Als men over deze landen spreekt, moet de wijze waarop zij door hun

onnatuurlijken bloedverwant, Spanje, zijn opgeleid, altijd in 't oog

worden gehouden. Over het geheel moet men misschien meer achting

hebben voor hetgeen gedaan is, dan schimpen op hetgeen er te kort

komt. Onmogelijk kan men betwijfelen of het buitengewone liberalisme

dezer landen zal ten slotte tot goede uitkomsten leiden. De zeer

algemeene verdraagzaamheid van vreemde godsdiensten; de aandacht,

die men aan de middelen van opvoeding schenkt; de vrijheid der pers;

de gemakken, die aan alle vreemdelingen geboden worden, en vooral

(moet ik er bijvoegen) aan elk, die ook maar de geringste aanspraak

op wetenschap maakt--dit alles dient met dankbaarheid herdacht te

worden door hen, die Spaansch Zuid-Amerika bezocht hebben.

[6 December.]

De Beagle zeilde de Rio Plata uit, om nooit weer haren modderigen

stroom binnen te varen. Onze koers was gericht naar Port Desiré op

de kust van Patagonië. Eer ik verder ga, zal ik hier eenige op zee

gedane waarnemingen vermelden.

Menigmaal, toen het schip eenige mijlen van den mond der Plata, en

andere keeren toen het ver van de Noord-Patagonische kust verwijderd

was, zijn wij door insecten omringd geworden. Op zekeren avond, toen

wij ongeveer 10 mijlen van de Baai San Bias waren, zagen wij eene

menigte kapellen, die zich in troepen of zwermen van tallooze myriaden

uitstrekten zoover het oog reikte. Zelfs met een kijker konden wij

geen plek zien, die vrij van deze insecten was. De zeelieden zeiden,

dat het witjes sneeuwde; en zoo scheen het ook werkelijk. Er was

meer dan ééne species; maar het grootste aantal behoorde tot eene

soort, die zeer op de gewone Engelsche Colias edusa geleek, doch

niet dezelfde was. Eenige vlinders en Hymenoptera (Vliesvleugeligen)

[151] vergezelden de kapellen; en een fraaie kever (Calosoma) vloog

aan boord. Andere gevallen zijn bekend, dat deze kever ver in zee

gevangen is; en dit is te merkwaardiger, omdat de meeste Carabidae

(Loopkevers) zelden of nooit opvliegen. Het was een fraaie en kalme

dag geweest, en evenzoo daags te voren, met zwakke, afwisselende

luchtbeweging. Wij kunnen dus niet aannemen, dat de insecten van land

af gewaaid waren, maar moeten besluiten, dat zij vrijwillig waren

opgevlogen. Oppervlakkig schijnen de groote zwermen van Colias een

voorbeeld te geven gelijk aan de bekende trektochten, van eene andere

kapel (Vanessa cardui) [152] maar de aanwezigheid van andere insecten

maakt de zaak anders en zelfs minder verklaarbaar. Vóór zonsondergang

stak een sterke bries uit het noorden op, en deze moet tienduizenden

kapellen en andere insecten hebben doen omkomen.

Bij eene andere gelegenheid, toen wij 17 mijlen van Kaap Corrientes

waren, had ik een net overboord geworpen om pelagische dieren te

vangen. [153] Bij het optrekken vond ik er, tot mijne verbazing,

een groot aantal kevers in; en hoewel in volle zee, schenen zij door

het zoute water niet veel geleden te hebben. Eenige exemplaren gingen

verloren; maar die, welke ik bewaarde, behoorden tot de geslachten

Colymbetes, Hydroporus, Hydrobius (2 soorten), Notaphus, Cynucus,

Adimonia en Scarabaeus.

