Hierna
werd er een Britsch officier zonder gewapende macht heen gezonden;
en dezen vonden wij bij onze komst aan het hoofd eener bevolking, die
voor meer dan de helft uit weggeloopen rebellen en moordenaars bestond.
Het tooneel is de voorstellingen waardig, die er op afgespeeld
zijn. Een golvend land met een troosteloozen, ellendigen aanblik, dat
overal met een veenachtigen grond en dradig gras van eene eentonige
bruine kleur bedekt is. Hier en daar breekt een bergspits of rotsrug
van grijs kwarts door de effene oppervlakte. Ieder heeft wel eens van
het klimaat dezer streken gehoord. Men zou het kunnen vergelijken met
dat, hetwelk 1000 tot 2000 voet hoog in de bergen van Noord-Wallis
wordt gevonden: met dit verschil, dat het minder zonneschijn en minder
koude, doch meer wind en regen heeft. [172]
[16 Maart.]
Ik zal nu een korten uitstap beschrijven, dien ik op een deel van
het eiland volbracht. Des morgens reed ik uit met zes paarden en
twee Gauchos: beiden mannen, uitstekend voor het doel geschikt,
en wel gewoon van eigen middelen te leven. Het weder was zeer
koud en onstuimig, met hevige hagelstormen. Wij kwamen echter vrij
goed vooruit; doch behalve de geologie, leverde onze dagrit bijna
niets op dat belangstelling verdiende. Overal hetzelfde golvende
heideland, welks oppervlakte bedekt was met lichtbruin verweerd gras
en enkele zeer kleine struiken, die alle uit een buigzamen veengrond
opschoten. In de valleien kon men hier en daar eene kleine kudde
wilde ganzen zien; en overal was de grond zoo zacht, dat de snip
er zijn voedsel kon vinden. Buiten deze vogels waren er maar weinig
andere. Er is eene hoofdketen van bijna 2000 voet hooge bergen, uit
kwarts bestaande, welker ruwe en naakte toppen ons bij het overklimmen
eenige moeite veroorzaakten. Aan de zuidzijde kwamen wij in land,
dat voor wild vee zeer goed geschikt is; maar daar dit onlangs fel
gejaagd was, vonden wij er niet veel van.
Des avonds stieten wij op eene kleine kudde. Een mijner metgezellen,
St.-Jago genaamd, zonderde spoedig een vette koe af, wierp zijne bolas
en trof hare pooten, maar kon deze niet omstrikken. Toen wierp hij zijn
hoed neer, om de plek terug te vinden waar de bolas gevallen waren,
wond in vollen galop zijn lazo los, en haalde na eene zeer ingespannen
jacht de koe opnieuw in, die hij nu bij de horens ving. Daar de andere
Gaucho met de reserve-paarden vooruit gereden was, kostte het St.-Jago
eenige moeite om het woedende beest te dooden. Hij trachtte haar naar
een effen terrein te voeren, door telkens van de gelegenheid gebruik
te maken als zij op hem toerende. Wilde zij zich niet bewegen, dan
kwam mijn paard, op zulke jachten afgericht, in korten galop achter
haar aan, en gaf haar met zijn borst een hevigen stoot. Maar zelfs
op effen grond schijnt het voor één man geen gemakkelijk werk een
dier te dooden, dat razend is van schrik. En het zou ook niet kunnen,
indien het paard, dat zonder den ruiter aan zijn lot is overgelaten,
voor eigen veiligheid niet spoedig leerde den lazo strak te houden;
zoodat, als de koe of os naar voren stuift, het paard zich even
schielijk voortbeweegt; anders staat het onbeweeglijk naar één
kant geleund. Dit paard was echter een jong dier en wilde niet
stilstaan, maar liep terug als de koe zich poogde los te rukken. Het
was verwonderlijk te zien, met welke behendigheid St.-Jago achter
de koe uitweek, tot hij er eindelijk in slaagde aan de groote pees
van den achterpoot de noodlottige snede toe te brengen. Zonder veel
moeite stak hij toen zijn mes in het hoofdeinde van het ruggemerg,
en viel de koe als door den bliksem getroffen neer. Nadat eenige
stukken vleesch met de huid er aan, doch zonder beenderen en genoeg
voor onzen tocht, waren afgesneden, reden wij naar onze slaapplaats,
en hadden voor ons avondeten carne con cuero of gebraden vleesch
met de huid er aan. Dit is evenver boven rundvleesch te verkiezen,
als wildbraad boven schapenvleesch. Een groot cirkelvormig stuk wordt
boven de gloeiende asch of kolen gehouden, met de huid omlaag en in
den vorm van een schotel, zoodat van het vleeschnat niets verloren
gaat. Indien de een of andere achtbare raadsheer uit Londen dien avond
met ons gegeten had, zou het carne con cuero in die stad ongetwijfeld
spoedig vermaardheid hebben gekregen.
