liggen sterven. Aan de oevers van de Santa Cruz was de grond op
zekere beperkte ruimten, die meestal heesterachtig en alle bij de
rivier gelegen waren, letterlijk wit van de beenderen. Op ééne plek
telde ik tusschen de 10 en 20 hoofden. In 't bijzonder onderzocht
ik de beenderen; zij schenen niet, zooals sommige die ik hier en
daar verspreid had gezien, afgeknaagd en gebroken, alsof zij door
roofdieren hierheen waren gesleept. In de meeste gevallen moeten deze
dieren, vóór hun sterven, onder en tusschen de struiken doorgekropen
zijn. Bynoe meldt mij, dat hij op eene vorige reis hetzelfde feit
aan de oevers van de Rio Gallegos waarnam. Ik begrijp volstrekt niet
de reden hiervan, maar wil opmerken, dat de gewonde guanaco's aan
de Santa Cruz onveranderlijk naar de rivier liepen. Op Sint-Jago
van de Kaap-Verdische Eilanden herinner ik mij in een ravijn een
afgelegen hoek gezien te hebben, die met geitenbeenderen bedekt
was; wij zeiden toen, dat dit de begraafplaats van alle geiten op
het eiland was. Ik vermeld deze beuzelachtige omstandigheden, omdat
zij in sommige gevallen wellicht het voorkomen kunnen verklaren van
een aantal ongeschonden beenderen in een hol, of van die welke onder
alluviale ophoopingen begraven liggen; alsook de reden waarom sommige
dieren meer in sedimentaire lagen bedolven liggen, dan andere.
Op zekeren dag werd de jol onder bevel van Chaffers met drie dagen
leeftocht uitgezonden, om het bovendeel der haven op te meten. Des
morgens spoorden wij eenige op een oude Spaansche kaart vermelde
plaatsen op, om water in te nemen. Wij vonden een kreek, en aan het
boveneind daarvan een druppelend beekje brak water--het eerste dat
wij hier zagen. Hier noodzaakte het getij ons verscheidene uren te
wachten; en in dien tusschentijd wandelde ik eenige mijlen het land
in. Als gewoonlijk bestond de vlakte uit grof zand, vermengd met
grond, die op 't oog kalk geleek, doch in werkelijkheid er zeer van
verschilde. Door de zachtheid dezer stoffen waren in den bodem vele
greppels ontstaan. Er was geen enkele boom; en behalve het guanaco,
dat als schildwacht over zijne kudde op een heuveltop stond, was bijna
geen enkel dier of vogel te zien. Overal stilte en verlatenheid. Toch
wordt, als men door deze landschappen zonder zichtbare afwisseling
gaat, een onbestemd maar sterk en levendig gevoel van blijdschap in
ons opgewekt. Iemand vroeg mij hoeveel eeuwen de vlakte in dien staat
verkeerd had, en hoeveel andere zij nog gedoemd was zoo te blijven:
Niemand kan antwoorden; nu schijnt zij eeuwig.
De wildernis heeft eene geheimzinnige taal,
Die ontzagwekkend twijfelen leert.
(Shelley, regels op den Mont-Blanc.)
Des avonds zeilden wij eenige mijlen verder en sloegen toen eene tent
op voor den nacht. Tegen het midden van den volgenden dag geraakte de
jol aan den grond, en kon wegens het ondiepe water niet verder. Daar
het laatste gedeeltelijk zoet werd bevonden, nam Chaffers de dingey,
[163] en ging drie mijlen hooger op, waar ook dit vaartuig aan den
grond raakte. Wij bevonden ons nu in eene zoetwaterrivier. Het water
was modderig, en hoewel de stroom van zeer onbeduidende grootte was,
zou het moeilijk geweest zijn den oorsprong te verklaren, tenzij uit de
gesmolten sneeuw op de Cordilleras. Op de plek waar wij bivouakeerden,
waren wij door steile klippen en hooge toppen van porfier omringd. Ik
geloof niet, dat ik ooit eene plek heb gezien, die zoozeer van de
overige wereld afgesloten scheen, als deze rotsachtige afgrond in de
wijde vlakte.