Eerst dacht ik, dat deze insecten van het strand afgewaaid waren;

maar overwegende, dat vier van de acht soorten in hare leefwijze

uitsluitend, en twee andere gedeeltelijk waterspecies waren, scheen

mij het waarschijnlijkst, dat zij door een kleinen stroom die een

meer bij Kaap Corrientes afwatert, naar zee gedreven waren. In welke

onderstelling ook, schijnt het toch een belangrijk feit 17 mijlen

van de dichtst bij zijnde landpunt levende insecten in volle zee

te zien zwemmen. Er bestaan verscheidene verhalen, dat insecten

van het strand van Patagonië in zee gewaaid zijn. Kapitein Cook

nam dit geval waar, en in lateren tijd evenzoo kapitein King op de

Adventure. De oorzaak is waarschijnlijk toe te schrijven aan het gemis

van beschutting door boomen en bergen; zoodat een vliegend insect,

door eene strandbries gedreven, zeer wel naar zee gewaaid zou kunnen

worden. Het belangrijkste voorbeeld, dat ik gezien heb van een insect,

dat ver van land gevangen werd, was dat van een grooten sprinkhaan

(Acrydium), die aan boord vloog, toen de Beagle bovenwinds van de

Kaap-Verdische Eilanden was, en de dichtst bij zijnde, niet recht

tegenover den passaat gelegen landpunt was Kaap Blanco aan de

Afrikaansche kust, op 370 mijlen afstand. [154]

Toen de Beagle zich in den mond der Rio Plata bevond, is het tuig

meermalen met het web van de herfstdraad-spin bedekt geworden. Op

zekeren dag (1 November 1832) besteedde ik aan dit onderwerp al mijne

aandacht. Het was fraai en helder weêr geweest, en des morgens was de

lucht vol pluisjes van dat vlokkig weefsel, evenals op een herfstdag in

Engeland. Het schip bevond zich 60 mijlen van het land in de richting

van eene stijve hoewel zwakke bries. Groote menigten van eene kleine

spin, ongeveer een tiende inch lang en van eene donkerroode kleur,

waren aan de webben gehecht. Ik vermoed, dat er wel eenige duizenden

stuks op het schip bijeen waren. Op het oogenblik, dat het spinnetje

't eerst met het tuig in aanraking kwam, zat het altijd op een enkelen

draad, en niet op de vlokkige massa, die eenvoudig schijnt te ontstaan

door de verwarring der enkele draden. De spinnen waren alle van ééne

soort, maar van beide seksen en vergezeld van hare jongen. Behalve

door geringere grootte, onderscheiden de laatsten zich door hare

donkerder kleur. Ik zal geen beschrijving van deze spin geven, maar

alleen zeggen, dat zij mij tot geen enkele van Latreille's geslachten

schijnt te behooren. [155] Zoodra de kleine luchtreizigster aan boord

kwam, werd zij zeer ijverig, liep rond, liet zich somtijds vallen en

klom dan langs denzelfden draad weer naar boven; soms was zij bezig

met het maken van een kleine en zeer onregelmatige maas in de hoeken

tusschen de touwen. Zij kon gemakkelijk over het water loopen. Stoorde

men haar, dan hief zij de voorpooten op, als nam zij eene afwachtende

houding aan.

Terstond bij hare aankomst scheen zij zeer dorstig en dronk zij

met uitgestoken kaken gretig van de druppels water: welk feit ook

door Starck is waargenomen. Zou dit niet een gevolg hiervan zijn,

dat het insect door een drogen en ijlen dampkring is gegaan? Zijn

weefselvoorraad scheen onuitputtelijk. Terwijl ik eenigen gadesloeg,

die aan een enkelen draad hingen, zag ik verscheidene malen, dat

de minste luchtbeweging ze in horizontale richting uit het gezicht

voerde. Bij eene andere gelegenheid (25 November) zag ik onder gelijke

omstandigheden dezelfde soort kleine spin, nadat zij op eene kleine

verhevenheid gezet of gekropen was, herhaaldelijk haar abdomen

(onderlijf) oprichten, een draad uitschieten, en dan horizontaal

wegzeilen met eene snelheid, die in 't geheel niet te bepalen was. Ik

meende te kunnen bespeuren dat de spin, eer zij die voorbereidende

stappen deed, hare pooten met de fijnste draden verbond, doch weet

niet zeker of deze opmerking juist was.