Des nachts regende het, en de volgende dag (17 Mei) was zeer
stormachtig met veel hagel en sneeuw. Wij reden dwars over het eiland
naar de landtong, welke Rincon del Toro (het groote schiereiland
aan de zuidwestpunt) met de rest van het eiland verbindt. Doordien
een groot aantal koeien gedood zijn, zijn hier de stieren ver in
de meerderheid. Deze zwerven alleen, of bij twee en drie te zamen,
en zijn zeer wild. Nooit zag ik zulke prachtige beesten; in hunne
forsche koppen en nekken evenaarden zij de marmeren standbeelden
der Grieken. Kapitein Sulivan meldt mij, dat de huid van een stier
van gemiddelde grootte 47 pounds weegt, terwijl eene minder goed
gedroogde huid van dit gewicht te Montevideo als eene zeer zware wordt
beschouwd. De jonge stieren loopen, bij het zien van een ruiter, in den
regel een eind weg; maar de ouden verzetten geen voet, tenzij om op den
ruiter toe te hollen; en vele paarden zijn zoodoende gedood. Een oude
stier waadde door een modderigen stroom, en vatte recht tegenover ons
post. Vruchteloos poogden wij hem te verjagen; en toen dit mislukte,
waren wij verplicht een grooten omweg te nemen. Uit weerwraak daarvoor
besloten de Gauchos hem te overmannen en voor het vervolg onschadelijk
te maken. Het was zeer van belang te zien, hoe volkomen de kunst
zegevierde over de kracht. Een lazo werd om zijn horens geworpen, toen
hij op de paarden toesnelde, en een tweede om zijn achterpooten; in een
minuut lag het monster machteloos tegen den grond. Wanneer een lazo
eenmaal strak om de horens van een woedend dier is geworpen, schijnt
het oppervlakkig niet gemakkelijk hem te ontwarren, zonder het beest
te dooden; ook vrees ik dat het niet gaan zou, indien de man alleen
was. Doch met behulp van een tweeden persoon, die zijn lazo zóó werpt
dat de beide achterpooten worden gegrepen, is het spoedig geschied;
want zoolang de achterpooten gestrekt worden gehouden, is het dier
volkomen hulpeloos; en de eerste kan met zijne handen den lazo van de
horens losmaken, en daarna kalm te paard stijgen. Op het oogenblik
echter, dat de tweede man iets inloopt en de spanning vermindert,
glijdt de lazo van de pooten van het worstelende dier, dat hierna
vrij oprijst, zich schudt, en vruchteloos zijn tegenstander narent.
