Tegen zulk een sterken stroom op te roeien of te zeilen was natuurlijk

volstrekt onmogelijk; daarom werden de drie booten met boeg aan

achtersteven gekoppeld; en nadat in elk een man was achtergelaten,

gingen de overigen aan land om te trekken. Daar de algemeene

regelingen, door kapitein Fitz-Roy gemaakt, zeer geschikt waren om

het werk van allen te verlichten en omdat elk er aan deelnam, zal ik

het stelsel beschrijven. De troep, met inbegrip van allen, werd in

twee ploegen verdeeld, die elk om beurten anderhalf uur aan de lijn

trokken. De officieren van elke boot werkten mede, aten hetzelfde

voedsel en sliepen in dezelfde tent als hun scheepsvolk, zoodat

elke boot geheel onafhankelijk was van de andere. Na zonsondergang

werd de eerste effen plek, waar eenig struikgewas groeide, voor ons

nachtverblijf gekozen. Elk man van het scheepsvolk nam op zich beurt

om beurt kok te zijn. Onmiddellijk werd de boot aan land getrokken; de

kok maakte vuur; twee anderen sloegen de tent op; de bootsman haalde

het noodige uit de boot; de anderen brachten dit naar de tenten en

zamelden brandhout. Door deze regeling was in anderhalf uur alles

voor den nacht gereed. Een wacht van twee man en een officier stond

altijd op post, wier taak het was op de booten te letten, het vuur

aan te houden en tegen de Indianen te waken. Elk van den troep had

iederen nacht zijn uur wacht.

Gedurende dezen dag trokken wij slechts een kleinen afstand; want er

waren vele eilandjes, met doornboschjes bedekt, en de tusschenliggende

kanalen waren ondiep.

[20 April.]

Wij gingen voorbij de eilanden en trokken verder. Ofschoon onze

geregelde dagelijksche tocht zeer inspannend was, vorderden wij

gemiddeld slechts tien mijlen in rechte lijn, op eene weglengte van

misschien 15 of 20. Voorbij de plek waar wij den vorigen nacht sliepen,

is de streek volslagen onbekend land; want het was dáár dat kapitein

Stokes den terugtocht aannam. Van verre zagen wij een dichten rook;

en tevens het geraamte van een paard vindende, begrepen wij dat er

Indianen in de nabijheid waren. Op den morgen van den 21sten werden

sporen van een troep paarden en sleepstrepen van chuzos of lange

speren op den grond ontdekt. Algemeen dachten wij, dat de Indianen

ons des nachts verkend hadden. Kort daarna kwamen wij aan eene plek,

waar uit de versche voetstappen van volwassenen, kinderen en paarden

bleek, dat de troep de rivier was overgetrokken.

[22 April.]

De streek bleef dezelfde en was uiterst onbelangwekkend. De volkomen

gelijkheid van producten door het geheele land is een van Patagonië's

treffendste kenmerken. De effene vlakten van dorre keien bevatten

dezelfde onontwikkelde en dwergachtige planten; en in de dalen

groeien dezelfde doornboschjes. Overal zien wij dezelfde vogels

en insecten. Zelfs de oevers der rivier en van de heldere daarin

uitloopende stroompjes werden nauwelijks door eene helderder tint van

groen verlevendigd. De vloek van onvruchtbaarheid rust op het land;

en het water dat door een bed van kiezelsteenen vloeit, deelt in

denzelfden vloek. Zoodoende is het getal watervogels zeer beperkt; want

in den stroom dezer dorre rivier is niets om het leven te onderhouden.