Den tweeden dag na onze terugkomst op de aanlegplaats ging een
gezelschap officieren en ik een oud Indiaansch graf doorzoeken, dat
ik op den top van een naburigen heuvel gezien had. Twee reusachtige
steenen, elk vermoedelijk minstens een paar ton wegende, waren
tegenover een omstreeks zes voet hoog vooruitspringend rotsblok
geplaatst. Op den harden steenen bodem van het graf was een laag
aarde van omtrent 1 voet diepte, die uit de omlaag gelegen vlakte
naar boven moet gebracht zijn. Daarop was een vloer van platte
steenen gelegd, en op deze weer andere, zoodat de ruimte tusschen het
vooruitspringend rotsblok en de twee groote steenen gevuld was. Om
het graf te voltooien, waren de Indianen op den inval gekomen om van
het rotsblok een groot stuk los te maken en op den stapel te werpen,
zóo dat het op de twee steenen rustte. Wij ondermijnden het graf aan
beide kanten, doch konden geen reliquieën, en zelfs geen beenderen
vinden. Waarschijnlijk waren de laatsten sedert lang vergaan (in
welk geval het graf van zeer hoogen ouderdom moet geweest zijn),
want op eene andere plek vond ik eenige kleinere hoopen, onder welke
zeer enkele verbrokkelde stukken werden gevonden, waaraan nog te
zien was, dat zij van een mensch afkomstig waren. Falconer zegt,
dat een Indiaan begraven wordt waar hij sterft, maar dat later zijn
beenderen zorgvuldig opgenomen en, al is de afstand nog zoo groot,
naar het zeestrand worden gebracht om begraven te worden. Ik geloof,
dat deze gewoonte te verklaren is, zoo men bedenkt dat deze Indianen,
vóór den invoer van paarden, bijna hetzelfde leven moeten geleid
hebben als nu de Vuurlanders, en dus in 't algemeen in de nabijheid
der zee hebben gewoond. De gewone voorliefde om te liggen waar zijne
voorvaderen hebben gelegen, zou de thans zwervende Indianen nopen om
het minst vergankelijke gedeelte hunner dooden over te brengen naar
hunne oude begraafplaats op de kust.
[9 Januari.]
Vóór het donker was, ankerde de Beagle in de fraaie ruime haven van
Port St.-Julian, omstreeks 110 mijlen ten zuiden van Port Desiré
gelegen. Wij bleven hier acht dagen. Het land is nagenoeg gelijk aan
dat van Port Desiré, maar misschien nog iets onvruchtbaarder. Eens
vergezelde ik met een clubje kapitein Fitz-Roy op eene lange wandeling
om het havenhoofd. Elf uren lang dronken wij geen druppel water,
en eenigen van het gezelschap waren geheel uitgeput. Van den top van
een heuvel (sedert Thirsty Hill of Dorstige Heuvel genoemd) werd een
fraai meer ontdekt, en gingen twee van het gezelschap met afgesproken
seinen er heen, om te wenken of het zoet water was. Hoe groot was onze
teleurstelling, toen wij eene sneeuwwitte uitgestrektheid van zout
zagen, gekristalliseerd in groote kuben! Wij schreven onzen fellen
dorst toe aan de droogte van den dampkring; maar wat ook de reden
zij--zeker is het, dat wij uiterst blijde waren laat in den avond in
onze booten terug te zijn. Ofschoon wij op onzen geheelen tocht nergens
een druppel zoet water konden vinden, moest er toch wat zijn; want door
een zonderling toeval vond ik op de oppervlakte van het zoute water,
bij het hoofd der baai, een niet geheel dooden Colymbetes, die in een
niet ver af gelegen poel geleefd moest hebben. Drie andere insecten
(een Cincindella als bastaard, een Cymindis en een Harpalus, die alle
op modderplaten leven, welke nu en dan door de zee worden overstroomd),
en nog een vierde, dat dood op de vlakte werd gevonden, voltooien
de lijst der kevers. Eene vlieg van tamelijke grootte (Tabanus) was
buitengewoon talrijk, en kwelde ons door haar pijnlijken steek. De
gewone paardenvlieg (Hippobosca), die in de lommerrijke lanen in
Engeland zoo lastig is, behoort tot dezelfde orde. Wij hebben hier
het raadsel, dat zoo dikwijls in het geval der muskieten voorkomt: met
het bloed van welke dieren voeden deze insecten zich gewoonlijk? Het
guanaco is ongeveer de eenige warmbloedige viervoeter en komt,
vergeleken met de menigte vliegen, in zeer gering aantal voor.