Op onzen ganschen tocht zagen wij slechts één troep wilde paarden. Deze
dieren werden, evenals het vee, in 1764 door de Franschen ingevoerd,
en hebben zich sedert dien tijd sterk vermenigvuldigd. Het is een
merkwaardig feit, dat de paarden nooit het oosteinde van het eiland
hebben verlaten, ofschoon geen enkele natuurlijke grens hun belet
rond te zwerven, en dat gedeelte van het eiland niet aantrekkelijker
is dan het overige. De Gauchos, door mij hierover ondervraagd, konden,
ofschoon zij het feit bevestigden, er geen andere verklaring van geven,
dan dat de paarden sterk aan een plek grond hechten waaraan zij gewend
zijn. Overwegende, dat het eiland niet geheel door dieren bewoond
scheen en dat er geen roofdieren waren, was ik bijzonder benieuwd te
weten, wat hunne aanvankelijk snelle vermeerdering in den weg had
gestaan. Dat op een begrensd eiland vroeger of later eene stoornis
moet ontstaan, is onvermijdelijk; maar waarom was de vermeerdering
der paarden vroeger tot staan gekomen dan die van het vee? Kapitein
Sulivan heeft zich veel moeite gegeven dit voor mij te onderzoeken. De
hier wonende Gauchos schrijven de oorzaak voornamelijk hieraan toe,
dat de springhengsten voortdurend van de eene plek naar de andere
zwerven en de merries noodzaken hen te vergezellen, onverschillig
of de jonge veulens al dan niet in staat zijn te volgen. Een Gaucho
vertelde aan Sulivan, dat hij een hengst een vol uur lang eene merrie
had zien schoppen en bijten, tot hij haar noodzaakte haar veulen aan
zijn lot over te laten. Dit merkwaardige verhaal kan kapitein Sulivan
in zoover bevestigen, dat hij verscheidene malen jonge doode veulens
heeft gevonden, en daarentegen nooit een dood kalf. Bovendien worden
meer doode lichamen van volwassen paarden gevonden, dan van vee, alsof
de eersten meer aan ziekten of ongelukken onderhevig zijn. Wegens de
zachtheid van den grond bereiken hunne hoeven dikwijls een onregelmatig
groote lengte; en dit veroorzaakt lamheid. De overheerschende kleuren
zijn roodgrijs en ijzergrauw. Al de hier gefokte paarden, zoo tamme
als wilde, zijn, ofschoon goed geëvenredigd, wat klein van stuk,
en hebben zooveel kracht verloren, dat zij ongeschikt zijn om bij
het vangen van wild vee met den lazo te dienen; bijgevolg moet men
zich de groote kosten getroosten van versche paarden uit La Plata in
te voeren. In de toekomst zal het zuidelijk halfrond waarschijnlijk
zijn ras van Falklandsche ponies hebben, evenals het noordelijke zijn
Shetlandsch ras.
In stede van verbasterd te zijn, zooals de paarden, schijnt het vee,
gelijk wij boven opmerkten, in grootte te zijn toegenomen; ook is het
veel talrijker dan de paarden. Kapitein Sulivan bericht mij, dat het
vee in algemeenen lichaamsbouw en vorm der horens onderling veel minder
verschilt, dan het Engelsche. In kleur verschilt het echter zeer;
en het is een merkwaardig feit, dat op verschillende deelen van dit
eene kleine eiland, verschillende kleuren de overhand hebben. Rondom
Mount Usborne, op eene hoogte van 1000 tot 1500 voet boven de zee,
zijn sommige kudden voor ongeveer de helft muis- of loodkleurig:
eene tint, die op andere deelen van het eiland niet algemeen is. Bij
Port Pleasant heeft donkerbruin den boventoon, terwijl ten zuiden
van Straat Choiseul (welke het eiland bijna in tweeën verdeelt) het
meest witte beesten met zwarte hoofden en voeten voorkomen; zwarte en
enkele gevlekte dieren kan men in alle gedeelten aantreffen. Sulivan
merkt op, dat het verschil in de heerschende kleuren zoo in 't oog
sprong, dat, als men bij Port Pleasant naar de kudden keek, die op
de heuvelhellingen weidden, zij zich op verren afstand als zwarte
vlekken afteekenden, terwijl die ten zuiden van Straat Choiseul
onder dezelfde omstandigheden witte vlekken geleken. Sulivan denkt,
dat de kudden zich niet vermengen; en het is een zonderling feit dat
het muiskleurige vee, ofschoon op het hoogland levende, ongeveer eene
maand vroeger in het seizoen kalft, dan de andere gekleurde beesten
op het lagere land. Het is merkwaardig het eenmaal tamme vee zich zoo
te zien splitsen in drie kleuren, waarvan naar alle waarschijnlijkheid
ééne kleur ten slotte over de andere zou zegevieren, indien de kudden
in de eerstvolgende eeuwen ongestoord werden gelaten.