Arm als Patagonië in sommige opzichten is, zoo kan het echter op een

grooteren voorraad kleine knaagdieren bogen, [166] dan mogelijk elk

ander land ter wereld. Verscheidene soorten muizen kenmerken zich

uiterlijk door groote, dunne ooren en een zeer fijnen pels. Deze

diertjes zwerven tusschen de kreupelboschjes in de dalen, waar

zij maanden lang geen druppel water kunnen proeven, behalve den

dauw. Zij schijnen allen kannibalen te zijn; want nauwelijks was

er een muis in een mijner vallen gevangen, of zij werd door andere

verslonden. Een kleine en fijngebouwde vos, die ook zeer talrijk is,

vindt waarschijnlijk zijn geheele bestaan in deze kleine dieren. Ook

het guanaco is hier thuis: troepen van 50 of 100 dieren waren aan

de orde van den dag, en zooals ik gezegd heb, zagen wij er een,

die minstens 500 bevatte. De puma, gevolgd door den condor en andere

aasgieren, jaagt en aast op deze dieren. De voetstappen van den puma

zag men bijna overal op de oevers der rivieren; en de overblijfsels

van verscheidene guanaco's met ontwrichte halzen en gebroken beenderen,

bewezen hoe zij den dood hadden gevonden.

[24 April.]

Evenals de oude scheepvaarders wanneer zij een onbekend land

naderden, onderzochten en bespiedden wij het geringste teeken van

verandering. Een aangespoelde boomstam of een rolblok van overoud

gesteente werd met evenveel vreugde begroet, alsof wij een woud op

de helling van de Cordilleras hadden gezien. Het meest belovende

teeken echter was de top van een zware wolkbank, die voortdurend op

éene plaats bleef, en die werkelijk een voorbode bleek te zijn. Eerst

werden de wolken ten onrechte voor de bergen zelve aangezien, in plaats

van voor dampmassa's, die door hunne ijzige toppen verdicht waren.

[26 April.]

Dezen dag ontdekten wij eene merkbare verandering in den geologischen

bouw der vlakten. Sedert wij het eerst op weg gingen, had ik het

grofzand in de rivier zorgvuldig onderzocht, en in de twee laatste

dagen de aanwezigheid van enkele kleine zeer cellige basaltsteenen

opgemerkt. Deze namen trapswijze in aantal en grootte toe, doch geen

enkel was zoo groot als een menschenhoofd. Maar dezen morgen werden

diezelfde basaltsteenen, ofschoon dichter en vaster, plotseling

overvloedig; en na verloop van een half uur zagen wij op een afstand

van 5 of 6 mijlen den hoekigen rand van een groot basaltterras. Toen

wij den voet er van bereikten, zagen wij den stroom tusschen de

gevallen blokken borrelen. Over de volgende 28 mijlen werd de loop

der rivier door deze basaltmassa's belemmerd. Voorbij dit punt

kwamen ook reusachtige klompen van overoud gesteente, afkomstig van

de omringende rolsteenformatie, in groot aantal voor. Geen enkel

brok van eenige aanzienlijke grootte was meer dan 3 of 4 mijlen van

den gemeenschappelijken oorsprong de rivier afgedreven. Let men op

de ongewone snelheid van het groote watervolume in de Santa Cruz,

waarin nergens stille gedeelten voorkomen, dan is dit wel een der

treffendste voorbeelden van het onvermogen der rivieren om brokken

van zelfs matige grootte te vervoeren.

Het basalt is slechts lava, die onder de zee is gevloeid; maar de

uitbarstingen moeten op de allergrootste schaal geschied zijn. Ter

plaatse waar wij deze formatie het eerst vonden, was zij 120 voet dik;