Te Santa Fé had ik eens eene betere gelegenheid om eenige van die

feiten waar te nemen. Eene spin, ongeveer 0.3 inch lang en die

naar het uiterlijk in 't algemeen op een Citigradus of loopspin

geleek (zij verschilde dus geheel van de herfstdraad-spin), schoot,

terwijl zij op den nok van een paal stond, vier of vijf draden uit

haar spintoestel. Deze in de zon glinsterende draden kon men bij

divergeerende lichtstralen vergelijken; zij waren echter niet recht,

maar golvend als vloszijde waarin de wind speelt. Zij waren meer

dan een yard lang en liepen uit alle openingen in stijgende richting

uiteen. Eensklaps liet toen de spin haar steunpunt op den paal los,

en was spoedig uit het oog verdwenen. Het was heet en schijnbaar

bladstil; maar onder zulke omstandigheden kan de lucht nooit zoo

rustig zijn, dat zij een zoo fijnen wimpel als een spinragdraad

niet in beweging brengt. Als wij op een warmen dag naar de schaduw

van een voorwerp op een oever, of over eene effene vlakte naar een

verwijderd baken kijken, is de werking van een opstijgenden warmen

luchtstroom bijna altijd zichtbaar; men heeft opgemerkt, dat zulke

opwaartsche stroomen ook blijken uit het stijgen van zeepbellen,

die binnenskamers niet opgaan. Het zal dus, denk ik, niet veel moeite

kosten de stijging der fijne draden, die uit het lichaam eener spin

steken, en daarna die van de spin zelve te begrijpen. De divergentie

of afwijking der draden heeft, geloof ik, Murray uit hun gelijknamigen

electrischen toestand pogen te verklaren. Het feit, dat spinnen van

dezelfde soort maar van verschillende sekse en leeftijd, in groot

aantal aan hare draden gehecht, dikwijls vele leagues ver van land

gevonden worden, maakt het waarschijnlijk, dat de gewoonte om door de

lucht te zeilen even kenmerkend is voor dezen stam, als die van het

duiken voor de Argyroneta. Wij mogen dan Latreille's onderstelling,

dat de herfstdraden hun ontstaan zonder onderscheid aan de jongen van

verschillende spinnengeslachten te danken hebben, verwerpen: zeker

is het, dat de jongen van andere spinnen, gelijk wij gezien hebben,

het vermogen bezitten om luchtreizen te doen. [156]

Op onze verschillende tochten ten zuiden der La Plata, sleepte

ik dikwijls een net van vlaggedoek achteraan en ving aldus vele

zeldzame dieren. Van Crustacea (Kreeftdieren) waren er vele vreemde

en onbeschreven geslachten. Een, die in sommige opzichten aan de

Notopoda verwant is (nl. die krabben, wier achterpooten bijna op den

rug geplaatst zijn, met het doel zich aan de onderzijde der rotsen

te hechten), is zeer merkwaardig om den bouw van hun achterste

paar pooten. De voorlaatste geleding eindigt, in plaats van in een

enkelvoudigen klauw, in drie borstelvormige aanhangsels van ongelijke

lengte, waarvan het grootste zoo lang is als de geheele poot. Deze

klauwen zijn zeer dun, en met de fijnste tanden bezet, die naar

achteren zijn gericht; hunne gebogen einden zijn afgeplat, en op

dit gedeelte bevinden zich vijf zeer kleine bekervormige organen,

die schijnen te werken evenals de zuigers op de armen van den

inktvisch. Daar het dier in volle zee leeft en waarschijnlijk eene

rustplaats behoeft, vermoed ik, dat deze fraaie en zeer afwijkende

bouw is aangepast om zich aan drijvende zeedieren vast te houden.