De geologie van Patagonië is belangwekkend. In afwijking met Europa,
waar de tertiare formaties zich in baaien schijnen opgehoopt te hebben,
vinden wij hier over honderden mijlen kustland ééne groote afzetting,
in zich bevattende vele tertiaire schelpdieren, die alle uitgestorven
schijnen. Het meest voorkomende schelpdier is een zware reusachtige
oester, soms wel een voet in middellijn. Deze beddingen worden bedekt
door andere van een eigenaardigen zachten witten steen, die veel gips
bevat en op kalk gelijkt, maar inderdaad van puimsteenachtig gehalte
is. Hoogst merkwaardig is het, dat zij voor minstens een tiende deel
in volume uit infusoria bestaan! Professor Ehrenberg heeft er reeds 30
zee-soorten in ontdekt. Deze laagbedding strekt zich 500 mijlen langs
de kust, en waarschijnlijk nog veel verder uit. Te Port St.-Julian
is hare dikte meer dan 800 voet! Deze witte beddingen zijn overal
bedekt met een laag grof kiezel, die misschien een van de grootste
keisteenbeddingen der wereld vormt. Zeker weet men, dat zij zich van
bij de Rio Colorado uitstrekt tot tusschen de 600 en 700 zeemijlen
zuidwaarts; bij de Santa Cruz (eene rivier even ten zuiden van
St.-Julian) bereikt zij den voet der Cordilleras; halfweg de rivier
op is hare dikte meer dan 200 voet, en vermoedelijk strekt zij zich
overal tot de genoemde groote keten uit, vanwaar de wel afgeronde
porfiersteenen afkomstig zijn. Wij mogen hare gemiddelde breedte op
200 mijlen, en de gemiddelde dikte op ongeveer 50 voet stellen. Indien
deze groote laag van kiezelsteenen, zonder bijvoeging van de modder
die noodzakelijk door hunne wrijving is ontstaan, tot een berg werd
opgehoopt, zou zij eene groote keten vormen!
Bedenkt men, dat al die kiezelsteenen, talrijk als de zandkorrels in
de woestijn, afkomstig zijn van langzaam afbrokkelende steenmassa's
op de oude kustlijnen en rivieroevers; dat deze brokken in kleinere
stukken zijn geslagen, en dat elk daarvan sedert dien tijd langzaam
gerold, afgerond en ver is weggevoerd, dan staat de geest ontzet bij de
gedachte aan de lange reeks van jaren, die voor dit proces volstrekt
noodig waren. Toch zijn al die keisteenen vervoerd en waarschijnlijk
afgerond geworden na de afzetting der witte beddingen, en lang na de
vorming der onderliggende beddingen met tertiaire schelpen!