de rivier opwaarts volgend, steeg de oppervlakte onmerkbaar en werd de

laag dikker, zoodat zij 40 mijlen boven het eerste punt 320 voet dik

was. Hoe groot de dikte was nabij de Cordilleras, kon ik niet bepalen,

maar het terras bereikt daar eene hoogte van omstreeks 3000 voet boven

den zeespiegel. In die groote bergketen moeten wij dus den oorsprong

van het basalt zoeken; en stroomen die honderd mijlen ver over den

zacht hellenden zeebodem vloeiden, zijn zulk een oorsprong waardig. Bij

den eersten blik op de basaltklippen aan weerszijden van de vallei,

was te zien dat de lagen eenmaal vereenigd waren. Welke kracht was dan

in staat over eene groote uitgestrektheid land een vaste, zeer harde

steenmassa te verwijderen, die eene gemiddelde dikte had van omtrent

300 voet, en eene breedte van bijna 2 tot 4 mijlen? Ofschoon de rivier

zoo weinig vermogen bezit om zelfs onaanzienlijke brokken te vervoeren,

zou zij toch in den loop der eeuwen door gestadige afknaging eene

werking kunnen voortbrengen, waarvan de omvang moeilijk te schatten

is. Maar afgescheiden van het onbeteekenende van zulk eene werking,

kunnen in dit geval goede redenen worden aangewezen voor de meening,

dat deze vallei eenmaal door een zeearm werd ingenomen.

Het is niet noodig in dit werk de bewijsgronden uit te meten, die tot

deze gevolgtrekking voeren, afgeleid als zij is uit den vorm en de

natuur der trapvormige terrassen aan weerszijden van de vallei; uit de

manier waarop de bodem der vallei nabij de Andes zich uitbreidt tot een

groote delta-vormige vlakte met zandheuvels er op, en uit het voorkomen

van enkele zeeschelpen in de rivierbedding. Indien ik ruimte had,

kon ik bewijzen dat Zuid-Amerika hier vroeger door eene straat werd

afgesneden, die, evenals de Straat van Magelhaen, de Atlantische en

Stille Oceanen verbond. Intusschen kan gevraagd worden, hoe dat vaste

basalt verwijderd werd. Eertijds zouden geologen de hevige werking van

een overweldigenden moddervloed of ijsbreuk in 't spel hebben gebracht;

maar in dit geval zou zulk een onderstelling geheel onaannemelijk zijn,

omdat dezelfde trapvormige vlakten met bestaande zeeschelpen aan haar

oppervlak, die aan de lange Patagonische kustlijn liggen, zich ophoogen

aan elken kant der Santa Cruz-vallei. Geen denkbare vloedwerking kon

het land dien vorm hebben gegeven, noch binnen de vallei, noch langs

de opene zeekust; en door de vorming van zulke trapvormige vlakten

of terrassen is de vallei zelve uitgehold. Ofschoon wetende, dat

er getijden zijn, die met eene snelheid van acht knoopen in 't uur

door de engten der Straat van Magelhaen loopen, moeten wij bekennen,

dat wij bijna duizelen bij de gedachte aan het aantal jaren, die

de getijden, eeuw in eeuw uit, zonder hulp van eene zware branding,

noodig moeten gehad hebben, om zulk eene uitgestrekte en dikke laag

van vaste basaltlava af te knagen. Nochtans moeten wij gelooven,

dat de lagen, door het water dezer oude straat ondermijnd, in groote

stukken werden gebroken, en dat deze, op de oevers verspreid, eerst

werden herleid tot kleinere brokken, daarna tot kiezelsteenen, en

eindelijk tot de fijnste ontastbare modder, die de getijden naar de

Oostelijke of Westelijke Oceanen dreven.

Tegelijk met de verandering in den geologischen bouw der vlakten,

veranderde ook het kenmerk van het landschap. Toen ik door eenige nauwe

en rotsachtige engten doolde, kon ik mij bijna verbeelden weer in de

dorre valleien van het eiland St.-Jago verplaatst te zijn. Onder de

basaltrotsen vond ik eenige planten, die ik nergens elders had gezien;

maar andere herkende ik als zwervers uit Vuurland. Deze poreuze

gesteenten dienen als vergaarbakken voor het schaarsche regenwater;

en zoo kwam het, dat op de grensscheiding tusschen vulkanische en

sedimentaire [167] formaties eenige kleine bronnen (hoogst zeldzame

verschijningen in Patagonië) ontsprongen, die zich van verre aan de

omringende kluitjes van licht groen gras onderscheiden lieten.

[27 April.]

De rivierbedding werd iets smaller en daardoor de stroom sneller. Hij

liep hier met een gang van zes knoopen in het uur. Om deze reden,

en ook om de vele groote hoekige brokken werd het trekken van de

booten tegelijk gevaarlijk en vermoeiend.