In diep water, ver van het land, is het aantal levende wezens uiterst

gering; zuidelijk van 35° breedte, kon ik nooit iets anders vangen

dan eenige beroë, [157] en enkele kleine soorten Entomostraca. [158]

In meer ondiep water, op enkele mijlen afstand van de kust, treden

vele soorten Crustacea benevens eenige andere dieren in groot aantal

op, doch alleen gedurende den nacht. Tusschen 56° en 57° breedte,

ten zuiden van Kaap Hoorn, werd het net verscheidene keeren achter

uitgeworpen; maar nooit bracht het iets anders boven dan enkele

exemplaren van twee uiterst kleine soorten Entomostraca. Niettemin zijn

walvisschen en robben, Petervogels (Thalassidroma pelagica) [159] en

albatrossen overal in dit deel van den oceaan zeer overvloedig. Het

is voor mij altijd een raadsel geweest, waarvan de albatros, die

ver van het strand leeft, bestaan kan; ik vermoed, dat hij, evenals

de Condor, lang kan vasten, en dat één goed maal aan het lijk van

een rottenden walvisch voor langen tijd genoeg is. De midden- en

tusschenkeerkrings-gedeelten van den Atlantischen Oceaan wemelen van

Pteropoda, Crustacea en Radiata; van hunne verslinders, de Vliegende

Visschen (Exocoetus volitans); en eindelijk van de verslinders van

deze, de Bonitos en Albicoros. [160] Ik veronderstel, dat de talrijke

lagere pelagische dieren zich voeden met de Infusoria, die, zooals

nu uit Ehrenberg's onderzoekingen bekend is, overvloedig in volle

zee voorkomen. Maar waarvan leven deze infusoria in het heldere

blauwe water?

Toen wij in een zeer donkeren nacht even ten zuiden van de Rio

de la Plata zeilden, bood de zee een wondervol en zeer prachtig

schouwspel. Er woei eene frissche bries, en elk deel van het

zeeoppervlak dat men bij dag als schuim ziet, gloeide nu met een bleek

licht. Het schip stuwde vóor zijn boeg twee baren vloeibaren phosphorus

uit, en werd in zijn zog door een melkachtig spoor gevolgd. Zoover het

oog reikte, was de kruin van elke golf helder; en door den glanzigen

weerschijn dezer loodkleurige vlammen, was de lucht boven den horizon

niet zoo geheel donker als onder het hemelgewelf.

Verder zuidwaarts gaande, is de zee zelden phosphoresceerend;