In dit zuidelijk werelddeel is alles op groote schaal ten uitvoer
gebracht; van de Rio de la Plata tot Vuurland--een afstand van 1200
mijlen--is het land in het tijdperk der nu bestaande zeeschelpen in
massa gerezen; en wel in Patagonië tot eene hoogte van tusschen de 300
en 400 voet. De oude en verweerde schelpen, die aan de oppervlakte
der gerezene vlakte zijn achtergebleven, bezitten nog gedeeltelijk
hare kleuren. De rijzende beweging werd afgebroken door minstens
acht lange tijdperken van rust, gedurende welke de zee diep in het
land knaagde, en op allengs volgende peilstanden de lange reeksen
van klippen en steilten vormde, die de verschillende als terrassen
achter elkander verrijzende vlakten scheiden. De opwaartsche beweging
en de knagende werking der zee gedurende de lange perioden van rust,
zijn over lange kustlijnen gelijk geweest; want met verbazing vond
ik, dat de terrasvormige vlakten op verafgelegen punten op nagenoeg
correspondeerende hoogten staan. De laagste vlakte is 90 voet hoog,
en de hoogste die ik bij de kust besteeg, 950 voet; en daarvan vinden
wij slechts overblijfsels in den vorm van vlakke met kiezel bedekte
bergjes. De bovenste vlakte der Santa Cruz loopt glooiend op tot
eene hoogte van 3000 voet aan den voet der Andesketen. Ik heb gezegd,
dat Patagonië in het tijdperk der bestaande zeeschelpen 300 tot 400
voet gerezen is, en kan er bijvoegen, dat de stijging minstens 1500
voet geweest is in het tijdperk toen ijsbergen zwerfblokken over de
bovenvlakte der Santa Cruz vervoerden. Maar Patagonië is niet alleen
aan stijgende bewegingen onderhevig geweest: de uitgestorven tertiaire
schelpdieren van Port St.-Julian en de Santa Cruz kunnen, volgens
Prof. E. Forbes, op geen grootere waterdiepte geleefd hebben dan van
40 tot 250 voet, terwijl zij nu bedekt zijn met uit zee afgezette
lagen van 800 tot 1000 voet dikte; bijgevolg moet de zeebodem, waarop
deze schelpdieren eenmaal leefden, vele honderden voeten gedaald zijn,
om de ophooping der daarboven liggende lagen mogelijk te maken. Welk
eene geschiedenis van geologische veranderingen openbaart die eenvoudig
samengestelde kust van Patagonië!
Te Port St.-Julian [164] vond ik in eene roode modderlaag, die
het kiezelzand op de 90-voet vlakte bedekte, het halve skelet van
de Macrauchenia Patagonica: een merkwaardigen viervoeter, die zoo
groot was als een kameel. Hij behoort tot dezelfde afdeeling der
Pachydermata als de rhinoceros, de tapir en het palaeotherium; maar
in den bouw der beenderen van zijn langen hals, vertoont hij eene
duidelijke verwantschap tot den kameel, of liever tot het guanaco en
de lama. Uit het feit, dat nieuwe zeeschelpdieren gevonden zijn op twee
der hoogere terrasvormige vlakten, die gelaagd en opgeheven moeten zijn
vóór het afzetten van de modder waarin de Macrauchenia begraven was,
blijkt overtuigend, dat deze merkwaardige viervoeter leefde lang nadat
de zee door hare tegenwoordige schelpdieren bewoond was. Eerst was ik
zeer verwonderd, dat een groote viervoeter zoo kort geleden op 49°15'
in deze ellendige keisteenvlakten met haren schralen plantengroei
geleefd kon hebben; maar de verwantschap van de Macrauchenia tot
het guanaco, thans een bewoner van de onvruchtbaarste gedeelten,
verklaart deze moeilijkheid ten deele.