Dezen dag schoot ik een condor, metende tusschen de beide vleugeltoppen

acht en een halven, en van den bek tot aan den staart vier voet. Deze

vogel heeft, zooals men weet, eene ruime geographische verspreiding,

want men vindt hem aan de westkust van Zuid-Amerika, van de Straat

van Magelhaen langs de Cordilleras tot acht graden benoorden den

evenaar. De steile rots bij de monding van de Rio Negro is de

noordelijke grens op de Patagonische kust, waar zij omtrent 400

mijlen van de groote middellijn hunner woonplaats op de Andes zijn

afgedwaald. Verder zuidelijk, tusschen de steile afgronden aan het

hoofd van Port Desiré, is de condor niet zeldzaam; maar slechts enkele

zwervers bezoeken nu en dan de zeekust. Deze vogels bewonen ook eene

klipreeks bij den mond der Santa Cruz; en omstreeks 80 mijlen de rivier

op, waar de vallei door steile basaltrotsen wordt omzoomd, verschijnt

de condor opnieuw. Naar deze feiten te oordeelen, schijnen de condors

loodrechte klippen te behoeven. In Chili bezoeken zij gedurende

het grootste deel des jaars het lagere land bij de stranden van den

Stillen Oceaan, waar vele des nachts te zamen in een boom slapen;

maar vroeg in den zomer trekken zij zich naar de ongenaakbaarste

deelen der centrale Cordilleras terug, om hier rustig te broeden.

Wat de voortteling betreft, deelde het landvolk in Chili mij mede, dat

de condor geen soort van nest maakt, maar in de maanden November en

December twee groote witte eieren op eene naakte rotsplaat legt. Men

zeide, dat de jonge condors een geheel jaar lang niet kunnen vliegen;

en lang nadat zij het kunnen, slapen zij des nachts en jagen over

dag met hunne ouders. De oude vogels leven meest paarsgewijze; maar

tusschen de landwaarts in gelegen basaltklippen van de Santa Cruz vond

ik eene plek, waar zij zich gewoonlijk in troepen van een twintigtal

of meer ophouden. Eens, aan den rand van een afgrond komende, werd

ik plotseling door het fraaie schouwspel verrast van een twintig

tot dertig dezer groote vogels statig van hunne rustplaats te zien

opstijgen, en in prachtige kringen wegzweven. Naar de hoeveelheid

mest op de rotsen te oordeelen, hadden zij deze klip zeker langen

tijd voor slapen en broeden bewoond. Wanneer zij zich in de vlakte

omlaag aan aas hebben verzadigd, trekken zij naar deze geliefkoosde

verblijven om hun voedsel te verteren. Om deze feiten moet de condor,

evenals de gallinazo, tot op zekere hoogte als een gezelligen vogel

worden beschouwd.

In dit deel van het land leven zij geheel van de guanaco's, die een

natuurlijken dood gestorven zijn, of, zooals meer algemeen gebeurt,

die door de puma's zijn gedood. Naar wat ik in Patagonië gezien heb,

geloof ik, dat zij in gewone omstandigheden hunne dagelijksche tochten

niet ver van hunne geregelde slaapplaatsen uitstrekken.

Dikwijls ziet men de condors op groote hoogte in de sierlijkste

kringen boven eene bepaalde plek zweven. [168] Ik ben zeker, dat zij

dit in sommige gevallen uit vermaak doen; maar de Chileensche landman

zegt u, dat zij in andere gevallen een stervend dier bespieden, of

den puma als hij bezig is zijne prooi te verslinden. Als de condors

neerstrijken, en dan plotseling alle tegelijk opvliegen, weet de

Chileen, dat de puma in de nabijheid is, die het lijk bespiedende,

uit zijn schuilhoek is gesprongen om de roovers te verjagen. Behalve

dat zij op aas teren, vallen de condors dikwijls jonge geiten en

lammeren aan; en de schaapherdershonden zijn er op afgericht, om,

als zij voorbij vliegen, naar buiten te rennen en met den kop omhoog,

heftig te blaffen.