ter hoogte van Kaap Hoorn herinner ik mij niet haar meer dan

eenmaal zoo gezien te hebben en toen was het verschijnsel ver

van schitterend. Deze omstandigheid staat waarschijnlijk in nauw

verband met de schaarschheid aan organische wezens in dat gedeelte

van den oceaan. Na het doorwrochte geschrift van Ehrenberg over het

phosphoresceeren der zee, is het bijna overbodig van mijn kant eenige

opmerkingen over het onderwerp te doen. Ik wil er echter bijvoegen,

dat dezelfde gescheurde en onregelmatige deeltjes geleiachtige stof,

door Ehrenberg beschreven, in het zuidelijk zoowel als in 't noordelijk

halfrond de gemeenschappelijke oorzaak van dit phosphoresceeren

schijnen te zijn. De deeltjes waren zoo klein, dat zij gemakkelijk

door fijn gaas gingen; toch waren vele duidelijk met het bloote

oog zichtbaar. Water, in een groot glas geschonken en geschud, gaf

vonken af; maar eene kleine hoeveelheid op een horlogeglas gaf bijna

nooit licht. Ehrenberg zegt, dat die deeltjes alle een zekeren graad

van prikkelbaarheid behouden. Mijne waarnemingen, waarvan enkele

terstond na het ophalen van het water genomen werden, gaven eene

andere uitkomst. Ook wil ik het volgende vermelden: toen ik eens

des nachts het net gebruikt, daarna gedeeltelijk had laten drogen,

en twaalf uur later gelegenheid had het opnieuw te gebruiken, vond ik

de geheele oppervlakte even helder vonkelend, als toen het pas uit het

water was gehaald. Het komt mij in dit geval niet waarschijnlijk voor,

dat de diertjes zoo lang in 't leven hebben kunnen blijven. Eens toen

ik eene zeekwal van het geslacht Dianaea bewaarde tot zij dood was,

begon het water waarin zij lag, te lichten. Ik geloof, dat als de

golven met helder groene vonken schitteren, dit in 't algemeen aan

kleine Crustacea is toe te schrijven. Er kan echter geen twijfel

bestaan, of zeer vele andere pelagische dieren phosphoresceeren,

als zij levend zijn.

Bij twee gelegenheden heb ik de zee op aanzienlijke diepte onder

de oppervlakte zien lichten. Nabij de monding van de Plata blonken

eenige cirkelvormige en eironde plekken, van twee tot vier yards

in middellijn en met duidelijke omtrekken, in een bestendig maar

bleek licht, terwijl het water er om heen slechts enkele vonken

uitstraalde. Het verschijnsel geleek op eene weerspiegeling van de

maan of ander lichtend voorwerp; want de randen waren gebogen door de

golvingen van het zeeoppervlak. Het schip, dat 13 voet diepgang had,

ging over deze plekken heen zonder er verandering in te brengen. Wij

moeten dus onderstellen, dat er eenige dieren bijeengehoopt waren op

grootere diepte dan de bodem van het schip.

Nabij Fernando Noronha was het lichten der zee straalvormig. Het

verschijnsel geleek veel op wat men zien zou als een groote visch zich

snel door eene lichtende vloeistof bewoog. Aan deze oorzaak schreven

de zeelieden het toe; maar destijds koesterde ik daaromtrent eenigen

twijfel wegens de talrijkheid en snelheid der stralen. Reeds heb ik

opgemerkt, dat het verschijnsel veel meer algemeen is in warme dan in

koude streken; en soms heb ik gemeend, dat een gestoorde electrische

toestand van den dampkring de gunstigste factor voor zijn ontstaan

was. Ik geloof zeker, dat het lichten der zee het sterkst is na enkele

dagen van kalmer weder dan gewoonlijk, als wanneer het gewemeld heeft

van allerlei dieren. Na opgemerkt te hebben, dat het met geleiachtige

deeltjes bezwangerde water in een onzuiveren staat verkeert, en dat

het lichtverschijnsel in alle gewone gevallen wordt voortgebracht door

de beweging der vloeistof in aanraking met den dampkring, ben ik tot

de beschouwing geneigd, dat de phosphorescentie het gevolg is van de

ontbinding der organische deeltjes: door welk proces (bijna is men

geneigd het eene soort ademhaling te noemen) de zee gezuiverd wordt.

[23 December.]

Wij kwamen te Port Desiré, op 47° breedte aan de kust van Patagonië

gelegen. De kreek loopt ongeveer 20 mijlen landwaarts in en heeft eene

onregelmatige wijdte. De Beagle ankerde enkele mijlen de kreek in,

tegenover de puinhoopen eener oude Spaansche nederzetting.

Denzelfden avond ging ik aan land. Het eerste landen in eene

nieuwe streek is zeer belangwekkend, en vooral wanneer, zooals nu,

het geheele landschap den stempel draagt van een scherp omlijnd en

eigendommelijk karakter. Ter hoogte van 2 tot 300 voet boven eenige

porfiergesteenten strekte zich eene groote vlakte uit, die inderdaad

kenmerkend is voor Patagonië. De oppervlakte is geheel effen en bestaat

uit ronde keisteenen, vermengd met eene witachtige aarde. Hier en

daar verspreid groeien bosjes bruin dradig gras, en nog spaarzamer

eenige lage doornboschjes. Het klimaat is droog en aangenaam; en de

fraaie blauwe lucht wordt maar zelden verdonkerd. Staat men midden op

een dezer verlaten vlakten en wendt men den blik naar de landzijde,

dan wordt het uitzicht in 't algemeen begrensd door de steilte van

eene andere vlakte, welke iets hooger, maar even effen en verlaten

is; en in elke andere richting is de horizon onduidelijk door de

trillende luchtspiegeling, die uit de verhitte oppervlakte schijnt

voort te komen.