De, ofschoon verre, verwantschap tusschen de Macrauchenia en het
guanaco, tusschen den Toxodon en de Capybara; de nauwere verwantschap
tusschen de vele uitgestorvenen Edentata en de levende luiaards,
miereneters en armadillen, die nu zulk een uitstekend kenmerk
vormen in de zoölogie van Zuid-Amerika; en eindelijk de nog nauwere
verwantschap tusschen de fossiele en levende soorten van Ctenomys en
Hydrochoerus--zijn zeer belangwekkende feiten. Deze verwantschap blijkt
verwonderlijk--even treffend als tusschen de fossiele en uitgestorven
Buideldieren van Australië--uit de groote verzameling, die onlangs door
Lund en Clausen uit de holen van Brazilië naar Europa is gebracht. In
deze verzameling zijn uitgestorven soorten van al de 32 geslachten
der land-viervoeters (op 4 na), die nu de provinciën bewonen waarin de
holen liggen. En de uitgestorven soorten zijn veel talrijker dan de nu
levende: er zijn fossiele miereneters, armadillen, tapirs, pecaris,
guanaco's, opossums, talrijke Zuidamerikaansche knaagdieren en apen,
alsmede andere dieren. Deze wonderlijke verwantschap op hetzelfde
vasteland tusschen de dooden en de levenden zal, ongetwijfeld,
later op de verschijning van organische wezens op onze aarde en
hunne verdwijning daarvan meer licht werpen dan eenige andere klasse
van feiten.
Het is onmogelijk over den veranderden toestand van het Amerikaansche
vasteland anders dan met de diepste verbazing na te denken. Voorheen
moet het gewemeld hebben van groote monsters; nu vinden wij slechts
dwergen, in vergelijking met de vroegere verwante rassen. Indien
Buffon van den reusachtigen luiaard, de armadil-achtige dieren en
verdwenen Pachydermata geweten had, zou hij met meer schijn van
waarheid hebben kunnen zeggen, dat de scheppende kracht in Amerika
haar vermogen had verloren, dan dat zij nooit groote werking had
gehad. De meeste dezer uitgestorven viervoeters, zoo niet alle,
leefden in een laat tijdperk, en waren tijdgenooten van de meeste nu
bestaande zeeschelpdieren. Sedert den tijd dat zij leefden, kan in
den vorm van het land geen zeer groote verandering hebben plaats gehad.
Wat heeft dan zooveel soorten en geslachten uitgeroeid? In 't eerst is
de geest onweerstaanbaar geneigd om aan eene groote ramp te denken;
maar om dieren, groote en kleine, uit te roeien in Zuid-Patagonië,
Brazilië, op de Cordilleras in Peru, en in Noord-Amerika tot aan
de Behring-Straat, moeten wij het geheele wereldspantwerk doen
waggelen. Bovendien leidt een geologisch onderzoek van La Plata
en Patagonië tot de overtuiging, dat alle vormen van het land uit
langzame en trapswijs voortgaande veranderingen ontstaan.
Uit het kenmerk der fossielen in Europa, Azië, Australië, Noord-
en Zuid-Amerika blijkt, dat die voorwaarden welke gunstig zijn
voor het leven der grootere viervoeters, niet lang geleden zich
even ver uitstrekten als de wereld zelve. Welke die voorwaarden
waren, dat heeft niemand zelfs maar vermoed. Moeilijk kon het
eene temperatuurs-verandering zijn, die ongeveer tegelijktijdig
de bewoners van tropische, gematigde en poolgewesten op beide
halfronden verdelgde. Door Lyell weten wij met zekerheid, dat de groote
viervoeters in Noord-Amerika leefden na het tijdperk toen zwerfblokken
naar breedten werden vervoerd, waarop ijsbergen nu niet komen; om
overtuigende, maar indirecte redenen kunnen wij zeker zijn, dat ook de
Macrauchenia in het zuidelijk halfrond leefde lang na de ijsbeweging in
de zwerfblokkenperiode. Was het de mensch, zooals men gemeend heeft,
die na zijne eerste komst in Zuid-Amerika het logge Megatherium
en de andere Edentata uitroeide? Wat de verdelging van den kleinen
tucutuco te Bahia Blanca, van de vele fossiele muizen en andere kleine
viervoeters in Brazilië betreft, moeten wij althans eene andere reden
zoeken. Niemand zal wanen, dat eene droogte, zelfs veel strenger dan
die welke zulke verwoestingen in de provinciën van La Plata aanrichtte,
alle individuën van elke soort vernietigen kon van af Zuid-Patagonië
tot aan de Behring-Straat. Wat te zeggen van de uitsterving van
het paard? Ontbrak het aan gras op die onmetelijke vlakten, later
overstroomd door duizenden en honderdduizenden nakomelingen van het
geslacht, dat door de Spanjaarden werd ingevoerd? Hebben de later
ingevoerde soorten het voedsel verbruikt van de groote voorgaande
rassen? Mogen wij gelooven, dat de Capybara het voedsel heeft genomen
van den Toxodon, het Guanaco van de Macrauchenia, de nu levende
kleine Edentata van hunne talrijke reusachtige prototypen? In de
lange geschiedenis der wereld is voorzeker geen feit zoo verrassend,
als de groote en herhaalde uitroeiingen van hare bewoners.