De Chileenen vangen en dooden hen in menigte. Daarbij zijn twee

methoden in gebruik: de eene is, dat men een lijk op een vlak stuk

grond legt binnen eene omheining van stokken, waarin eene opening is;

en dan, als de condors verzadigd zijn, te paard naar den ingang draaft

en hen op die wijs insluit; want als deze vogel geen ruimte heeft om te

loopen, kan hij zijn lichaam geen voldoende aanloop of hoeveelheid van

beweging geven, om van den grond op te stijgen. De tweede methode is,

dat men de boomen merkt waarin zij dikwijls ten getale van vijf of

zes slapen, en dan des nachts hierin klimt om hen te strikken. Zij

zijn zulke vaste slapers--zooals ik zelf heb waargenomen--dat deze

wijze van vangen niet moeilijk is. Te Valparaiso heb ik een levenden

condor voor sixpence zien verkoopen; maar de gewone prijs is 8 tot 10

shillings. Een, dien ik zag binnenbrengen, was met een touw gebonden en

zeer gehavend; doch nauwelijks was het touw doorgesneden waarmede zijn

bek was dichtgemaakt, of hij begon, trots al het volk om hem heen,

vraatzuchtig een stuk aas te verscheuren. In een tuin op dezelfde

plaats hield men twintig tot dertig levende condors, die slechts eens

in de week gevoed werden, maar toch zeer welvarend schenen. [169]

De Chileensche landlieden zeggen, dat de condor vijf tot zes weken

kan leven zonder eten, en toch zijne kracht behoudt. Voor de waarheid

hiervan kan ik niet instaan; maar het is zeer waarschijnlijk, dat

deze wreede proefneming gedaan is.

Het is een wel bekend feit, dat, als een dier op het land gedood is,

de condors, evenals andere aasgieren, er spoedig kennis van krijgen en

op onverklaarbare wijze samenscholen. Hierbij moet men niet vergeten,

dat de vogels in de meeste gevallen hunne prooi hebben ontdekt en

het skelet kaal geplukt, voordat het vleesch ook maar in 't minst

bedorven is. Gedachtig aan de proefnemingen van Audubon over het

geringe reukvermogen der aashavikken, deed ik in den bovengenoemden

tuin de volgende proefneming. De condors werden, elk aan een touw,

in eene lange rij aan den voet van een muur gebonden; daarop wikkelde

ik een stuk vleesch in wit papier, en liep er mede in de hand, op

ongeveer drie yards van hen af, op en neder. Er werd evenwel geen nota

van genomen. Toen wierp ik het op den grond, nog geen yard van een oud

mannetje af; voor een oogenblik keek hij er aandachtig naar, doch sloeg

er verder geen acht op. Met een stok duwde ik het al dichter en dichter

bij, tot hij het eindelijk met den bek aanraakte; onmiddellijk werd

toen het papier met woede afgerukt, terwijl op hetzelfde oogenblik

alle vogels in de rij begonnen te spartelen en te klapwieken. Een

hond had men onder dezelfde omstandigheden moeilijk kunnen bedriegen.

De bewijzen voor en tegen het scherpe reukvermogen der aasgieren

wegen zonderling tegen elkander op. Professor Owen heeft bewezen,

dat de reukzenuwen van den kalkoenschen buizerd (Cathartes aura)