In zulk eene streek was het lot der Spaansche nederzetting weldra

beslist: de droogte van het klimaat gedurende het grootste deel

van het jaar, en nu en dan de vijandelijke aanvallen der zwervende

Indianen, noodzaakten de kolonisten hunne halfvoltooide woningen

te verlaten. Niettemin toont de stijl waarin zij waren aangelegd,

Spanje's krachtige en onbekrompen hand in oude tijden. De uitslag van

alle pogingen om dit deel van Amerika ten zuiden van 41° breedte te

koloniseeren, is ellendig geweest. Port Famine drukt door haar naam,

Hongerhaven, het kwijnend en vreeselijk lijden uit van vele honderden

ongelukkige lieden, van wie slechts één in 't leven bleef, om hunne

rampen te vertellen. Bij St.-Jozef's Baai, aan de Patagonische kust,

werd eene kleine kolonie gevestigd; maar op een Zondag deden de

Indianen een aanval en vermoordden de geheele nederzetting, behalve

twee mannen, die vele jaren in gevangenschap bleven. Aan de Rio Negro

sprak ik met een dezer mannen, die nu op zeer hoogen leeftijd is.

De Zoölogie van Patagonië is even beperkt als zijne Flora. [161] Op

de dorre vlakten kon men een paar zwarte kevers (Heteromera) langzaam

zien rondkruipen; en soms schoot een hagedis langs ons heen. Van

vogels vonden wij drie aas-valken, en in de dalen enkele vinken

en insecten-eters. Een ibis (Theristicus melanops--eene soort die,

naar men zegt, in Midden-Afrika gevonden wordt) is op de eenzaamste

gedeelten niet zeldzaam. In hunne magen vond ik sprinkhanen, krekels,

kleine hagedissen en zelfs schorpioenen. [162] Den eenen tijd van het

jaar trekken deze vogels rond in troepen, op een anderen bij paren; hun

kreet is zeer luid en zonderling, evenals het gehinnik van het guanaco.

Het guanaco, of wilde lama, is de kenmerkende viervoeter der

Patagonische vlakten en tevens de Zuidamerikaansche plaatsvervanger

van den kameel in het oosten. In natuurstaat is het een fraai dier,

met langen ranken hals en fijne pooten. Het komt veel voor in alle

gematigde deelen van het vasteland: in 't zuiden tot aan de eilanden

bij Kaap Hoorn. Meestal leeft het in kleine troepen, van zes tot

dertig stuks elk; maar aan de oevers der Santa Cruz zagen wij een

troep, die er minstens 500 moet hebben geteld.