Beschouwen wij de zaak echter uit een ander oogpunt, dan zal
zij minder ingewikkeld schijnen. Wij bedenken niet steeds, hoe
diep onwetend wij zijn omtrent de levensvoorwaarden van elk dier:
herinneren ons niet altijd dat er eene oorzaak is, die de te snelle
toename van elk georganiseerd wezen in den natuurstaat voortdurend
belemmert. De voorraad voedsel blijft gemiddeld dezelfde; daarentegen
bestaat bij elk dier de neiging om door voortplanting in geometrische
reden toe te nemen; en nergens zijn de verrassende gevolgen daarvan op
treffender wijze gebleken, dan in Amerika, waar de Europeesche dieren
gedurende de paar laatste eeuwen in 't wild loopen. In den natuurstaat
teelt elk dier geregeld; toch is bij eene lang gevestigde soort eene
sterke getaltoename blijkbaar onmogelijk en moet door eene of andere
oorzaak belet worden. Intusschen zijn wij maar zelden in staat bij
eene gegeven soort met zekerheid te zeggen, in welke levensperiode
of in welken tijd van het jaar die storing valt: of zij alleen na
lange tusschentijden optreedt, en wat er de juiste oorzaak van is. Zoo
komt het waarschijnlijk, dat wij zoo weinig verwonderd zijn, als van
twee soorten die in gewoonten na aan elkander zijn verwant, de eene
zeldzaam en de andere overvloedig is in hetzelfde district; of ook als
de eene overvloedig is in dit of in dat district, en de tweede, die in
de huishouding der natuur dezelfde plaats inneemt, overvloedig in een
naburig district met zeer gering verschil in toestanden. Naar de reden
hiervan vragende, antwoordt men onmiddellijk, dat dit veroorzaakt wordt
door een gering verschil in klimaat, voedsel of het getal vijanden;
maar hoe zelden, of nooit, kunnen wij de juiste oorzaak der storing en
hare wijze van werking aangeven! Wij komen dus tot de noodzakelijke
gevolgtrekking, dat in 't algemeen voor ons onwaarneembare oorzaken
bepalen of eene soort overvloedig of schaarsch in aantal is.
In de gevallen waar wij het uitroeien van eene soort door den mensch,
hetzij geheel of in een beperkt district, kunnen nagaan, weten wij
dat zij gaandeweg zeldzamer wordt, en dan verdwijnt. Het zou echter
moeilijk zijn een juist onderscheid aan te geven [165] tusschen
eene soort die door den mensch, en eene die door de toename harer
natuurlijke vijanden wordt verdelgd. Het bewijs van zeldzaamheid, welke
het uitsterven voorafgaat, is, zooals verscheidene bekwame waarnemers
opgemerkt hebben, nog treffender in de opvolgende tertiaire lagen,
waar dikwijls bevonden is, dat eene schelp die in zulk eene laag zeer
algemeen is, thans hoogst zeldzaam, en zelfs lang als uitgestorven
beschouwd is. Indien dus--wat waarschijnlijk lijkt--soorten eerst
zeldzaam worden en dan uitsterven; indien de al te snelle toename van
elke soort, zelfs de meest begunstigde, gestadig wordt belemmerd,
zooals wij moeten aannemen, ofschoon moeilijk te zeggen is hoe en
wanneer; en indien wij zonder de minste verbazing zien--hoewel niet
in staat de juiste oorzaak aan te wijzen--dat in hetzelfde district
de eene soort overvloedig en de andere naverwante zeldzaam is: waarom
dan zoo verwonderd te zijn als die zeldzaamheid een stap verder, in
uitsterving overgaat? Eene werking, die overal om ons heen plaats
grijpt en toch nauwelijks waarneembaar is, kan zeker iets verder
worden geleid, zonder onze opmerkzaamheid te wekken.