hoog ontwikkeld zijn; en op den avond toen Owen's verhandeling in

"Zoological Society" werd voorgedragen, deelde een der aanwezigen mede,

dat hij in West-Indië bij twee gelegenheden de aashavikken zich op

het dak van een huis had zien verzamelen, waarin een lijk, dat men

verzuimd had te begraven, in ontbinding overging. In dit geval konden

de dieren moeilijk door hun gezicht er kennis van gekregen hebben. Aan

den anderen kant, en behalve de proefnemingen van Audubon en die eene

van mijzelven, heeft Bachman in de Vereenigde Staten vele verschillende

methoden gebezigd, welke aantoonen, dat noch de kalkoensche buizerd

(de door Prof. Owen ontlede soort), noch de gallinazo hun voedsel door

den reuk vinden. Hij wikkelde stukken zeer onsmakelijken afval in dun

zeildoek en strooide er stukjes vleesch op; de aasgieren aten deze op,

en bleven toen rustig met hunne bekken vlak boven de stinkende massa

staan, zonder ze te ontdekken. Toen er een scheurtje in het zeildoek

gemaakt was, werd de afval onmiddellijk ontdekt. Het zeildoek werd door

een versch stuk vervangen; nogmaals werd er vleesch op gestrooid, en

weder verslonden de gieren dit zonder de verborgen zelfstandigheid

te ontdekken, waarop zij trapten. Deze feiten werden door de

handteekeningen van zes heeren, buiten die van Bachman bevestigd. [170]

Dikwijls, als ik in de open vlakte lag uit te rusten en naar

boven keek, heb ik aashavikken op groote hoogte door de lucht zien

zweven. Waar het land vlak is, geloof ik niet dat een deel des hemels,

hetwelk meer dan 15 graden boven den horizon gelegen is, door iemand

te voet of te paard in 't algemeen aandachtig wordt waargenomen. Is

dit het geval, en zweeft de gier op eene hoogte van 3 tot 4000

voet, voordat hij in het gezicht kan komen, dan zal zijn afstand

in rechte lijn van het oog des waarnemers iets meer dan 2 Engelsche

mijlen bedragen. Is het dan niet licht mogelijk, dat hij niet wordt

opgemerkt? Kan een dier, dat door den jager in eene eenzame vallei

gedood is, niet al dien tijd door den scherpzienden vogel van boven

worden bespied? En zal zijne wijze van neerdalen niet een sein wezen

voor alle aasvreters in het district, dat hunne prooi nabij is?

Als de condors in een zwerm om de eene of andere plek zweven, is

hunne vlucht zeer mooi. Behalve wanneer zij van den grond opvliegen,

herinner ik mij niet een dezer vogels te hebben zien klapwieken. Bij

Lima sloeg ik bijna een half uur lang verscheidene gade, zonder de

oogen van hen af te wenden. Zij bewogen zich in groote bochten,

schoten in kringen voorbij, daalden en stegen zonder een enkelen

wiekslag. Als zij dicht boven mijn hoofd zweefden, sloeg ik van ter

zijde aandachtig de omtrekken der gescheidene en groote eindveêren van

elken vleugel gade; bij de minste trillende beweging zouden die veêren

als 't ware gemengd hebben geschenen; maar zij waren duidelijk op den

blauwen hemel zichtbaar. Hoofd en hals bewogen zich voortdurend en

schijnbaar met kracht; en de uitgespreide vleugels schenen het fulcrum

(steunpunt) te vormen, waarop de bewegingen van hals, romp en staart

werkten. Wilde de vogel dalen, dan vielen de vleugels een oogenblik

samen; en als zij zich bij veranderde helling weer uitspreidden, scheen

de hoeveelheid van beweging of gang, door de snelle daling verkregen,

den vogel opwaarts te drijven met de kalme en gelijkmatige beweging van

een vlieger. Wanneer een vogel stijgt, moet zijne beweging snel genoeg

zijn, opdat de werking der hellende oppervlakte van zijn lichaam op

den dampkring kan opwegen tegen zijne zwaarte. De kracht om het moment

van een lichaam op te houden, dat zich in een horizontaal vlak door

de lucht beweegt (waarin zoo weinig wrijving is) kan niet groot zijn;

en deze kracht is al wat er noodig is. Wij moeten aannemen, dat de

beweging van hals en romp van den condor daartoe voldoende is. Hoe

dit ook zij, het is een waarlijk treffend en fraai schouwspel zulk

een grooten vogel, uur aan uur, zonder schijnbare inspanning over

berg en rivier te zien zwenken en zweven.

[29 April.]