Een ander ingevoerd dier is het konijn, dat zeer wel geslaagd en nu
op groote stukken van het eiland in overvloed voorkomt. Doch evenals
de paarden, zijn zij binnen zekere grenzen beperkt; want zij hebben
de centrale bergketen niet overschreden, en zouden zelfs niet den
voet er van bereikt hebben, indien er geen kleine kolonies waren
heengebracht--zooals de Gauchos mij vertelden. Ik zou niet vermoed
hebben dat deze dieren, uit Noord-Afrika afkomstig, in een zoo vochtig
klimaat als dit konden leven, en waar zoo weinig zonneschijn is,
dat zelfs tarwe er alleen bij toeval tot rijpheid komt. Men zegt dat
in Zweden, welks klimaat toch algemeen voor gunstiger zou worden
gehouden, het konijn niet buitenshuis kan leven. Bovendien hadden
de eerste weinige paren hier te kampen tegen vijanden, als de vos
en eenige groote havikken, die al vroeger bestonden. De Fransche
natuuronderzoekers hebben de zwarte variëteit voor eene bijzondere
soort gehouden, en Lepus Magellanicus genoemd. [173] Zij meenden dat
Magelhaen deze soort bedoelde, toen hij sprak over een dier, dat onder
den naam conéjo [174] in de Straat van zijn naam voorkwam; maar hij
zinspeelde op een kleine Cávia Patagonica, die door de Spanjaarden
tot heden toe zoo genoemd is. [175]
De Gauchos lachten om het denkbeeld, dat de zwarte soort eene andere
zou zijn dan de grijze, en zeiden, dat de eerste in elk geval
haar gebied niet verder had uitgestrekt dan de tweede; dat beide
nooit afzonderlijk werden gevonden; dat zij gemakkelijk paarden,
en bonte nakomelingen voortbrachten. Van de laatsten bezit ik nu
een exemplaar, dat, wat de kenmerken van het hoofd betreft, van de
Fransche soortbeschrijving afwijkt. Dit feit getuigt hoe voorzichtig
natuuronderzoekers moeten zijn met het maken van soorten; want zelfs
Cuvier dacht, toen hij den schedel van een dezer konijnen bekeek,
dat het waarschijnlijk eene andere soort was!
De eenige inheemsche viervoeter van het eiland is een groote
wolfachtige vos (Canis antarcticus), die zoowel Oost- als West-Falkland
bewoont. [176] Ik twijfel niet of deze is eene bijzondere soort,
die zich tot dezen archipel bepaalt; want vele robbenvangers,
alsmede Gauchos en Indianen, die deze eilanden bezocht hebben,
verklaren eenstemmig dat een dergelijk dier nergens in Zuid-Amerika
gevonden wordt. Wegens eene overeenkomst in leefwijze dacht Molina,
dat deze vos dezelfde was als zijn culpeu; [177] maar ik heb beiden
gezien, en zij zijn geheel verschillend. Deze wolven zijn wel bekend
uit Byron's verhaal over hunne makheid en nieuwsgierigheid, welke
de zeelieden die te water gingen om hen te ontloopen, voor wildheid
hielden. Tot heden blijven hunne gewoonten dezelfde. Men heeft hen
eene tent zien binnengaan, waar zij een stuk vleesch onder het hoofd
van een slapenden man weghaalden. Ook hebben de Gauchos hen dikwijls
des avonds gedood, door hun met de eene hand een stuk vleesch voor te
houden, en met een mes in de andere een steek te geven. Voorzoover
ik weet, bestaat nergens ter wereld een tweede voorbeeld van een
stuk land, zoo klein en gebroken, daarbij ver van een vasteland, dat
zulk een grooten inheemschen viervoeter uitsluitend alleen bezit. Hun
aantal is snel afgenomen; reeds zijn zij van die helft van het eiland
verdwenen, welke oostwaarts ligt van de landtong tusschen St.-Salvator
Baai in Straat Berkeley. Binnen weinige jaren nadat deze eilanden
geregeld gekoloniseerd zullen zijn, zal deze vos waarschijnlijk,
evenals de Dodo, bestempeld worden als een dier, dat op de aarde is
uitgestorven. [178]
Des nachts (17 Mei) sliepen wij op de landtong aan het boveneinde der
Straat Choiseul, die het zuidwestelijk schiereiland vormt. De vallei
was aangenaam tegen den kouden wind beschut, maar er was zeer weinig
kreupelhout voor brandstof. Spoedig, echter, hadden de Gauchos iets
gevonden, dat tot mijne groote verbazing bijna evenveel hitte gaf als
steenkool. Dit was het skelet van een onlangs gedooden jongen stier,
wiens vleesch door de aashavikken was weggepikt. Zij zeiden mij,
dat zij des winters dikwijls een beest doodden, met hunne messen het
vleesch van de beenderen schraapten, en dan met dezelfde beenderen
het vleesch voor hun avondeten braadden.