Wien zou het zoo verwonderen als hij hoorde, dat de Megalonyx voorheen
zeldzaam was, vergeleken met het Megatherium; of dat een der fossiele
apen gering in aantal was vergeleken met een der nu levende? En
toch zouden wij in deze betrekkelijke zeldzaamheid het duidelijkste
bewijs hebben, dat de voorwaarden voor hun bestaan minder gunstig
waren. Toegeven, dat soorten in 't algemeen zeldzaam worden voordat
zij uitsterven; niet verwonderd zijn over de zeldzaamheid eener soort
vergeleken met eene andere; maar nochtans eene buitengewone werkende
kracht aannemen en groote verwondering toonen als eene soort ophoudt
te bestaan--schijnt mij zoo ongeveer hetzelfde, als toegeven dat
ziekte bij het individu de voorbode is des doods; niet verwonderd
zijn over de ziekte, maar wel zich verwonderen als de zieke sterft,
en gelooven dat hij door geweld stierf.
HOOFDSTUK IX.
DE SANTA CRUZ, PATAGONIË EN DE FALKLANDS-EILANDEN.
[13 April 1834.]
De Beagle ankerde in de monding van de Santa Cruz, eene rivier
omstreeks 60 mijlen ten zuiden van Port St.-Julian gelegen. Gedurende
zijne laatste reis, voer kapitein Stokes haar 30 mijlen op,
maar was, wegens gebrek aan levensmiddelen, verplicht terug te
keeren. Behalve hetgeen destijds ontdekt werd, was omtrent deze
groote rivier nagenoeg niets bekend. Kapitein Fitz-Roy besloot nu
haren loop te volgen, voorzoover de tijd het toeliet. Op den 18den
voeren drie walvischbooten uit, met leeftocht voor drie weken,
terwijl de bemanning, uit 25 koppen bestaande, sterk genoeg was om
desnoods eene bende Indianen te weerstaan. Door een sterk vloedtij
en fraai weder begunstigd, legden wij een flinken weg af, dronken
spoedig wat van het zoete water, en waren tegen den avond bijna boven
den invloed van het getij. De rivier bezat hier eene grootte en een
aanblik, die zelfs op het hoogste punt dat wij later bereikten, bijna
niet verminderden. Zij was in 't algemeen 300 tot 400 yards breed,
en in het midden ongeveer 17 voet diep. De snelheid van den stroom,
die over zijn geheelen loop van 4 tot 6 knoopen in 't uur aflegt, is
wellicht zijne merkwaardigste eigenschap. Het water bezit eene fraaie
blauwe kleur, maar met eene lichte melkachtige tint, en is niet zoo
doorschijnend als men op 't eerste gezicht wel zou verwachten. De
stroom vloeit door een bed van kiezelsteenen, zooals die waaruit de
oevers en de omringende vlakten bestaan, en slingert zich in bochten
door eene vallei, die zich lijnrecht naar het westen uitstrekt. De
breedte dezer vallei wisselt af tusschen 5 en 10 mijlen, en wordt
begrensd door trapvormige terrassen, die zich op de meeste plaatsen
boven elkander tot 500 voet hoogte verheffen, en aan beide zijden
eene merkwaardige overeenkomst bezitten.
[19 April.]