Op een hoogland gekomen, begroetten wij met vreugde de witte toppen

der Cordilleras, als zij nu en dan door hun donker wolkenhulsel

gluurden. De twee volgende dagen kwamen wij langzaam vooruit; want

de rivier bleek zeer bochtig en was bezaaid met kolossale brokken

graniet en verschillende oude leigesteenten. De vlakte, die de vallei

omzoomde, had hier eene hoogte bereikt van omstreeks 1100 voet boven

de rivier, en haar voorkomen was zeer veranderd. De goed afgeronde

porfiersteenen waren vermengd met vele reusachtige brokken basalt

en overoude gesteenten. Het eerste dezer zwerfblokken, dat ik zag,

was 67 mijlen van den naasten berg verwijderd; een ander, dat ik mat,

was vijf yards in het vierkant en stak vijf voet boven het grofzand

uit. Zijne kanten waren zoo hoekig en zijne grootte zoo aanzienlijk,

dat ik het eerst voor eene vaststaande rots hield en mijn kompas

uithaalde om de splijtingsrichting te bepalen. De vlakte hier was

niet zoo geheel effen als dichter bij de kust, maar verried toch geen

teekenen van groot geweld. Ik geloof, dat het onder deze omstandigheden

geheel onmogelijk is het vervoer van deze reusachtige steenblokken,

zoo vele mijlen van hun oorsprong, te verklaren volgens eene andere

theorie dan die van drijvende ijsbergen.

Gedurende de twee laatste dagen ontmoetten wij sporen van paarden,

en vele kleine voorwerpen die aan Indianen hadden toebehoord, als:

stukken van een mantel en een bos struisvederen; maar zij schenen

hier al lang gelegen te hebben. Ofschoon de plaats, waar de Indianen

zoo onlangs over de rivier waren getrokken, en deze buurt zoo vele

mijlen van elkander lagen, scheen het tusschenliggende land geheel

onbewoond. Eerst verwonderde mij dit met het oog op den overvloed van

guanaco's; doch het verklaart zich uit de steenachtige gesteldheid

der vlakten, die een onbeslagen paard spoedig ongeschikt zou maken

om aan de jacht deel te nemen. Niettemin vond ik op twee plaatsen in

deze afgelegen streek kleine hoopjes steenen, die er, naar ik denk,

niet toevallig neergeworpen konden zijn. Zij lagen op uitspringende

punten van den rand der hoogste lavaklip, en geleken, ofschoon op

kleinere schaal, op die bij Port Desiré.

[4 Mei.]

Kapitein Fitz-Roy besloot de booten niet hooger op te brengen. De

rivier had een kronkelenden loop met zeer snelle strooming,

terwijl het aanzien der streek ons niet in verzoeking bracht om

verder te gaan. Overal ontmoetten wij dezelfde voortbrengselen en

hetzelfde naargeestige landschap. Wij waren nu op 140 mijlen van den

Atlantischen, en omstreeks 60 van den naastbij liggenden arm van den

stillen Oceaan. In dit hoogere gedeelte strekte de vallei zich uit

tot eene wijde kom, in 't noorden en zuiden door hooge basaltvlakten

begrensd, en in 't front de lange keten der besneeuwde Cordilleras. Het

was met een gevoel van spijt, dat wij naar deze grootsche bergen

keken; want in plaats van op hunne toppen te staan, zooals wij

gehoopt hadden, moesten wij ons hunne natuur en voortbrengselen

maar voorstellen. Behalve het nuttelooze tijdverlies, dat eene

poging om de rivier nog hooger op te gaan ons gekost zou hebben,

waren wij al eenige dagen op half brood-rantsoen gesteld. Hoewel dit

voedsel voor verstandige menschen inderdaad genoeg is, was het na

een moeilijken dagmarsch toch wat karig. Eene lichte maag en eene

gemakkelijke spijsvertering zijn goede dingen om over te praten,

maar zeer onaangenaam in de praktijk.

[5 Mei.]

De Reis om de Wereld · 第 18 / 56 段