[18 Mei.]
Het regende bijna den geheelen dag. Des nachts konden wij met onze
zadeldekken ons tamelijk droog en warm houden; maar de grond, waarop
wij sliepen, verkeerde bijna in den toestand van een moeras, en er was
bijna geen droge plek om na onzen dagrit te gaan zitten. Elders heb
ik gezegd hoe zonderling het is, dat op deze eilanden volstrekt geen
boomen zijn, ofschoon Vuurland geheel met bosch bedekt is. De grootste
struik op het eiland, tot de familie der Compositae behoorende,
is nauwelijks zoo hoog als onze brem. De beste brandstof levert een
kleine groene struik, ongeveer zoo groot als het gewone heidekruid,
die de nuttige eigenschap bezit van te branden terwijl hij versch
en groen is. Het was verrassend de Gauchos midden in den regen en
toen alles doorweekt was, met niet meer dan een tonderdoosje en een
lapje onmiddellijk vuur te zien maken. Zij zochten onder de bosjes
gras en struiken naar enkele droge takjes, en wreven die tot vezels;
deze omringden zij met grovere takken, ongeveer in den vorm van
een vogelnest, legden den lap met het vonkje vuur in het midden, en
overdekten hem op gelijke wijze. Nu werd het nest in den wind gehouden;
langzamerhand begon het te rooken, al meer en meer, tot eindelijk
de vlammen er uit sloegen. Ik geloof niet, dat met zulke vochtige
materialen eene andere methode kans van slagen zou hebben gehad.
[19 Mei.]
Elken morgen was ik zeer stijf, een gevolg hiervan, dat ik niet vooraf
eenigen tijd gereden had. Met verwondering hoorde ik de Gauchos, die
van jongs af bijna op het paard geleefd hebben, zeggen dat zij in zulke
omstandigheden altijd pijn hebben. St.-Jago vertelde mij, dat hij, na
drie maanden wegens ziekte aan huis gebonden te zijn geweest, uitging
om wild vee te jagen; maar dat zijn dijen daardoor de twee volgende
dagen zoo stijf waren, dat hij genoodzaakt was in bed te liggen. Dit
bewijst, dat de Gauchos toch wel degelijk spierkracht bij het rijden
gebruiken, al schijnt dit ook niet zoo. Het jagen van wild vee in een
land, dat wegens den moerassigen grond zoo moeilijk te begaan is, moet
een zeer zwaar werk zijn. De Gauchos zeggen, dat zij dikwijls in vollen
ren over een grond heen gaan, die bij langzamer rijden, onbegaanbaar
zou zijn; evenals dat men over dun ijs kan schaatsenrijden, waar
loopen onmogelijk is. Op de jacht pogen de jagers zoo dicht mogelijk
bij de kudde te komen, zonder ontdekt te worden. Elk man draagt vier
of vijf paar bolas bij zich; deze werpt hij achtereenvolgens naar een
gelijk aantal stuks vee, die, als zij gestrikt zijn, eenige dagen in
dien toestand worden achtergelaten, tot zij door honger en inspanning
wat zijn uitgeput. Dan worden zij vrij gelaten en naar eene kleine
kudde tamme dieren gedreven, die opzettelijk naar die plek gebracht
zijn. Daar de voorafgegane behandeling hen te zeer verschrikt heeft
om de kudde te verlaten, worden zij, als hunne krachten het toelaten,
gemakkelijk naar de kolonie gedreven.