In het algemeen zijn deze dieren wild en uiterst op hunne

hoede. Mr. Stokes vertelde mij, dat hij door een kijker eens een troep

van deze dieren, die blijkbaar verschrikt waren, in vollen ren had

zien wegloopen, ofschoon hun afstand zoo groot was, dat hij hen met

het bloote oog niet kon onderscheiden. De jager ontvangt dikwijls het

eerste sein van hunne tegenwoordigheid, doordien hij op verren afstand

hun eigenaardigen, schellen, hinnikenden alarmkreet hoort. Indien hij

dan goed kijkt, zal hij den troep waarschijnlijk op eene rij zien

staan aan den kant van een afgelegen heuvel. Komt men dichter bij,

dan worden nog eenige schelle kreten geuit, en verwijderen zij zich

in een schijnbaar langzamen, doch inderdaad snellen galop, langs een

smal gebaand pad naar een naburigen heuvel. Zoo hij echter toevallig

eensklaps een enkelen of velen tegelijk ontmoet, zullen zij meestal

roerloos blijven staan en hem opmerkzaam aanzien; dan misschien een

paar yards wegloopen, zich omkeeren, en weer kijken. Wat is de oorzaak

van dit verschil in hunne schuwheid? Zien zij van verre een mensch

voor hun hoofdvijand, den puma, aan? Of wint de nieuwsgierigheid het

van hunne beschroomdheid? Dat zij nieuwsgierig zijn, is zeker; want

als iemand op den grond ligt en zonderlinge potsen maakt, bijv. door

zijn voet in de hoogte te steken, zullen zij bijna altijd dichter

bij komen, om hem te verkennen. Deze kunstgreep werd herhaaldelijk

door onze jagers met geluk toegepast, en had bovendien het voordeel,

dat verscheidene schoten gelost konden worden, welke alle werden

opgevat als tot het spel behoorende. Op de bergen van Tierra del

Fuego (Vuurland) heb ik meer dan eens een guanaco gezien, dat,

als men het naderde, niet alleen hinnikte en gilde, maar op bijna

belachelijke manier steigerde en sprong, schijnbaar tartend, als

gold het eene uitdaging. Deze dieren worden zeer gemakkelijk getemd;

en in Noord-Patagonië heb ik eenige gezien, die zelfs zonder toezicht

of dwang in de nabijheid van een huis werden gehouden. In dezen staat

zijn zij zeer driest en vallen licht een mensch aan door hem met beide

knieën van achteren te stooten. Naar men beweert is de beweegreden

tot deze aanvallen jaloezie ten opzichte van hunne wijfjes. De wilde

guanaco's denken echter aan geen verdediging: zelfs één enkele hond zal

een dezer groote dieren in bedwang houden, totdat de jager opdaagt. In

vele hunner gewoonten zijn zij als schapen in eene kudde. Zien

zij bijv. in verschillende richtingen mannen te paard naderen, dan

worden zij spoedig verbijsterd en weten niet naar welken kant te

vluchten. Dit maakt de Indiaansche manier van jagen zeer gemakkelijk;

want zoo worden zij licht naar een middenpunt gedreven en omsingeld.

De guanaco's gaan gereedelijk te water; te Port Valdos zag men

hen vaak van het eene eiland naar het andere zwemmen. Byron zegt

in zijn reisverhaal, dat hij hen zout water zag drinken. Ook zagen

eenige Engelsche officieren bij Kaap Blanco eene kudde, die de zoute

vloeistof uit eene salina scheen te drinken. Ik denk, dat, als zij

in verschillende deelen van dit land geen zout water drinken, zij in

't geheel geen water drinken. Op het midden van den dag rollen zij

herhaaldelijk in schotelvormige holten in het zand. De mannetjes

vechten samen: eens gingen twee mij voorbij, die gillend elkander

trachtten te bijten; en verscheidene werden geschoten, wier huid

diep gekorven was. Soms schijnen er kudden op ontdekkingstochten

uit te gaan; te Bahia Blanca, waar deze dieren binnen 30 mijlen van

de kust uiterst zeldzaam zijn, zag ik eens de sporen van 30 of 40

stuks, die in rechte lijn naar eene modderige zoutwater-kreek waren

gegaan. Zij moeten toen bespeurd hebben, dat zij de zee naderden;

want met de regelmatigheid eener afdeeling cavalerie hadden zij zich

omgewend, en waren in eene even rechte lijn teruggekeerd als dat zij

gekomen waren. De guanaco's hebben eene zonderlinge gewoonte, die mij

geheel onverklaarbaar is, namelijk: dat zij dagen achtereen hun mest

op denzelfden bepaalden hoop laten vallen. Ik zag een dezer hoopen,

welke acht voet in middellijn was en eene groote hoeveelheid stof

bevatte. Volgens A. d'Orbigny is deze gewoonte aan alle soorten van

het geslacht eigen; voor de Peruaansche Indianen, die den mest als

brandstof gebruiken, is zij zeer nuttig, en wordt hun zoodoende de

moeite bespaard van hem te verzamelen.

De Reis om de Wereld · 第 16 / 56 段