Voortdurend bleef het weder zoo slecht, dat wij besloten spoed te
maken, en te trachten het schip nog voor den nacht te bereiken. Door de
groote hoeveelheid gevallen regen was de oppervlakte van het geheele
land moerassig. Ik geloof, dat mijn paard minstens een dozijn malen
viel, en soms spartelden alle zes paarden tegelijk in de modder. De
oevers van alle kleine stroomen bestaan uit zacht veen, dat het den
paarden zeer moeilijk maakt er zonder vallen over te springen. Als om
onzen tegenspoed te voltooien, waren wij verplicht den kop van een
zeeinham te doorwaden, waar het water zoo hoog stond als de ruggen
onzer paarden; en door den hevigen wind sloegen de golfjes over ons
heen, zoodat wij zeer nat en koud werden. Zelfs de Gauchos met hunne
ijzeren gestellen achtten zich gelukkig, toen zij na ons uitstapje
de kolonie bereikt hadden.
De geologische bouw dezer eilanden is in de meeste opzichten
eenvoudig. Het lagere land bestaat uit leemschiefer en zandsteen,
waarin fossielen, die aan de in de silurische formaties van Europa
gevondene zeer na verwant, doch niet geheel gelijk zijn; de bergen
zijn gevormd van wit korrelig kwartsgesteente. De lagen dezer laatsten
zijn dikwijls volkomen symmetrisch gewelfd, en bij gevolg is het
voorkomen van enkele bergen hoogst eigenaardig. Pernety [179] heeft
verscheidene bladzijden gewijd aan de beschrijving van een berg, Hill
of Ruins genaamd, welks op elkander volgende lagen hij terecht bij de
rangen van een amphitheater heeft vergeleken. Het kwartsgesteente moet
zeer deegachtig geweest zijn, toen het zulke merkwaardige buigingen
onderging zonder te breken. Daar het kwarts onmerkbaar in den zandsteen
overgaat, lijkt het waarschijnlijk, dat het eerste uit den zandsteen
is ontstaan, toen deze zoo hoog verhit was, dat hij dik-vloeibaar
werd en bij afkoeling kristalliseerde. De zandsteen moet vooraf in
zachten toestand door de bovenliggende lagen omhoog zijn gestuwd.
In vele gedeelten van het eiland zijn de dalbodems op buitengewone
wijze bedekt met tallooze groote en losse, hoekige brokken kwartziet,
die zoogenaamde "steenstroomen" vormen. Sedert den tijd van Pernety
heeft elk reiziger met verwondering hiervan melding gemaakt. De
brokken zijn niet door het water geslepen of afgerond, alleen zijn
hunne hoeken wat gestompt; in grootte wisselen zij af van een of
twee voet in doorsnede, tot tien- of zelfs meer dan twintigmaal
zooveel. Zij zijn niet in onregelmatige hoopen bijeengeworpen, maar
liggen in horizontale vlakten of groote stroomen verspreid. Het is
niet mogelijk hunne dikte te bepalen; maar verscheidene voeten onder
de oppervlakte kan men het water van kleine stroompjes door de steenen
hooren druppelen. Waarschijnlijk is de werkelijke diepte aanzienlijk,
daar de spleten tusschen de lagere brokken sedert lang met zand
gevuld moeten zijn. De breedte dezer steenvlakten wisselt tusschen
enkele honderden voeten en eene mijl; maar dagelijks overschrijdt de
veenachtige bodem de randen dier vlakten, en vormt zelfs eilandjes
daar waar enkele brokken dicht bij elkander liggen. In eene vallei
ten zuiden van Straat Berkeley, door eenigen van ons gezelschap de
"groote brokken-vallei" genoemd, moesten wij eene onafgebroken strook
van zulke steenen, die eene halve mijl breed was, oversteken, waarbij
wij van den eenen puntigen steen op den anderen sprongen. De brokken
waren zoo groot, dat, toen wij door eene regenbui overvallen werden,
ik gemakkelijk onder een ervan eene schuilplaats kon vinden.